Log in

Hoe kan de Europese Unie bijdragen aan een socialere samenleving?

Nood aan een heroriëntatie van het debat over het sociale Europa

Mensen zijn vooral bezig met sociale problemen: werk, behoud van koopkracht en pensioenen, gezondheid, enz. Dat leren we opnieuw in de meest recente Eurobarometer. Tegelijkertijd stelt men ook vast dat de mensen er zich meer en meer van bewust zijn dat Europa invloed heeft op deze problemen. Het is echter vaak onduidelijk of Europa een deel van het probleem of een deel van de oplossing is.

Velen zien Europa als een deel van het probleem. Het verhindert de lidstaten om hun sociaal beleid gestalte te geven. Deze reflex treffen we aan in de afwijzende houding ten aanzien van de Europese grondwet, en nu ook ten aanzien van het Verdrag van Lissabon. We merken dit ook in de discussie over de flexicurity, dat erg met Europa geassocieerd wordt. Ik kan begrip opbrengen voor de Eurosceptische houding van heel wat linkse militanten, maar ‘Europa’ verwerpen betekent het kind met het badwater weggooien en versterkt de gevaarlijke tendens van verrechtsing en de opkomst van nieuwe vormen van nationalisme in al onze samenlevingen. Er is nood aan een meer genuanceerd debat.
‘Europa’ moet een deel van de oplossing worden. Dit kan als we Europa beschouwen als een nieuw beleidsniveau dat ons in staat kan stellen om de globalisering te sturen. Het kan de andere beleidsniveaus een grotere beleidsruimte geven om de (sociale) problemen van de samenleving aan te pakken. Dit veronderstelt een tegensprekelijk politiek debat over de inhoud van het in Europa gevoerde beleid. Dit was het geval bij de Bolkesteinrichtlijn enkele jaren geleden, maar dit moet bijvoorbeeld ook bij de actuele discussie over de voorstellen van de Commissie en de Raad rond flexicurity of het door de Europese Commissie of de ECB geïnitieerde sociaaleconomische beleid. Het resulteert alvast in een groeiende coherentie in de visie van de Europese Sociaaldemocratie. Bewijs hiervan is het document van de PES over het ‘nieuw sociaal Europa’ of het standpunt van de PES-fractie in het Europese Parlement over het ‘inclusieve Europa’. Dit debat moet op termijn leiden tot nieuwe, politieke krachtverhoudingen in Europa.

Het Europese beleid dus kan een deel van de oplossing zijn voor de sociale zorgen van mensen, indien de juiste beleidskeuzen gemaakt worden. In dit artikel wil ik de contouren aangeven voor een sociaaldemocratische consensus over een ‘sociaal Europa’ en de mogelijke tegenstellingen tussen links en rechts in Europa aanduiden.

Sociale fatsoensnormen voor iedereen in Europa

Lange tijd was ‘sociaal Europa’ beperkt tot een flankerend beleid voor de totstandkoming van de interne markt. Het ging om Europees geld om de gevolgen van herstructureringen op te vangen. Het ging ook om de strijd tegen sociale dumping. Het sociale beleid moest een geleidelijke harmonisering van de sociale realiteit op de weg van de vooruitgang mogelijk maken. Op het vlak van veiligheid en gezondheid heeft Europa tussen 1989 en 2002 een echte voortrekkersrol gespeeld. Hetzelfde geldt voor de gelijke behandeling van vrouwen en mannen en de antidiscriminatie. Maar het werk is verre van af. Hier merken we een eerste breuklijn.
Er is de discussie over de zogenoemde detacheringsrichtlijn. Zij verplicht bedrijven die werknemers in een ander land werken laten uitvoeren de belangrijkste loon- en arbeidsvoorwaarden uit het werkland toe te passen. Betere controles en samenwerking van inspectiediensten over de grenzen heen zou paal en perk moeten stellen aan de veelvuldige misbruiken. Maar in plaats van voorstellen te doen om deze samenwerking te verbeteren, beperkt de Commissie de controlemogelijkheden van de Lidstaten omdat zij de concurrentie belemmeren. Het recente arrest in de zaak Laval zet bovendien de basisprincipes van deze richtlijn op de helling. Het Hof was van oordeel dat de Letse bouwondernemer voor de bouw van een school in het Zweedse Vaxholm met een Letse CAO mag werken, omdat er in Zweden geen nationale regels bestaan voor CAO’s en afspraken i.v.m. minimumloon. Bovendien stelt het Hof dat vakbondsacties niet disproportioneel mogen zijn.
Een tweede dossier is dit van de richtlijn uit 1993 over de arbeidstijd. Die bepaalt o.a. dat men in Europa gemiddeld niet langer dan 48 uur per week mag werken, overuren inbegrepen. De Britse regering had voor zichzelf een uitzondering op deze maximale arbeidstijd onderhandeld (een opt-out). Onder druk van een Arrest van het Hof van Justitie willen ook andere lidstaten van deze opt-out gebruik maken. Het dossier ligt nu al enkele jaren geblokkeerd op de tafel van de ministers.
Een derde belangrijk sociaal dossier dat al jaren geblokkeerd is, is het voorstel van gelijke behandeling van werknemers uit interim-bedrijven. In die landen waar er geen specifieke afspraken zijn voor de ganse interim-sector, zouden de interim-werkers gelijke behandeling moeten krijgen als de werknemers uit de bedrijven waar het werk wordt uitgevoerd. In plaats van voorstellen te doen om deze discussie uit het slop te halen, geeft de Commissie de prioriteit aan het debat over de modernisering van het arbeidsrecht. In dit debat ging het voor haar niet langer om gelijke behandeling van werknemers met de vaste contracten als norm, maar om het installeren van meer flexibiliteit. Door de negatieve reacties aan vakbondszijde, maar ook van het Europese Parlement, is dit debat intussen (voorlopig?) naar de achtergrond verschoven.

Een goed flankerend sociaal beleid blijft een belangrijk element in wat men gemeenzaam een sociaal Europa is gaan noemen. Dankzij de inzet van vakbonden hebben werknemers goede arbeidsvoorwaarden kunnen verwerven: een behoorlijk loon, het recht op jaarlijks betaald verlof, de 8 urendag, recht op vorming, enz. Ieder land heeft zijn eigen arbeidsreglementering. De globalisering zet deze afspraken op de helling doordat bedrijven de werknemers tegen elkaar uitspelen. Om dat te vermijden zijn Europese sociale minimumregels nodig. Dit zou ook kunnen voor een verplicht minimumloon en -inkomen, afhankelijk van de rijkdom van ieder land, zoals de PES voorstelt.

Fundamentele rechten helpen waarborgen

Maar een goed flankerend sociaal beleid op Europees vlak volstaat niet om een ‘sociaal Europa’ te realiseren. Het sociaal Europa is meer dan sociale beleidsmaatregelen op Europees vlak. Het gaat ook over het scheppen van voorwaarden die overheden meer beleidsruimte geven om een sociaal beleid te voeren. Het monetaire beleid, het macro-economische beleid, het beleid op het vlak van de interne markt: die hebben allemaal meer invloed op de sociale beleidsruimte in de Lidstaten dan (het gebrek aan) sociale initiatieven van de Commissie.
Dit vergt een omslag in het denken en in het organiseren van de discussie over Europa. Dit betekent dat men veel meer dwarsverbindingen moet leggen tussen de verschillende beleidsdomeinen en filières, iets wat in de huidige organisatorische uitbouw van de Europese en nationale administratie bijna onmogelijk is. Sociale beleidsverantwoordelijken mogen de discussie over de economie en de markt niet alleen aan economisten en juristen overlaten.
Het Verdrag van Lissabon (de aangepaste grondwet) schept hier een nieuw perspectief doordat het respect van de grondrechten, opgenomen in het Charter van grondrechten van de Europese Unie, als een centrale doelstelling van het beleid op de voorgrond geplaatst wordt. De Europese Unie moet samen met zijn Lidstaten deze grondrechten (ook de sociale) waarborgen. Daardoor moeten alle beleidsdomeinen - niet alleen de sociale - op de waarborging van deze rechten gericht worden.

Sociale en groene voorwaarden aan de markt

De interne markt van goederen en diensten heeft ons geen windeieren gelegd. Een grote markt zonder grenzen bracht effectief meer welvaart. Maar, het opheffen van de grenzen tussen landen maakt nieuwe grenzen aan de concurrentie noodzakelijk.
De Europese Commissie moet waken over de faire concurrentie. Openbare aanbestedingen moeten volgens transparante regels gebeuren en elk bedrijf moet daaraan kunnen deelnemen. Maar faire concurrentieregels mogen het sociale beleid van de lidstaten, de regio’s, de gemeenten niet ondermijnen. Gemeenten kunnen bij openbare aanbestedingen milieunormen opleggen. Maar dit zou ook moeten verbeteren voor sociale overwegingen, zoals de verplichting om samen te werken met lokale sociale economiebedrijven of om jonge werklozen uit eigen buurt een kans op werk te geven of ervoor te zorgen dat de sociale verworvenheden van de werknemers gevrijwaard worden. De Europese regels geven een beperkte manoeuvreerruimte aan de ondergeschikte besturen, maar het is allemaal te zwak geformuleerd en vaak moeten rechters de wetgeving interpreteren.
Hetzelfde geldt voor de Europese regels voor de binnenmarkt. Zij mogen niet leiden tot een aantasting van sociale rechten, consumentenrechten, herverdelingsmechanismen, sociale dienstverlening of gezondheidszorg die in de Lidstaten op zeer verschillende wijzen georganiseerd en gefinancierd worden. Dit was o.a. het grote discussiepunt tussen links en rechts bij de totstandkoming van de dienstenrichtlijn.
Frits Bolkestein en zijn opvolger Charlie Mc Creevey zijn voorstanders van erg soepele regels voor het vrij verlenen van diensten in Europa. Het Europese Parlement heeft de voorstellen veranderd en de sociale diensten en de diensten van algemeen belang voor het grootste stuk uitgesloten. Ook het zogenoemde land van herkomst-principe is in belangrijke mate teruggeschroefd. Het recente Arrest van het Hof van Justitie in de zaak Laval bewijst echter dat de discussie niet afgelopen is. De Europese socialisten en het Europees Vakverbond dringen aan op richtlijnen om de diensten van algemeen belang zoals energie, openbaar vervoer, post en communicatie maar ook sociale diensten als sociale huisvesting en gezondheidszorg veilig te stellen van de concurrentie. Het Verdrag van Lissabon maakt dit mogelijk, maar Commissievoorzitter Barroso heeft al laten weten dat hij hier niet zal op ingaan.
De kernvraag is dus niet ‘Europees’, maar ideologisch: waar trekt men de grens tussen markt en overheid. Deze discussie zal ontegensprekelijk opnieuw aan de orde zijn bij de operationalisering van de nieuwe bepalingen uit het Verdrag van Lissabon. Die verplichten de Commissie tot een coherent en samenhangend beleid en het toetsen van al haar voorstellen op zijn sociale gevolgen. De PES stelt alvast sociale clausules in de Europese regelgeving voor. Maar waarom zou men niet voluit kunnen gaan voor een volwaardige ‘sociale toets’ van alle wetgevingsvoorstellen? En dit naar analogie met de alarmbelprocedure voor nationale parlementen (die de Commissie kunnen vragen bepaalde voorstellen te herzien, als ze van mening zijn dat Europa zijn bevoegdheden te buiten gaat).

Het muntbeleid heroriënteren

De invoering van de euro heeft Europa economisch sterker gemaakt. Dankzij de euro hebben we de crisissen van de afgelopen jaren beter het hoofd kunnen bieden. Maar de recente crisis op de Amerikaanse markten legt de vinger op de wonde. Ook het macro-economische en monetaire beleid gaat uit van maatschappelijke keuzes en is niet ‘waardenvrij’.
Er is een (kleine) aanzet van discussie. Jean-Claude Juncker, de Luxemburgse premier en voorzitter van de Eurogroep, stelt dat men er niet moet over verwonderd zijn dat werknemers zich van Europa afkeren wanneer sommigen zich winsten kunnen veroorloven zonder ervoor te moeten werken, terwijl zij hun looneisen moeten matigen. Juncker wil dat er nagedacht wordt over een moderne manier om zoveel mogelijk mensen te laten meegenieten van de vruchten van de groei. Is onze groei niet te sterk gedreven door bepaalde financiële markten die mensen en ondernemingen meesleuren in speculatieve zeepbellen en hen verleiden tot een massale opbouw van schulden? En zo ja, is het dan niet hoog tijd dat de Europese leiders zich inzetten voor meer transparantie en regulering van deze financiële markten? Is de structurele oorzaak van de financiële crisissen niet gelegen in het feit dat het aandeel van lonen en productieve inkomsten in het bbp over de laatste decennia alsmaar daalt, met als gevolg dat de vraag moet komen van méér schulden i.p.v. van méér inkomen? En zo ja, is het dan niet aangewezen om meer aandacht te schenken aan koopkrachtontwikkeling en investeringen?

Onderlinge afstemming van het economisch en muntbeleid kan een hefboom zijn voor beter werk en meer koopkracht, dus voor een socialer Europa. De Europese Centrale Bank (ECB) mag zich niet beperken tot de vrijwaring van de stabiliteit van de munt en het in toom houden van de inflatie. Ook werk en koopkracht moeten een aandachtspunt zijn. Daarvoor moet de ECB overleggen met de ministers van de eurolanden, maar ook met de leiders van de Europese patroonsorganisaties en vakbonden. De ministers hebben belang bij goede afspraken over het begrotings- en herverdelingsbeleid. En bij de coördinatie van de economische politiek, patronaat en vakbonden gaat het in eerste instantie over de lonen en arbeidsvoorwaarden, bij de ECB over de gezondheid van de munt. Samen moeten ze de krachten bundelen en met elkaar rekening houden.
Maar, een versterking van de macro-economische dialoog is blijkbaar niet de keuze van de Europese economische filières. Uit de conclusies van de laatste lentetop (maart 2008) blijkt dat het conservatieve Europa vooral kiest voor concurrentie en ‘structuurveranderingen’. Europa moet alles zetten op een dynamische diensteneconomie die flexibel op snelle ontwikkelingen kan inspelen. Dit betekent een massale omslag van industrie naar diensten, met alle gevolgen van dien voor het arbeidsmarktbeleid. Deze beleidskeuze wordt nog eens versterkt door de onverantwoordelijke houding van de Europese werkgevers, Business Europe. Zij hebben weliswaar met het Europees Vakverbond een gemeenschappelijke analyse van de arbeidsmarkt onderschreven, waarin zij mee pleiten voor een betere macro-economisch dialoog. De manier waarop zij echter de vakbonden blijven uitdagen met het overbenadrukken van de flexibiliteit getuigt niet van een constructieve ingesteldheid ten aanzien van een mogelijke afstemming van belangen.

Duurzame groei, kwaliteitsvol werk en sociale samenhang: drie zijden van één driehoek

1) Zonder economische groei kan je geen werk scheppen en competitief blijven in de wereld. 2) Daarbij moeten de opbrengsten van de groei goed besteed worden: niet speculeren maar investeren in innovatie, werk en opleiding. 3) Bovendien moeten de opbrengsten ook eerlijk verdeeld worden: niemand mag uit de boot vallen.
Dit zijn voor sociaaldemocraten drie essentiële basisvoorwaarden om een sociaal Europa mogelijk te maken. Dat was de inspiratie voor het Europese Lissabonproces: tegen 2010 de meest performante kenniseconomie in de wereld zijn die duurzame economische groei koppelt aan kwaliteitsvol werk en hoge mate van sociale samenhang. ‘Lissabon’ verwijst naar de Europese Top van maart 2000 in de Portugese hoofdstad. De Europese regeringsleiders spraken er af om jaarlijks in de lente een stand van zaken op te maken van de economische toestand van Europa. Het was een goed project uit een tijd met een sociaaldemocratisch overwicht in Europa. Vanaf 2002 werd dit project door de conservatieve politieke conjunctuur onderuit gehaald. Werk en sociaal beleid werden onder één hoedje samengetrokken. Competitiviteit en structuurverandering zijn op de voorgrond geplaatst.

Publieke overheden kunnen hun bijdragen leveren tot gezonde en duurzame economisch groei: door hun eigen overheidsbudgetten gezond te houden én door te investeren in groene, duurzame economie, in innovatie, in sociale noden. In Europa ziet de Commissie toe op de gezondheid van de begrotingen van de Lidstaten. Daar kan niemand iets op tegen hebben: in een huishouden is dat ook zo. Maar het toezicht beperkt zich tot de uitgaven van de landen en houdt te weinig rekening met de kwaliteit van deze uitgaven. Dit kan beter: investeren in innovatie, in opleiding en onderwijs, in economische infrastructuur en in goede dienstverlening zijn troeven voor de toekomst en moeten anders beoordeeld worden dan bijvoorbeeld administratieve uitgaven. Lidstaten en hun regio’s kunnen via hun begroting ook impulsen geven aan de economie door bijvoorbeeld wat meer uit te geven als het economisch slecht gaat en te sparen als het goed gaat. Ook Europa kan zijn verantwoordelijkheid nemen en mee investeren. Het zou op dit vlak méér kunnen doen. Ook hier gaat het over beleidskeuzen.

Ook werkgelegenheid is een gedeelde bevoegdheid van de Europese Unie, van de lidstaten en de regio’s. Dit moet zo blijven. Ook in ons land is dat zo: Limburg is Antwerpen niet, Brabant is anders dan Luik. Echter, in een huishouden is het wel nodig om de neuzen in dezelfde richting te zetten en de solidariteit te organiseren.
Ook hier worden we met ideologische tegenstellingen geconfronteerd. Voor sociaaldemocraten moet kwaliteitsvol werk mensen integreren in de samenleving. Het moet hen in staat stellen voor zichzelf en hun gezin een waardig leven uit te bouwen. Als zij door omstandigheden zonder werk zitten, moeten zij bereid zijn om zich in te zetten voor een nieuwe baan, maar moeten zij daarin ook gesteund worden en over een voldoende inkomen beschikken om uit de armoede te blijven. Wie te oud is om te werken of met ziekte en ongeluk geconfronteerd wordt, moet sociale zekerheid genieten.
Intussen is sedert 2002 de aandacht voor de kwaliteit van het werk en de strijd tegen de dualisering naar de achtergrond verschoven. Flexicurity heeft de plaats van ‘kwaliteit en cohesie’ ingenomen. Europa schept banen, maar vooral precaire banen. Er is een grote toename van deeltijds werk, vooral in België waar dit tot voor enkele decennia een uitzondering was (in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland). Interim-arbeid verdriedubbelde tussen 1993 en 2006 en 30% van de jongeren heeft een contract van beperkte duur. Zo’n 12% van alle Europese werknemers zijn onder precaire omstandigheden tewerkgesteld. Ongeveer 6% is tewerkgesteld tegen een inkomen onder de armoedegrens. Ook in België telt de Kruispuntbank een groeiend aantal werknemers die een bijbaan aannemen om de eindjes aan elkaar te knopen.
Nochtans moet een goede balans tussen flexibiliteit en zekerheid niet tegenstrijdig zijn met een sociaaldemocratisch gedachtegoed. Op voorwaarde dat dit niet beperkt blijft tot flexibiliteit voor de economie en ook leidt tot meer en beter werk en sociale zekerheid voor de mensen.
Economische groei en meer werk moet gepaard gaan met een betere herverdeling, met solidariteit. Deze derde zijde van de driehoek is de achilleshiel van Europa. De cijfers leren ons dat Europa er niet in slaagt om, ondanks de economische groei en meerwaarde, de opbrengsten ervan beter te verdelen. Ondanks de groeiende tewerkstelling neemt de armoede niet af, integendeel.
Europa kan beleidsruimte scheppen zodat de lidstaten hun sociale systemen kunnen verbeteren en aanpassen aan de nieuwe noden. Tussen 1999 en 2002 werd ook op dit vlak een beleid geïnitieerd. In opvolging van de afspraken van Lissabon is er werk gemaakt van de opvolging van sociale doelstellingen. Zo moest het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft, worden teruggedrongen. Ze moeten zorgen voor betaalbare woningen, voor een goed vervangingsinkomen, voor goede en betaalbare kinderopvang en gezondheidszorgen. In het verlengde van deze doelstellingen zou Europa moeten zorgen dat de lidstaten over voldoende inkomsten beschikken om hun stelsels betaalbaar te houden door bijvoorbeeld iets te doen aan de fiscale concurrentie. Dat is niet het geval.
Meer dan ooit tevoren beconcurreren de lidstaten elkaar met lagere bedrijfsbelastingen om nieuwe investeringen aan te trekken. Lagere bedrijfsbelastingen verhogen de druk op de andere inkomstenbronnen, zoals belastingen op arbeid en consumptie. Een Europese coördinatie van vennootschapsbelastingen kan hier soelaas bieden en ruimte vrijmaken om de belastingen op arbeid te verminderen. Bovendien zou de invoering van een minimumtarief kunnen worden gebruikt als inkomstenbron voor de Unie. Een mogelijk akkoord moet echter unaniem door de 27 ministers getroffen worden.
Een onmogelijke opdracht? We stellen vast dat de geesten bewegen. Het nieuwe Verdrag van Lissabon voorziet een (beperkte) versterking en uitbreiding van de samenwerking tussen de eurolanden. De ministers van sociale zaken uit die eurolanden zouden een Europese discussie kunnen initiëren over de financiering van hun sociale stelsels. In plaats van te zoeken naar oplossingen binnen hun beperkte nationale budgetten, zouden zij bij de ministers van financiën argumenten kunnen aanbrengen voor een Europees initiatief op het vlak van het fiscale beleid.

Sociale dialoog, een fundamentele pijler van de democratie, ook in

Europa

De sociale dialoog is de motor voor onze economische democratie (en welvaart). In ons land, maar ook in de ons omringende landen, is het sociale model er gekomen dankzij een gecoördineerde inzet van vakbonden op de werkvloer, sociale organisaties in de maatschappelijke dienstverlening en politieke partijen. Indien wij willen werken aan betere krachtverhoudingen in Europa, dan zal deze dynamiek zich ook in Europa moeten ontwikkelen.
In 1993 schept het verdrag van Maastricht een kader voor Europese CAO’s. In 1999 wordt een macro-economische dialoog tussen sociale gesprekspartners, ECB en Commissie geïnstalleerd. Nu de economie op een Europese leest geschoeid is, moet deze sociale dialoog ook een Europese dimensie krijgen. Maar om afspraken te maken, heb je partners nodig die aan elkaar gewaagd zijn. In Europa is dit niet het geval. Tot op heden werden maar twee bindende afspraken afgesloten, over telewerk en over pesten op het werk. In de transportsector is er een CAO over de arbeidsvoorwaarden voor het reizend personeel bij de spoorwegen. Er zijn enkele niet-bindende afspraken gemaakt. Ook de macro-economische dialoog is vaker een dovemansgesprek dan een dialoog. Het Europees Vakverbond en de sectoriële federaties zitten in zeer ongelijke machtsverhouding met de patroonsorganisaties. De Europese werkgevers voelen weinig of niets voor Europese afspraken. In die omstandigheden is onderhandelen dan ook erg moeilijk.

Hier moeten nieuwe machtsverhoudingen afgedwongen worden. De Europese Ondernemingsraad kan hier een middel voor zijn. Het biedt een kader voor syndicale vertegenwoordigers om elkaar beter te leren kennen. Ook al kunnen zij geen CAO’s onderhandelen, toch zijn zij in de praktijk een belangrijk instrument gebleken om werknemers te organiseren in het licht van delokalisaties en herstructureringen. Daarom ook dat deze richtlijn moet worden versterkt: lagere drempels, betere vorming, begeleiding en omkadering door experts, betere bescherming van de délégués, duidelijker afspraken over wie wanneer geïnformeerd wordt en ook duidelijker afspraken over de sancties als de regels niet worden toegepast. Ook het Economisch en Sociaal Comité kan zich ontplooien tot forum voor vertegenwoordigers van nationale sociale gesprekspartners en organisaties van het middenveld. Maar er is nog heel wat werk aan de winkel.

Europa: een sociaal baken in de wereld

Dit pleidooi voor een ideologisch debat over de inhoud van een Europese politiek mag ons niet doen vergeten dat we ons in een mondiale context situeren. Met de Europese Unie is Europa het best uitgerust om de globalisering in sociaal rechtvaardige banen te leiden en om voorstellen uit te werken voor de hervorming van de internationale instellingen, zodat ook deze in staat zijn om de nieuwe problemen en uitdagingen aan te pakken. De Europese Unie staat model voor andere wereldregio’s om zich op een democratische wijze te organiseren en zo hun plaats in te nemen in een hernieuwde governance op wereldvlak.

Besluit

Ik heb in een kort bestek een kader willen schetsen van een mogelijke Europese bijdrage aan een socialere samenleving. Centraal staat de vraag welke samenleving wij willen bouwen. Dit is een ideologische keuze. Het is het voorwerp van een politiek debat. Een strijd tussen trans-Europese (Europees, federaal, regionaal) politieke formaties die ideologisch van mening verschillen, mensen aanspreken en organiseren, maar de fundamentele basiswaarden van ons samenleven respecteren.
Een aantal vragen staan daarbij centraal: Vinden wij dat de markt moet beslissen of moeten ‘overheden’ via de politiek daar sturing aan kunnen geven? Hoe kunnen de onderscheiden beleidsniveaus hun bijdrage geven aan een betere sturing van de economie en herverdeling van de door de economie gegenereerde middelen? Kiezen wij voor een Europees beleid dat zijn samenlevingen ruimte geeft om de globalisering in goede banen te leiden of zijn we voor een grote vrije markt van goederen, kapitalen, diensten waar ieder zijn eigen gang gaat en die herverdeling en sociale afspraken ondergeschikt maakt aan de concurrentie?

Politiek is de fundamentele discussie over de maakbaarheid van onze samenleving. Sociaaldemocraten vertrekken daarbij vanuit de problemen van de samenleving en hechten veel belang aan de rol van de overheid om dit samenleven te organiseren. Deze overheid is een zorgzame overheid, met aandacht voor de problemen en de mensen die achter deze problemen zitten. Door de globalisering is ‘overheid’ meervoud geworden.
De Europese verkiezingen zouden voor ons een opportuniteit moeten zijn om, vertrekkende vanuit de (sociale) problemen van onze samenleving(en), het debat aan te gaan over welk beleid er op de verschillende beleidsniveaus nodig is om de levenskwaliteit van allen te verbeteren.

Mia De Vits
Europees Parlementslid sp.a
Jos Bertrand
Beleidsmedewerker sp.a in het Europees Parlement

Europa - sociale bescherming - sociale zekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 4 (april), pagina 12 tot 19