Abonneer Log in

Wordt er nog gewerkt aan een andere wereld?

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 2 (februari), pagina 36 tot 41

De hoogmis van het Wereld Economisch Forum (23-27 januari) in Davos is afgelopen. We zagen er de gebruikelijke Bono-met-Ray-Ban, de politici inclusief minister-president Kris Peeters, de captains of industry, paniekerige bankiers en een paar grote ngo’s. Niet alle sneeuw was echt. Terwijl het gezelschap praatte over klimaatverandering deed een sneeuwkanon zijn werk.

Dit jaar stond daar niets tegenover in Porto Alegre, Mumbai of Nairobi. Er werd geen Wereld Sociaal Forum gehouden, maar er was wel een gedecentraliseerde mondiale actiedag op 26 januari. In 85 landen werden meer dan 500 acties op het getouw gezet om te pleiten voor een andere wereld, om te protesteren tegen de oorlogen en tegen de privatiseringen, om te tonen dat de andersmondialiseringsbeweging dynamischer is dan ooit. Met deze acties op alle continenten waren er meer dan de 150.000 bezoekers van het laatste WSF in Porto Alegre gemobiliseerd. Een resultaat om trots op te zijn. Niettemin zijn er nog nooit zoveel vragen gesteld over de relevantie en de toekomst van de beweging. Hoe zit dat dan? Wordt er nog gewerkt aan die andere wereld?

Waarom er dit jaar geen WSF was

Er zijn drie belangrijke redenen aan te geven waarom er dit jaar geen Wereld Sociaal Forum werd gehouden.
Ten eerste is de organisatie van een evenement met rond de 100.000 bezoekers een erg dure aangelegenheid. Vergaderzalen, tolkencabines, vliegtuigtickets, ... je zit al gauw aan een paar miljoen dollar. Zo rijk zijn de sociale bewegingen niet en de sponsors niet altijd zo gul. De afgelopen jaren moest er telkens gebedeld worden om de rekeningen rond te krijgen.
Ten tweede is de voorbereiding van zo’n organisatie ook erg tijd- en energieverslindend. Voor je het weet zijn er twaalf maanden voorbij en was er geen tijd om ook nog aandacht te besteden aan de WTO, de G8 of de EU-Afrika-top. Om de verschillende activiteiten en campagnes beter te kunnen spreiden en voorbereiden, is het dus beter wat ademruimte in te lassen.
Het derde en inhoudelijk belangrijkste argument is dat het weinig zin heeft mondiale acties te organiseren als die losstaan van de sociale strijd die lokaal wordt gevoerd. Omgekeerd is het wel interessant dat mensen die bijvoorbeeld in Vlaanderen pleiten voor betaalbaar wonen weten dat hun campagne ook Europees weerklank krijgt en uiteindelijk ook tot een wereldwijde eis voor recht op wonen kan leiden. De verankering van de lokale strijd in de mondiale campagnes is van het allergrootste belang om die laatste ook relevant te laten zijn.

Vandaar dat een grote groep mensen er stilaan van overtuigd is dat een Wereld Sociaal Forum om de twee of drie jaar nuttiger kan zijn dan een jaarlijkse rituele herhaling die uiteindelijk in het luchtledige dreigt te blijven hangen.
In januari 2009 vindt er een Wereld Sociaal Forum plaats in Belém (Noord-Brazilië). Het wordt een ‘Amazoneforum’, georganiseerd door sociale bewegingen uit de negen landen met een stukje Amazonewoud. Het geostrategisch belang van de regio wordt elke dag duidelijker, wegens de klimaatbelangen, de grote landbouwbelangen en de water- en olievoorraden. De Amazonevolken organiseren zich en laten zich horen.

Verscheidenheid ... in dynamiek

De andersmondialiseringsbeweging heeft zo haar eigen dynamiek en die is telkens verschillend in functie van de geografische invalshoek. In Europa was er een eerste succesvol Sociaal Forum in het Italiaanse Firenze. De daaropvolgende fora van Parijs, Londen en Athene waren gekenmerkt door het dominante gewicht van kleinlinkse partijtjes. De grote partners, zoals de vakbonden en enkele partijgebonden groepen, hadden daar na Athene schoon genoeg van en dreigden ermee de club te verlaten. Het volgende Europees Sociaal Forum, in september 2008, vindt plaats in het Zweedse Malmö, en daar zou alles weer in de plooi moeten vallen. Maar voor 2010 is voorlopig enkel Turkije kandidaat, met het risico dat het Athene-scenario zich daar weer herhaalt.

Dit is niet het enige probleem waarmee de Europese sociale fora worstelen. ‘Europa’ is namelijk lang geen verenigend thema. Het is makkelijk om te stellen dat we een ‘ander Europa’ nodig hebben, maar voor sommigen betekent dit dat men af wil van de huidige Europese Unie, voor anderen dat men af wil van het neoliberale beleid dat die Unie voert. Dit is een reële breuklijn tussen de verschillende groepen die men meestal probeert te verzwijgen door te doen alsof men het allemaal met elkaar eens is. Voorlopig heeft dit enkel geleid tot het drie jaar lang schrijven aan één tekst waarin uiteindelijk helemaal geen sprake meer is van de Europese Unie. Gelukkig zijn er daarnaast wel netwerken ontstaan die werken rond concrete thema’s (zoals de openbare diensten) en waarin erg geleidelijk toch aan realistische voorstellen wordt gewerkt.

De Franse problemen

Frankrijk heeft geen nationaal sociaal forum maar wel enkele zeer dynamische bewegingen die zowel op Europees als mondiaal vlak actief zijn. Maar de andersmondialiseringsbeweging wordt er sterk beïnvloed door Attac, de beweging die is ontstaan om te pleiten voor de Tobin-taks op speculatieve geldtransacties. Het succes was enorm. Attac Frankrijk had in zijn gloriedagen 30.000 leden en er ontstonden Attac-afdelingen in de meeste andere Europese landen, in Latijns-Amerika, Afrika, Korea en Japan. De crisis van Attac Frankrijk heeft echter zware gevolgen gehad die nog lang niet zijn uitgewerkt. Wat is er gebeurd?
Kort samengevat: er was fraude bij de verkiezing van een nieuwe voorzitter in 2005. Dat zoiets gebeurt in een beweging die beweert te streven naar een andere wereld, zegt veel over de mentaliteit van sommige van haar leiders. Die verkiezingsfraude heeft geleid tot een opsplitsing van de beweging met jonge dynamische mensen die het heft weer in handen hebben genomen, maar ook met een oude garde die blijvend weerwerk biedt.

Het is die oude garde die op 26 januari een colloquium over ‘postandersmondialisme’ organiseerde en aan een nieuwe toekomst wil werken. Ironisch genoeg zijn het zes blanke oude mannen die het project van een Utopie critique willen dragen, met een duidelijk Frans republikeinse inslag. Wat nieuw is in hun project is dat ze de kloof met de politieke partijen willen overbruggen en dus de vrijheid opeisen om met enkele linkse partijen en regeringen samen te werken. Gelet op het feit dat er nu al, afhankelijk van de nationale context, vaak wordt samengewerkt met partijen en regeringen is het niet erg duidelijk waarom men hier een nieuw ‘post’ etiket wil op kleven. Het lijkt op een initiatief dat deels uit revanche en deels uit een eindeloos verlangen naar alweer een nieuwe ‘internationale’ is ontstaan. Zolang de heren echter niet begrijpen dat er geen andere wereld mogelijk is zonder jongeren en zonder vrouwen, is er weinig hoop dat de nieuwe wereld uit dit initiatief zal ontstaan.

En België?

Voor het Sociaal Forum van België was 26 januari een gematigd succes. Een duizendtal mensen zakte naar Brussel af voor een alternatieve wandeling langs twaalf verschillende plekken in het centrum van de stad. Er was telkens een tent opgezet rond één van twaalf geselecteerde thema’s: waardig werk, landbouw, rechtvaardige belasting, huisvesting, migratie, klimaat, vrede, openbare diensten, gezondheidszorg, ontwikkeling, water en vrije meningsuiting. Er was overal een korte performance zodat ook de winkelende medemens werd aangesproken. Op het eind van de namiddag was er nog een debat en daarna een feest.

België geeft echter goed aan wat de dilemma’s zijn voor de andersmondialiseringsbeweging in het rijke Europa. De dynamiek die zo kenmerkend is voor Latijns-Amerika, Azië en Afrika is in dit vergrijzende, welvarende land ver zoek. Weinig mensen herkennen zich in de terechte kritiek die er gegeven wordt op het nationale, Europese en mondiale beleid. Bovendien is onze overlegtraditie goed verankerd, zodat veel grote sociale bewegingen het nut niet inzien van aansluiting bij het forum. De bewegingen waar armen het woord nemen, de milieubewegingen, de mensenrechtenbewegingen, ze zijn niet vertegenwoordigd in het Sociaal Forum van België. Vandaar dat de groep vrij onevenwichtig is: de vakbonden en de derdewereldngo’s vormen de ruggengraat en daar rond hangen een aantal kleine bewegingen die meestal uit kleinlinks zijn ontstaan. De samenwerking is vrij goed, maar of ze lang kan standhouden, is een andere vraag. Het makkelijker te mobiliseren Wallonië staat ook veel sterker dan het zwakke Vlaanderen in het Forum, wat evenmin de duurzaamheid bevordert.

Het Handvest van Porto Alegre indachtig werd er ook in Brussel namens het Forum geen enkele eis geformuleerd. Er is heel wat discussie over geweest, maar helaas in een te laat stadium om nog tot enig zinvol resultaat te kunnen leiden. Formeel wordt het Forum gezien als een ‘open ruimte’ waar ieder zijn ding moet kunnen doen en waar ieder zijn programma mag voorstellen, maar waar het Forum op zich geen standpunt inneemt. Dat kan worden verklaard door de moeilijkheid om met een grote verscheidenheid aan grote en kleine, linkse en kleinlinkse, horizontalistische en centralistische bewegingen en netwerken tot één visie te komen. Mondiaal kan deze filosofie dus wel verantwoord worden. Echter, in een nationaal beperkte context liggen de zaken toch anders. Het was zeker mogelijk geweest om na enige discussie en enig overleg met de progressieve partijen nog een krachtige boodschap te laten horen aan de regering. Het heeft niet mogen zijn.

Slachtoffer van haar succes

Het is normaal dat met het hierboven geschetste beeld in België, Frankrijk en Europa men zich gaat afvragen of de beweging haar tijd niet heeft gehad, of het nog zin heeft, of er geen nuttiger bezigheden te bedenken zijn. De politieke invloed is klein of onbestaand. En zoals blijkt uit het Franse voorbeeld wordt de vernieuwing niet altijd beleefd zoals ze wordt bepleit.

Het antwoord hierop is tweevoudig. Ten eerste is de afgelopen jaren en maanden alsmaar duidelijker geworden dat er ook in Europa een enorm potentieel is voor verzet tegen het neoliberale beleid. Weinig mensen kunnen hun steun geven aan de privatisering van de post of van de spoorwegen, er is weinig begrip voor de torenhoge inkomens van managers die hun arbeiders aanmanen geen looneisen te stellen, er is ongenoegen over de dalende koopkracht, er is meer en meer steun voor hongerstakende asielzoekers, er is angst wegens de financiële crisis en wegens de klimaatverandering. In Vlaanderen wordt dit ongenoegen en deze angst vaker rechts dan links vertaald. Hervormingen worden hier bijna ongemerkt met kleine stapjes doorgevoerd en sommige moeilijke thema’s blijven onbesproken. Met acties ‘tegen de armoede’ hebben velen het geweten gesust, terwijl de ongelijkheid kan blijven groeien en de middenklassen het steeds moeilijker hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. Hoe dan ook is het niet de andersmondialiseringsbeweging die groeit met het ongenoegen.

Dit heeft natuurlijk ook veel te maken met de manier waarop de beweging zich organiseert en haar eisen formuleert. Veel kleinlinkse bewegingen hebben nog steeds niet begrepen dat ze slechts een uiterst klein gedeelte van de bevolking aanspreken met hun filosofie. Sommige bewegingen staan zo ver af van de realiteit dat een plaatsvervangende schaamte je overvalt als je hun pamfletten leest. Anderen zijn dan weer zo realistisch dat men niet begrijpt waarom hun eisen door niemand worden overgenomen.
Wat nodig is, en wat helaas veel te weinig gebeurt, is een echt debat tussen de verschillende bewegingen om toch een rode draad te vinden die gezamenlijk met kracht kan worden verdedigd. De vakbonden en de ngo’s organiseren dit jaar een gezamenlijke campagne rond waardig werk, een voorbeeld dat navolging verdient. Want ondanks de meningsverschillen kan er vaak een heel eind weg samen worden afgelegd. Maar hiervoor moet iedereen vanonder de eigen spreekwoordelijke kerktoren uitkomen en dat gaat blijkbaar niet zo makkelijk. Men beseft niet altijd dat het overleven van de andersmondialiseringsbeweging ervan afhangt. Het Franse voorbeeld indachtig is er weinig reden voor optimisme.

Het tweede antwoord is dat Europa met zijn gebrek aan dynamiek schril afsteekt tegenover Latijns-Amerika, Azië en zelfs Afrika. De dynamiek die uitgaat van de beweging is voor sommige landen bepalend geweest bij de verkiezing van progressieve regeringen. De beweging heeft dus wel duidelijk zin. Maar ze is ook een slachtoffer van haar succes, want blijkbaar verwacht men dat ze op nauwelijks zes jaar tijd kant-en-klare alternatieven uit de hoed tovert, dat er geen meningsverschillen zijn en dat de neuzen van alle strekkingen in de beweging in dezelfde richting staan. Dat is dus niet zo, en dat zal wellicht ook nooit gebeuren. De verscheidenheid is groot, de groeipijn is scherp en een debat over hoe het verder moet is dus zeer dringend.

Een debat over strategie

Op het Wereld Sociaal Forum van 2007 in Nairobi (Kenia) kwamen enkele pijnpunten scherp naar voren: de sponsoring door een multinational uit de telecomsector, een restaurant midden in het forum van de eerder repressieve Minister van Binnenlandse Zaken, ngo’s die tegen abortus pleiten, de alomtegenwoordigheid van allerhande kerken, politie en leger om niet-betalende, arme Kenianen tegen te houden. Uit een nuchtere analyse achteraf bleek dat niet alle problemen even bijzonder voor Afrika waren als eerst werd gedacht. Het eerste Forum van Porto Alegre, zo werd toegegeven, heeft geholpen om Lula te laten verkiezen, er komt sponsoring van de Braziliaanse oliemaatschappij Petrobras en in Caracas werd onder meer vergaderd in het Hilton Hotel én op een legerbasis. Maar de discussie was begonnen en voor sommigen was het een aanleiding om amen en uit tegen het Forum te zeggen.

Er verschenen de afgelopen maanden een aantal interessante teksten van onder meer Walden Bello van Focus on the Global South, Gus Massiah van de Franse derdewereldngo’s, François Houtart van het Belgische Centre Tricontinental, de Portugese socioloog van de beweging Boaventura de Sousa Santos, enzovoort. Op de volgende Internationale Raad die in het Afrikaanse Nigeria bijeenkomt, wordt een hele dag uitgetrokken om over de strategie van de beweging te praten. Dat is niets te vroeg. Wat zijn de belangrijkste punten op de agenda?

Het belangrijkste twistpunt blijft de zogenaamde ‘open ruimte’. Hiermee wordt bedoeld dat het WSF enkel een ruimte is waarbinnen allerhande bewegingen zich kunnen organiseren en acties kunnen voeren. Het WSF zelf doet niets. Sommige bewegingen vinden dit al te makkelijk en willen dat er wel degelijk over politiek wordt gepraat en dat het WSF politieke standpunten inneemt. Binnen het beperkte kader van het Handvest dat in 2001 werd geschreven, is dit ook mogelijk, hoewel dit nooit ver genoeg zal gaan voor de vragende bewegingen. Bovendien moet men zich afvragen wie zo’n standpunten namens wie kan innemen? Alle deelnemers aan het Forum? Dit is zo goed als onmogelijk. De leden van de Internationale Raad? Die Raad is helemaal niet representatief.
Het grote probleem is dat de voorstanders van het ‘horizontalisme’ (de netwerken tegenover de gecentraliseerde, hiërarchische bewegingen) duidelijk hun eigen machtspositie willen bewaren. Want machtsrelaties zijn er uiteraard wel degelijk binnen het Forum, alleen zijn ze onuitgesproken. En wie de macht heeft kan zich verschuilen achter de netwerken en weigeren om na te denken over een eventuele structuur. Met ietwat structuur en representativiteit zou het perfect mogelijk zijn dat bewegingen bondgenoten zoeken en allianties sluiten. Er kunnen dan drie, vier, vijf of zes grote stromingen ontstaan binnen het Forum, wat niet in strijd is met het Handvest en wat een mogelijkheid kan bieden voor politieke standpunten.

Het tweede discussiepunt is de participatie en de organisatie van het Forum. Nu zijn sommige linkse organisaties van mening dat ze hun ding niet kwijt kunnen binnen het Forum. Ze organiseren daarom parallelle activiteiten. Tegelijk zijn er telkens ngo’s en vaak religieuze bewegingen met standpunten die haaks staan op de filosofie van het Forum, zoals rond abortus of homoseksualiteit. Als het WSF zijn eigen ‘open ruimte’ au sérieux neemt dan moeten de eerste groepen worden uitgenodigd en mag de tweede groep niet langer deelnemen. Dat vergt echter een zekere selectie bij de inschrijvingen en daar is men dan weer bang voor.
De organisatie wil men volledig in ‘zelfbeheer’ houden, wat betekent dat er niets wordt georganiseerd door het WSF zelf, maar enkel door de deelnemende organisaties. Ook dat klinkt goed, maar op die manier zijn er honderden en honderden seminaries, met telkens vertaling, en kan er geen enkele duidelijke boodschap geformuleerd worden. Een beetje oriëntatie vanuit de Internationale Raad en een beetje selectie zou heel veel kunnen oplossen, maar ook dat is dus een moeilijk discussiepunt. Er wordt nu voor elk Forum een grote consultatieronde gehouden waarbij iedereen zijn bevoorrechte thema’s kan opgeven, maar veel variatie levert dat niet op. De thema’s van de andersmondialiseringsbeweging zijn gekend en komen elk jaar (eventueel in een ietsje verschillende formulering) terug. Ook hier hebben we te maken met een vals soort democratie; er is participatie over een punt dat geen participatie vereist.

Ten slotte is er de vraag of de wereld waarin we leven en strijden nog wel dezelfde is als die van 2001. Sommigen zien het neoliberalisme verdwijnen, anderen zien het in intensiteit toenemen. Er zijn de terroristische aanslagen van 9/11 geweest met twee bloedige oorlogen tot gevolg. De klimaatverandering, de financiële crisis, het Midden-Oosten: veel pleit ervoor een nieuwe analyse te maken van de mondiale situatie en te proberen de plaats daarin van de andersmondialiseringsbeweging te bepalen.

Conclusie

De andersmondialiseringsbeweging staat op een kruispunt, zoveel is zeker. Maar een kruispunt is geen eindpunt. Het betekent wel dat er keuzen moeten worden gemaakt en het resultaat van het debat is niet voorspelbaar. Dankzij het Forum zijn er een aantal grote, wereldwijde netwerken gevormd, zoals rond de schuldenlast van arme landen, de democratisering van de internationale instellingen, boerenorganisaties, mensenrechtenbewegingen, enz. Die netwerken hebben in feite niet langer een Forum nodig. Ze hebben elkaar gevonden en kunnen verder werken. Sommigen dreigen met afsplitsing en de start van een nieuwe, politieke beweging. Met wat soepelheid kan dat echter vermeden worden. Het is opvallend, en toch wel iets angstwekkends, dat een beweging waarvan meer dan 10% hoger opgeleide wetenschappers zijn, zo moeilijk tot een volwassen debat kan komen.

De grote invloed van oude, kleinlinkse en hoofdzakelijk Europese bewegingen speelt hierin zeker een rol, net zoals de tegenstelling tussen ‘horizontalen’ en ‘verticalen’. Voor velen was de andersmondialiseringsbeweging een laatste kapstok om aan de politieke dakloosheid te ontsnappen. Andere bewegingen zijn dan weer gewoon tandeloos en leven op subsidies. De vakbonden, die ook op mondiaal vlak zeer actief zijn, blijven een erg belangrijke rol spelen. Wereldwijde organisaties zijn niet makkelijk en omgaan met de zo geprezen verscheidenheid is niet vanzelfsprekend. Maar hoe lang hebben de arbeidersbewegingen van de 19de, begin 20ste eeuw er niet over gedaan om zich te organiseren? De andersmondialiseringsbeweging is zeven jaar oud. Het debat van vandaag is nodig en nuttig. De schrijnende sociale situatie in de wereld toont aan dat de beweging noodzakelijk is. Er valt nog zeer veel te doen ...

Francine Mestrum
Redactielid en lector ULB

ontwikkelingssamenwerking - andersglobalisme - Wereld Sociaal Forum

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 2 (februari), pagina 36 tot 41