Abonneer Log in

Waarom zwijgt Laurette Onkelinx?

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 7 (september), pagina 1 tot 2

Op 8 augustus laatstleden, twee dagen na de herdenking van de atoombom op Hirochima, vertrokken de eerste Belgische militairen naar Zuid-Afghanistan. Minister De Crem heeft ze gestuurd, premier Leterme heeft ze uitgewuifd op Melsbroek. Deze militairen bereiden de komst voor van 4 Belgische F-16’s. Deze gevechtstoestellen zullen Talibanstellingen bombarderen in het zuiden van het land. Het is voor iedereen zonneklaar dat er een groot verschil is tussen de opdracht van de Belgische militairen op de luchthaven van Kaboel en deze, nieuwe, opdracht. De opdracht die de vorige federale regering besliste, was zuiver defensief. Het ging om niet meer dan het beveiligen van de luchthaven tegen eventuele agressie. Het enige doel was het openhouden van de luchthaven. Een luchthaven die onder meer nodig is om humanitaire hulp het land in te krijgen. Gelet op de krappe defensiebegroting, waarvan minister De Crem zegt dat hij geen extra middelen zal vragen, is het duidelijk dat andere, meer humanitaire missies van het Belgische leger in het buitenland zullen moeten worden afgebouwd.

Er zullen slachtoffers vallen door de missie in Zuid-Afghanistan. Misschien zullen Belgische militairen sneuvelen, maar zeker Afghanen zullen sterven door de bombardementen met de Belgische F-16’s. Er zullen uiteraard ook burgerslachtoffers vallen maar we zullen er niet ‘winnen’. Wat zouden we er trouwens kunnen ‘winnen’? Prestige bij een aantal Amerikaanse leiders? Misschien, maar zeer tijdelijk. En tegen welke prijs? Denken dat we er militair kunnen ‘winnen’, is naïef.
Men kan argumenteren dat de missie militair hopeloos is door te schrijven over de sociale organisatie van de Afghanen. Dat is een soort segmentair lineage systeem. Rudimentair gesteld komt dat systeem erop neer dat verschillende lineages (clans) elk een eigen gebied bezetten, voortdurend onderling ruzie maken, toch handel drijven onder elkaar en, vooral, beseffen dat ze uiteindelijk deel uitmaken van één sociaal systeem en dus samenspannen tegen externe indringers. Buitenstaanders miskijken zich voortdurend op de twisten tussen de verschillende groepen. Ze denken dan dat ze makkelijk de ene clan tegen de andere kunnen opzetten. Zij dwalen. Vroeg of laat blijkt telkens weer het tegendeel.
De Khroumirs in noordwest Tunesië zijn een ander bekend voorbeeld van de sociale robuustheid van een segmentair lineage systeem. De Bey van Tunis was er nooit in geslaagd het gebied Khroumirie aan zijn gezag te onderwerpen, hoewel er regelmatig expedities werden gestuurd om het te onderwerpen. Hij rekende het gebied wel tot zijn domein maar een lineage beschouwde de valleikom en de omliggende bossen als hun eigendom. Dat werd vastgelegd op perkament en de hoofden van de omliggende lineages zetten hun handtekening op die ‘eigendomsakte’. De regels van de Bey bereikten Khroumirie niet. Het enige centrale ‘gezag’ - geen ‘macht’! - lag bij de prestigieuze raad van clanhoofden. De onafhankelijkheid van de Khroumirs duurde tot april 1881, toen het Franse leger het Beylik Tunis binnenviel. De verovering verliep vlot omdat het leger van de Bey geen weerstand bood. De Khroumirs echter gaven zich niet zomaar gewonnen. Hoewel hun leger van 1750 man het moest opnemen tegen een Franse overmacht van 5000 getrainde militairen en een marine-eenheid, gaven ze zich maar na drie weken verbeten strijd over. De Fransen hebben altijd gesukkeld om het gebied onder controle te houden. Nu waren ze daar ook niet zo erg in geïnteresseerd. Het Protectoraat was vooral een buffer tegen de Italianen (in Libië). Eigenlijk is het pas na de onafhankelijkheid van Tunesië dat Khroumirie min of meer geïntegreerd werd. Het middel daartoe was niet een militaire invasie maar een economisch ontwikkelingsprogramma en vooral de onderwijspolitiek van Habib Bourguiba.
De Pathanen zijn een grote (42 miljoen), zeer zelfbewuste etnische groep die wonen in Afghanistan en delen van West-Pakistan. Ook zij zijn georganiseerd als een segmentair lineage systeem, met geen of zeer weinig centrale instituties. Pathanen zeggen afkomstig te zijn van een gemeenschappelijke voorouder, Qais, die leefde in de periode van de profeet. Hij ontmoette de profeet in Medina, bekeerde zich en kreeg de naam Abdur-Rashid. Hij vestigde zich in het huidige grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan. Zijn zoon, Afghana, zou vier zonen hebben gehad die de stamvaders werden van de lineages. De Pathanen als groep hebben in hun collectief geheugen dus geen periode waarin ze ‘ongelovig’ waren. Ze ontstonden uit een stamvader die Islamitisch was. Ze beschouwen zichzelf dus als evident Islamiet. Ze hebben bijgevolg ook geen collectieve herinnering aan een ‘onderwerping’ of gedwongen Islamisering. De Westerse overtuiging dat men in een dergelijk sociaal systeem, via een externe militaire macht, een gecentraliseerd, democratisch bestuur kan installeren, is niet enkel een illusie maar vooral een pedante illusie. Net zoals in Tunesië zal in Afghanistan ontwikkeling en onderwijs de oplossing bieden.
Maar goed, de raadgevers van de minister hebben hem dat wellicht allemaal uitgelegd. Ik neem aan dat de minister besloten heeft er geen rekening mee te houden.

De minister moet weet hebben van het geploeter van het Russisch leger in Afghanistan. Hoe goed hun kaarten ook lagen om het gebied onder controle te houden (een buurland, één leger i.p.v. een coalitie, ervaring in de regio). Hij moet ook gehoord hebben over de wreedheden van de Russen in Afghanistan, over de middelen die ze er ingezet hebben en die niets maar dan ook niets hebben uitgehaald. Minister De Crem is wellicht ook gebrieft over de pessimistische uitlatingen van journalist Arnold Karskens in de Commissie Landsverdediging van de Kamer. Karskens zei er dat het Westen de oorlog niet kan winnen, net zo min als de Russen hun oorlog in Afghanistan hebben gewonnen. Dat bovendien hele dorpen worden gebombardeerd, zonder dat de Taliban worden teruggedrongen. Maar goed, de minister weet dat allemaal en heeft besloten er geen rekening mee te houden.
Wat rest ons dan meer dan de woorden van de dichter? ‘Rachel weet wie je bent Herodes en je zal rekenschap moeten afleggen voor het leed dat je hebt aangericht. Boven de bergen staat de ster van Sandino en die houdt jou in het oog’. De raadgevers van de minister hebben hem die regels niet voorgelezen. Zij noch de minister liepen mee in die betogingen waar het portret van Sandino werd gedragen. Zij stapten evenmin op tegen de kruisraketten of tegen die andere zinloze ideologische oorlog in Vietnam.
Maar Laurette Onkelinx en de andere kameraden van de PS zijn toen wel mee opgestapt. Waarom zwijgen zij? Waarom laten ze De Crem zijn gang gaan? Hebben zij geen antwoorden misschien? Is het daarom dat de beslissing te participeren aan deze zinloosheid werd genomen luttele uren nadat de regering het parlement, onverrichter zake trouwens, met reces stuurde?

Koen Pelleriaux
Redactielid Samenleving en politiek

edito - defensie - oorlog

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 7 (september), pagina 1 tot 2