Abonneer Log in

De bedreigde intellectuele en publieke rol van academici

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 9 (november), pagina 24 tot 30

De veranderingen die de universitaire wereld ondergaat, zijn met het Bologna-akkoord (1999) in een stroomversnelling terechtgekomen. Het akkoord heeft als doel de internationalisering en mobiliteit van studenten en docenten te stimuleren. In uitvoering van het akkoord zijn er geen kandidaturen of licenties meer, we hebben het nu over (professionele) bachelors en één- of tweejarig masters. Ook de personeelsbezetting heeft in vergelijking met twintig jaar geleden een metamorfose ondergaan. Er is een stijgend aantal onderzoekers en wetenschappelijke medewerkers, voornamelijk op het pre-doc niveau. De verhouding tussen professoren enerzijds en assistenten, aspiranten, wetenschappelijk personeel en bursalen anderzijds is hierdoor sterk gewijzigd. Het aantal plaatsen voor het zelfstandig academisch personeel (ZAP) is constant gebleven, het aantal onderzoekers is drastisch gestegen - sinds 1992 is het aantal junioronderzoekers verdubbeld.1 Vroeger hadden veel professoren tijdens hun hele loopbaan hooguit enkele assistenten en als deze goed genoeg waren konden ze ‘vrij gemakkelijk’ een academische carrière uitbouwen. De tijd van een dergelijk voorgeschreven parcours is voorbij. Er worden nu veel meer middelen voor onderzoek vrijgemaakt en professoren worden aangemoedigd veel onderzoekers rond zich te scharen en zoveel mogelijk doctoraten af te leveren. Dat er voor die mensen nauwelijks of geen toekomst is aan de academie2 is geen punt; er is immers ook een arbeidsmarkt buiten de universiteit. Cultuur- en gedragswetenschappers moeten er echter rekening mee houden dat een doctoraat door een potentiële werkgever niet altijd als troefkaart wordt beschouwd.3

Door het grote aantal doctorale onderzoekers is de betekenis van het doctoraat aan inflatie onderhevig en wordt concurrentie in de hand gewerkt. Dit heeft als voordeel dat de besten uitgeselecteerd kunnen worden. Het nadeel is dat mensen soms in ongezonde concurrentieverhouding met elkaar komen te staan want de trechter naar het post-doc niveau en zeker naar het docentenniveau is erg smal voor een steeds grotere groep van mensen. De stagnatie van het ZAP-kader zorgt er ook voor dat de begeleiding en omkadering van de groter wordende groep onderzoekers steeds meer onder druk komt te staan.4

Nieuwe publicatiecultuur

Door die concurrentie (maar niet alleen daardoor) heeft een nieuwe publicatiecultuur ingang gevonden, voornamelijk bij de jonge onderzoekers. Terwijl het vroeger kon volstaan om na vier, zes of zeven jaar een doctoraat af te leveren, is het doctoraat nu onvoldoende om met kans op succes te solliciteren naar een post-doc positie. Men moet niet alleen een doctoraat hebben, want dat heeft iedereen die post-doc wil worden, men moet vooral een goed dossier hebben. Buitenlandse studieverblijven en paperpresentaties op internationale congressen worden op prijs gesteld. Maar vooral moet de doctor internationale publicaties met peer review op zijn/haar naam hebben, liefst ISI-Thomson-publicaties opgenomen in the Web of Science.5 Het komt daarom steeds meer voor dat mensen doctoreren op artikels. Het doctoraat is dan geen afzonderlijk werkstuk meer, maar een bundeling van internationale artikels met een korte in- en uitleiding.
De internationalisering en de concurrentie hebben ook de verengelsing van de academische wereld aangemoedigd. Wie niet in het Engels schrijft en denkt, telt niet meer mee; wie niet in het Engels schrijft, geeft de indruk in minderwaardig onderzoek en in tweederangse onderzoeksoutput te investeren; en sterker, wie in het Nederlands schrijft, verdoet zijn/haar tijd.
Hoewel deze (publicatie)cultuur voornamelijk in de natuurwetenschappen kon gedijen, heeft ze ondertussen vaste voet gekregen in zowat alle faculteiten. Verdeelsleutels, beleidsplannen, begrotingen allerhande worden steeds meer op de leest van ISI-publicatie en -citatie geschoeid. Tot spijt van nogal wat cultuur- en gedragswetenschappers die dit als een kolonisering van hun domein beschouwen door een systeem dat voornamelijk in de positieve wetenschappen toegepast werd (en volgens sommigen alleen maar daar toepasselijk kan zijn).6 De nadruk komt hierbij steeds meer te liggen op het kwantificeerbare, terwijl (of omdat) de kwaliteit van onderzoek moeilijk te meten valt.

Financieringsdecreet hoger onderwijs in Vlaanderen

Ook het financieringsdecreet van minister Frank Vandenbroucke (sp.a), dat in het najaar van 2007 ter goedkeuring in het Vlaams Parlement voorligt en in werking treedt op 1 januari 2008, houdt in belangrijke mate rekening met meetbare outputgegevens.7 Naast een forfaitaire basisfinanciering krijgen de universiteiten middelen op basis van meetbare (output)gegevens, zowel voor onderwijs als voor onderzoek. De procentuele verhouding onderwijs/onderzoek is telkens 55/45. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van de minister om een vorm van ‘openlijke competitie’ te installeren tussen instellingen.8 Voor het gedeelte onderwijs worden het aantal studenten dat start, het aantal studiepunten dat succesvolle studenten behalen en de hoeveelheid diploma’s die worden afgeleverd in rekening gebracht. Dit alles wordt extra gewogen voor beursstudenten, werkstudenten en studenten met een functiebeperking. Voor het onderzoeksluik wordt rekening gehouden met het aantal uitgereikte diploma’s, met de hoeveelheid doctoraten, met het aantal nieuwe vrouwelijke ZAP-leden en (voor 30%) met wetenschappelijke publicaties én citaties. Over welk soort publicaties het gaat, daar spreekt het decreet zich niet helemaal over uit. De minister wil voornamelijk aansluiting zoeken bij de bestaande BOF-sleutels die tot hiertoe voornamelijk de ISI-publicaties en -citaties valideren.9 De minister staat echter open voor het verder verfijnen van het bibliometrische instrument, maar daarin moeten de universiteiten en wetenschappers zelf hun verantwoordelijkheid opnemen onder meer door zelf lijsten van kwaliteitspublicaties voor te leggen10, waarbij er ook ruimte gemaakt kan worden voor boekpublicaties.11
Minister Vandenbroucke is van mening dat de gegevens en parameters die gebruikt worden om financiële stromen tussen instellingen te verdelen, niet zomaar gebruikt mogen worden om intern de geldstromen naar faculteiten en disciplines te bepalen. De instellingen werken best een eigen allocatiemodel uit.12 De strijd tussen de faculteiten, vakgroepen en departementen onderling, dat is een zaak waar de bevoegde academische overheden eigen beleid voor moeten ontwikkelen. Het lijkt echter erg logisch dat de universiteiten de logica van het financieringsdecreet in belangrijke mate (en zeker op middellange termijn) zullen doortrekken. Waarom zouden ze immers faculteiten belonen die de universiteit niets opbrengen of faculteiten bestraffen die hen veel opbrengen? Men kan tijdelijk beroep doen op solidariteitsmechanismen tussen faculteiten, maar op langere termijn is dat onhoudbaar. Op dit moment is nog niet helemaal duidelijk wat de gevolgen van het decreet zullen zijn, maar het ziet er naar uit dat de menswetenschappen de dupe zouden kunnen zijn. De tendens die al enkele jaren aan de gang is, namelijk dat bijvoorbeeld faculteiten als Letteren en Wijsbegeerte steeds meer studenten hebben, maar steeds minder middelen krijgen (omdat onderwijs minder en onderzoeksoutput meer meetelt) zou in de nabije toekomst versterkt kunnen worden.

De intellectuele rol onder druk

In elke rede van een rector, decaan of minister over de universiteit en in tal van universitaire beleidsverklaringen wordt steeds aangegeven dat universiteiten en academici maatschappelijk een belangrijke rol te spelen hebben. Universiteiten moeten in het intellectuele debat ‘een voortrekkersrol’ spelen die gebaseerd is op de kritische wetenschappelijke deskundigheid die haar eigen is en ze moeten ‘het intellectuele leiderschap willen behouden om het kritische debat in de maatschappij gaande te houden en te voeden’.13 Nagenoeg niets in het huidige universitaire beleid wijst er echter op dat men dat ook meent.14
Het universitaire klimaat maakt het academici niet gemakkelijk om een intellectuele rol op zich te nemen, laat staan dat academici hiertoe gestimuleerd worden. Door enkel op internationale onderzoeksoutput te focussen komt de publieke intellectuele rol van academici in het gedrang, alleen al vanuit tijdsoverwegingen. Wie zich inlaat met engagement of het schrijven voor een breder publiek, kan niet tegelijk aan een internationale publicatie schrijven.15 Vulgariserend of opiniërend schrijven brengt een opportunity cost met zich mee: het vraagt tijd en inzet die men gezien het huidige academische klimaat beter kan besteden. Het ‘echte’ internationale onderzoekswerk en het publiek-intellectueel werk sluiten elkaar in principe zeker niet uit - soms werken deze twee heel complementair of versterkend op elkaar in - maar er zijn op dit moment de facto maar weinig stimuli voor academici om zowel internationaal, als nationaal laagdrempelig te publiceren. Dit laatste is trouwens niet alleen tijdrovend, het vereist ook bepaalde vaardigheden. Bovendien bestaat ook bij laagdrempelige publicaties het risico dat een redactie het stuk weigert of voor verbetering terugstuurt.
We hebben gewezen op de verengelsing en de publicatiedruk die het huidige academische klimaat kenmerken. Er is niets tegen het internationaal publiceren, integendeel. Het behoort vanzelfsprekend tot de taak van academici goed onderzoek af te leveren en dat in vaktijdschriften met peer review te publiceren. De wetenschap is gebaat met verspreiding van kennis en het kritisch bevragen van kennis. Publiceren en deelnemen aan congressen is hiervoor een must. Hier ligt het probleem niet, wel in het feit dat dit internationaal publiceren het enige is dat telt en dat steeds meer meewarig wordt gedaan over diegenen die zich nog inspannen om zich met het maatschappelijke debat in te laten en nationaal laagdrempelig publiceren.
Bijkomend resultaat is dat academici in toenemende mate niche- of trechterdenkers (moeten) worden.16 Het heeft geen zin om ‘breed’ over bepaalde onderwerpen, tijdvakken of probleemstellingen na te denken, dit krijg je toch niet gepubliceerd in artikels. Men kan zich het best terugtrekken in een gespecialiseerde, wetenschappelijke niche waartoe een (soms beperkte) internationale groep onderzoekers behoort die liefst goede contacten hebben met internationale (niche)tijdschriften. De ‘cultuur van het denken’ die de traditionele Humboldtiaanse en Kantiaanse universiteit eigen was, moet wijken voor een ‘cultuur van excellentie’ waarbij niet de vraag naar (het belang van) het onderzochte centraal staat, maar de manier waarop het onderzocht wordt en vooral de manier waarop het gemeten en gevaloriseerd kan worden.17 Minister Frank Vandenbroucke verwoordt het erg treffend: ‘Het gevoerde beleid om in onderzoek de universiteiten te financieren op basis van onderzoeksresultaten werpt trouwens duidelijk haar vruchten af. […] Financiering op basis van onderzoeksoutput leidt tot concentratie, efficiëntie en focus in het onderzoek.’18 Alsof onderzoek enkel op ‘concentratie’, ‘efficiëntie’ en ‘focus’ moet worden gewaardeerd…

Welke academici willen we?

Het is verdedigbaar dat bepaalde academici kiezen om zich in een wetenschappelijke ivoren toren terug te trekken. Wat niet verdedigbaar is, is het feit dat onze universiteiten enkel door zo’n ivoren-toren-wetenschappers zouden worden bevolkt. Dit zou een verschraling van onze democratie, onze cultuur, onze samenleving én onze universiteiten betekenen. Nationaal laagdrempelige publicaties dragen bij aan een bredere lokale verspreiding van academische inzichten en kunnen op die manier ook een maatschappelijke return realiseren voor de gemeenschap die de academici en hun onderzoek financiert.19
De druk om internationaal te publiceren maakt echter dat allerhande nationale publicaties het moeilijk hebben om auteurs te motiveren voor hen in de pen te kruipen. Redactieleden van Nederlandstalige tijdschriften, zeker diegene die niet de meest academische zijn, weten goed waarover het hier gaat. Academici, in het bijzonder jonge mensen, zijn niet te beroerd om openlijk toe te geven dat in het Nederlands schrijven, zowel in een krant als in een tijdschrift, voor hen tijdverlies is. En ze hebben nog gelijk ook.
Moeten we dan cynisch concluderen dat men een samenleving met excellente universiteiten herkent aan de maatschappelijke onzichtbaarheid van haar academici?20 En moet de universiteit haar opdracht opgeven om ook de bestaande nationale cultuur - waar soms lang voor gestreden is - te bewaken en te bevorderen?21 En wat betekent het voor de kwaliteit van de publieke discussie als academici zich daar beroepshalve aan onttrekken? Het feit dat het Nederlandstalige tijdschriftenlandschap de laatste decennia verschrompeld is, is alvast een zichtbaar gevolg.22 Gelukkig zijn er voorlopig nog academici die Vlaanderen en Nederland blijven rondrijden met lezingen voor een breder publiek, opiniërende en vulgariserende teksten blijven schrijven, boeken bespreken voor krant- of weekbladen en deelnemen aan debatten, tegen beter weten in. Indien de universiteit haar veel genoemde en alom geprezen maatschappelijke rol ernstig neemt, dan worden criteria ontwikkeld zodat academici die zich engageren in het maatschappelijke debat hiervoor academische erkenning kunnen krijgen.23
We kunnen ook vaststellen dat bij de beoordeling van dossiers (bijvoorbeeld voor benoemingen) de buitenlandse ervaring steeds meer een belangrijke - soms doorslaggevende - rol speelt. Dat men in het buitenland is geweest, lijkt hierbij dikwijls belangrijker dan wat men in het buitenland heeft gedaan. Er is niets tegen het faciliteren en aanmoedigen van internationale uitwisseling en studieverblijven, maar het mag geen doel en criterium op zich worden. De eisen inzake buitenlandse ervaring houden helemaal geen rekening met het feit dat bepaalde academici het helemaal niet zo evident vinden om Vlaanderen voor een jaar te verlaten, hetzij omdat ze een gezin hebben, hetzij omdat ze hier maatschappelijk, cultureel of politiek geëngageerd zijn. De fetisj van de internationale ervaring speelt in de kaart van (potentiële) academici die eerder niet dan wel lokaal ingebed en maatschappelijk betrokken zijn. Men creëert en selecteert als het ware wetenschappers die veraf van het maatschappelijke weefsel staan. Nogmaals, er is niets tegen de aandacht voor ‘internationale dossiers’. Maar de maatschappelijke inbedding en betrokkenheid van (potentiële) academici zouden ook in rekening gebracht moeten worden, wil de universiteit niet in isolement opgesloten geraken en het contact met de samenleving waarin ze zich bevindt behouden.
In verband met die dossieropbouw, waar iedereen aan de universiteit nu drukdoend en bezorgd mee bezig is, is het treffend dat heel wat proffen die voor Vlaanderen iets betekend hebben als denker, als lesgever, als schrijver, als spreker, als ethicus, als politiek commentator, etc. nu nauwelijks met hun dossier door de post-doc FWO-ronde zouden geraken, laat staan dat ze nog professor zouden kunnen worden. Misschien zouden heel wat onder hen, mochten ze in de huidige academische cultuur werkzaam zijn, een zeer goed dossier met verschillende ISI-publicaties hebben, maar anderen misschien ook niet. Ze zouden er alvast een heel andere (publicatie)strategie moeten op nahouden en dit gaat toch ten koste van de inspanningen voor onderwijs, publiek debat en het schrijven van Nederlandstalige boeken. En juist omdat ze die dingen zo belangrijk vonden, zou het kunnen dat ze voor de huidige publicatiedruk zouden passen. Nogal wat figuren die Vlaanderen in het verleden als intellectuele autoriteiten heeft gepercipieerd, zouden in de huidige academische context diezelfde rol niet meer kunnen spelen.

De laatsten der Mohikanen?

Er zijn verschillende jonge professoren (veertigers) die zeer goed weten - en sommigen zijn niet te beroerd om dit toe te geven - dat zij de laatsten zijn die met ‘slechts’ zo’n publicatiedossier tot het zelfstandig academisch personeel zijn kunnen toetreden. Zijn dat minder goede professoren dan de generatie met lange lijsten ISI-publicaties die er aan komt? Zullen die evenveel kunnen betekenen voor de Vlaamse samenleving als de generaties voor hen? Zullen er toch enkelen blijven in slagen niet weg te zakken in het analytisch, gespecialiseerde nichedenken en een brede synthetische kijk op mens, cultuur, wetenschap en samenleving kunnen behouden? De toekomst zal het moeten uitwijzen. We zien alvast dat enkelen van die jonge proffen het ondertussen niet opgeven en het publieke debat en het maatschappelijke belang van de academie ter harte nemen. Hopelijk zullen zij niet de laatste generatie zijn die dat inderdaad doet, wil doen, kan doen…

Patrick Loobuyck 24
Redactielid en moraalfilosoof aan de Universiteit Gent en Antwerpen

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, Aanbeveling 27: Doctoreren aan Vlaamse universiteiten, pp. 14-16.
2/ Onderzoek 10 jaar geleden wees al uit dat slechts 10% van de universitaire onderzoekers doorstroomt naar een vaste academische functie. Dit percentage zal vandaag nog een stuk lager liggen. Cf. Dankaert J. en Volkaert F., ‘Heeft de Vlaamse onderzoeker toekomst?’, in: Focus Research, Brussel, Belgian Association for the Advancement of Science, nr. 21, 1997.
3/ S’Jegers R., Smit L., Braeckman J. en Speelman T., Perspectieven uitgestroomde wetenschappers op de arbeidsmarkt, Brussel: Vlaamse raad voor wetenschapsbeleid, 2002: pp. 75-84. Zie ook Michel Albertijn, ‘De waarde van een doctoraat’, in: De Standaard, 14 augustus 2006.
4/ Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid, Aanbeveling 27: Doctoreren aan Vlaamse universiteiten, pp. 15-17.
5/ Web of Science Citation Index is toegankelijk via Web of Knowledge (http://www.isiknowledge.com), portaalsite van het Institute of Scientific Information (ISI). Deze database wordt gerund door het Amerikaanse privébedrijf Thomson Scientific.
6/ Zie Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Bibliometrie in de humane wetenschappen, Standpunten nummer 3: p. 7; Jos De Mul, ‘Publish and Perish!’, in: Tijdschrift voor filosofie, 68, 2005: 417-434; Bruno De Wever, ‘De wens van een luxepaard op de academische arbeidsmarkt’, in: Samenleving en politiek, 14, 2007, nummer 1, pp. 31- 33; Jürgen Jaspers, Jesse Mortelmans en Dietlinde Willockx: De macht van het getal. Financieringsmodel hoger onderwijs ter discussie, verschenen in De Standaard en De Morgen op 27 juni 2007. Deze laatste tekst werd door honderden collega’s ondertekend. http://www.decreethogeronderwijs.be/
Het is ook veelzeggend dat op de website die verduidelijkt op basis waarvan the Web of Science de tijdschriften selecteert, te lezen staat: ‘Citations patterns in the arts and humanities, however, do not necessarily follow the same predictable pattern as citations to social sciences and natural sciences articles. In addition, arts and humanities journal articles frequently reference non-journal sources.’ http://scientific.thomson.com/free/essays/selectionofmaterial/journalselection/
7/ Voorontwerp van decreet betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, art. 11-23 en art. 27-9.
8/ Frank Vandenbroucke, ‘Gelijke kansen op uitstekend onderwijs door resultaatgedreven financiering’, Openingstoespraak academiejaar 2007-8, 1 oktober 2007, Universiteit Gent.
9/ Memorie van toelichting bij het voorontwerp van het financieringsdecreet: 3.3.2.
10/ Zo heeft de European Science Foundation (ESF) lijsten klaar die binnenkort een bijkomend middel voor internationale publicatiemeting zullen zijn.
11/ Frank Vandenbroucke, ‘Gelijke kansen …’
12/ Ibid.
13/ De universiteit in beweging. Een geïntegreerd strategisch plan voor de K.U.Leuven 2007-2012, p. 9 en 12. http://www.kuleuven.be/overons/pdf/academische\_strategie\_KULeuven.pdf
14/ Veelzeggend is het obligate zinnetje dat ietwat verloren staat in de openingstoespraak van minister Frank Vandenbroucke aan de Universiteit Gent (01/10/07): ‘En, los daarvan, de inzet van onze wetenschappers in het maatschappelijk debat in Vlaanderen is ook bijzonder belangrijk.’ Voor de rest wijst het financieringsplan dat hij er bespreekt enkel in de tegenovergestelde richting.
15/ Richard A. Posner, Public Intellectuals: A Study of Decline, Cambridge (Mass.), Harvard University Press, 2001: 186, pp. 62-3.
16/ Cf. Rik Torfs, ‘Het raster- en trechterdenken’, in: Bart Pattyn & Geertrui Van Overwalle (red.), Tussen Markt en Agora. Over het statuut van universitaire kennis. Leuven, Peeters, 2006, pp. 105-114.
17/ De tegenstelling tussen the university of culture en the university of thought aan de ene kant en the university of excellence aan de andere kant is uitgewerkt door Bill Readings, The University in Ruins, Cambridge (MA), Harvard U.P., 1996. Zie ook Frank Willaert, ‘Welke universiteit willen wij?’, in Streven, 74, 2007: pp. 615-23.
18/ Frank Vandenbroucke, ‘Gelijke kansen …’
19/ Dave Sinardet, ‘Samenleving, politiek en de sociale wetenschapper’, in: Samenleving en politiek, 12, 2005, nummer 9, pp. 1-2.
20/ Cf. Rik Torfs, ‘Het raster- en trechterdenken’, p. 110.
21/ Bill Readings, The University in Ruins, Cambridge (MA), Harvard U.P., 1996, 12ff.
22/ Patrick Loobuyck, Hoe ver-drijven intellectuelen de postmoderniteit? Vlaamse intellectuelen in de postmoderne wereld, Brussel, VUBPRESS, 2000, pp. 224-6.
23/ Voor een gelijkaardig pleidooi voor ‘maatschappelijke valorisatie’ als beoordelingscriterium, zie Geert Buelens, ‘Lessen uit Nederland’, in: De Morgen, 4 juli 2007; Frank Willaert, ‘Welke universiteit willen wij?’, in: Streven, 74, 2007, pp. 615-23, pp. 622-3; Ger Groot, ‘De schizofrene universiteit’, in: Streven, 62, 1995, 10, pp. 880-93, p. 883 en de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Bibliometrie in de humane wetenschappen, Standpunten nummer 3, pp. 10-11.
24/ Deze tekst is een sterk ingekorte versie van Loobuyck P. (2007), Welke academici willen we? Pleidooi voor meer maten en gewichten, in: Loobuyck P., Vanheeswijck G, Van Herck W. e.a. (eds.), Welke universiteit willen we?, Academia Press, Gent.

academici - universiteit - hoger onderwijs

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 9 (november), pagina 24 tot 30