Log in

Werken aan gelijkheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 10 tot 14

Op 25 april werd aan de universiteiten van Antwerpen en Gent het Centrum voor Discriminatie- en Diversiteitsrecht opgericht.1 De dag ervoor werd in Antwerpen het eerste van een reeks lokale meldpunten discriminatie aan het publiek voorgesteld en op dit ogenblik wordt het ontwerp van het Gelijkekansen- en gelijkebehandelingsdecreet in het Vlaams parlement behandeld. Met het Universitair Centrum, de meldpunten en het nieuwe decreet heeft Vlaanderen de middelen in handen om te blijven werken aan gelijkheid. Maar in onze Europese moderne samenleving moeten bij elk debat over ‘gelijkheid’, ook steevast de begrippen ‘waardigheid’ en ‘solidariteit’ centraal staan.

Waardigheid, gelijkheid, solidariteit

Gelijkheid is een grondbeginsel van de moderne burgerrechten en daarom ook van de moderne Europese samenleving. Op 10 december 1948 werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door de Verenigde Naties aanvaard. Het is geen toeval dat die verklaring er kwam in de nadagen van WO II. De wereld had toen immers kennis gemaakt met de barbaarse gevolgen van een rabiaat ongelijkheidsdenken. Artikel 1 van die Verklaring luidt: ‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren’. Helaas worden mensen in de 21ste eeuw nog altijd niet vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Er is in heel de wereld nog werk aan de winkel. Zelfs in Europa, waar de gelijkheid in rechten nagenoeg overal verworven is, is de gelijkheid in waardigheid nog lang geen feit. De koppeling die in de Universele Verklaring wordt gemaakt tussen vrijheid in rechten én vrijheid in waardigheid is uitermate belangrijk.

‘Waardigheid’ is een sleutelbegrip in de beleidskeuzes die vandaag worden gemaakt op vlak van antidiscriminatie en diversiteit. Want waardigheid verduidelijkt over welke maatschappijkeuzes we het hebben. Als er wordt gesproken over het beleid tegen discriminatie horen sommigen alleen de boodschap dat vrijheden zullen worden beperkt. En dat is ook zo. Een antidiscriminatiebeleid houdt een beperking in van vrijheden. Maar over welke vrijheid en welke beperkingen spreken we dan? Sommigen eisen de ‘vrijheid om te discrimineren’ op. Die zogenaamde ‘vrijheid’ houdt dan in dat de staat zich neutraal moet gedragen, maar dat individuen elkaar mogen discrimineren.
Als Minister van Gelijke Kansen is dat niet de maatschappijkeuze waar ik voor sta. Uiteraard mag een staat niet discrimineren, maar hetzelfde moet gelden voor haar burgers. Of een staat nu discrimineert, of een individu dit doet, beide gevallen zijn problematisch. Discriminatie creëert immers de indruk dat sommige mensen tweede- of derderangsburgers zijn. Discriminatie is in essentie willekeur. Er is sprake van discriminatie wanneer iemand ongelijk behandeld wordt zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Die willekeur hypothekeert de kansen om in waardigheid te leven. En dat is in een sociale rechtsstaat zoals België onaanvaardbaar.

Willekeur en discriminatie zijn bovendien nefast voor ons sociaal weefsel. Wie behandeld wordt als een tweede- of derderangsburger, voelt zich niet verbonden met wie hem of haar discrimineert, en vaak ook niet met diegenen die lijken op de daders van die discriminatie. De omgekeerde redenering gaat natuurlijk ook op. De perceptie dat iemand een tweede- of derderangsburger is, belemmert anderen vaak om die persoon als een gelijke te zien en met hem of haar solidair te zijn. De strijd tegen discriminatie, het wegwerken van achterstellingen en het werken aan meer sociale gelijkheid stimuleert dan ook de verbondenheid tussen mensen en bevordert de maatschappelijke cohesie. Daarom is het belangrijk dat een overheid op dit vlak sturend kan én moet werken. Hierbij moet de sociale gelijkheid worden gegarandeerd om op die manier de maatschappelijke cohesie te beschermen. Alleen zo kan men ervoor zorgen dat mensen zichzelf volledig kunnen ontplooien en in waardigheid kunnen leven.

Sociale gelijkheid dus, maar wat betekent dat concreet? Laten we beginnen met te verduidelijken wat het niet is. ‘Iedereen is gelijk voor de wet’ wordt vandaag al te vaak gebruikt in een afgunstdiscours. ‘Wat ik niet heb, mag de ander ook niet hebben’. Die leuze voedt de wij-zij-tegenstelling. De Franse filosoof Pascal Bruckner merkte op dat de keerzijde van de medaille van het egalitarisme de afgunst wordt: ‘Als het waar is dat iedereen gelijk is, waarom heeft mijn buurman dan een BMW en ik maar een tweedehands Lada?’ Dit soort gedachtegang verglijdt heel makkelijk in stereotiep of zelfs discriminerend denken. Want vaak wordt bedoeld dat de buurman een vreemdeling is. ‘En dat het toch merkwaardig is dat hij zich een Duitse luxewagen kan permitteren’. Hetzelfde soort verwijten hoor je soms over de voordeeltarieven voor sociaal zwakkeren. ‘Wij moeten daarvoor betalen en zij profiteren alleen maar’. Dit is dus een variant van een pervers, negatief gelijkheidsdenken. ‘Gelijk voor de wet’ wordt in dat discours: de ander niet gunnen wat men zelf niet heeft of niet gekregen heeft.

Sociale gelijkheid heeft niets te maken met dit afgunstdiscours. Sociale gelijkheid nastreven, is wel proberen die verschillen weg te werken waardoor mensen in het maatschappelijke leven achterstelling oplopen of zelfs worden uitgesloten. Sociale gelijkheid bevorderen houdt dus niet in dat alle verschillen moeten worden weggewerkt maar alleen die verschillen die mensen in hun mogelijkheden beperken.
Een politiek gericht op sociale gelijkheid loopt altijd het risico onderuit gehaald te worden met het soort van populistische argumenten die hierboven werden aangehaald. Zo een politiek geeft immers niet aan iedereen ‘hetzelfde’, maar herverdeelt op basis van draagkracht en vermogen. De essentie van een herverdelende politiek is immers de creatie van gelijke kansen door mensen die het nodig hebben, een duwtje in de rug te geven. Wie zwakker is, wordt gesteund met de middelen van wie sterker is. Solidariteit dus. Niet alleen wordt het vandaag steeds moeilijker om dat uitgelegd te krijgen, er zijn steeds meer politieke bewegingen die de sociale gelijkheid in vraag stellen, en willen terugkeren naar een brutaal recht van de sterkste.

De vraag die dan rijst, is hoe het zover is kunnen komen. De voorvechters van het gelijkheidsdenken hadden de brutale vormen van ongelijkheid aan den lijve ondervonden. Aan pioniers van de vrouwenbeweging moet je niet uitleggen waarom vrouwen en mannen gelijk moeten worden behandeld. Zij herinneren zich immers hoe het was toen de wet nog stelde dat een vrouw gehoorzaamheid aan haar echtgenoot verschuldigd was. Vandaag de dag klinkt dat volstrekt absurd. De strijd is niet meer zo een hot issue omdat de publieke opinie meent dat deze wel is gestreden. De huidige generatie hoeft niet meer te vechten voor die gelijkheid, maar ervaart dat als de natuurlijkste zaak op aarde. Wie discriminatie niet meemaakt, kan zich ook niet zo makkelijk een beeld vormen van hoe dat voelt en wat dat teweeg kan brengen. Het verband tussen onrecht en de wettelijke regeling die dat onrecht verhindert, is voor veel mensen niet meer duidelijk. Vandaag zijn er heel wat mensen die niet meer weten waarom bepaalde regels bestaan. Daarom worden die regels nogal eens gerelativeerd. Paul Scheffer, die met Het Land van Aankomst een analyse maakt van de migratieproblemen in Europa, heeft het over dit probleem voor zover het zich stelt in de context van etnisch-culturele diversiteit. We verwachten dat migranten zich integreren en de afspraken in onze samenleving kennen, maar we kennen er zelf de grondbeginselen niet meer van. Hoe kunnen we dan verwachten dat nieuwkomers die regels kennen en naleven? Dezelfde opmerking geldt ook voor andere vormen van diversiteit die een basis voor discriminatie kunnen zijn: verschillen op het vlak van geslacht of gender, verschillen in seksuele identiteit, in leeftijd, in fysieke of mentale mogelijkheden.

Het komt er dus op aan om de afspraken en regels die eigen zijn aan onze samenleving helder te formuleren, ze consequent toe te passen, ze te onderwijzen op school en te stimuleren via campagnes. Maatschappelijke en politieke opvoeding zijn vandaag bijna verwerpelijke begrippen geworden, terwijl ze meer dan ooit noodzakelijk zijn in een complexe en diverse samenleving. Het is dus uitermate belangrijk om te blijven werken aan sensibilisering, stimulering en aanvaarding in het gelijkekansenbeleid. Er zijn al vele stappen ondernomen om de intolerantie te beperken maar studies ontkrachten de mythe dat de strijd voltooid is. Een goed voorbeeld hiervan is de studie van Prof. Marc Hooghe (2006) die aantoonde dat de intolerantie bij jongeren ten opzichte van holebiseksualiteit nog altijd onrustwekkend hoog ligt: 29% heeft een uitgesproken negatieve houding tegenover holebirechten en 48% vindt zelfs dat de meeste hetero’s problemen hebben om holebi’s als hun gelijken te zien. Naar aanleiding van deze resultaten werd de Tolero-campagne gelanceerd. Een campagne die misschien voor veel ophef zorgde, maar voor het gelijkekansenbeleid verantwoord en noodzakelijk is.

Gelijkheid en recht in Vlaanderen, België en Europa

Ook juristen buigen zich vandaag steeds vaker over de afbakening van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod. Sinds enkele decennia neemt het discriminatierecht immers een hoge vlucht in België en in de hele Europese Unie. De uitdagingen zijn dan ook groot. Volgens de Eurobarometer van 2007 komt discriminatie in de Unie vaak voor. Zo’n 64% van de Europeanen vindt dat er vaak gediscrimineerd wordt op basis van afkomst. In België is dat zelfs 78%. Ook is 53% van de Europeanen die mening toegedaan als het gaat over mensen met een handicap en 50% als het gaat over seksuele voorkeur. De meerderheid van de Europeanen erkent ook dat deze groepen daar serieuze nadelen van ondervinden.

Een brede juridische bescherming tegen discriminatie en voor meer gelijkheid is dus zeker noodzakelijk. En toch lijkt Europa de klok te willen terugdraaien. Europees commissaris Vladimír Spidla liet onlangs verstaan dat hij het ontwerp van de nieuwe Europese antidiscriminatierichtlijn wil inperken. Deze nieuwe richtlijn zou oorspronkelijk elke ingezetene van de Unie beschermen tegen discriminatie op grond van godsdienst, overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Maar commissaris Spidla wil het toepassingsgebied beperken tot discriminatie op basis van handicap. Zijn reactie werd ingegeven door het lobbywerk van commerciële bedrijven, zoals verzekeringsmaatschappijen, die vrezen dat ze door de wet getroffen zullen worden bij de toepassing van verschillende tarieven op basis van geslacht of leeftijd. En vanzelfsprekend zijn er ideologisch en levensbeschouwelijk conservatieve groepen die verschillen in seksuele geaardheid niet tolereren en tegen de nieuwe richtlijn lobbyen.

In het licht van deze nieuwe Europese evolutie is het des te belangrijker om op Vlaams niveau de verworvenheden te verankeren. Het ontwerpdecreet Gelijkekansen- en gelijkbehandelingsbeleid, dat op mijn initiatief door de Vlaamse regering werd goedgekeurd, heeft deze ambitie.2 Dit decreet zet de bestaande Europese richtlijnen over antidiscriminatie om in Vlaamse regelgeving. Maar Vlaanderen gaat een stap verder dan Europa, onder meer met een brede aanpak van het aantal vormen van discriminatie en de beleidsdomeinen waarop het ontwerpdecreet van toepassing is. Meer regelgeving neemt uiteraard niet weg dat ‘ongelijke behandeling’ nog altijd een moeilijk begrip blijft. Een ongelijke behandeling is immers pas verwerpelijk en dus verboden als ze niet objectief te rechtvaardigen valt. Maar de grenzen van wat objectief te rechtvaardigen is, zijn niet haarscherp te bepalen zonder de concrete context in rekening te brengen. Het is de rechtspraak die de notie ‘ongelijke behandeling’ telkens opnieuw moet contextualiseren en scherper stellen. Er is echter nog niet veel Belgische rechtspraak over ‘ongelijke behandeling’. We kunnen hierbij denken aan de notie ‘redelijke aanpassing’ of aan de constructie ‘positieve actie’ uit het discriminatierecht. Als er weinig rechtspraak is, wordt de rol van rechtsleer natuurlijk nog belangrijker. Het Handboek Discriminatierecht van Dajo de Prins, Stefan Sottiaux en Jogchum Vrielink is een goede illustratie van hoe rechtsgeleerden invulling kunnen geven aan die rol.3

Het nieuwe Universitaire Centrum voor Discriminatie- en Diversiteitsrecht kwam er vanuit het besef dat elk structureel vormingsinitiatief in België en Vlaanderen op vlak van dicriminatierecht ontbrak. Ook de vraag naar onderwijs en opleiding vanuit organisaties en burgers die met discriminatierecht in aanmerking komen, steeg als gevolg van de hoge vlucht die het discriminatierecht momenteel neemt in België. Om aansluiting te vinden bij het internationale rechtsonderwijs en -onderzoek en om te kunnen voldoen aan de dringende maatschappelijke behoefte aan vorming en opleiding werd vanuit het Gelijkekansenbeleid het initiatief genomen om een Universitair Centrum voor Discriminatie- en Diversiteitsrecht op te richten waar twee auteurs van het Handboek Discriminatierecht nauw bij betrokken zijn. Dit nieuwe centrum moet expertise en kennis verzamelen over discriminatieregelgeving en die verspreiden.

Toch is het hierbij belangrijk dat men niet vervalt in een discours dat stelt dat discriminatiegevallen alleen via gerechtelijke weg kunnen worden aangepakt. Niet alle discriminaties worden best door een rechtbank beslecht. Er zullen nu eenmaal altijd mensen bestaan die eerder uit onwetendheid dan uit kwaadwilligheid vreemde gedachten koesteren en daar helaas ook naar handelen. In dergelijke gevallen is er vooral nood aan preventie en bemiddeling, en moet men zoveel mogelijk buiten de rechtszaal proberen te blijven door een onderhandelde oplossing te zoeken.
Bovendien zijn er soms ook problemen die niet onder het juridische begrip ‘discriminatie’ gevat kunnen worden, maar die het harmonieus samenleven in diversiteit wel bedreigen. Soms gaat het om stereotiep denken. Ik moet dan bijvoorbeeld denken aan een verhaal waarbij een bejaard echtpaar uit de eersteklassecoupé van de trein stapt en botst op een jong allochtoon koppeltje dat daar wilde opstappen. ‘U weet toch dat dit de eerste klasse is’, waarschuwde het bejaarde echtpaar. Zo’n uitspraak getuigt van de vooroordelen van dat bejaarde koppel, maar het is niet aangewezen om met dit soort foute reacties naar rechtbanken te hollen.
De juiste aanpak in dergelijke gevallen is bemiddeling. In het ontwerpdecreet Gelijkekansen- en gelijkbehandelingsbeleid krijgen daarom ook preventie en bemiddeling bijzondere aandacht. De oprichting van de dertien meldpunten discriminatie, die ik als een essentieel element van het gelijkebehandelingsbeleid beschouw, hebben hier een belangrijke rol te vervullen.4 Het zullen laagdrempelige meldpunten worden die proactief optreden en bemiddelen tussen slachtoffers (die een aanvoelen van discriminatie hebben) en vermeende daders. Op 24 april werd in Antwerpen alvast het startschot gegeven voor het eerste meldpunt. In de loop van 2008 en 2009 zullen in alle Vlaamse centrumsteden meldpunten discriminatie erkend of opgericht worden.

Tot slot

Het is van essentieel belang om te blijven nadenken en argumenteren over ‘gelijkheid’, zodat het thema bewust en doordacht op de maatschappelijke agenda blijft staan. Gelijkheid blijft immers een gecontesteerd begrip en is verre van een vanzelfsprekende verworvenheid. Een tijdje geleden werd mijn kabinet nog belaagd door een georchestreerde mailactie waarin in niet mis te verstane woorden homoseksualiteit werd gestigmatiseerd, en dat naar aanleiding van een campagne die jongeren precies wil oproepen tot meer tolerantie voor verschillende seksuele geaardheden.5 De briefschrijvers noemden holebi’s abnormaal, verspreiders van de HIV-epidemie, beoefenaars van vrije seks en losbandigheid en lieten weten dat hun god homoseksuelen haat. Als mensen dit soort vooroordelen en haat tegen anderen omzetten in daden moet men kunnen optreden. Met het nieuwe decreet, de meldpunten en het Universitair Centrum voor Discriminatie- en Diversiteitsrecht zullen we in Vlaanderen alvast de instrumenten in handen hebben om te blijven werken aan gelijkheid.

Kathleen Van Brempt
Vlaams Minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen

Noten
1/ www.ucddr.be
2/ Ontwerp van decreet houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid, Parlementaire Stukken Vlaams Parlement, 2007-08, nr. 1578/1.
3/ Dajo De Prins, Stefan Sottiaux en Jogchum Vrielink, Handboek discriminatierecht, 2005, Kluwer, 594 p.
4/ Voor meer uitleg over dit initiatief: zie http://www.vmc.be/thema.aspx?id=5001
5/ www.netlog.com/tolero

gelijkheid - solidariteit - rechtspraak

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 5 (mei), pagina 10 tot 14