Abonneer Log in

Groei en werkgelegenheid vergokt door het casinokapitalisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 4 (april), pagina 35 tot 40

Private equity fondsen, hefboomfondsen, sovereign wealth fondsen, allemaal investeringsfondsen uit de financiële wereld waar we allesbehalve vertrouwd mee zijn. Nochtans hebben ze een grotere invloed op ons leven dan we denken.

Van ondernemerskapitalisme naar casinokapitalisme zonder omkadering

Feit is dat ze niet ontstaan zijn in België, maar door de financiële globalisering zijn hun effecten op formaat overal voelbaar, ook in ons land. Hun maatschappelijke, politieke, sociale, economische en financiële gevolgen zijn echter niet te onderschatten. Het gebrek aan een gepaste omkadering van die financiële globalisering en van deze fondsen maakt hen uitermate gevaarlijk. Ze maken onmiskenbaar deel uit van een globaal probleem waar politici globaal oplossingen voor moeten vinden. Dit blijkt echter niet voor de hand te liggen. Enkel voor sovereign wealth fondsen is de bereidheid iets groter, omdat er staatsbelangen mee gemoeid zijn.
Sovereign wealth fondsen verschillen fundamenteel van private equity fondsen en hefboomfondsen, in die zin dat ze overheidsfondsen zijn die investeren met een langetermijnperspectief. Private equity en hefboomfondsen zijn privé-fondsen die winstmaximalisatie op korte termijn nastreven, en daarbij niets of niemand ontzien.
Hun opgang ging gepaard met de transformatie van het ondernemerskapitalisme naar het casinokapitalisme. Dit laatste is een financieel kapitalisme dat gekenmerkt wordt door winstmaximalisatie op korte termijn uit financiële beleggingen en speculatie op de markten. En daar wringt het schoentje. Nieuwe regulering zou de realisatie van deze doelstellingen wel eens kunnen bemoeilijken. Ze zou bepaalde spelers uit de financiële wereld wel eens voor het hoofd kunnen stoten. Vandaar het gebrek aan politieke wil om een gepaste omkadering voor deze fondsen uit te werken.

Private equity fondsen als onzichtbare werkgevers

Nochtans trokken vijf internationale vakbondsfederaties, het Internationaal Vakverbond, het Europees Vakverbond en 22 vakbonden uit 15 landen, waaronder het ABVV, in maart 2007 al aan de alarmbel na afloop van de conferentie over de ‘financiarisering’ van de economie bij de OESO. We richtten een oproep tot de leiders van de G8 om een door de internationale gemeenschap gecoördineerd regelgevend antwoord te geven op de groeiende greep van de investeringskapitaalfondsen en de destabiliserende effecten ervan op de economie en de werkgelegenheid in de ondernemingen waarvan ze de controle overnemen.

Want private equity fondsen worden steeds belangrijker als onzichtbare werkgevers. Alleen al in de Verenigde Staten gaat het om 10 miljoen werknemers. In het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk werken er meer dan een miljoen mensen voor private equity groepen via de bedrijven die ze in hun portefeuille hebben. In België verschaften durfkapitalisten in 2006 al werk aan 65.000 Belgen. Dat is één op veertig werknemers in de privésector. En dit aantal zal alleen maar groeien.

Deze investeringskapitaalfondsen beschouwen zichzelf niet als werkgever, alleen als aandeelhouders. Ze hebben dan ook geen intentie om een maatschappelijk verantwoord investeringsgedrag te ontwikkelen. Ze houden geen rekening met de belangen van de werknemers, en toch hebben ze hun lot in handen. Als het oude management van de overgenomen bedrijven op post blijft, dan wordt dit zoet gehouden met extra bonussen. Maar beslissingsmacht heeft het niet meer. Als er een nieuw management komt, dan is dit vaak vakbondsvijandig. Zo wordt het voor de werknemersvertegenwoordigers onmogelijk om te onderhandelen over goede loon- en arbeidsvoorwaarden, terwijl deze onder grote druk komen te staan.

Een eindeloze lijst problemen

Het fonds betaalt immers zelf slechts een klein deel van de aankoop van het bedrijf en leent de rest bij de banken. Dit noemt men een leveraged buy-out (LBO), of een door schulden gefinancierde overname. Het opgekochte bedrijf wordt dan met de schuld opgezadeld. Het terugbetalen van die schulden én van de intresten op die schulden gebeurt ten koste van de investeringen, de werkvoorwaarden en de werkgelegenheid. Aangezien een durfkapitalist de waarde van de aandelen op korte termijn wil maximaliseren, zal hij meestal het overgenomen bedrijf maximaal herstructureren en vlug opnieuw - vaak opgedeeld - proberen te verkopen met maximale meerwaarde. Dit alles maakt het moeilijk de private equity sector te geloven wanneer die zegt jobs te creëren. Een rapport gepubliceerd door het Wereld Economisch Forum in januari 2008 spreekt dit trouwens tegen. Het rapport toont aan dat er vijf jaar na een overname door private equity - als het overgenomen bedrijf al 5 jaar aangehouden wordt - gemiddeld 10% van de werknemers zijn job kwijt is.
Bovendien worden ondernemingen met goede rentabiliteit en goede toekomstperspectieven in moeilijkheden gebracht. Maar we zien dat ook andere niet-overgenomen bedrijven dit kortetermijndenken overnemen om te kunnen concurreren met de bedrijven die eigendom zijn van private equity groepen. Van goed bestuur en een bedrijfsvisie, die stoelt op maatschappelijk verantwoord investeren, is er dan geen sprake meer.
Opgekochte bedrijven worden van de beurs gehaald zodat ze ontsnappen aan de verplichte rapportering. Zo kunnen ze werken in de grootste opaciteit. Dit gebeurde in België met Ontex. De overname van luierfabrikant Ontex door durfkapitalist Candover begin 2003 was één van de grootste overnames in België. Ontex had een steile groeicurve en vormde dus een perfect doelwit. Het bedrijf werd voor ongeveer 1 miljard euro overgenomen en van de beurs gehaald. Zo’n 40% van die overnameprijs was eigen vermogen van Candover, 60% was geleend. Candover heeft Ontex de schuld laten overnemen. De rentevoet was hoger dan de gangbare marktrente. Ontex moest een nettorendement halen van minstens 13% per jaar om de terugbetaling te kunnen financieren. Dit lukte niet en er ontstond een rentesneeuwbal. Zware herstructureringen waren het gevolg.
Private equity groepen nemen niet alleen privébedrijven maar ook overheidsbedrijven over, met het idee dat daar nog veel banen kunnen sneuvelen en kosten kunnen worden gedrukt. Hét voorbeeld bij uitstek dat momenteel veel vragen oproept in de politieke wereld is de overname in 2006 van de pakjesdienst ABX door de private equity groep 3i. Deze kapitalist kocht ABX over van de NMBS voor amper 80 miljoen euro, en wil nu (20 maanden later) ABX alweer verkopen, voor 600 miljoen euro! Die hogere prijs komt er na een herstructurering waarbij 8.000 mensen hun baan verloren. ABX België maakt gelukkig geen deel meer uit van ABX Worldwide. De Belgische pakjesdienst werd verkocht aan GLS, dochter van Royal Mail. GLS is geen durfkapitalist en gelooft in het bedrijf. Markant verschil: GLS laat wel syndicale activiteit toe, terwijl de syndicale activiteit in ABX Logistics sinds de overname door 3i stilgevallen is.

De enigen die goed varen bij deze door schulden gefinancierde overnames zijn de moderne kapitalisten. Zij winnen op alle vlakken. De beheerders van het fonds krijgen een vergoeding voor het kapitaal dat ze onder hun toezicht hebben - ook al brengen de investeringen van het fonds geen winst op - en ze krijgen een resultaatgebonden vergoeding. Ze presenteren de overgenomen bedrijven hoge facturen voor consultancydiensten. Er is de meerwaarde als het bedrijf in portefeuille wordt doorverkocht. Als ze niet kunnen wachten tot het bedrijf wordt doorverkocht, dan laten ze het bedrijf nog een lening aangaan die gebruikt wordt voor het uitbetalen van dividenden aan het private equity fonds. Om het helemaal mooi te maken, betalen deze fondsen meestal minder belastingen dan de werknemers die voor hen werken. Veel van deze fondsen zijn immers gevestigd in belastingparadijzen en de interest op de leningen die ze aangaan om de overnames te financieren is fiscaal aftrekbaar.

Speculatieve zeepbellen

Hefboomfondsen leveren vaak een deel van het kapitaal dat private equity groepen lenen om bedrijven over te nemen. Ze kopen zelf niet systematisch bedrijven op, maar wel alle financiële activa die te goedkoop zijn of winstpotentieel hebben. Ze speculeren op financiële markten. Door die speculatie duwen ze de prijzen van financiële activa omhoog. Het is de inflatie van die activa die speculatieve zeepbellen en ineenstortingen kan teweegbrengen.
Net als private equity fondsen financieren hefboomfondsen een groot deel van hun activiteiten met goedkoop krediet. Om goed te kunnen functioneren moet er dus krediet beschikbaar zijn en moeten de interestvoeten laag zijn. In het verleden was dit het geval. Daardoor verworven deze fondsen meer en meer macht. Ze beheerden in 2007 tussen de $1400 en $2000 miljard. Aangezien ze vier tot vijf keer hun eigen vermogen lenen, kunnen hun totale investeringen oplopen tot $8000 à $10000 miljard.
Deze fondsen gaan leningen aan om veel meer te kunnen investeren dan hun eigen vermogen. Ze moeten erop rekenen dat de gemaakte winsten hoger zullen liggen dan de interesten die zij moeten betalen, hetgeen een aanzienlijk risico met zich meebrengt.
Hefboomfondsen kunnen ook de toekomstige financiering van pensioenen ondermijnen. Ze halen veel geld uit pensioenfondsen. Terwijl deze relatief goed gereguleerd zijn, zijn hefboomfondsen dat niet.

De uitdaging is groot

Beide investeringsvormen stellen overheden voor grote uitdagingen wat betreft reglementering, belastingheffing en goed bestuur van bedrijven. De ‘financiarisering’ van de economie onder impuls van hefboomfondsen en private equity heeft reeds haar sporen nagelaten in de strategieën van bedrijven, in de arbeidsverhoudingen, in de openbare dienstverlening en in de overheidsinkomsten. Een situatie waarin de financiële markten de algemene gezondheid bepalen van de economie is niet gezond.

Het Internationaal Monetair Fonds zit in een ideale positie om de gevolgen van de opkomst van hefboomfondsen en private equity fondsen op de kapitaalmarkten en de reële economie te analyseren en om op de proppen te komen met gepaste maatregelen. Maar nationale overheden kunnen zelf ook maatregelen nemen om de financiële markten te reguleren. Denk maar aan belastingwetgeving en aan herziening van regulering zodat gevestigde werknemersrechten beschermd blijven.

De kip of het ei?

Hoe verhouden deze investeringskapitaalfondsen zich nu tot de financiële crisis waarmee we sinds augustus 2007 geconfronteerd worden? Zijn ze er de oorzaak van of dragen ze er de gevolgen van? Twee hefboomfondsen van de Amerikaanse zakenbank Bear Stearns zetten de kredietcrisis vorig jaar mee in gang toen ze kopje onder gingen. Ze waren actief op de hypotheekmarkt. Anderzijds heeft de crisis ook negatieve gevolgen op de hefboomfondsen en private equity groepen omdat het nu veel moeilijker is om krediet te bekomen.
In ieder geval, wat er problematisch is aan de fondsen en wat er aan de oorzaak ligt van de financiële crisis, zijn dezelfde zaken: schuld en een gebrek aan regulering. De Amerikaanse hypotheekmarkt is geliberaliseerd zonder wettelijke omkadering. Veel Amerikaanse burgers van wie men op voorhand wist dat ze het moeilijk zouden hebben om een hypothecaire lening terug te betalen, kregen die toch. Iedereen was immers in de veronderstelling dat de huisprijzen zouden blijven stijgen. Maar dat deden ze niet. De sector van de risicovolle hypothecaire leningen stortte in elkaar. Dat was het begin van de crisis.
Amerikaanse financiële instellingen verkochten deze risicovolle leningen herverpakt aan investeerders in de rest van de wereld. Het waren investeerders die eigenlijk niet wisten of niet wilden weten welk risico ze kochten. Deze investering of delen ervan werd, mogelijk samen met andere investeringen, weer in een nieuw kleedje gestopt en doorverkocht. Het is niet moeilijk te begrijpen dat uiteindelijk niemand meer zicht had op welk risico waar terecht was gekomen. Het fout inschatten van risico’s kan zware gevolgen hebben. Door het gebrek aan informatie en transparantie begonnen de financiële spelers elkaar te wantrouwen. Ze wilden elkaar geen geld meer lenen. Dit leidde tot een gebrek aan liquiditeit op de financiële markten en tot instabiliteit.
Het waren niet alleen hefboomfondsen die deze herverpakte risico’s kochten maar ook commerciële banken. Een groot aantal banken hebben buiten hun balans constructies opgezet om risicovolle investeringen te kunnen doen, zonder controle door de toezichthouders en zonder daarvoor bijkomend kapitaal opzij te moeten zetten.
Veel banken hebben dan ook zware verliezen geleden. Recent nog ging er een schokgolf door Amerika toen het aandeel van één van de grootste Amerikaanse zakenbanken Bear Stearns in elkaar stuikte als gevolg van zijn investeringen in rommelhypotheken. De grote Belgische banken zullen niet meteen failliet gaan. Ze hebben zich in mindere mate blootgesteld aan dit soort risicovolle investeringen en ze hebben een goede kapitaalbasis. Toch heeft de crisis ook hun rentabiliteit negatief beïnvloed. De beurskoers van enkele banken was de voorbije maanden heel volatiel.

Rampzalige gevolgen voor groei en werkgelegenheid

Terwijl de gevolgen van de financiële crisis op de financiële sector stilaan zichtbaar beginnen te worden, tast men nog in het duister over de gevolgen voor de niet-financiële sector. Het staat vast dat ook de gevolgen voor de groei en werkgelegenheid aanzienlijk zijn.
In 2008 komen er volgens Global Employment Trends van de Internationale Arbeidsorganisatie wereldwijd minstens 5 miljoen werklozen bij. Dat is een stijging met 6,1%.
De internationale instellingen doen niets anders dan hun economische vooruitzichten naar beneden herzien. Het Internationaal Monetair Fonds verwacht nu dat de wereldeconomie in 2008 met 3,7% zal groeien. In juli 2007 lagen de verwachtingen maar liefst één procentpunt hoger. En het valt niet uit te sluiten dat de werkelijke groei nog negatiever zal uitvallen. Ben Bernanke van de Federal Reserve heeft immers recent aangekondigd dat de kans op een recessie voor de Amerikaanse economie zeer reëel is. En de Europese economie staat niet los van de Amerikaanse. De evolutie van de Amerikaanse rentevoet, van de waardevermindering van de dollar ten opzichte van de euro en van de Amerikaanse onevenwichten, namelijk het tekort op de lopende rekening en het budgettair tekort, worden dan ook angstvallig in het oog gehouden.
Voor België verlaagde het IMF de groeiverwachting van 1,9% tot 1,4% voor 2008. Dit betekent dat de begroting voor 2008, die in februari werd opgemaakt op basis van een groeivooruitzicht van 1,9%, in slechte papieren zit. En ook bij de creatie van 200.000 extra jobs in de komende vier jaar kunnen we een vraagteken zetten. De eerste prioriteit van Leterme I moet zonder twijfel het aanzwengelen van de groei zijn.

Dringend ingrijpen nodig

Centrale banken zijn snel tussengekomen en hebben massaal liquiditeit (dat in feite publiek geld is!) in de financiële markten gepompt om ze te kalmeren. Maar dit is geen langetermijnoplossing en biedt ook geen antwoord op de centrale rol van leverage, het toenemen van schulden in de financiële markten, en de kwesties van transparantie, beheer, regulering en belasting op hefboomfondsen en private equity. De financiële crisis zet de vakbondseis van regulering van deze fondsen kracht bij. Ook zij maken deel uit van de financiële innovatie. Er bestaat geen verplichting om verslag uit te brengen over hun investeringen; dus niemand weet in welke mate ze blootgesteld zijn aan risico.
Naast regulering van financiële markten, is er (zoals gevraagd door het Internationaal Monetair Fonds) een combinatie nodig van verlaagde interestvoeten met fiscale stimuli. Deze fiscale stimuli mogen niet begrepen worden als lastenverlagingen voor bedrijven, maar wel bijvoorbeeld als investeringen in koopkrachtverhogende maatregelen. De economie moet opnieuw gebaseerd worden op de reële vraag en niet op schuld. We moeten af van de Brussels consensus die stelt dat structurele hervormingen de enige gepaste manier zijn om de economische groei te bevorderen. Niet alleen moet men in de VS zijn verantwoordelijkheid opnemen, ook de Europese Centrale Bank en de regeringen van de Europese lidstaten moeten het nodige doen.

Sovereign wealth fondsen: een deel van de oplossing?

Aangezien sovereign wealth fondsen investeren op lange termijn, hebben ze een stabiliserend effect op financiële markten die momenteel gedomineerd worden door investeerders met kortetermijnperspectieven, zoals private equity en hefboomfondsen. Deze stabiliserende rol wordt ook gewaardeerd door financiële privé-spelers die voor een keer vol lof zijn over de interventie van de staat in financiële markten.
Deze fondsen zijn immers overheidsfondsen die opgebouwd zijn uit deviezen. Het zijn de landen met een overschot op hun lopende rekening en met meer deviezen in reserve dan nodig, die een soeverein investeringsfonds creëren. Deze fondsen bestaan zeker al sinds de jaren 1950 maar hun totale omvang is exponentieel toegenomen in de laatste 10 tot 15 jaar. In 1990 zat er in de fondsen maximum $500 miljard. Momenteel spreken we over $2000 tot $3000 miljard. Dat is de helft van alle deviezenreserves in de wereld. In vergelijking, de waarde van alle activa die hefboomfondsen beheren bedraagt $2000 miljard.
Ondanks de stabiliserende rol van deze fondsen maken onder andere de Verenigde Staten er toch veel ophef rond. Dit is niet verwonderlijk omdat deze fondsen opgericht worden door landen die een overschot hebben op hun lopende rekening en dat zijn veelal opkomende economieën die olie of gas exporteren. De Verenigde Staten daarentegen zitten met een enorm tekort op de lopende rekening. Het zijn dus landen zoals de Verenigde Arabische Emiraten, Koeweit, Oman, China en Rusland die (veel) investeren in grote bedrijven in de Verenigde Staten, terwijl Bush net acht jaar geprobeerd heeft zoveel mogelijk invloed te verwerven over die olie- en gasexporterende landen.

Veel van de ophef heeft dan ook te maken met de angst dat sommige fondsen niet enkel commerciële maar ook industriële en zelfs politieke belangen nastreven. Bovendien staan sommige thuislanden van die fondsen zelf niet open voor dergelijke buitenlandse investeringen, wat zorgt voor ongelijke spelregels. De investeringsstrategieën van de fondsen zijn niet gekend. Met uitzondering van het Noorse fonds zijn ze niet transparant.
Net omdat de fondsen soeverein zijn en dus alleen rekenschap moeten afleggen ten opzichte van de regering van het thuisland, kunnen de regeringen van de landen waarin ze investeren hen ook niet verplichten die gegevens vrij te geven. Een regering kan wel regels opleggen in verband met de activa in eigen land waar sovereign wealth fondsen niet in mogen investeren. Zo zal de VS nooit toelaten dat een sovereign wealth fonds investeert in een bedrijf als Boeing. Het Internationaal Monetair Fonds zal tegen oktober van dit jaar wel een vrijwillige code opstellen voor sovereign wealth fondsen.

Vanuit vakbondsoogpunt is dit onvoldoende. Een vergelijking tussen financiële markten en straatverkeer toont aan waarom. Voetgangers, fietsers, auto’s en vrachtwagens hebben een wegcode nodig om ongevallen te vermijden. Aanbevolen snelheidsbeperkingen zijn niet genoeg. Dit geldt ook voor de financiële markten om crisissen te vermijden. Net zoals voor private equity fondsen en hefboomfondsen is regulering voor sovereign wealth fondsen noodzakelijk.
Maar de vakbonden willen een breder debat aangaan over deze fondsen. We erkennen hun mogelijk stabiliserende rol op de financiële markten en het feit dat ze op korte termijn een oververhitting van hun economie kunnen afwenden door hun overschot aan deviezen elders te investeren. Maar de vraag is of al die geaccumuleerde welvaart niet kan worden gebruikt om een meer herverdelend binnenlands vraagbeleid te voeren, om hun economie voor te bereiden op het post-petroleumtijdperk of nog om een beleid te financieren dat de armoede verlicht. Over deze fondsen is het laatste woord nog niet gezegd.

Jo Vervecken
Federale studiedienst ABVV

kapitalisme - speculatiefondsen - werkgelegenheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 4 (april), pagina 35 tot 40