Abonneer Log in

Het werkgelegenheidsbeleid en het loonoverleg in het federale België

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 3 (maart), pagina 25 tot 33

Binnen de Belgische federale staat staan momenteel twee vragen ter discussie met betrekking tot de werkgelegenheid. Moet het loonoverleg geregionaliseerd worden? En moeten de federale bevoegdheden op gebied van werkgelegenheidsbeleid overgeheveld worden naar de gewesten? De antwoorden op deze vragen zullen hun weerslag hebben op de graad van tewerkstelling. De overwegingen die hier gemaakt worden, situeren zich binnen het perspectief van een verbetering van de werkgelegenheid in de drie gewesten van het land: welke hervormingen kunnen de arbeidsmarkt performanter maken, en van welke herverdeling van bevoegdheden tussen het federale en het gewestelijke niveau op het gebied van werkgelegenheidsbeleid mag men een daling van de werkloosheid en een stijging van de tewerkstelling verwachten?

1. Het loonoverleg

In dit eerste deel zullen we proberen te verduidelijken wat er op het spel staat in de kwestie van de regionalisering van het loonoverleg, aan de hand van een economische analyse. We zullen ook de veranderingen onderzoeken die dit zou teweegbrengen in het huidige onderhandelingsmodel. Ook de institutionele gevolgen komen aan bod, in het bijzonder wat betreft de organisatie van de Sociale Zekerheid. Pistes tot verbetering van het huidige systeem zullen worden voorgesteld; ze kaderen in een stijging van de tewerkstelling via een performantere arbeidsmarkt.

1.1 Het huidige systeem van loonoverleg

Het huidige systeem van loonvorming werkt als volgt. Om de twee jaar vinden onderhandelingen plaats. Eerst op interprofessioneel niveau, daarna per sector en ten slotte per onderneming.
Sinds de euro in voege trad, kunnen landen hun concurrentiepositie niet meer herstellen via een devaluatie. De nieuwe Wet op het concurrentievermogen is aangepast aan dit zeer belangrijk gegeven. Ze legt de klemtoon op een loonnorm die gebaseerd is op de verwachte evolutie van de lonen in de drie buurlanden: Duitsland, Frankrijk en Nederland. In november 1998 kwam voor het eerst binnen deze Europese context een interprofessioneel akkoord tot stand tussen de sociale partners. Interessant is de vaststelling dat het akkoord niet alleen spreekt van lonen, maar ook van werkgelegenheid en opleiding en dat het een verband legt tussen de drie. Dit verband werd in de volgende interprofessionele akkoorden bevestigd.
Wanneer de onderhandelingen op interprofessioneel niveau zijn afgehandeld, wordt er per sector onderhandeld. Daar is de toename van de arbeidsproductiviteit in die sector een belangrijke factor die de evolutie van de lonen beïnvloedt. Daarna wordt in iedere onderneming onderhandeld, waar rekening wordt gehouden met de evolutie van de arbeidsproductiviteit en de competitiviteit, ook ten opzichte van de buitenlandse concurrentie.
In deze drie onderhandelingstrappen is de sectorale in België de belangrijkste. Hij blijft dit ook, zelfs al hebben de eenmaking van de Europese markt (1993) en de invoering van de euro (1999) de concurrentie tussen ondernemingen uit verschillende landen verscherpt en dus de resultaten van het loonoverleg voor iedere onderneming nog belangrijker gemaakt.

Het systeem werkt al meer dan 50 jaar, met uitzondering van periodes waarin de overheid rechtstreeks is tussengekomen in de loonvorming. Het meest opvallende voorbeeld is de onderbreking van de indexering van de lonen na de devaluatie van februari 1982. Dit gemeenschappelijke systeem voor de sectoren en ondernemingen van het land leidt niet tot identieke salarissen of algemene gelijke loontoename; de lonen zijn niet van hetzelfde niveau en groeien niet op dezelfde wijze in alle sectoren, in alle ondernemingen en voor alle categorieën van werknemers (arbeiders, bedienden of meer gespecialiseerde niveaus). Op ieder onderhandelingsniveau en bij iedere onderhandelingsronde is de evolutie van de productiviteit in de sector en de onderneming gedurende de twee bewuste jaren inderdaad een centrale factor voor de evolutie van de lonen.

De gemiddelde lonen in de verschillende gewesten zullen niet noodzakelijk dezelfde zijn en niet noodzakelijk dezelfde groei kennen, ondanks het feit dat het systeem in het hele land hetzelfde is. Inderdaad, als de sectoren met hoge of sterk toenemende arbeidsproductiviteit in een bepaald gewest talrijker zijn dan in een ander, of als het ene gewest meer ondernemingen telt met hoge of sterk toenemende productiviteit, dan zullen de lonen in het eerste gewest gemiddeld hoger liggen en dit in principe zonder dat de ondernemingen van het ene gewest meer concurrentieproblemen hebben dan die van het andere. ‘In principe’, want er is toch wel een mindere kant aan en dat situeert zich op het niveau van de sector. Als een sector in een bepaald gewest ondernemingen telt waar de arbeidsproductiviteit snel toeneemt en in een ander gewest ondernemingen waar de productiviteit traag stijgt, dan zal iedere loonsverhoging die is onderhandeld voor de hele sector in het tweede gewest rentabiliteitsproblemen en ook verlies van arbeidsplaatsen teweegbrengen voor ondernemingen met een zwakke groei van de productiviteit.
De sectorale onderhandeling speelt in tijden van volledige tewerkstelling een nuttige rol omdat zij de mobiliteit tussen ondernemingen of sectoren stimuleert. Daarentegen zal zij in tijden van hoge werkloosheid misschien de teloorgang van ondernemingen, en dus verlies van arbeidsplaatsen, veroorzaken. Op deze belangrijke opmerking na, regelt het huidige systeem van loonvorming de differentialen van toename van arbeidsproductiviteit tussen sectoren en ondernemingen en (op die manier, door samenvoeging) tussen gewesten.

Sinds enkele jaren is er een sterkere decentralisatie bij de loonvorming. In meerdere sectoren, zoals Agoria, verlopen de sectorale onderhandelingen op provinciaal niveau. Dit laat toe meer rekening te houden met verschillen in evolutie van de productiviteit, niet alleen tussen gewesten maar zelfs tussen provincies. Over het algemeen laat deze decentralisatie toe om met de heterogeniteit van de sectoren rekening te houden. Een ander zeer belangrijk punt dat te weinig vermeld wordt, is het feit dat het niveau van het loon bij aanwerving verschilt tussen ondernemingen uit verschillende gewesten. De verschillen tussen gewesten qua productiviteit vertalen zich aldus in het niveau van de lonen. Deze twee gedragingen veroorzaken een niet te verwaarlozen soepelheid bij de aanpassing van de lonen aan verschillen in productiviteit. Zij ontkrachten de bewering dat een nationaal systeem van loonoverleg een dwangbuis vormt voor de evolutie van de lonen, die nefast is voor de werkgelegenheid.

1.2 Wat leert de economische analyse ons over het verband tussen loon - werkgelegenheid - werkloosheid?

De verbanden tussen loon, werk en werkloosheid zijn al vaak geanalyseerd door de economisten, in verschillende nationale contexten en zowel in theorie als in econometrische ramingen. Deze werken leren ons twee belangrijke zaken voor onze denkoefening.

a) Het eerste heeft betrekking op de invloed van een loonstijging op de werkgelegenheid. Over het algemeen mag men een negatief effect op de werkgelegenheid verwachten wanneer de stijging van de loonkost sterker is dan in de concurrerende landen (rekening houdend met de verschillen in toename van arbeidsproductiviteit). Vele econometrische studies tonen dit aan. Het effect is ook sterker naarmate de economie meer open is.
Parallel met dit belangrijke economische resultaat mag men van een matiging van de evolutie van de loonkost positieve effecten op de werkgelegenheid verwachten. Dat is trouwens de voornaamste reden voor de invoering van de loonnorm in de Wet op het concurrentievermogen die sedert november 1998 in de interprofessionele akkoorden is opgenomen. Het is ook de reden voor de verlaging van de patronale bijdragen aan de Sociale Zekerheid (vooral voor de laagste lonen), wat normaliter een daling van de loonkost tot gevolg heeft met verwachte gunstige gevolgen op de werkgelegenheid (vooral voor de laagst geschoolde werknemers, die het zwaarst getroffen worden door de werkloosheid).

b) Het tweede wat we leren betreft de invloed van het werkloosheidsniveau op de evolutie van de lonen en zo op de werkgelegenheid. Anders gezegd: de zelfregulering van de arbeidsmarkt. Uit econometrische studies op dit terrein (en meer in het algemeen op het terrein van de factoren die de evolutie van de lonen beïnvloeden) blijkt dat het werkloosheidsniveau de evolutie van de lonen weinig beïnvloedt, vooral in Europa.

Waarnemers van de arbeidsmarkt in België wijzen op het risico dat een interprofessioneel loonoverleg per gewest zou inhouden wanneer de werkloosheid in het ene gewest (Vlaanderen) lager ligt dan in het andere (Wallonië). En dat omwille van de asymmetrische reactie van de lonen op de werkloosheid en wegens het demonstratie-effect: aangezien de werkloosheid in Vlaanderen erg laag is, zou een gewestelijk loonoverleg er een sterkere verhoging van de lonen tot gevolg hebben; dit zou wegens het demonstratie-effect en een zorg om billijkheid leiden tot een vraag tot loonsverhoging in Wallonië. Het eindresultaat zou een hogere toename van de lonen zijn dan in een nationaal loonoverleg, een algemeen verlies van competitiviteit en een hoger werkloosheidspeil.

Uit deze economische analyses en vaststellingen kunnen we twee dingen leren met betrekking tot de loonvorming in Wallonië:
- Een loonmatiging is cruciaal als men het tewerkstellingspeil wil optrekken en zo de werkloosheid wil verlagen.
- Als men het loonoverleg regionaliseert, zal men er niet moeten op rekenen dat het hogere werkloosheidsniveau in Wallonië (dan in Vlaanderen) een sterkere loonmatiging in Wallonië en dus een sterkere verbetering van de werkgelegenheid en een blijvende daling van de werkloosheid zal teweegbrengen.

Opdat de loonkost (die de bijdragen voor de Sociale Zekerheid omvat) in Wallonië zou afnemen ten opzichte van Vlaanderen, zouden ook de patronale bijdragen aan de Sociale Zekerheid er moeten afnemen in verhouding tot die in Vlaanderen. Zoals we zullen zien, houdt de impact van een regionalisering van de loonvorming op de werking van de Sociale Zekerheid het risico van een averechts effect in.

1.3 Institutionele gevolgen, in het bijzonder voor de Sociale Zekerheid

Een regionalisering van het loonoverleg zou institutionele gevolgen hebben die verder gaan dan de impact op de loonvorming en de evolutie van de lonen.

Als men zich beperkt tot het invoeren van een regionaal loonoverleg, dan voegt men gewoon een bijkomend onderhandelingsniveau aan de huidige toe. Omdat ieder onderhandelingsniveau iets toevoegt aan de beslissingen die het niveau daarvoor genomen heeft, maar er nooit iets van afdoet, zou dit enkel de stroefheid van de arbeidsmarkt doen toenemen, maar zou de werking ervan niet verbeteren. Het beoogde doel, namelijk een sterkere loonmatiging en een daling van de werkloosheid in Wallonië, zou zeker niet bereikt worden. Bijgevolg zou de invoering van een regionaal loonoverleg de afschaffing van het nationaal interprofessioneel overleg vereisen. De nationale sectorale onderhandelingen zouden eveneens haaks staan op de nieuwe institutionele logica en moeten worden vervangen door gewestelijke sectorale onderhandelingen. Dat betekent een belangrijke institutionele verandering.
De gevolgen voor bedrijven die productiesites hebben in verschillende gewesten van het land (dit is het geval bij een derde van de ondernemingen met meer dan 100 werknemers) zijn ook niet te onderschatten, gelet op de loonverschillen tussen productiesites. Dit zou de kosten van personeelsbeheer in de hoogte jagen, de mobiliteit van werknemers tussen productiesites bemoeilijken, rentabiliteitsstudies ingewikkelder maken en de efficiënte inzet van menselijke middelen belasten.

Er zouden nog institutionele veranderingen volgen. De sociale bijdragen hangen af van de loonmassa en vormen een zeer belangrijk onderdeel van de loonkosten (hun totaal bedraagt meer dan de belastingen van de natuurlijke personen). De sociale partners nemen om die reden deel aan hun vaststelling, alsook omdat ze de Sociale Zekerheid en zijn verschillende sectoren medebeheren. Behalve het feit dat de inkomsten van de Sociale Zekerheid zullen worden beïnvloed door de resultaten van een gewestelijk loonoverleg, heeft een interprofessioneel loonoverleg op gewestelijk niveau slechts zin als het geheel van de loonkosten erin wordt opgenomen, met inbegrip dus van de sociale bijdragen. Zoniet zouden de gewestelijke onderhandelaars de impact van hun loonoverleg op de loonkost en vandaar op de werkgelegenheid niet kunnen beheersen. Logischerwijze zou men dus uitkomen bij een overdracht naar de gewesten van de bevoegdheid om de bijdragen aan de Sociale Zekerheid te bepalen. De financiële middelen van de Sociale Zekerheid zouden dus verschillend kunnen evolueren naargelang het gewest, zodat de uitgaven van de Sociale Zekerheid (vooral gezondheidszorg, pensioenen, werkloosheidsuitkeringen en familiale uitkeringen) eveneens gaandeweg zouden gaan verschillen. Bijgevolg zou de volledige Sociale Zekerheid vroeg of laat geregionaliseerd worden, onder druk van de verschillen in evolutie van de bijdragen en van andere keuzes qua uitgaven.
Het beoogde doel, met name lagere loonkosten in Wallonië dan in Vlaanderen, zou verre van bereikt worden: ingeval van een regionalisering van de Sociale Zekerheid is een sterkere daling van de bijdragen in Wallonië weinig waarschijnlijk, rekening houdend met de huidige gewestelijke financiële onevenwichten in de Sociale Zekerheid. Zodoende en rekening houdend met de gevoeligheid van de werkgelegenheid aan de loonkost, zouden de gunstige gevolgen voor de werkgelegenheid, met een daling van de werkloosheid, zich in Wallonië zeker niet voordoen.

De overdracht naar het gewestniveau van het loonoverleg moet worden bekeken in het licht van alle gevolgen die er zouden uit voortvloeien, zowel op de evolutie van de loonkost tussen de gewesten onderling (met inbegrip van de sociale bijdragen) en zo op de werkgelegenheid, als op de institutionele organisatie van de Sociale Zekerheid. Dit institutionele voorstel lijkt niet raadzaam, gelet op zijn onvermogen om het beoogde doel te bereiken (de werkloosheid bestrijden in Wallonië) en zijn indirecte institutionele gevolgen.

1.4 Voorstellen tot verbetering van de werking van het onderhandelingssysteem

Er zijn andere, minder riskante mogelijkheden dan de regionalisering van het loonoverleg om de werkgelegenheid te stimuleren en de werkloosheid terug te dringen.
Wat het loonoverleg betreft, heeft de invoering van de euro de kaarten grondig dooreen geschud. In de onderhandelingen op ondernemingsniveau komt de internationale concurrentiepositie meer en meer aan bod: met het vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitalen (eengemaakte markt sinds 1993) en met een eenheidsmunt is de concurrentie tussen ondernemingen uit verschillende landen die gelijkaardige producten maken, toegenomen en transparanter geworden. Het loonoverleg op ondernemingsniveau is belangrijker geworden voor de rentabiliteit, de productie en de werkgelegenheid (zelfs als men niet mag vergeten dat het loonoverleg op ondernemingsniveau geen rekening houdt met de werkloosheid, maar enkel met de tewerkstelling binnen het bedrijf).
Tegelijkertijd is een verankering van collectief overleg op interprofessioneel niveau noodzakelijk opdat de evolutie van de loonkosten compatibel zou zijn met het doel van de volledige tewerkstelling. Deze verankering houdt in dat de evolutie van de loonkost niet kan afwijken van die van de buurlanden, vandaar het belang van een loonnorm, of loonreferentie, zoals die sinds 1998 in de interprofessionele akkoorden voorkomt. Er is geen reden waarom de loonnorm zou verschillen tussen de drie gewesten van het land.

Aangezien de rol van die twee onderhandelingsniveaus, namelijk het interprofessionele en het ondernemingsniveau, belangrijker zou worden, zou het gewicht van de sectoren in het loonoverleg moeten worden verminderd. Zoals we hierboven reeds gezien hebben, kan het sectoraal overleg schadelijke gevolgen hebben op de rentabiliteit of de werkgelegenheid in de ondernemingen waar de arbeidsproductiviteit minder vlug groeit dan gemiddeld in de sector. Bij volledige tewerkstelling geeft dit geen problemen en brengt het een mobiliteit van de werknemers naar de meest performante ondernemingen teweeg. Maar in geval van werkloosheid veroorzaakt het verlies van banen of verhindert het de creatie ervan.
De sectoren zouden een nieuwe rol kunnen krijgen, namelijk die van coördinatie, die hun huidige rol in het overleg zou vervangen: iedere sector zou richtmarges kunnen opstellen inzake loonsverhoging en beroepsopleiding, die moeten worden geconcretiseerd op het niveau van de ondernemingen. De stijgingen waarover in iedere sector onderhandeld wordt, zouden dan enkel nog op de barema’s slaan (inbegrepen het minimumloon). De evolutie van de lonen, hoger dan de barema’s, zou worden beslist bij de onderhandelingen op ondernemingsniveau.
Dergelijke wijziging van het overlegsysteem zou toelaten dat ondernemingen die tot dezelfde sector behoren maar die - bijvoorbeeld in het ene gewest ten opzichte van het andere - niet dezelfde toename van arbeidsproductiviteit kennen, de evolutie van het loon aanpassen aan hun eigen situatie.

De laatste jaren zijn er al verbeteringen aangebracht aan het systeem van loonoverleg. Het evolueert naar meer soepelheid op sectorniveau (subgewestelijke onderhandelingen). Op ondernemingsniveau weerspiegelen de intergewestelijke verschillen qua aanvangsloon de verschillen in productiviteit. Deze aanpak laat een verschillende evolutie van de loonkosten tussen ondernemingen van verschillende gewesten toe. De Waalse ondernemingen hebben zo hun concurrentiepositie op vlak van loonkost kunnen verbeteren en een significant deel van hun handicap ten opzichte van de Vlaamse kunnen inhalen.
Een regionalisering van het systeem van loonoverleg zou in dit opzicht niets bijbrengen. Bovendien hebben we gezien welke gevolgen het zou hebben voor de Sociale Zekerheid.
Wat de laagst geschoolde werknemers (bij wie de werkloosheid het hoogst is) betreft, zou een vermindering van de patronale bijdragen aan de Sociale Zekerheid de loonkost moeten verminderen en zo de vraag naar werk doen stijgen, zonder evenwel het nettoloon van de werknemers te beïnvloeden.

2. Het werkgelegenheidsbeleid

Het werkgelegenheidsbeleid is deels een federale, deels een gewestelijke bevoegdheid. Een voorstel tot regionalisering van het volledige beleid staat al een tijdje ter discussie. Het voornaamste argument pro is dat de werkgelegenheidsproblematiek verschillend is naargelang het gewest en dat men dus een verschillend beleid moet voeren in de drie gewesten. Aangezien het federale niveau zijn beleid niet kan differentiëren naargelang het gewest, zou het dus beter zijn deze bevoegdheid naar de gewesten over te hevelen, samen met de federale middelen op de begroting. Dit voorstel vindt ook steun in het feit dat de federale overheid enkele jaren geleden de grootste moeite had om de dienstencheques te lanceren. Als de zaak op federaal niveau vastzit, laat ons dan de bevoegdheden overhevelen naar de gewesten die de juiste beslissingen zullen nemen, aangepast aan hun specifieke situatie.

Wat moet men hiervan denken? De werkgelegenheidsproblemen zijn verschillend naargelang het gewest, in het bijzonder de werkloosheidscijfers en de jeugdwerkloosheid. Ze zijn ook verschillend naargelang het subgewest. Sommige problemen zijn dezelfde in Vlaanderen en Wallonië, zoals de lage tewerkstelling van 50-plussers. Bovendien, en dit is belangrijk, zijn de problemen vaak complementair: tekort aan arbeidskrachten aan de ene kant, tekort aan banen aan de andere; vacante arbeidsplaatsen in sommige domeinen hier, in andere daar; enz. De complementariteit van de problemen zou de gewesten moeten aanzetten samen te werken in plaats van elkaar te negeren. Economisten weten dat voorstellen qua werkgelegenheidsbeleid, die uit economische analyses van de arbeidsmarkt voortspruiten (zoals die van de OESO), niet verschillen van land tot land of van gewest tot gewest.

Onderhavig voorstel baseert zich op de vaststelling dat de onderlinge afhankelijkheid tussen de drie gewesten op het vlak van economie en werkgelegenheid bijzonder groot is. Laat ons proberen ze te valoriseren. Daartoe volstaat het de gewesten meer te responsabiliseren. Dat vereist coördinatie tussen het federale en het gewestelijke niveau en een ingesteldheid tot samenwerking als men de situatie wil verbeteren.
Momenteel werken de gewesten voornamelijk onafhankelijk van elkaar; ze negeren elkaar zelfs. Op een uitzondering na, zijn de instrumenten voor coördinatie de samenwerkingsakkoorden, die in feite een vetorecht geven aan ieder gewest tegen de voorstellen van de andere (we hebben dat onlangs nog gezien met het autowegenvignet). Sinds de federalisering van het land in 1989 is er maar één politiek van betekenis voor responsabilisering en coördinatie: de begrotingspolitiek van beperking van tekorten en schulden. De Afdeling Financieringsbehoeften van de overheid van de Hoge Raad van Financiën brengt ieder jaar een advies uit met betrekking tot de begrotingscijfers van alle entiteiten. Op die basis gaat het Interministerieel Overlegcomité engagementen aan die iedere entiteit moet eerbiedigen. Deze structuur heeft er mede voor gezorgd dat het begrotingstekort (-8% van het bbp in 1988) en de overheidsschuld (130% in 1988) voldoende daalden opdat België kon deelnemen aan de eurozone en opdat al zes jaar een begrotingsevenwicht bereikt werd. Deze overtuigende resultaten werden zowel door het IMF als de OESO op waarde geschat. Om in alle gewesten beter te scoren op gebied van groei en werkgelegenheid, moeten de gewesten ten opzichte van hun inwoners en van de federatie meer geresponsabiliseerd worden. Dit vereist coördinatie tussen de gewesten en het federaal niveau, en bereidheid tot samenwerking van iedereen.

Men zou als volgt kunnen tewerkgaan: de financiële middelen en de bevoegdheden worden eenmalig van het federale naar het gewestelijke niveau overgeheveld; er worden gezamenlijke doelstellingen vooropgesteld; de toepassingsmodaliteiten liggen op gewestniveau, gelet op de specifieke omstandigheden. Er wordt jaarlijks een gezamenlijke evaluatie van de bereikte doelstellingen gemaakt. De hernieuwing van de federale transfers wordt dan bekeken in het licht van de gehaalde engagementen (meerjarenprogramma’s).
Wat het werkgelegenheidsbeleid betreft, stellen we het laatste jaar een actievere samenwerking vast tussen de federale en gewestelijke instellingen (uitwisseling van informatie, aanmoediging van werklozen om een baan in een ander gewest aan te nemen, sancties, vorming op gebied van talen, enz.). Men mag aannemen dat de recente toename van de stroom werknemers tussen de gewesten daaruit voortvloeit. Waarom deze werkwijze nog niet versterken door een systematische samenwerking tussen de overheidsniveaus, zoals men vandaag met succes doet in Duitsland?

Deze samenwerking tussen het federale en het gewestniveau zou er als volgt kunnen uitzien. Het federale niveau draagt aan de gewesten niet alleen de huidige dotatie van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid over, maar ook het deel van het budget van de RVA voor de acties en vorming, en misschien ook de budgetten voor loopbaanonderbreking. De gewesten zouden zich ertoe verbinden om die middelen in te zetten voor een actief werkgelegenheidsbeleid: opleidingen voor de werklozen, begeleiding, plaatsing, aanzetten tot mobiliteit ook tussen de gewesten, uitwisselingen tussen instellingen voor opleidingen in het Frans, Nederlands en Duits, uitwisseling tussen de gewesten van informatie over beschikbaarheid van werklozen, enz. De federale en gewestelijke instellingen geven elkaar ook informatie door over de beschikbaarheid en controle van werklozen, die kan leiden tot sancties.
De overgehevelde middelen van het federale naar het gewestniveau zouden worden hernieuwd na de evaluatie of de gewesten inderdaad de gemaakte afspraken zijn nagekomen (middelen- en niet resultaatsverbintenis) dankzij een systeem van bonus-malus. De Hoge Raad voor Werkgelegenheid en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven zouden aan de evaluatie deelnemen.
In dit samenwerkingsverband zou de mobiliteit tussen de gewesten van werknemers veel systematischer kunnen worden gestimuleerd dan nu het geval is, wat tegelijk de openstaande betrekkingen en de werkloosheid zou doen afnemen.
Het bepalen van het bedrag en de duur van de werkloosheidsuitkering zou een federale bevoegdheid moeten blijven om volgende reden. Economische analyses tonen aan dat het niveau en de duur van deze uitkering het loonniveau beïnvloeden, want er wordt rekening mee gehouden bij het loonoverleg (cfr. S. Nickell). Mochten de werkloosheidsuitkeringen qua niveau of duur per gewest verschillen, dan zou dit vroeg of laat een regionale wig drijven in het interprofessionele loonoverleg, met de gevolgen voor de Sociale Zekerheid die we in het eerste deel van de tekst hebben beschreven.

De manier van samenwerking - responsabilisering - coördinatie zou ook in andere domeinen dan de werkgelegenheidspolitiek kunnen worden toegepast. Domeinen waar de beslissingen ook een invloed hebben op de economische groei en de werkgelegenheid en waar de prestaties zouden kunnen verbeteren.
- Op gebied van onderzoek en van onderzoek&ontwikkeling moedigt de EU de samenwerking tussen ondernemingen en tussen hen en de universiteiten aan. We zouden op zijn minst op binnenlands gebied kunnen toepassen wat op Europees niveau wordt vooropgesteld. Er zouden subsidies of belastingverminderingen kunnen worden toegepast door het federale of gewestelijke niveau, als dergelijke samenwerkingen bestaan en ieder jaar zou een evaluatie kunnen gebeuren.
- Wallonië heeft een Marshallplan ingesteld; Vlaanderen en Brussel hebben gelijkaardige projecten. De betrokken sectoren zullen dicht bij elkaar liggen en dezelfde (grote) ondernemingen die in meerdere gewesten opereren, zullen betrokken zijn. Waarom niet samenwerken, gelet op de sterke onderlinge banden?
- De planetaire opwarming zal spoedig veelomvattende politieke beslissingen vereisen (cfr. Rapport Stern); de gewesten hebben verregaande bevoegdheden op dit terrein en de gevolgen van hun beleid zijn niet beperkt tot hun gewest. Samenwerking is aangewezen.
- De kost van de vergrijzing zal een verdieping van het ‘generatiepact’ vereisen. Het geleidelijk optrekken van de pensioengerechtigde leeftijd zal de hele publieke sector aanbelangen. Coördinatie tussen het federale niveau en de gewesten en gemeenschappen is zeer wenselijk, rekening houdend met het feit dat de kost van de vergrijzing vooral een federale is.

Een coöperatieve benadering van het federalisme, zoals hierboven geschetst, die de klemtoon legt op responsabilisering van de partners en coördinatie in overleg, zou België een stabieler federalisme opleveren, in navolging van die landen waar het federalisme een echte rijpheid bereikt heeft. Duitsland in het bijzonder past met succes dergelijke werkgelegenheidspolitiek toe.

3. Conclusie

De twee voorstellen die in dit artikel geschetst worden, hebben tot doel de situatie qua werkgelegenheid in de drie gewesten van dit land te verbeteren. In een land als het onze (met zijn vele onderlinge relaties en verbanden) geeft een houding van samenwerking, die responsabilisering en coördinatie inhoudt, betere resultaten dan niet-coöperatief gedrag.
De beslissingen met betrekking tot de eerste problematiek, die van het loonoverleg, zijn in de eerste plaats de bevoegdheid van de sociale partners. Men kan zich moeilijk inbeelden dat de politiek zich in hun plaats zou stellen, in wat voor hen zo’n cruciale kwestie is.
De tweede problematiek, die van het werkgelegenheidsbeleid, ligt op het terrein van de politiek, maar de gevolgen van om het even welke beslissing op dit vlak op het domein van de economische groei en de werkgelegenheid zijn van dien aard dat een diepgaand voorafgaandelijk overleg met de sociale partners hier zou moeten plaatsvinden.

Robert Deschamps1
Professor Economie, FUNDP Namen

Noot
1/ Dit artikel steunt voor een deel op de bijdrage die de auteur publiceerde in Bea Cantillon en Veerle De Maesschalck (red.), Réflexions sur le Fédéralisme Social - Gedachten over Sociaal Federalisme, ACCO, februari 2008, en werd vertaald door Caroline De Candt.

staatshervorming - arbeidsmarkt - loonvorming

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 3 (maart), pagina 25 tot 33