Log in

Waar is de Rode draad?

De internationale sociaaldemocratie heeft het zwaar te verduren. De Vlaamse niet in het minst. Het is niet meer helder waarvoor die staat. Zijn de partijen verworden tot een variant van liberale partijen, zoals de Franse Michel Rocard het stelt? Moeten we niet terug naar de klassenpartij van weleer? Is het socialisme nog wel emancipatorisch? Concrete voorstellen en acties volstaan niet. Er is nood aan een herformulering van de Rode draad. Aan een nieuw (kort) Charter zoals destijds het Charter van Quaregnon. Zoniet dreigen concrete voorstellen ervaren te worden als populistisch, corporatistisch of onsamenhangend. Een aanzet.

Leo Apostel formuleerde de essentie van het menselijk wezen als volgt: de mens is een ‘Coöperatieve competitor’ (of een competitieve coöperator). Typisch voor alle zoogdieren. We zijn zeer individueel en competitief ingesteld maar kunnen enkel in groep overleven.1
De intrinsieke tegenstelling tussen individuele vrijheid en sociaal handelen (of solidariteit) zit dus ingebakken in de menselijke soort. Die tegenstelling verklaart dan ook in grote mate de politieke en maatschappelijke tegenstellingen. En dus ook het verschil tussen Links en Rechts. Wie dit ontkent, leeft op een andere planeet. Toch is dit gegeven niet te reduceren tot een simplistisch ‘rechts is voor het ongebreidelde vrij initiatief en links voor de sociale agenda’. Maar de basisaccenten zijn dat wel.

De Blauwe draad e.a.

De liberale partijen zijn, sinds het neo-liberaal reveil van de jaren 1980, wel zeer afdoend in het populariseren van hun eigen Blauwe draad. Guy Verhofstadt wist dit in te pikken op Vlaamse leest met zijn Burgermanifesten. Het is een blauwe ‘catechismus’ die een hele nieuwe generatie liberalen heeft weten te inspireren. De Blauwe draad is vrij duidelijk: onze welvaart en welzijn moeten het hebben van het vrij initiatief; dus graag zo weinig mogelijk Staat met zo weinig mogelijk belastingen en zo weinig mogelijk regulering; de zo ontstane weelde komt ook de minderbegoeden ten goede; het (neo)liberalisme is dus ook vanzelf sociaal. Liberale politici laten zelden na te verwijzen naar die Blauwe draad. Met relatief succes.
Ook de christendemocratie heeft recentelijk, onder meer met huisideoloog Wouter Beke, pogingen ondernomen om het personalisme terug op te voeren als ‘Oranje draad’. Het werd alvast geapprecieerd door de militanten, maar ook door politieke nieuwkomers. En ook al bestaat de Oranje draad vooral uit het aaneenrijgen van soms zeer uiteenlopende, maatschappelijke belangen, het Europese EVP-conglomeraat of het Vlaams kartel liggen in dit verlengde.
De Groene partijen hebben hun Ecologische draad, die sterk milieugericht een duidelijk herkenbaar issue heeft.

Aanzet

Wat zijn de basisingrediënten van het socialistische of sociaaldemocratische verhaal? Hierbij een poging om enkele essentiële onderdelen te herformuleren, met geactualiseerde elementen. Een aanzet tot een hersponnen Rode draad. Uiteraard nog zeer onvolmaakt, maar een poging tot formulering van de essentie in 10 punten:
1) Om te beginnen, het kan verrassen, is vrijheidsstreven een primair onderdeel van de sociale agenda. ‘Liberaler’ dan de socialisten zou niet mogen kunnen. Dat is ook de stelling van de socialistische burgemeester van Parijs, Bertrand Delanoë: Je suis libéral ET socialiste, mais je ne suis pas social-libéral.2
2) Minder verrassend: gelijkheid staat centraal op de sociale agenda. Gelijkbehandeling is zeer sterk verbonden met het rechtvaardigheidsgevoel, wat zeer diepgeworteld zit in de menselijke psychologie, van kindsbeen af. Niet dat iedereen net evenveel moet hebben of kunnen. Maar grote inkomens- en machtsongelijkheid leidt tot zwakke maatschappelijke cohesie3, en dus uiteindelijk tot zwakke maatschappelijke en economische performatie. Dat afgunst dicht aanleunt bij het rechtvaardigheidsgevoel is een fact of live.
Socialisten zijn tegen een elitistische opdeling van de maatschappij. Ook in het onderwijs. Het meest performante onderwijssysteem in de wereld is dat van Finland, zowel in termen van kennis/kunnen als in termen van sociale inclusie. En dat Fins onderwijs is bijzonder egalitair, zonder het ons bekende watervalsysteem.
De sociale agenda is dus herverdelend. En vanuit een ‘welbegrepen eigenbelang’ is dat finaal ook in het belang van de beterbegoeden. Herverdelen en bijstaan zijn van collectief belang die altruïsme ver overstijgt. Barmhartigheid kan uiteraard een nobele drijfveer zijn, maar de sociale agenda is ten gronde iets anders: solidariteit als collectief menselijk belang.
3) Gedurfder: socialisten zijn voor orde en tucht. Louis Tobback kon het plastisch verwoorden met zijn stoppen voor een rood licht in de woestijn. Als regels een breed maatschappelijk draagvlak hebben, dan moet de enkeling zich ernaar schikken. Fiscale fraude, maar dus ook misbruik van sociale uitkeringen, zijn dus centraal te bekampen werkpunten. Ook het ‘rechten en dus plichten’-verhaal sluit hierbij aan. Veiligheid (en niet alleen verkeersveiligheid) moet een links thema worden.
Orde en tucht zijn echter dikwijls in botsing gekomen met de vrijheidsverwachtingen of zijn een middel om het gepeupel in het gareel te houden. Waar regels en wetten te bestrijden zijn, dan enkel in groep. Individuele ongehoorzaamheid hoort niet binnen de sociale agenda. Socialisten zijn dus ook ten gronde een tegenpool voor de ‘libertariërs’.
4) Zelforganisatie is een evident onderdeel van de sociale agenda. Socialistische partijen moeten zich als actieve partner van niet alleen vakbonden of mutualiteiten opstellen, maar evenzeer van milieubewegingen, wijkorganisaties, enz. Dat hoeft geen slaafs partnerschap te zijn. Maar zonder inbedding in deze (massa)organisaties is een socialistische partij zonder ‘armen en benen’.
5) Het marktmechanisme heeft zijn economische merites bewezen en moet dus ook opgenomen worden in de sociale agenda. Dat betekent niet dat een naïef geloof moet beleden worden in de ‘vrije markt’. Die bestaat in de realiteit weinig en leidt evenzeer tot economische disfunctioneringen. Er is dus ook meer nodig dan ‘sociale en ecologische correcties’. Intelligente sturing van het marktmechanisme is geen taboe. Overregulering van de markten is dat wel.
6) Het socialistisch programma behelst dan ook een slagvaardige overheid, onder meer in staat om de marktsturing en de herverdelingsmechanismen waar te maken. Socialisten zijn daarom geen ‘etatisten’, in die zin dat een zo groot mogelijke overheid niet synoniem is van slagvaardigheid voor de sociale doestellingen. Efficiëntie en effectiviteit van de overheid zouden dus natuurlijk deel moeten uitmaken van het socialistisch denken. Dus ook een hoge productiviteit en een efficiënte maar doorzichtige regulering.
7) Socialisten bepleiten een hoog niveau van belastingen en sociale zekerheidsbijdragen, ook al klinkt dit niet populair tegen de achtergrond van het liberaal populistisch discours. Bovendien met progressieve belastingschalen; geen flat tax voor de socialisten. Enkel met dit hoge ‘overheidsbeslag’ kan de sociale agenda waargemaakt worden. Voorwaarde is dan wel de doelmatige inzet van middelen en een ordentelijk, dus ook fraudebestendig belastingsysteem.
8) Een wat minder klassiek sociaaldemocratisch thema is dat van de strijd tegen de bureaucratie. Niet alleen in de enge zin van een teveel aan administratieve procedures, maar vooral in de sociologische betekenis ervan: het zich ontwikkelen van een apparaat dat eigen machts- en belangenagenda’s prioritair gaat nastreven. Niet alleen de stalinistische bureaucratische ontaarding moet hierbij de vinger gewezen worden. Het fenomeen is duidelijk wijder verspreid, zowel in de overheidssector als in grote bedrijven. De parvenu’s van Charleroi (dixit Elio Di Rupo) zijn ruimer verspreid. De erkenning van dit bureaucratisch fenomeen, waarbij apparaten zich steeds zelfstandiger gaan opstellen t.o.v. hun mandaatgevers, is zonder meer belangrijk voor de geloofwaardigheid van het socialistisch programma. Het bureaucratisch fenomeen heeft in het verleden immers veel schade aangericht aan die geloofwaardigheid.
9) De ecologische agenda moet integraal deel uitmaken van de sociale agenda. Niet dat er zich op korte termijn geen tegenstellingen kunnen voordoen tussen ‘werk’ en ‘milieu’. Maar het ecologisch belang is een welbegrepen sociaal en maatschappelijk belang, zeker op lange termijn. De sociale agenda zal dus ‘rood-groen’ of ‘sociaal en groen’ zijn, of niet zijn. Ook al moet worden vermeden om zich al te zeer te richten op een in wezen populistisch ‘eco-catastrofisme’.
10) Ten slotte en niet in het minst zal het socialisme internationalistisch zijn. Dus in wezen gericht tegen het nationaal-chauvinisme dat met regelmaat de kop opsteekt, ook in eigen land. Niet voor niets stond het nationaal-chauvinisme veelvuldig op de conservatieve agenda tegen de socialistische bewegingen. Leo Apostel kon dit bij zijn ‘coöperatief/competitief’ mensbeeld ook vaststellen.4 Het clangevoel is immers een zeer krachtig menselijk gevoel.
De bereidheid tot coöperatie gaat zich in de eerste plaats richten op de familie, dan op het dorp, de wijk of de sportclub en pas daarna op een ruimer niveau. Het socialistisch emancipatorisch project is net zo ambitieus dat het pleit voor internationale solidariteit. Eens te meer, niet zodanig vanuit een ruimhartig altruïstisch streven, maar wel vanuit het belang van de menselijke soort zelf. Oorlogen, economische en ecologische catastrofes vermijden, vergen steeds duidelijker een internationale aanpak. Het socialisme is dan ook een programma voor het derde decennium en niet voor de tijd van het primitievere clanbestaan. Dat laatste laten we best aan de (neo)conservatieven over.
Het verzet tegen nationaal-chauvinisme is daarom niet in tegenstelling met ‘zelfbestuur’ of het ‘zelfbeschikkingsrecht van volkeren’.

Een agenda van vlees en bloed

Een Rode draad alleen volstaat niet om mobiliserend te werken. Concrete voorstellen blijven het hart van de sociale vooruitgang. En ook centrale thema’s hebben hun mobiliserend belang. Zo was het ‘gratis-verhaal’ van Steve Stevaert een dergelijk centraal thema. Bij de start duidelijk gekaderd in een sociale ambitie. Gaandeweg misschien te veel verzeild tot een losgekoppeld thema, waardoor tegenstanders zo al te gemakkelijk konden stellen dat ‘gratis niet bestaat’ (terwijl ze bedoelden dat kostenloos niet bestaat).
De liberalen hebben, met enig succes in de opinie, het centrale thema van ‘de hardwerkende Vlamingen’ gelanceerd, ook al zijn hun concrete voorstellen vooral gericht op de ‘hardverdienende Vlamingen’ (wat wel een andere dwarsdoorsnede van de bevolking behelst).
Maar een rode draad regelmatig in herinnering brengen, is wel essentieel om de samenhang en de globale ambitie ingang te doen vinden. En toegegeven, er is nog meer dan wat schaafwerk nodig om de geschetste Rode draad een heel stuk steviger te maken. Tijd om er werk van te maken.

Wit in de ogen

Onderzoekers van het Max Planck Institute for Evolutionary Antropology van Leipzig hebben zich gebogen over de vaststelling dat mensen, in tegenstelling tot andere primaten (of zoogdieren in het algemeen), veel wit in hun oogbollen vertonen.5 Hun conclusie was dat dit verschijnsel een evolutionair voordeel blijkt te hebben. Dankzij het wit in de ogen kunnen mensen veel beter elkaars intenties en emoties aflezen, hetgeen onder meer bij de jacht in groep een duidelijk voordeel biedt. Coöperatie blijkt het kenmerkend voordeel in de evolutie van de menselijke soort. Dat is ook zijn toekomst. De mens is wellicht niet ‘maakbaar’, de menselijke samenleving is dat wel. Anders leefden we nog in de grotten van onze verre voorouders. En de toekomst zal socialer moeten zijn of zal er heel wat minder rooskleurig uitzien.
De sociale agenda is geen monopolie van de socialistische beweging. Niet zo lang geleden was er flinke concurrentie met de communistische ideologie of met de christelijke arbeidersbeweging, laat staan met het sociaal liberalisme. Recentelijk hebben de meeste groene partijen de sociale agenda ter harte genomen. Feit is nochtans, zo blijkt uit de laatste 100 jaar, dat als de socialistische beweging verzwakt, de motor van de sociale agenda aan het sputteren gaat. Socialisme is geen luxe voor de menselijke soort.

Paul Zeeuwts 6
Directievoorzitter van het Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap & Technologie in Vlaanderen (IWT)

Noten
1/ Koen Raes en Jaak Vanlandschot (red.), Afbraak en Opbouw - Dialogen met Leo Apostel, VUB, 1984.
2/ Bertrand Delanoë, De l’audace, Robert Laffont, 2008.
3/ John Rawls, Een Theorie van de rechtvaardigheid, 1971, Ned. ed. Lemniscaat (2004).
4/ Leo Apostel, cfr. cit, p. 228.
5/ Eyeing up the collaboration, The Economist, 4 november 2006, p. 90.
6/ Paul Zeeuwts schrijft deze bijdrage louter in eigen naam.

ideologie - socialisme - sociaaldemocratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 26 tot 29