Log in

'Humanitaire interventies. Mensenrechten als excuus voor oorlog'

Uitgelezen

Humanitaire interventies. Mensenrechten als excuus voor oorlog

Jean Bricmont
epo, Berchem, 2008

Nieuw links, zo stelt Bricmont, aarzelt voortdurend tussen twee houdingen. Aan de ene kant is er een ‘humanitair imperialisme’ waarbij men ervan uitgaat dat onze ‘universele waarden’ ons het recht geven elders in de wereld tussen beide te komen. Aan de andere kant is er een cultureel relativisme dat erin bestaat geen morele standpunten met een universele waarde in te nemen om anderen te beoordelen.

Bricmont veroordeelt beide houdingen, hoewel zijn boek uitsluitend het eerste probleem behandelt. Hij verdedigt een derde houding die erin bestaat de inmenging te verwerpen zonder ook de voorgewende doelstelling te veroordelen. Of met andere woorden, jazeker democratie en mensenrechten zijn lovenswaardige doelstellingen, maar wij kunnen die niet elders in de wereld opleggen.

Het is geen makkelijke stelling, aangezien de politieke ethiek van vandaag inderdaad gedomineerd wordt door het recht en zelfs de plicht om elders te interveniëren. En de linkerzijde gaat daar voor een heel ver stuk in mee. We zouden de ‘lessen moeten leren van het verleden’, zo wordt telkens weer gezegd, en daarom werd steun verleend aan de oorlog in Kosovo, de eerste oorlog in Irak, de interventie in Darfur. Maar op die manier, aldus de auteur, blijven we blind voor de reële machtsverhoudingen en de echte doelstellingen van zij die de oorlog aanvoeren.

Bricmont maakt het zich ook niet makkelijk met de argumenten die hij gebruikt. Stellen dat het ‘toch niet werkt’, of dat de ‘menselijke prijs’ voor dit soort interventies te hoog is, is niet voldoende. Want stel dat het morgen wel ‘werkt’ of dat er geen mensenlevens verloren gaan? Neen, waar we ons tegen moeten verzetten is het westers imperialisme, de dubbele standaarden, de voorwendsels van de ‘mensenrechten’ voor zuiver economische belangen. We moeten daarom de ideologie van dat imperialisme bestrijden en doorbreken.

De auteur heeft uiteraard overschot van gelijk wanneer hij verwijst naar het gewelddadig verleden van de huidige machthebbers die alle wandaden in zwakke staten veroordelen, hoewel hun regeringen vaak niet meer nastreven dan datgene wat de rijke landen van vandaag al hebben. Hij klaagt ook terecht de hypocrisie van de rijke landen aan. Als we ‘lessen moeten leren uit het verleden’, dan zou het moeten zijn dat niet-interveniëren het beste is, dat nationale soevereiniteit belangrijk is en dat het internationaal recht moet worden gerespecteerd.
‘Morele zuiverheid’ gaat al te vaak gepaard met een afkeer van de echte wereld, zo stelt Bricmont. We weten veel te weinig over de reële krachtsverhoudingen in andere landen - wie kan vandaag de situatie in Soedan en Tsjaad precies uitleggen, wat streven welke rebellen na? - en we zouden ons beter organiseren om het neokolonialisme tegen te gaan.

De auteur houdt een overtuigend en consequent betoog - hij wil ook geen verzetsbewegingen in andere landen steunen - dat echter met ietwat nuancering nog meer mensen had kunnen overtuigen. Met concepten als ‘het westen’ en ‘het imperialisme’ kan de analyse in deze gemondialiseerde wereld moeilijk verfijnd worden. Niemand kan tegenspreken dat het enkel de machtige landen zijn die in zwakke landen om zogenaamd ‘humanitaire’ redenen interveniëren - wie gelooft dat we de Tibetaanse monniken gaan helpen? -, terwijl veel echte en zware crises over het hoofd worden gezien. Maar de landen van West-Europa of de Europese Unie gedragen zich niet als de Verenigde Staten. En soms zijn er situaties waarin we best snel kunnen optreden om zwaar bloedvergieten te vermijden. Die situaties zijn echter zeer zeldzaam en een actieve betrokkenheid bij het Europese beleid zou kunnen beletten dat we de weg van de VS volgen.

Dit boek is een kritiek op de linkerzijde, geschreven door iemand die zichzelf links situeert. De analyse had iets verder doorgetrokken kunnen worden om bijvoorbeeld de sociaaleconomische aspecten te belichten waarmee ‘falende staten’ kunnen worden vermeden. Op die manier komt men uit bij het beleid voor ontwikkelingssamenwerking en had er meer perspectief kunnen worden gecreëerd voor direct en lokaal politiek handelen. Want hoe ga je ‘het imperialisme’ bestrijden als je je niet mag moeien met andermans politiek?

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 63 tot 64