Log in

'Farewell to the leftist working class'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 56 tot 58

Farewell to the leftist working class

Dick Houtman, Peter Achterberg, Anton Derks
Transaction publishers, New Brunswick/London, 2008

Toen ik het interview in Knack (30/07/2008) met Anton Derks las, was mijn aandacht geprikkeld. Deze Vlaamse socioloog was samen met twee Nederlandstalige collega’s op zoek gegaan naar het antwoord op de vraag: waarom stemt de werkende klasse of de historische achterban van links steeds vaker op rechts?

In het interview intrigeerde vooral de volgende stelling van Derks me: ‘Links mist niet zozeer een programma, maar wel een verhaal dat haar klassieke achterban opnieuw een zekere maatschappelijke status verleent. Vroeger was de arbeider een held. Denk maar aan de 1 meisymboliek: de heroïsche arbeider versus de kapitalistische baas. Vandaag spreekt men vooral over laaggeschoolden. Vroeger had men het over de toegevoegde waarde van de arbeider, vandaag over zijn tekort: een tekort aan opleiding’. Die stelling leek me wel iets. Ik was dan ook benieuwd naar de lectuur van het boek.

In het boek trachten de drie sociologen overigens meerdere vragen te beantwoorden. Waarom wordt de welvaartsstaat bijvoorbeeld zo weinig ondersteund? Hadden we dan geen klassentheorie die het tegendeel voorspelde? Het resultaat wordt in het Engels gepubliceerd, zodat kan worden gerekend op een ruimere verspreiding. Zoals het een sociologisch onderzoek betaamt, steunen de onderzoekers zich op verschillende databestanden die betrekking hebben op verschillende Westerse landen, in het bijzonder Nederland en België. Er is weinig nieuw onderzoek bij, met uitzondering van een onderzoek in Nederland uit 1997.
De klassieke klassentheorie zit eigenlijk simpel in elkaar. Wie een zwakke economische positie inneemt, zal gewonnen zijn voor een economische herverdeling en links stemmen. Wie een sterke positie inneemt, zal veel minder ijveren voor herverdeling en rechts stemmen. Hoe komt het dan dat een aanzienlijk deel van de economisch zwakkeren rechts stemt en een aanzienlijk deel van de middenklasse dan weer links? Dat heeft volgens de drie auteurs te maken met cultureel kapitaal. Zij vinden dat de klassentheorie wel degelijk nog opgaat, dat die theorie de ‘normale’ reactie voorspelt in het stembureau. Maar er is ook ‘onnatuurlijk stemgedrag’, dat van die regel afwijkt. Het wordt niet verklaard door werkloosheid, afhankelijkheid van loon, familie-inkomen of economisch egalitarisme. Economisch zwakkeren stemmen toch rechts en economisch sterkeren stemmen toch links omdat hun cultureel kapitaal hen daartoe aanzet. Om het in het Engels samen te vatten: ‘Natural’ voting is basically class voting and ‘unnatural’ voting cultural voting (…) (p. 29).

Als arbeiders rechts stemmen, dan doen zij dat op basis van autoritaire overtuigingen. Als middenklassers links stemmen, dan doen zij dat op basis van libertaire reflexen. Vooral linkse partijen hebben een verschuiving gekend. Zij zijn globaal rechtser geworden op economisch en linkser op cultureel vlak. Maar ook de andere partijen kenden verschuivingen. De conservatieve partijen verschoven weinig op economisch vlak, maar werden rechtser op cultureel vlak. De liberalen bleven het meest stabiel.
Hebben we nu de verklaring voor de ondermaatse steun van de economisch zwakkeren aan de welvaartsstaat? Het is niet op basis van hun economische positie. Die inspireert wel degelijk nog meer dan vroeger tot die ondersteuning. Het is op basis van een culturele dynamiek, die geworteld is in verschillen in opvoeding. We zien aan de ene kant wel dat linkse partijen op cultureel vlak meer libertair geworden zijn, maar daarmee spreken zij niet noodzakelijk de lagere klassen aan. Hun opvoeding brengt hen eerder in de richting van een cultuur die autoritair is. Zo moeten we beseffen dat het rechten- en plichtenverhaal tegenover werklozen geen economisch, maar een cultureel verhaal is. En hoe meer de welvaartsstaat in morele termen benaderd wordt, hoe minder de lagere klassen die zullen steunen, want hoe meer zij daartoe afgeleid worden door hun autoritaire voorkeuren.

Deze heel theoretische benadering wordt, zoals al aangegeven, uitvoerig cijfermatig ondersteund. Maar het is niet nodig hier een cijferdans op te voeren om de politieke consequenties voor links in te schatten. Ook dit is een theoretische en dus veel te schematische oefening, maar ik probeer het even in eigen woorden.
Naarmate links economisch rechtser wordt, haken meer ‘natuurlijke’ stemmers voor links af. En naarmate links cultureel progressiever wordt, komen er meer ‘onnatuurlijke’ stemmers voor links bij. De som van de stemmers voor links wordt echter kleiner. Links kan zich met andere woorden het afhaken van zijn ‘natuurlijke’ stemmers niet veroorloven. Het dilemma is echter dat het cultureel niet opnieuw rechtser mag worden zonder het risico te lopen ‘onnatuurlijke’ aanhangers te verliezen. Links mag daarom niet verder inbinden op economisch vlak, maar mag ook niet terugschroeven op cultureel vlak. Het is het beeld van de klassieke spreidstand, tussen de links-intellectuelen en de traditionele achterban. Een beeld dat nog altijd aanwezig is in onze partij. De eerste cijfers van een uitgebreid ledenonderzoek lijken dit overigens te bevestigen.

En wat met diegenen die vertrokken zijn? Heeft links opgegeven om die terug te winnen? Of beter, om die opnieuw te overtuigen? Wellicht is dat een zaak van lange termijn, met de moed van de overtuiging. Maar op zich is die opdracht ook niet zo nieuw. Vroeger werd dat volksverheffing genoemd in de volkshuizen. De vooroorlogse linkse partijleiders waren meestal ook al hoger opgeleid. Alleen staken ze meer tijd in woord en daad. Om hun achterban te overtuigen van een progressiever discours.

De voorbije decennia hebben we een al te gemakkelijk pleidooi gehouden voor diversiteit, Europese integratie of globalisering. Het was allemaal een verrijking van onze samenleving. Sla onze partijprogramma’s erop na. Alles peis en vree. Terwijl diversiteit een hele uitdaging is voor onze samenleving. Een uitdaging om mensen met een verschillende achtergrond en wereldbeeld met elkaar te laten samenleven. Terwijl de Europese integratie te ver doorsloeg naar een liberaliseringsinstrument, zonder de nodige regels op te leggen. Kijk maar naar de financiële crisis. Onder meer een gevolg van gebrekkige regelgeving. Hetzelfde verhaal gaat op voor de globalisering. De toenemende migratiestromen of de opwarming van de aarde zijn bijvoorbeeld twee neveneffecten die een grote impact op onze samenleving hebben. De optelsom van deze elementen heeft de mensen hun houvast in de samenleving doen verliezen. Het hoefde ons dan ook niet te verbazen dat de werkende klasse steeds meer oor kreeg naar autoritaire overtuigingen, zoals de auteurs aantonen.

Misschien nog een bijzonder woord over de stelling in het boek dat een morele benadering van de welvaartsstaat de autoritaire houding aanwakkert om de welvaartsstaat te ondermijnen. Links heeft de laatste jaren nogal eens de neiging om zich in morele termen uit te drukken, het vingertje op te steken, zeg maar. Misschien moeten we maar eens stilstaan bij hun conclusies en beseffen dat het daarmee de arbeiders eerder bevestigt om juist niet voor links te stemmen. Het moet de ambitie van onze partij zijn om, zonder afbreuk aan de basisprincipes van de sociaaldemocratie te doen, die gebroken verbinding te herstellen.

Het boek van de drie sociologen is een vrij theoretische benadering, maar het is zeker geen gratuit verhaal. Het is wel een zeer algemene regel, die niet zonder voorzichtigheid mag worden gespecificeerd. Het is overigens eigenlijk niet zo nieuw. Het werd in Vlaanderen voor het eerst voor het brede publiek door Mark Elchardus verteld. En in de internationale literatuur vind je er veel varianten op. Ook uit onverwachte hoek, zoals het interessante boekje van de Amerikaanse taalkundige George Lakoff Don’t think of an elephant. Zijn stelling klinkt anders maar komt grotendeels op dezelfde tweedeling neer. De woorden die we gebruiken en betekenis die we geven aan wat we horen, wordt in grote mate bepaald door hoe we denken. Ons denkkader omvat onze waarden en normen en die gaan terug op twee beelden, die van de autoritaire vaderfiguur (conservatief) of die van de bindende moederfiguur (progressief). Dat uit zich ook in politiek voorkeur. En dat verklaart meteen ook waarom mensen niet noodzakelijk voor hun eigen belang kiezen, maar voor wat ze herkennen als waar of goed. De ene groep kiest steeds voor een autoritair vaderfiguur, ongeacht zijn of haar economische positie. Dat verklaart meteen ook waarom Joe Six-pack twee keer op rij George W. Bush verkoos. Het inspirerende aan Lakoffs verhaal is dat hij ook een uitweg aanreikt voor progressieve partijen: ga niet mee in het ideeëngoed van de ander. Neem hun woorden niet over. Don’t think of an elephant, dus. Hou het bij je eigen verhaal, je eigen denkkader en vertaal je goede ideeën in duidelijke bewoordingen die herkenbaar zijn voor beide segmenten. Zo verander je de publieke opinie. En dat brengt me terug bij de opmerking over de morele benadering van de welvaartsstaat. Misschien zijn we daar wel te veel mee gestapt in het rechtse denkkader. Met de retoriek van het Generatiepact als triest hoogtepunt.

Het boek is, los van de vele cijferreeksen, zeker lezenswaardig en stemt tot nadenken. Maar op mijn aanvankelijke prikkeling om het boek te lezen vond ik geen antwoord. Die stelling komt zelfs nergens ter sprake. Een doordenker waarop ik zelf verder zal kauwen. Maar alleszins een belangrijke uitdaging om onze socialistische beweging opnieuw de trots en het zelfvertrouwen te geven die ze verdient.

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 56 tot 58