Abonneer Log in

Koopkrachthysterie?

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 2

Er is de laatste tijd heel wat te doen over de koopkracht, of liever het verlies aan koopkracht. Zowel wereldwijd - denken we maar aan de voedselcrisis - als in eigen land. De werkgeversorganisaties doen dit laatste af als koopkrachthysterie. Ze leggen meteen de nadruk op het risico van de loon-prijsspiraal, mocht de overheid te veel oor hebben naar deze verzuchtingen en mochten de vakbonden te hoge looneisen stellen. Ze verwijzen hiervoor naar de situatie van de jaren zeventig, maar vergeten dat we in een totaal andere context zitten met een loonontwikkeling die wettelijk omkaderd wordt en een gezondheidsindex die geen rekening meer houdt met de prijzen van brandstof. Ook sommige media en commentatoren doen wat minnetjes over dit fenomeen. De beelden van een massale vakantie-uittocht richting zonniger bestemmingen contrasteren scherp met het verhaal van koopkrachtverlies. Het kan toch allemaal zo erg niet zijn, we leven tenslotte toch in een rijk land?

De toegenomen levensduurte komt ongetwijfeld het hardst aan bij de laagste inkomens, in het bijzonder de mensen die een vervangingsuitkering ‘genieten’. Die uitkeringen zijn te laag en tot voor kort was van welvaartsaanpassingen geen sprake. Reden waarom het Centrum voor Sociaal Beleid onze sociale zekerheid niet langer in het Europese koppeloton situeert. Maar ook de laagverdieners onder de werkenden worden getroffen, zodat men meer en meer gewag maakt van working poor. Een kleine groep weliswaar: een Europese survey van 2005 toont aan dat in België een kleine 4% van de werkenden onder de armoedegrens leeft, gemeten als 60% van het nationaal mediaan inkomen. De verbruikersorganisatie OIVO, die dit fenomeen breder benadert, kwam recent tot de vaststelling dat 20% van de werkenden zegt niet langer rond te komen met hun inkomen om hun vrijetijdsuitgaven te kunnen betalen of om een eigen woning te kunnen kopen of om eenmaal per jaar op reis te gaan.
Bredere bevolkingslagen voelen het koopkrachtverlies ook aan den lijve, in het bijzonder door de toegenomen voedsel- en energieprijzen. De impact van de duurdere voedselprijzen kan ook afgelezen worden aan de werktijd die nodig is om sommige voedingsproducten te kunnen aankopen. Het Instituut voor Duurzame Ontwikkeling komt tot de merkwaardige vaststelling dat, ondanks de verdubbeling van het netto-uurloon tussen 1983 en 2008, we nu even lang of langer werken dan 25 jaar geleden om een brood, een mokkataartje of een kilogram aardappelen te kunnen kopen. Al gaat dit zeker niet op voor alle producten.
De prijsstijgingen kunnen niet zomaar toegeschreven worden aan de stijging van de grondstofprijzen. Dit wordt het best aangetoond door de veel sterkere stijging van de energieprijzen in België in vergelijking met de buurlanden en met de Eurozone. Zo steeg de prijs voor gas in België tussen maart 2007 en maart 2008 met 27,4% tegen 3,8% in de Eurozone. Wat meteen aantoont dat een belangrijk deel van de prijsstijgingen voortvloeit uit een verhoging van de winstmarges. Inflatie die op rekening komt van de ondernemingen en niet van de loontrekkenden.
Het rendement van de bedrijven blijft trouwens aan de hoge kant. De Belgische beursgenoteerde bedrijven lieten over 2007 een nettowinst van een kleine 20 miljard euro optekenen. Weliswaar minder dan in 2006, maar toch nog altijd een mooi resultaat. Die winstdaling vertaalt zich niet in lagere uitkeringen voor de aandeelhouders. Ruim de helft van die nettowinst wordt aan hen uitgekeerd. In 2006 was dat nog één derde, wat de inkomensverdeling nog schever dreigt te maken dan ze vandaag al is. Het waren niet de vakbonden, maar wel Europese leiders als Jean-Claude Juncker en Europees commissaris Joaquín Almunia die er eerder de aandacht op vestigden: er zit iets grondig fout met de welvaartsverdeling in Europa, ook bij ons. Voor het eerst sedert de vroege jaren zeventig is het loonaandeel in de geproduceerde rijkdom tot de helft van het bbp gedaald. Naast de reeds genoemde oorzaken zoals de verhoging van winstmarges speelt hier wellicht voor een stuk ook de toename van laagbetaalde arbeid en deeltijdarbeid mee, wat ook tot een daling van het loonaandeel leidt, terwijl de werkgelegenheid sedert 2003 sterk is toegenomen. Deze situatie wordt nog erger als we dit koppelen aan de afnemende herverdelende rol van de fiscaliteit: een aanzienlijke fiscale fraude, een geringe belasting van kapitaalinkomens en ook een vennootschapsbelasting die in de feiten maar op 25% neerkomt en volgens een steekproef van de Nationale Bank amper 16% bedraagt.

Welke lessen moeten we hieruit trekken?

Vooreerst, dat er wel degelijk een koopkrachtprobleem is dat men niet kan afdoen als perceptie, gevoelsinflatie, laat staan hysterisch gedrag. Dat dit voor heel wat werknemers voelbaar is en uiteraard het meest voor de laagste lonen en de mensen die het met een vervangingsinkomen moeten stellen.
Ten tweede, dat het brute effect van de prijsstijgingen wordt getemperd door ons sociaal systeem. Als we van geen dramatisch koopkrachtverlies kunnen spreken dan heeft dit natuurlijk alles te maken met de automatische indexering van de lonen en met de vrije loononderhandelingen, om de belangrijkste mechanismen te noemen. De imperfecties van deze systemen worden nu trouwens het scherpst aangevoeld: de geamputeerde indexering van de lonen ingevolge de invoering van de gezondheidsindex of de loonnormering die in sommige sectoren geleid heeft tot all-inakkoorden, waardoor de oplopende inflatie de marges voor reële loonsverhogingen opvreet. Dit wijst alvast op het cruciale belang van dergelijke structurele mechanismen waaraan geenszins mag worden gepeuterd.
Ten slotte, willen we tot een nieuw evenwicht komen op vlak van welvaartsverdeling, dan moet er ook werk worden gemaakt van een stevig fiscaal herverdelingsprogramma. En in geen geval is er ruimte voor fiscaal avonturisme, zoals de regionalisering van de vennootschapsbelasting. De echte inzet van dergelijke regionaliseringvoorstellen waarrond de verenigde (Vlaamse) werkgeversorganisaties een waar offensief inzetten, is niet meer dan een nog verdere verlaging van de belastingen op bedrijfswinsten. Want het federaal basistarief zou in de kortste keren het tarief worden waarop alle regio’s zich zouden richten. Race to the bottom, met andere woorden.

Jean-Marie De Baene
Redactielid

edito - koopkracht - prijsstijging

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 2