Abonneer Log in

Tibet: niet álle lof ligt in de lotus

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 28 tot 34

Naar aanleiding van de herdenking van de vlucht van de Dalai Lama uit Lhasa wapperde aan sommige Vlaamse gemeentehuizen de Tibetaanse vlag. Toen burgemeester Lippens naar het waarom werd gevraagd, kwam hij niet verder dan ‘omdat wij van de Tibetanen houden’. Nu is de kans gering dat ze in grote getale met frigoboxen het strand in Knokke zouden ontsieren, maar het illustreert wel hoeveel verdedigers van de ‘Tibetaanse zaak’ dit doen op grond van emo-politieke redenen, dan wel op basis van redelijke argumenten. Het optreden van de Chinese ordediensten half maart 2008 getuigde van een geweld dat volkomen disproportioneel was. Maar is het aan een vlaag van Boeddhistisch mededogen te wijten dat het initiële geweld tegen Han- en Huibewoners onderbelicht blijft? Terecht waren er talrijke reacties uit het buitenland die de harde ordehandhaving veroordeelden, en zoals vaak reageerden de Chinese autoriteiten hierop met een spitante botheid. De voorzitter van de KP in Tibet (Zhang Qingli) trok alle registers open. Premier Wen Jibao omschreef de Dalai Lama als een hypocriet. Dit liet toe dat de Dalai Lama zich zélf kon profileren als de enige figuur van vrede en verzoening. Dat de eerste minister van de regering in ballingschap (Sandhong Rinpoche) een veel stoerder discours voerde rond een onafhankelijk Tibet werd op die manier over het hoofd gezien. Op gevaar af van het gebruikelijke ga-dan-zelf-in-China-wonen verwijt te krijgen, is het aan te raden een iets genuanceerdere visie dan het klassieke schurken-en-helden verhaal naar voor te brengen.

Sinds wanneer maakt Tibet deel uit van China?

Wie verloren wil lopen in de twee ‘vaderlandse’ geschiedenissen komt ruimschoots aan zijn trekken wanneer hij een blik Chinees/Tibetaanse verhoudingen opentrekt. Men gaat er best van uit dat je met mythico-geschiedenis alles en niets bewijst wanneer het om huidige relaties gaat. We moeten ten andere al bijzonder voorzichtig omspringen met de termen ‘staat’, ‘nationale grenzen’, ‘soevereiniteit’: vóór de 19de eeuw waren er nérgens nationale staten in onze betekenis van het woord. Volgens de concentrische theorie van John Fairbank zag de Confucianistische ordening vier of vijf sferen. De kern was het keizerlijke domein, omringd door de gebieden onder appanage en uitwaaierend tot de gebieden der barbaren. Tussen de diverse dynastieën en binnen het verloop van één enkele was er uitzetting en inkrimping van het kerngebied. De oceaan was een natuurlijke grens, de Grote Muur was de cesuur met de Mongolen, maar de afbakening met Zuidoost-Azië en Centraal-Azië was (ondanks papieren verdragen) nooit bevroren. Zelfs wanneer de centrale macht optimaal georganiseerd was, bleven deze rijken in de praktijk typische soft-states. Beeldt u zich maar even in hoe men een wet uitgevaardigd in Beijing, liet implementeren in de Tibetaanse stad Shigatse vooraleer er moderne communicatiemiddelen bestonden? De bureaucratie hield zichzelf én de buitenwereld voor dat er geen mus van het dak viel zonder dat er een document met zegel van de mandarijnen aan voorafging. In werkelijkheid waren er verschrikkelijk veel praktische hindernissen wat de de facto autonomie van Tibet en andere grensregio’s in de hand werkte. Met de Tibetaanse ‘grenzen’ is het niet anders: ze fluctueren in de tijd. De relaties politiek/militaire en geestelijke leider zijn van meet af aan dubbelzinnig. Altan Khan, een Mongoolse militair werd door Sonam Gyatso, het hoofd van de gele mutsen (Gelupga), erkend als de reïncarnatie van Khubilai Khan. Terwijl omgekeerd, Gyatso door Altan werd gezien als de reïncarnatie van Phaghpa, zijnde de leermeester van Khubilai. In 1578 verleent de Khan aan Sanam Gyatso de titel van ‘Dalai Lama’. Een eerbetoon tot wederzijds nut zou je kunnen zeggen want de volgende Dalai Lama was de kleinzoon van Altan. Het moderne verhaal begint in de 17de eeuw met een bittere strijd tussen twee sektes van het Lamaïsme, die beide een beroep doen op Mongoolse heersers en na een bloedige strijd haalt de fractie van de Gelupga het. In 1638 wordt de Mongoolse en Boeddhistische krijgsheer Gushri de ‘verdediger van het geloof’ en wordt de vijfde Dalai Lama als emanatie van Avalokitesvara in de Potala geïnstalleerd. Tibet wordt voor het eerst geünificeerd en dit dankzij de Mongolen. In 1662, zo’n 25 jaar later, veroveren de Manchus (verwant aan de Mongolen) het ganse Chinese rijk. Tibet zal meer dan ooit worden geïntegreerd, ironisch genoeg in een periode waarin de Han níet regeren. De vier regio’s (West-Kham, de centrale provincies, Ngati en Chantang) vallen nu onder de directe controle van Potala. Amdo en Oost-Kham worden evenwel geannexeerd binnen Manchu-China. Ladakh, Sikkim en Bhutan behoren tot de religieuze invloedssfeer van het Lamaïsme, staan in een soort tributaire relatie met Lhasa, maar worden er politiek-militair niet door gedomineerd. Hiermee wordt de basis gelegd voor een tweede discussie: waar liggen de grenzen van Tibet, wat is Groot-Tibet, wat is de invloedssfeer, enz… Politiek, etnisch en cultureel Tibet vallen niet samen.

Voor Beijing is de Dalai Lama weliswaar een sacraal persoon, maar iemand die onder het gezag van de keizer staat. Omgekeerd, voor de Potala is de Chinese keizer niet meer dan een militaire beschermer. Die ambivalente chu-yun (patroon-priester) relatie wordt omgebogen in één waarin de Chinese dominantie prevaleert. Dit gebeurt niet door een verovering maar via infiltratie. De endemische fractiestrijd die bij iedere aanwijzing van een Dalai Lama losbreekt, is er niet vreemd aan: de Chinezen worden als scheidsrechter uitgenodigd, maar sturen aan op een beslissende stem in het kapittel. Vanaf 1728 is er in Lhasa een amban, een permanente vertegenwoordiger van de keizer en worden er twee garnizoenen geïnstalleerd.

Twee processen zouden de hegemonie doen stokken. In de 19de eeuw begon de neergang van de Manchus en dit werd het eerst voelbaar in de buitengebieden. Gebrek aan geld maakte dat noch de garnizoenen, noch de amban betaald werden zodat hun loyauteit aan Beijing verdampte. Ten tweede was er de opdringende Britse en Russische invloed: de neerslag van the great game. Als reactie op dat internationale gerommel zal Tibet in de 19de eeuw zich in stijgende mate afwenden van de buitenwereld. Wat soms als ‘typisch’ Tibetaans wordt bestempeld - een geïsoleerde mysterieuze theocratie op het dak van de wereld -, is een gevolg van deze uitzonderlijke situatie. Vanuit Brits India zou blijken dat China geen rol meer kon spelen in Sikkim, Nepal of Ladakh. Meer zelfs, in de 19de eeuw werd de integriteit van China op de helling gezet door Europese, Russische en Japanse penetraties. Binnen deze context was het er Groot-Brittannië om te doen een Tibetaanse bufferstaat als de veilige Noordoostelijke grens van India te installeren. Dit komt tot uiting in de Simla-conventie van 1914, waarin de Britten de ‘suzereiniteit’ van China over Tibet erkennen. Dit soort van ‘verdragen’ vindt een basis in het Westerse verdragsrecht en machtspolitiek. Bijgevolg is hier geen ruimte voor spirituele bedenkingen, patroon-priester relaties, enz. Terwijl China de facto uit Tibet wordt geweerd, zal het, precies in de nieuwe terminologie, andere - voorlopig hypothetische claims - op Tibet leggen.

De 20ste eeuw: de bevrijding

Het begrip natie-staat zal vanaf nu onontwijkbaar worden in de Chinees-Tibetaanse controverse. Hetzelfde geldt voor begrippen als minderheden en deelnationalisme, die onder invloed van Westerse antropologen in het politieke denken werden geïntroduceerd. Daar waar in ‘rijken’ heterogeniteit gedoogd wordt, is dit in een fase van natiebouw veel minder. De staat of de partij temt als grote gelijkmaker de samenleving en egaliseert het individu tot onderdaan. De vader des vaderlands, Sun Yat-Sen, had het over een vijfrassenrepubliek: Han, Mongolen, Manchu, Tibetanen en Hui. De rest moest vrede nemen met een minderheidsstatus. Hoe groot de tegenstellingen tussen de nationalisten en communisten waren, inzake Han-chauvinisme waren ze elkaars gelijke: Tibet was een integraal onderdeel van het moederland.
Later, in1949, moest het tevens bevrijd worden van de feodale heersers. Het is Deng Xiao Peng die erop toeziet dat het leger zich houdt aan de correcte lijn: het moet een bevrijdings- en geen veroveringsstrijd zijn, die ondanks de gewelddadige middelen een vreedzame samenwerking tot doel heeft. Het wordt spoedig duidelijk dat je bevrijding niet importeert en dat de weerstand meer is dan een stuiptrekking van ‘de kliek rond de Dalai Lama’ en zijn ‘imperialistische honden’.
Eén van de sleutelmomenten tijdens die periode is de ondertekening van de 17-punten overeenkomst in 1951. Hierin wordt gestipuleerd dat Tibet onderdeel is en blijft van China, maar het statuut van nationale regionale autonomie krijgt. Dat wil zeggen: de erkenning van de culturele rechten met inbegrip van de religieuze beleving en de positie van de Dalai Lama. Beide partijen hielden zich niet aan de geest van de overeenkomst. Dit resulteerde in opstanden in Kham en Amdo. Maar deze regio’s - Binnen-Tibet - werden door Beijing gezien als onderdeel van een Chinese provincie (buiten de 17-punten overeenkomst). Toch waren ze cultureel en religieus identisch aan diegenen die juridisch gezien in Buiten-Tibet woonden. Toen de Dalai Lama protesteerde tegen de militaire expedities werd hem verweten aan inmenging in interne Chinese aangelegenheden te doen. Militair kon Beijing de rebellie wel aan, maar niet de rebellen en hun aanhang: in 1958 waren er zo’n 15.000 families gevlucht naar Lhasa.
De Dalai Lama besefte dat de People’s Liberation Army (PLA) de rebellen zou verpletteren. Maar kon hij de blik afwenden van diegenen die net in zijn persoon de incarnatie zagen van alles waarvoor ze wilden vechten? De Chinese militaire leiders zagen het als hun plicht om de ‘illegalen’ - Khampas en Amdonezen - terug te zenden, maar elke actie deed de anti-Chinese gevoelens in Lhasa hoog oplaaien. Op 20 maart 1959 greep het leger in en vluchtte Tenzen Gyatso naar het buitenland. De brtan drga, de vijanden van het geloof, haalden het van wat zij omschreven als ‘bandieten’. Tussen de twee stereotype vijandbeelden was geen dialoog meer mogelijk nadat er 87.000 dode Tibetanen achterbleven. Het zou de ‘Tibetaanse’ kwestie nog maar eens in een nieuwe context situeren: de slagschaduw van deze opstand is sindsdien niet meer weg te denken.
Nu waren de Chinezen, niet ten onrechte, beducht voor een destabilisering die door het buitenland werd gestuurd. Men was er zich in Beijing van bewust dat Washington de Khampas steunde. Het strategospel zou een hoogtepunt bereiken ná de vlucht van de Dalai Lama naar Dharamsala. Zoals steeds wanneer de olifanten vechten, wordt het gras vertrappeld: in dit geval de Tibetanen die bleven. De gebeurtenissen dreven de groep rond de Dalai Lama verder in de handen van de CIA. Het was ‘Tony Joe’ die het Tibet-theater leidde met Gyalo Thondup, de broer van de Dalai Lama, als verbindingsofficier. Het was niet moeilijk in alle verzetsacties de vingerafdrukken van de CIA te ontdekken die bereid leken te vechten tot de laatste Tibetaan. Die steun aan het gewapende verzet droogde pas op door de opening die door Kissinger-Nixon werd gemaakt naar China. De beschadiging van de groep rond de Dalai Lama is evenwel blijvend. Dat je met de duivel slaapt voor het goede doel, tot daar toe, maar je mag dan niet verwonderd doen dat je achteraf naar solfer ruikt.

Het bewind over Tibet werd na 1959 een uitvergroting van het autoritaire systeem dat in de rest van China in voege was. De stormachtige periodes van de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ en de ‘Culturele Revolutie’ werden er doorgeduwd op een bijzonder hardhandige manier. De collectivisering van de landbouw lokte er rebellies uit, en tijdens de hoogtedagen van de Rood-Gardisten toen de campagne tegen de 4 oude (ideeën, cultuur, waarden, gebruiken) over het land raasde, spoelde een iconoclastische golf van geweld over Tibet. Bestuurlijke hervormingen herstructureerden daarenboven het gebied in de ‘Autonome Regio Tibet’, deelden stukken naar Sichuan en Yunnan en creëerden een nieuwe provincie Qinghai. De bedoeling was duidelijk: mede door het verhuizen van Han-Chinezen zouden de Tibetanen uiteindelijk overal een minoriteit worden. Indien de 2,5 miljoen Tibetanen in de Autonome Regio wonen, dan zijn er zo’n 2,9 die er buiten leven. Openlijk grootschalig verzet was natuurlijk moeilijk, maar veel wees erop dat de afwijzing niet afnam.
Dat is evenmin het geval onder Deng. Volgens zijn geloof in moderniseringen hadden de Tibetanen niets te verliezen dan hun ketenen, ze hadden een wereld van economische vooruitgang te winnen. Toch was het Deng die in maart 1979 via Gyalo Thondup, broer van, laat weten dat er over alles kan worden gesproken met uitzondering van de onafhankelijkheid. Met de verklaring van Straatsburg (1988) verzaakt de Dalai Lama aan de onafhankelijkheid ten voordele van een ‘echte autonomie’. In 1989 breken er nieuwe onlusten uit in Lhasa en wordt de dialoog andermaal afgebroken. Tibet is hot omdat de Dalai Lama de Nobelprijs voor de vrede ontvangt. De noodtoestand wordt afgekondigd, op bevel van de secretaris van de partij in de ART, Hu Jintao (de huidige president van de VRC). Het lijkt erop dat telkens wanneer er toenadering is, plotse gebeurtenissen dit proces opblazen.

De 21ste eeuw?

Met vallen en opstaan wordt vanaf 2002 de informele dialoog heropgestart. Om die gesprekken te officialiseren is er nog steeds een groot wantrouwen.

Wie verkondigt het standpunt van ‘de’ Tibetanen, en wat wil de Dalai Lama?

Is de Dalai Lama voor de gelovigen dé representant? Hier moeten een aantal vraagtekens bij geplaatst worden. In Dharamsala is er een parlement en een regering in ballingschap, de Kasha. De vraag is of ze de mensen in Tibet vertegenwoordigen. En wat indien de Tibetaanse eerste minister Rinpoche van mening verschilt met de Dalai Lama? Na 50 jaar verblijf in het buitenland is het niet evident dat een leider, heilig of niet, nog echt voeling heeft met de bevolking. Yasser Arafat moest bijvoorbeeld verwoede pogingen doen om de Intifada te recupereren die los van zijn Fatah-groep in Tunis was ontstaan. Het is duidelijk dat de Dalai Lama zich niet alleen ziet als representant van de Tibetanen in het buitenland, maar ook als spreekbuis van deze in de Autonome Regio. Maar bedoelt hij dan de etnische Tibetanen of álle inwoners? En wat met die in Qinghai, Sichuan en Yunnan? In zijn toespraak van 28 maart jl. sprak hij dat problemen moesten worden uitgepraat tussen Chinezen, Tibetanen, Oeigoeren en Mongolen. Is dit nu een pleidooi voor een front tussen de onderdrukten? Of ondergraven de meer radicalen zijn ‘softe’ positie?

Hoe zit het met de modernisering?

Er wordt aan ontsluiting van het gebied gedaan door de aanleg van snelwegen en spoorwegen om Tibet letterlijk te verbinden met de moderniteit. Volgens de (buitenlandse) vrienden van Tibet is dit een uitgekookt plan tot culturele genocide die de authenticiteit van de Tibetanen zal vernietigen. Hetzelfde gaat op voor de industrialisering: Beijing doet inspanningen om de kloof met het Oosten en de kust door ontwikkelingsplannen te dichten. Maar, zeggen tegenstanders dan weer, de transformatie zullen in de eerste plaats de Han-Chinezen ten goede komen en nog meer Han-migratie in de hand werken. De bevestiging dat er zich in Tibet voorraden aan koper, zink, ijzer en lood bevinden - waarde: 128 miljard dollar - gaan in dezelfde richting (er is ook sprake van gas in Qiang Tang). Voor de enen zal dit de roofbouw versterken, voor anderen is het een enorme stimulans voor de sociale ontwikkeling. In ieder geval, wil Tibet in de 21ste eeuw in een geglobaliseerde wereld meespelen, dan zullen gebedsmolens en yaks in de toeristische sector niet volstaan. Het is een illusie dat je moderniteit kunt koppelen aan ‘traditionele cultuur’ zonder deze te dynamiseren.

Quid de volkenrechtelijke discussie?

Volgens de Tibet-aanhang is er geen twijfel mogelijk dat er een Tibetaanse staat is en dat het die alleen nog aan internationale erkenning ontbreekt. Alle spitstechnologische juridische discussies terzijde gelaten, is het duidelijk dat Realpolitieke overwegingen de doorslag geven in deze. De enige oplossing voor Tibet is de onderhandelde oplossing rond interne autonomie. Zolang Beijing het monopolie op de publieke ruimte opeist, is dit niet zo evident. Maar er is geen uitweg buiten deze om binnen het vigerende systeem van geleide democratisering een doorbraak te zoeken. Dat zal van de Tibetanen een innovatieve benadering vragen die uitgaat van democratische principes en niet van primordialistische axioma’s. Een benadering die pragmatische successen verkiest boven theatrale mislukkingen.

Wordt de huidige opstand gestuurd door het buitenland?

Het komt sommige Amerikaanse republikeins-religieuze kringen goed uit om de sinohysterie nieuw leven in te blazen. En men kan niet ontkennen dat niet alle economische middens te spreken zijn over de positie die de VRC inneemt op de wereldmarkt. Realisme gebiedt evenwel dat een ontwrichting van China het Westen géén baat brengt, en dat het kelderen van de dollar - wat Beijing met zijn reserves kán - voor China contraproductief is. Door de bekering van China tot het marktsysteem zijn ze tot elkaar veroordeeld.

Het zou van kwaadwilligheid getuigen om de Tibetanen in deze alleen als een willoos instrument te zien. De klassieke vijfde colonne is iets té simpel om de ‘scheurmakers’ aan de paal te nagelen. Het samenvallen van de herdenking en de aanwezigheid van de pers n.a.v. de komende Olympische Spelen zijn een voldoende aanleiding. De concrete ontsteker moet niet veel meer dan een banaal incident zijn. Maar dit neemt niet weg dat er een permanente onvrede bestaat bij een deel van de Tibetanen. Dit slaat zowel op de beleidslijnen door Beijing uitgezet als op de dagelijkse ervaringen.
Voor de gezagdragers in Beijing was er alles aan gelegen om met de Olympische Spelen aan te tonen hoe ze definitief de 21ste eeuw waren binnengestapt. De gebeurtenissen in Lhasa zijn een pijnlijke schram op het imago dat men wilde voorhouden en de woede over dit onvaderlandse gedrag is niet gespeeld. Het bewijst ook dat ze niet voorbereid waren op grootschalige rellen, waar ze vervolgens zeer paniekerig op reageerden. De manifestaties in Londen, Parijs, etc. doen alleen maar het gevoel van gezichtsverlies toenemen, en versterkten het gevoel van georchestreerde acties. Noch de plaatsvervangende blanke Tibetanen noch diegenen van Tibetaanse afkomst in het buitenland zullen Beijing van opvatting doen veranderen wanneer ze de olympische vlam zouden doven. Hopelijk hebben ze onderzocht of hun solidariteitsacties wel door de betrokkenen zélf worden toegejuicht.

De fase dat we niet meer naar Oostenrijk mochten gaan skiën lijkt voorbij, en met uitzondering van de loopbaan van de betrokken excellentie rijst de vraag of dit veel zoden aan de dijk heeft gezet. Het komt er inzake mensenrechten op aan dat diegenen waarvan de rechten worden geschonden, baat hebben bij reacties van het buitenland. Wil dit zeggen dat we het probleem Tibet moeten doodzwijgen? Uiteraard zullen we onze economische belangen niet echt op de helling zetten, en laten we niet vergeten dat we in de mijnsector van Kongo naar een modus vivendi zoeken met Chinese actoren. Laten we ons vooral niet te zeer op onze maagdelijkheid laten voorstaan. Vorig jaar, n.a.v. het prinselijk bezoek aan China, verklaarde de Dalai Lama ‘uit eigen beweging’ op dit ogenblik liever niet naar België te komen. Of de Chinezen na een discrete wenk óók uit eigen beweging hun Tibet-standpunt zullen wijzigen, is een retorische vraag. Het verdient dus wel aanbeveling om het punt op de agenda te houden, maar het gaat er vooral om dat de kat de muizen vangt.
Democratie en eerbiediging van mensenrechten zijn procesmatige gegevens, geen bevroren situaties. Sommige regimes zijn onverbeterbaar, andere zijn ontsnapt aan buitenlandse druk. In China kan er niet aan getwijfeld worden dat er beweging komt in tot wat voor twee decennia muurvast leek te zitten. Het feit dat miljoenen Chinezen het economisch beter hebben dan vroeger is een gigantische prestatie. En dat de overheden zich er van bewust zijn dat de markt alleen niet zal volstaan om diegenen die nog in de kou staan kansen te geven, is alleen maar hoopvol. Hetzelfde geldt voor de regionale inkomensspanningen waar de politiek de markt zal sturen om de grootste kloven te dichten. Qua inspraak is er ook al veel veranderd, zij het dat dit zeer ongelijkmatig gebeurd is. Toch is het duidelijk dat de duizenden manifestaties van boeren een bres hebben geslagen in het vroegere centraal geleide autoritarisme, en dat er fracties binnen de top zijn die dit niet ongenegen zijn. Het is evident dat de dorpsraden niet steeds behoorlijk functioneren en dat het nationale parlement geen tempel van autonome beslissingsmacht is. Maar het gaat de kant uit van verandering én verbetering. Met andere woorden, er is - zelfs zonder het buitenland - speelruimte die naar evolutie kan leiden. Buitenlandse druk moet als versterker, niet als stoorzender optreden.
Het demoniseren van de Chinese leiders en het ophemelen van de Tibetaanse cultuur brengt een bemiddelde oplossing geen stap dichterbij omdat de machthebbers de obstructie van de Spelen instrumentaliseren tot een aanval op dé Chinese natie. Het verdient meer aandacht, wil men tot een constructieve discussie komen, de problematiek niet enkel te focussen op Lhasa. Buiten het feit dat ze moslims zijn, noch over een fotogenieke leider beschikken: wat is er mis met de Oeigoeren? Waarom zou men de problematiek van de onteigende boeren aan de stadsranden lager inschatten dan het lot van de Tibetanen? Is het omdat de kinderarbeid op de duizenden bouwwerven moeilijker in theatrale termen te vatten is dat hierover minder bekommernis heerst, enz., enz. Het is minder in spandoeken te vatten, maar blijvende aandacht voor de korf aan mensenrechten resulteert misschien wél in concrete resultaten.

Ruddy Doom
Professor aan de Vakgroep Derde Wereld, UGent

cartoon: © Arnout Fierens

Tibet - China - Dalai Lama

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 28 tot 34