Abonneer Log in

'De Shockdoctrine. De opkomst van het rampenkapitalisme'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 4 (april), pagina 56 tot 58

De Shockdoctrine. De opkomst van het rampenkapitalisme

Naomi Klein
De Geus, Breda, 2007

Het gaat goed met de vrije markt. De vrijhandel heeft in de voorbije decennia gaandeweg een steeds groter deel van de wereld veroverd en sectoren zoals telecommunicatie, media en openbaar vervoer die vroeger grotendeels tot het exclusieve werkterrein van overheden behoorden zijn in handen gekomen van privéondernemingen. De Canadese journaliste Naomi Klein, bekend van de bestseller No Logo (2000), probeert in De Shockdoctrine deze evolutie te verklaren. Centraal in haar analyse staat de stelling dat het neoliberale kapitalisme aangedreven wordt door crisissen en rampen, shocks dus.

In het begin van het boek trekt Klein een parallel tussen twee ontwikkelingen die zich voordeden in de jaren 1950 en 1960. Enerzijds was er de Chicago School van de ultraliberale econoom Milton Friedman, die pleitbezorger was van maximale individuele vrijheid en een absolute vrije markt die in haar functioneren niet belemmerd wordt door verstorende factoren zoals vakbonden, minimumlonen en socialezekerheidsstelsels. Om tot een perfecte vrije markt te komen zijn drastische programma’s van deregulering, privatisering en bezuiniging nodig, die in normale omstandigheden politiek onhaalbaar zijn. Radicale ingrepen die in normale omstandigheden onmogelijk zijn, kunnen volgens Friedman echter wel worden doorgevoerd in periodes van grote crisis of schok, en die bieden dan ook goede gelegenheden om economische ‘vooruitgang’ te boeken. Consequent met zichzelf bepleitte hij nog in 2005 in een ingezonden stuk in de Wall Street Journal dat de overstroming in New Orleans, die het hele sociale weefsel had vernietigd en de meeste scholen had vernield, een ideale kans bood om het onderwijssysteem volledig te privatiseren.

In dezelfde periode waarin Friedman zijn ideeën verspreidde, ontwikkelden Amerikaanse psychologen zoals Ewen Cameron ondervragings- en foltertechnieken ten behoeve van de CIA. Aan de basis daarvan lag de vaststelling dat mensen die ingrijpende destabiliserende behandelingen ondergaan zoals elektroshocks of zintuiglijke deprivatie, ontvankelijker worden voor suggestie en succesvoller te ondervragen zijn.
Naomi Klein suggereert een verband tussen beide ontwikkelingen, en beschrijft uitvoerig hoe in de recente geschiedenis economische ‘shocktherapie’ en martelpraktijken vaak samen voorkwamen.

De volgelingen van Friedman, de Chicago Boys, brachten hun economische theorieën voor het eerst in praktijk in het Chili van Pinochet, waar ze in de ‘shockperiode’ na de staatsgreep tegen Allende prominente posities bekleedden als economische adviseurs. Tegelijkertijd trainde de CIA het Chileense leger in ‘het onder controle houden van de subversiviteit’. Ook in andere Zuid-Amerikaanse landen werden autoritaire regimes economisch bijgestaan door de theoretici van de Chicago School en kregen ze onderricht in martel- en ondervragingstechnieken van de CIA. Dat economische shocktherapie - of althans een relatief beperkte versie ervan - ook mogelijk is in parlementaire democratieën bewees Margaret Thatcher in de jaren 1980 toen ze van de schok van de Falklandoorlog gebruik maakte om in eigen land massale privatiseringen door te drukken. Klein beschrijft een groot aantal crisissen en rampen die tot neoliberale economische en politieke hervormingen geleid hebben. Om er maar enkel te noemen: het neerslaan van het protest op het Tiananmenplein, de repressie tegen Solidarnosc in Polen, het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, de Tsunami en natuurlijk ook 9/11, dat niet alleen leidde tot een aanzienlijke vergroting van de defensiebevoegdheden van de Amerikaanse uitvoerende macht, maar ook tot een verregaande privatisering van beveiliging en terrorismebestrijding. Een recent voorbeeld van ‘rampenkapitalisme’ is de Irakoorlog, waar repressie en destabilisatie van het maatschappelijke weefsel gepaard gingen met een snelle en lucratieve opmars van de vrije markt, grotendeels geleid door Amerikaanse bedrijven.

Dat politieke en economische crisissen goede gelegenheden kunnen bieden om hervormingen door te voeren die onder normale omstandigheden op aanzienlijke maatschappelijke weerstand zouden stuiten, wekt op zich weinig verbazing. De idee is ook niet nieuw: Marxistische ideologen zagen lang geleden in crisissen al een vruchtbare voedingsbodem voor communistische revoluties. Over wat precies het verband is tussen schokken en economische hervormingen blijft Klein eerder vaag. Complottheorieën die stellen dat catastrofes opzettelijk uitgelokt worden ten behoeve van het bedrijfsleven wijst ze van de hand. Wel denkt ze dat een economisch stelsel dat constante groei nodig heeft, samen met de begeerte naar gemakkelijke, snelle winst tot een ‘crisisscheppende machine’ leiden, waardoor ‘het veroorzaken van rampen derhalve kan worden overgelaten aan de onzichtbare hand van de markt’. Het feit dat rampen niet veroorzaakt worden door samenzweringen van bedrijven neemt wel niet weg dat bepaalde ondernemingen, bijvoorbeeld in de oliesector, hard hun best doen om ervoor te zorgen dat rampzalige trends zoals de klimaatverandering ongehinderd kunnen doorgaan.

Na 550 weinig opbeurende bladzijden slaagt Klein er in om in het laatste hoofdstuk toch nog met een hoopgevende boodschap uit te pakken: de wereld herstelt zich van de schokken uit het verleden en wordt minder kwetsbaar voor de schokken van de toekomst. Tekenen dat het tij aan het keren is, ziet Klein onder meer in de golf van linkse verkiezingsresultaten in Zuid-Amerika, in het groeiende aantal landen die de ‘schuldslavernij’ verwerpen door geen IMF leningen meer te accepteren, in door natuurrampen getroffen gemeenschappen die zelf de wederopbouw in handen nemen, en in Nederland en Frankrijk die bij referendum de Europese grondwet afwezen (!). Als tegengewicht tegen alle kommer en kwel komt dit laatste hoofdstuk niet erg overtuigend over. In het algemeen zijn de superlatieven waarmee het boek overladen wordt trouwens ook niet echt op hun plaats. Er wordt geen coherent nieuw analysekader geboden en de bewering op de achterflap dat de shockdoctrine een ‘weinig begrepen maar geweldig invloedrijke ideologie’ zou zijn, wordt zeker niet hard gemaakt. Misschien hebben de uitgevers zich in hun marketingenthousiasme laten verleiden tot het scheppen van ietwat overdreven verwachtingen bij de lezer, wat er op zou kunnen wijzen dat het ‘rampenkapitalisme’ ook is doorgedrongen in de uitgeverswereld...

Dit neemt echter niet weg dat De Shockdoctrine zeker een zinvol boek en het lezen waard is, vooral omdat het een uitgebreid en goed gedocumenteerd overzicht geeft van de belangrijkste internationale politieke gebeurtenissen uit de recente geschiedenis, bekeken vanuit het perspectief van een oprukkende vrije markt en toenemende globalisering, privatisering en deregulering.

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 4 (april), pagina 56 tot 58