Log in

Mei '68: libertair elan versus libertarisch proces

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 9

Voorstanders van een libertarisch discours verkrachten de geest van mei ’68 door de individuele vrijheid te verheerlijken op voorwaarde dat ze de belangen dient van het kapitalisme. Als tegenargument moet men hen herinneren aan één van de drijvende ideeën van mei ’68: de verwezenlijking van de individuele vrijheid binnen een collectief. Dit zal de bron zijn van de modellen van zelfbestuur en, vandaag, van een sociale en solidaire economie.

Iedereen heeft in de pers wel gehoord of gelezen hoe de huidige Franse president Nicolas Sarkozy, die een conservatieve revolutie zonder weerga heeft ontketend in Frankrijk, tekeergaat tegen de geest van ’68. Men zou dergelijke positionering amusant kunnen vinden, zeker wanneer ze afkomstig is van een politicus die zich niet inhoudt om zijn welbekend lichtvoetig amoureus gedrag te afficheren (wat de studenten op de barricaden in ’68 niet zouden hebben afgekeurd). Maar mijn uiteenzetting hier zal van een andere aard zijn, ook al is zij gebaseerd op een gelijkaardige verwondering over de scherpe uitvallen van Sarkozy. Inderdaad, er is waarschijnlijk een tweede element dat hem herinnert aan die revolutie waarvan hij de ‘erfenis wil liquideren’: de economische ‘libertarische’ opvatting die in haar Franse versie de vrucht was van de onwaarschijnlijke combinatie van de oproerige en libertaire geest van ’68 en de markteconomie.1

Mei ’68, bakermat van het hedendaagse kapitalisme?

De Franse sociologen Luc Boltanski en Eve Chiapello deden een vaststelling waar we niet omheen kunnen: als zoveel soixante-huitards zich op hun gemak hebben gevoeld in de bedrijven van het wereldomspannende informatiekapitalisme dat ontstond in de jaren 1970, dan is dat precies omdat dit kapitalisme een antwoord had gevonden op de critique artiste van mei ’68. Die kritiek stelde dat de kapitalistische economie de persoonlijke creativiteit fnuikte en dat de rijkdom en de eigenheid van het individu verdronk in de massa van bandwerkers. Ze werd ook geuit door de arbeiders van de fabrieken of de werknemers van openbare diensten - zoals de ORTF (Office de Radiodiffusion et de Television Française) waar acht miljoen stakers gedurende twee maanden Frankrijk volledig lam legden. Om Sartre te parafraseren (die de beweging steunde), en aanleunend bij Marx: deze kritiek betreurde het feit dat de mechanische en repetitieve arbeid de enige mogelijkheid tot expressie geworden was van het menselijke wezen, dat beroofd was van zijn artistieke en culturele mogelijkheden tot zelfverwezenlijking en van zijn mogelijkheden om iets anders te worden dan wat het productiesysteem van hem gemaakt had. Mei ’68 of de critique artiste wilde de ontgoocheling, het gebrek aan authenticiteit, de onderdrukking van de autonomie, de ontmenselijking door de techniek en de sterk geïntegreerde hiërarchie van de arbeid in het fordkapitalisme verwerpen.2

Maar deze thema’s, die zo overvloedig aan bod kwamen in de situationistische teksten van toen (Guy Debord, Raoul Vaneigem) en zo door de revolutionairen werden gesmaakt, sijpelden al vlug binnen in de verantwoordingen die de kaders van de grote ondernemingen bedachten om hen toe te laten zich in te zetten in het hedendaags kapitalisme. Het volstaat een blik te werpen op de reclame of de boeken die sinds de jaren 1980 over management gepubliceerd werden om vast te stellen hoe het lexicon van de critique artiste - over ‘inventiviteit’, ‘persoonlijke expressie’, ‘zelfverwezenlijking’, ‘creatief project’ of ‘persoonlijk talent’ - de basis is geworden van waaruit het kapitalisme zijn nieuwe argumenten opbouwt en de laatste ideologische weerstand probeert te overwinnen.

Wanneer men de collusie aantoont tussen de hedendaagse geest van het kapitalisme en de hevige kritiek erop die in ’68 werd geformuleerd, dan is dat niet hetzelfde als beweren - zoals sommige auteurs als Bernard Perret3 hebben gedacht - dat de geest van ’68 a priori de transformatie van de fordonderneming tot flexibele, bevrijde, connexionistische en (schijnbaar) minder hiërarchische onderneming voorafging en dat dit een belangrijkere factor was dan de toename van de concurrentie en de nieuwe informaticatechnologieën. Het komt er eerder op neer dat men aantoont hoe sterk zijn gedachtegoed a posteriori door de kaders werd gebruikt om hun engagement in die nieuwe vorm van onderneming te rechtvaardigen. In die zin kan men zelfs beweren dat Medef, het politieke orgaan van het Franse patronaat, vandaag een ideeëngoed koestert dat relatief soixante-huitard is en waarvan de draagwijdte gewoonweg van progressief naar conservatief is geëvolueerd, door te doen alsof men gelooft dat de rollen gewoonweg werden omgekeerd. De ‘dinosauriërs’ zouden niet langer de ondernemingen zijn - die destijds de patriarchale autoriteit en de overheersing op economisch vlak vertegenwoordigden - maar de vakbonden en alle organen van de civiele samenleving die de arbeider willen afhouden van datgene wat zijn ultieme doel zou moeten zijn, zowel in zijn privéleven als in zijn bestaan als betaalde werknemer: van zijn leven een kunstwerk maken (door vroeg op te staan, de ‘zelfverwezenlijking’ te zoeken van tijdelijk contract tot tijdelijk contract, door overuren te presteren om zowel zijn diepere persoonlijkheid als zijn beroepsidentiteit uit dezelfde klei van het creatieve elan te vormen). De arbeider, zowel als de onderneming die hem tewerkstelt en waarmee hij zich zou moeten identificeren, moeten worden bevrijd van de archaïsche kluisters die hen ketenden (recht op werk, sociale vertegenwoordiging, ...).

De politiek opnieuw in het brandpunt

Nicolas Sarkozy lijkt de telg te zijn van deze ersatz ‘Mei 68’-opvatting die het libertarisme is.
Waarom dan, kan men zich afvragen, blijft de Franse president zo hardnekkig de wieg zelf aanvallen van een gedachtegoed waarvan de voornaamste argumenten hem direct toelieten zijn discours op te bouwen over creatieve ondernemingszin of over de bevrijding van de arbeid? Als de revolutie van ’68 hem zo misviel, dan is dat volgens mij niet zozeer omdat zij een bevrijding van de zeden beoogde (hij kan niet ontkennen dat hij profiteert van het succes van de revolutie op dat vlak) maar wel omdat zij overal een collectief bewustzijn bleef inblazen, ook in de mogelijkheid om de economie te bekijken vanuit een libertair oogpunt. Mei ’68 blijft de hedendaagse politieke wereld beroeren omdat het ging om een echte invraagstelling die de grondvesten van de economie veel harder deed daveren dan de ideologische lifting die deze laatste onderging door zijn lexicon na te apen.
En ten opzichte van de nauwe banden die Nicolas Sarkozy onderhoudt met het hoge patronaat (soms nadrukkelijk tentoongespreid op een jacht) kan men begrijpen dat hij de oprispingen van een alternatieve economie vreest, evengoed als de opkomst van een echte collectieve oppositie in Frankrijk (waarvan de mogelijkheid helaas al lang voorbij is).

Om het met politiek filosoof Cornélius Castoriadis te zeggen: de echte betekenis van ’68 is niet te herleiden tot zijn economische libertarische avatars of tot datgene wat het mediatieke consumentisme ervan gemaakt heeft op vlak van seksuele bevrijding. De echte betekenis van ’68, die vandaag nog steeds de aanhangers van de vrije markt kan beangstigen, was de inmenging van de politiek in de economie. Het was lang geleden dat de burgers, ijverige consumenten en eerbiedige kiezers, zich zo gemoeid hadden in wat verondersteld werd hun zaken niet te zijn. Nu toonden ze de wil en de aanmatiging om zelf hun lot te bepalen, op het ritme van slogans zoals élections piège à cons, nous sommes le pouvoir, l’entreprise aux travailleurs.4 Als men wil kijken naar de historische context van de barricaden van mei ’68 dan stelt men vast dat men toen vooral terugverlangde naar een vorm van politieke en economische organisatie die sinds de revolutie van 1848, het associationistisch socialisme van de tweede helft van de 19de eeuw of de commune, wel verdwenen leek: het zelfbeheer.
De term is vandaag wat ongebruikelijk geworden (deels wegens de pejoratieve klank die hij kreeg sinds de Joegoslavische experimenten van Tito) maar men spreekt toch nog graag van participatieve democratie in politiek of van democratisering van de economie via de betrokkenheid van de burger.5 Deze eis is een erfgenaam in rechte lijn van mei ’68 en belicht een ander facet van het situationisme waar zijn actoren zo van hielden. Voor hen kwam het er toen op aan die plaatselijke situaties te ontwikkelen, die plekken van creativiteit en inventiviteit die zich langzaam vormden, ver van de grote industrie die de arbeider vervreemdt (als ze hem al niet ontslaat).

Het burgerpotentieel was geprikkeld. ‘Die arbeiders, die men in de gemechaniseerde slachthuizen van de arbeid langzaam vermoordt’, waarvan men ‘het leven veracht’, zijn ook diegenen die ‘een razende levenslust vertonen, die discussiëren, de straat opgaan, de wapens opnemen, een nieuwe poëzie bedenken’, altijd vanuit hun specifieke situatie (hun fabrieken, hun werven, hun bureaus of hun ateliers). ‘De mensen leven 24 uur op 24 in een staat van creativiteit, en de spontaneïteit is de bestaanswijze van de creativiteit, zij concretiseert ze, zij is de aanzet tot haar praktische uitvoering (de poëzie is er het georganiseerde eindpunt van)’.6 Een situatie is een ogenblik waarop ‘de individuele vrijheid zijn energie de vrije loop zal laten, de wereld de vorm zal geven waarvan iedereen droomt en waarover allen het eens zijn’ (op een barricade of in een café van het Quartier Latin). ‘Iedereen wil zijn persoonlijkheid doen triomferen: de eenheid tussen de mensen moet dus op dat gemeenschappelijke verlangen gefundeerd worden. Niemand kan zijn persoonlijkheid versterken zonder de hulp van een groep die zelf een centrum van subjectiviteit is geworden, een trouwe afspiegeling van de subjectiviteit van zijn leden’.7

Gemeenschapszin

Die voorstelling van de groupe situé, aangeduid als subjectieve plaats van expressie, zal de drijvende kracht worden van de structuren die in Mei gecreëerd werden (studentenverenigingen, e.d.) maar ook van vele andere structuren, opgericht nadat de beweging was uitgedoofd en door de gaullisten onderdrukt. Ze zal nog altijd de motivatie vormen voor heel wat soixante-huitards die vlak na de revolutie naar het platteland trokken om de wereld te hervormen naar hun idee en die een aantal initiatieven namen die al vlug neo-ruraal werden genoemd. Heel wat communes ontstaan in de Franse streken Lozére, de Ardèche en elders. Het ‘praktische alternatief’ zal het ordewoord worden voor de soixante-huitards die de theoretische revolutie niet willen vergeten, die hun bewust-zijn als burger deed ontstaan op de barricades. Men zal voortaan de politiek gestalte geven in micro-economische activiteiten die een concrete vorm geven aan ideeën en dit vaak op het ecologische vlak: ‘tussen de beelden van het verleden en de visioenen van de toekomst, van de herinnering naar de vooruitblik (biologische landbouw, nieuwe energievormen), om te laten aanvoelen dat er mogelijkheden tot verbetering van de samenleving bestaan’, hier en nu.8

Zoals Franse sociologen Daniele Léger en Bertrand Hervieu zeer vroeg hebben aangetoond, beleefden de soixante-huitards hun neo-rurale experimenten in de schoot van groepen waarvan de gebruiken en waarden overeenstemden met hun persoonlijke verzuchtingen.9 We bevinden ons hier niet in een liberaal concept waar de persoonlijke vrijheid ophoudt waar die van de anderen begint. Laat ons eerder stellen dat in die micro-initiatieven de vrijheid van de groep die van het individu opneemt en versterkt. Beide vrijheden conditioneren elkaar en zijn afhankelijk van elkaar, zonder dat de ene moet onderdoen voor de andere.10 Dat is het ware zelfbeheer. Natuurlijk kan de klassieke economie vandaag beweren dat haar ondernemingen ploegen zijn, ‘teams’ waarin iedereen solidair naar hetzelfde doel streeft. In dat kader gaat men ervan uit dat de hiërarchische barrières gevallen zijn, aangezien het zelfbeheer beter overeenkomt met groepsprestaties. Maar dergelijk zelfbeheer heeft maar zin voor de economische competitiviteit en rentabiliteit die het toelaat, het heeft geen zin voor de groupe situé die het toepast. Het heeft geen gemeenschapszin. Uiteindelijk, wanneer het ‘project’ is afgelopen, moet het individu altijd alleen terug zijn weg zoeken naar een nieuw project (in het beste geval) of naar een werkloosheidsuitkering (in het slechtste geval). Het individu dat in de onderneming bevrijd werd, wordt opnieuw een ‘niet-wezen’ dat zal moeten aanvaarden dat het eerst zichzelf moet loochenen om zichzelf dan opnieuw vorm te geven zodanig dat het past binnen het doel dat een eventuele nieuwe werkgever heeft gesteld.
Sommige van de soixante-huitards die het commune-experiment hebben uitgeprobeerd vlak na mei ’68 zijn nog steeds actief, zoals bij Ardelaine (een coöperatieve gespecialiseerd in wol, in de Ardèche). Dit is een voorbeeld van hoe men economisch vorm kan geven aan de situationistische en libertaire dynamiek van die tijd.11 In de marge van de libertarische ideologie - die er zeker zal toe leiden dat de deelnemers aan de conventionele economie zullen worden geprikkeld - hebben deze voorbeelden (we zouden nog Ambiance-bois, de kindercrèches en het Repas-netwerk kunnen citeren) een alternatieve en solidaire economie in het leven geroepen.

Alternatieve en solidaire economie

Kan die andere telg van mei ’68 vandaag nog bijdragen aan een hernieuwing van de critique artiste die een beetje op apegapen ligt?
Men mag het hopen, ook al willen sommigen er liever een soort van ‘hulp’-economie van maken voor zij die zijn uitgesloten van de klassieke economie, ook al meet men de efficiëntie van de ene met de criteria van de andere (prestatiekracht, cijfers, …). Maar zoals het nu is kan de alternatieve en solidaire economie gezien worden als een specifiek model dat eerder functioneert volgens de regels van de gemeenschapsinitiatieven die na mei 68 zo talrijk waren, dan van de regels van de vrije markt. Groei noch productiviteit tellen. Het wolbedrijf Ardelaine bijvoorbeeld zal met plezier stoppen met groeien en nieuwe vennoten aan te nemen, om het zelfbeheer te behouden evenals zijn mogelijkheid om zijn huidige vennoten een fatsoenlijk leven te garanderen. Het is een coöperatieve geworden die gespecialiseerd is in wol en die zal weigeren haar marktaandeel te laten groeien, ook al zou dit vlug leiden tot nieuwe bronnen van winst in het buitenland (ten opzichte van haar oorspronkelijke succes). Haar leden wilden zich echter focussen op de lokale ontwikkeling van een regio die totaal ontvolkt was en wilden een zwakke ecologische footprint houden, ook al ging dit ten koste van de winstmarge.
Sinds de neo-rurale experimenten heeft de alternatieve en solidaire economie zich gediversifieerd. Onder haar noemer vallen vandaag structuren van microkredieten, buurt- en nabijheiddiensten, fairtradelandbouw, ruilhandel ‘zonder geld’ (zoals de lokale ruileconomie - LETS12) in het Noorden. Ze hebben geen liefdadigheid nodig, maar wél de garantie dat de voorwaarden waarin ze zich autonoom kunnen ontplooien, aanwezig zijn. Want meer dan ooit staan ze zwak ten opzichte van de conventionele economie.

Cornélius Castoriadis had het goed gezien. De zwakheid van de libertaire denkbeelden van mei ’68, ideologisch omhulsel van deze alternatieve economie, is dat ze nooit als dusdanig geïnstitutionaliseerd zijn. Wat betekent dat men er om het even welk onderdeel kan van inroepen om het te bewieroken of af te breken, zowel op moreel als op economisch vlak. De politieke organen die zich in Frankrijk als dragers van deze denkbeelden hebben willen opwerpen, hebben gefaald: de links-socialistische partij PSU verdween in het begin van de jaren 1970 en de vakbond CFDT heeft een sociaal-liberale bocht genomen in de jaren 1980, die hen nog steeds door velen kwalijk wordt genomen. Maar Castoriadis verheugt zich er ook over dat de beweging sedimenten heeft nagelaten die men terugvindt in de verschillende latere vormen van collectieve mobilisatie.13 Hij legt de klemtoon op de verschillende vormen van instellingen die een maatschappij kent: ‘Aldus bestaan de taal, het werk, de seksuele voortplanting en de religie; ze evolueren constant door toedoen van de maatschappij, maar zijn op geen enkele wijze politieke dimensies’.14 Wedden dat de alternatieve en solidaire economie vandaag die ontbrekende politieke dimensie hernieuwt: die van de beloften van mei ’68, die in één brede ader zowel het libertaire militantisme (wat ook de seksuele bevrijding en die van de vrouwen meebracht) als het collectieve militantisme (dat van het zelfbeheer) omvatten. Het is tegenwoordig de gewoonte die beide assen te scheiden om gemakkelijker kritiek te kunnen geven op mei ’68 vanuit één van beide. Die kritiek ziet van de ene kant in mei ’68 enkel de grote aanstichter van het verval van de Natie en de vernietiging van zijn traditionele referentiepunten. Van de andere kant is er de kritiek die in mei ’68 enkel de leverancier ziet van een duister economisch model van zelfbeheer, dat zelfs gevaarlijk is ten opzichte van de nieuwe, opkomende vorm van economie waaraan men geacht wordt niet te weerstaan en waaraan men ‘zich wel moet aanpassen’. Want het zelfbeheer sinds ’68 herdefiniëren, liever dan zich tevreden te stellen met zijn hedendaagse libertarische schijnvertoning, dat betekent dat men het terug in zijn oorspronkelijke context durft te plaatsen en het zijn eerste betekenis durft terug te geven, collectief en situé: zonder aandeelhouders en zonder economische doelstellingen die aan de controle van de arbeiders ontsnappen.
De alternatieve en solidaire economie moet politiek noch economisch correct zijn. Wellicht kan men ’68 als dusdanig niet overdoen, noch met haar noch met de andere hedendaagse verenigingsinitiatieven die blijven toenemen. Maar het is ons toegelaten om het opnieuw uit te vinden en zijn geschiedenis te vatten, om er andere te bedenken.

Bruno Frère
Onderzoeker bij het NFWO (Université de Liège - University of Cambridge)15

Noten
1/ Zie R. Nozick, Anarchie, Etat et utopie, (vert. E. d’Auzac de Lamartine), 1988, Parijs, PUF.
2/ L. Boltanski en E. Chiapello, Le nouvel esprit du capitalisme,1999, Parijs, Gallimard.
3/ B. Perret, Contester le capitalisme ou résister à la société de marché ?, In: Esprit, nr. 260, 2000, p. 130.
4/ ‘verkiezingen zijn voor stommeriken’, ‘wij zijn de macht’, ‘de onderneming aan de arbeiders’ (nvdr)
5/ J.-L.Laville, Une troisième voie pour le travail, 1999, Parijs, Desclée de Brouwer.
6/ R. Vaneigem, Traité de savoir-vivre à l’usage des jeunes générations, 1967, Parijs, Gallimard, pp. 51-51 en p. 196.
7/ Ibid., p. 227
8/ D. Allan Michaud, L’avenir de la société alternative. Les idées 1968-1990, 1989, Parijs, L’Harmattan, p. 315 en pp. 321-322.
9/ B. Hervieu en D. Léger, Le retour à la nature. Au fond de la forêt… l’Etat, 1979, Parijs, Seuil.
10/ E. Massart, Paroles de jeunes, rapport aan de het CAJ (Centre Arrondissemental de Jeunesse, nvdr) van het arrondissement Verviers, 2007, p. 142, medegedeeld door de auteur.
11/ B. Barras, Moutons rebelles, Ardelaine, la fibre développement local, 2003, Saint Pierreville, Editions Repas.
12/ LETS: Lokaal Economisch Transactie Systeem/SEL: Services d’échange locale (nvdr)
13/ C. Castoriadis, Les mouvements des années soixante, In: C. Castoriadis, C. Lefort, E. Morin, Mai 68: La brèche gevolgd door Vingt ans après, 1988, Parijs, Complexe, p. 186 en 196.
14/ C. Castoriadis, Pouvoir, politique, autonomie, In: Le monde morcelé, Les carrefours du labyrinthe III, [1988], 1990, Parijs, Seuil, pp. 137-171.
15/ Deze bijdrage verscheen in Politique, Revue de débats, nr. 54, april 2008, pp. 36-39. Vertaling door Caroline De Candt.

mei '68 - solidariteit - kapitalisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 9