Abonneer Log in

Waarom de strijd voor de bescherming van het leefmilieu een sociale strijd is

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 13

MIKADO (Milieu in het Kader van een Duurzame Ontwikkeling) is een nieuw discussieplatform binnen sp.a dat met alle progressieven, zowel binnen als buiten de partij, van gedachten wil wisselen over de vraag waarom ook de sociaaldemocratie in Vlaanderen milieuzorg en duurzame ontwikkeling tot één van haar belangrijkste prioriteiten moet maken en hoe de sociaaldemocratie een eigen antwoord kan bieden op de ecologische vraagstukken. MIKADO neemt daarbij als centraal uitgangspunt dat sociale rechten en een herverdelend systeem van sociale zekerheid noodzakelijk maar onvoldoende zijn in de strijd tegen sociale ongelijkheid en stelt dat ook een daadkrachtige aanpak van ecologische vraagstukken met duurzame ontwikkeling als kader daartoe onontbeerlijk is. In deze bijdrage wordt dit uitgangspunt toegelicht.

Het milieu als basisvoorwaarde voor het maatschappelijk functioneren

Het milieu vervult verschillende functies voor de samenleving.1 Het is een bron van voedsel en water, energie, delfstoffen en levensnoodzakelijke zuurstof (productiefunctie). Het verschaft ruimte voor de verschillende maatschappelijke activiteiten zoals wonen, werken of recreatie (draagfunctie). Belangrijke onderdelen van het milieu, de fauna en flora, de ecosystemen en de landschappen, bieden ook een bijzondere belevingswaarde die bijdraagt tot de algemene levenskwaliteit (informatiefunctie). Het leefmilieu is ook van belang voor de instandhouding van kringloopprocessen, zoals de productie van zuurstof, het instandhouden van bodemvruchtbaarheid, de afbraak van afvalstoffen en het klimaat (regulatiefunctie).
Het valt dan ook niet te loochenen dat de welvaart van de samenleving en de levenskwaliteit van de individuele leden ervan mee wordt bepaald door de kwaliteit van het leefmilieu. Zo bestaat er een onmiskenbaar verband tussen gezondheid en de kwaliteit van het leefmilieu. Wanneer de kwaliteit van het milieu verbetert, gaat het ook beter met de menselijke gezondheid. En gezondheid kan - economisch geredeneerd - ook bekeken worden als een kernelement van het sociaal of menselijk kapitaal. Ze is ook relevant voor het leveren van productieve arbeid die onmisbaar is voor het verwerven van een maatschappelijk inkomen. Stijgt het maatschappelijk inkomen, dan stijgen meteen ook de kansen van de sociaal zwakkeren en kwetsbaren in de samenleving en kunnen allerlei maatschappelijke basisdiensten, zoals gezondheidszorg of cultuurdiensten, worden verschaft. De zorg om een gezond leefmilieu heeft dan logischerwijs ook steeds een sociale en economische dimensie.

Het falen van de neoliberale marktlogica

Door een ongecontroleerde inschakeling van het natuurlijk kapitaal in de vrije markt wordt milieuschade veroorzaakt die niet wordt hersteld, vergoed of gecompenseerd. De zwakste groepen in de samenleving zijn hiervan de eerste en vaak ook de zwaarste slachtoffers. Zij hebben bijvoorbeeld het ergst te lijden onder stijgende voedselprijzen deels veroorzaakt door de klimaatproblematiek. In het Zuiden worden grote groepen mensen zelfs in hun voortbestaan bedreigd door de ontregeling van het klimaat, iets waar ze zelf geen schuld aan treffen. Maar ook in Vlaanderen worden kwetsbare groepen door het spel van vraag en aanbod teruggedreven naar woongebieden die aan grotere milieurisico’s onderhevig zijn en kampen met lawaaihinder of luchtverontreiniging. Zij hebben niet de middelen om milieuvervuiling te ontvluchten door in het ‘groen’ te gaan wonen. De ongecontroleerde aanwending van milieugoederen reserveert de toegang tot of de consumptie van natuurlijke hulpbronnen of schaarse ruimte tot bepaalde groepen of generaties, waardoor er allerlei vormen van sociale ongelijkheid en (‘ecologische’) uitsluiting ontstaan. De ‘verspilling’ van energie en grondstoffen door het buitensporig consumptiegedrag van een relatief kleine groep van koopkrachtzwemmers zorgt voor een oplopende prijzenspiraal waardoor grote groepen mensen de energie en grondstoffen nodig voor hun basisbehoeften niet langer kunnen betalen. Zij ontberen ook de middelen om via de aankoop van zuinigere apparaten, woningen en voertuigen aan de stijgende prijzen te ontsnappen en krijgen noodgedwongen te maken met de fenomenen van energie- en vervoersarmoede.

De achteruitgang van het natuurlijk systeem, gaat overigens snel. De evolutie van de Living Planet Index (de indicator die mondiale biodiversiteit in beeld brengt, zie figuur 1) en de Ecologische Voetafdruk (de oppervlakte biologisch productief land dat we aan milieuvoorraden gebruiken, figuur 2) is veelzeggend.2 Sinds 1980 daalde de eerste index met 30%. Volgens de tweede index wordt de biocapaciteit van de aarde sinds 1980 overschreden en ligt het milieugebruik sinds 2003 25% hoger dan wat de aarde op een duurzame manier kan leveren.

| | |

Een (economische) ontwikkeling die het milieu als een quasi gratis productiefactor beschouwt, leidt tot maximaal gebruik op korte termijn, in functie van maximale winst van het vrijemarktproductiesysteem. Roofbouw en achteruitgang van het natuurlijk kapitaal (de totaliteit aan milieuvoorraden waarover de mondiale samenleving beschikt) zijn er het gevolg van. Deze erosie van het natuurlijk kapitaal ondermijnt ook het economisch kapitaal dat daarop rust en staat een regeneratie, uitbreiding en herverdeling van onze welvaart in de weg. De botsing met de biofysische grenzen (de schaarse beschikbare grondstoffen, watervoorraden, enz.) maakt het steeds moeilijker om een groeiende wereldbevolking materialiter in te sluiten in de wereldeconomie. Daardoor ontstaat een nieuwe economisch-culturele apartheid tussen koopkrachtbezitters en bezitlozen.3 De asymmetrische verdeling van levenskansen en werkgelegenheid wordt in stand gehouden door muren te bouwen tussen welvaartsgebieden (waarbinnen men armoede tracht onzichtbaar te maken) en nul-hoop-gebieden (met segregatie van welgestelden). Een politieke reactie op uitsluiting en afwenteling (naar milieu en atmosfeer) is niet alleen ethisch noodzakelijk, moderne communicatie- en transportmiddelen, poreuze grenzen en een veranderend klimaat maken dit ook onvermijdelijk. We kunnen in onze splendid isolation de miserie steeds moeilijker buiten houden. Afrikaanse bootvluchtelingen, illegale migranten, Katrina en andere orkanen komen onze welvaartsgebieden binnen. De toekomst is bezig en het wordt hoe langer hoe meer onze gezamenlijke toekomst. Het besef groeit dat we in dezelfde schuit zitten, een schuit die water maakt.

De zorg voor het leefmilieu: een sociaaldemocratische uitdaging

De zorg om een gezond leefmilieu gaat dus meer dan ooit over sociaaleconomische verdelingsvraagstukken. Het inzicht dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen armoede, sociale onrechtvaardigheid en onderontwikkeling enerzijds, en ecologische achteruitgang en uitsluiting anderzijds, maakt dat de bescherming van het leefmilieu een centraal strijdthema is en, gezien haar historische wortels, ook moet zijn van de sociaaldemocratie. Het milieu is een essentieel onderdeel van het algemeen belang dat door de sociaaldemocratie wordt verdedigd omdat zij de basiskwaliteit van het leven in onze maatschappij van vandaag en morgen bepaalt.4

In haar strijd tegen allerlei vormen van uitbuiting en onrechtvaardigheid en haar streven voor een kwaliteitsvol en menswaardig leven voor iedereen, dwong de socialistische beweging in het verleden belangrijke sociale rechten af, werkte ze aan de opbouw van een systeem van sociale zekerheid en herverdeling en installeerde ze tegenmachten voor het ongebreidelde kapitalisme. De gigantische milieukundige uitdagingen waar onze samenleving de dag van vandaag voor staat, zoals het klimaatvraagstuk, het behoud van de biodiversiteit, de verdeling van schaarse grondstoffen en de duurzaamheid van het economisch systeem, vergen even verregaande acties.

Duurzame ontwikkeling als strategie voor een grotere sociale rechtvaardigheid

De vaststelling dat een onbeteugelde vrije markt, waar de primauteit van de economische wetmatigheden en het individuele belang geldt, aanleiding geeft tot sociale en ecologische uitbuiting, brengt ons bij het begrip duurzame ontwikkeling. Daarin staat de bezorgdheid om de systemen die ons leven dragen en die essentieel zijn voor de bestaanszekerheid en ontplooiing van eenieder centraal.5
In de vele definities die intussen zijn ontwikkeld in verband met duurzame ontwikkeling blijkt dat de zorg om een gezond leefmilieu moet worden geïntegreerd in het streven naar meer sociale rechtvaardigheid en welvaart.6 In de sociaaldemocratische visie is de sociale rechtvaardigheid het doel, een efficiënte economie het middel en het respect voor de grenzen van de milieugebruiksruimte de randvoorwaarde. Daarbij omvat de sociale component ook de ambitie voor solidariteit en herverdeling in tijd en ruimte (intergenerationele en internationale dimensie). Deze solidariteits- en herverdelingsgedachte sluit zonder meer aan bij de socialistische kernwaarden.7 De vierde component is de institutionele organisatie, de beleidsaanpak die nodig is om tussen de ecologische, economische en sociale component synergie te creëren. Deze dimensie heeft betrekking op het functioneren van het overheidsapparaat en de participatie van de bevolking.

Nood aan een sterke overheid, een participerend middenveld en een volwaardig burgerschap

De sociaaldemocratie beschouwt het ecologisch kapitaal als een ‘publiek goed’ met een erfgoedwaarde waarvan het voordeel of gebruik niet tot een afgescheiden groep beperkt kan worden en waartoe iedereen gelijke toegang moet hebben. Publieke goederen behoren tot de fundamentele basisrechten van mensen en de gelijke toegang ertoe is noodzakelijk omdat dit een substantiële voorwaarde is opdat mensen in vrijheid zouden kunnen leven. Daarom is de reflectie over de toegang tot die publieke goederen een wezenlijk onderdeel van de sociaaldemocratie.8
Mensen hebben als burgers het recht op een gezond leefmilieu. Dit sociale grondrecht maakt een internationaal rechtsbeginsel uit dat al werd verankerd in de zogenoemde Brundtland-beginselen. Het ecologische grondrecht, dat onderdeel uitmaakt van het overkoepelend grondrecht op een menswaardig bestaan, is ook vastgelegd in de Belgische Grondwet9 en wordt trouwens overspannen door het ook in de Grondwet opgenomen beginsel van duurzame ontwikkeling.10 De (juridische) erkenning van dit recht is belangrijk maar onvoldoende. Ook en vooral moet dit recht daadwerkelijk worden gewaarborgd voor alle leden van de samenleving, zowel de huidige als de toekomstige generaties en ongeacht de landsgrenzen. Omdat de vrije markt een minimale en gelijke voorziening niet kan garanderen, kan de ontwikkeling, het beheer en het regelen van de toegang tot de publieke goederen niet zomaar aan een ongestuurde marktwerking worden overgelaten.

Dit alles impliceert een voldoende sterke overheid die haar verantwoordelijkheid neemt en de sociale en ecologische (grond)rechten van alle burgers waarborgt. Waar die rechten in het gedrang komen, heeft de overheid de onvoorwaardelijke plicht om te interveniëren.11 Socialisten ijveren dan ook voor een regulerende overheid die het vrijemarktinitiatief bijstuurt en die een milieubeleid voert op basis van het inzicht dat een gezond leefmilieu essentieel is voor de welvaart en de kwaliteit van het leven hier en nu, morgen en elders. De overheid moet de grenzen vastleggen waarbinnen aanspraken op het milieu kunnen plaatsvinden zonder door uitputting, vervuiling of verstoring de bronfuncties, opvangfuncties en ‘reguleringsfuncties’ (zoals de klimaatregeling) van dit milieu te ondergraven. De overheid moet met andere woorden het natuurlijk kapitaal in stand houden en duurzaam beheren en de toegang ertoe rechtvaardig verdelen. De mechanismen van de markt kunnen binnen de toebemeten ‘milieugebruiksruimte’ zorgen voor een efficiënte aanwending van het natuurlijk kapitaal voor de productie van goederen en diensten. Opdat iedereen de kans zou krijgen om aan dit marktgegeven deel te nemen, om iedereen in staat te stellen om in zijn (basis)behoeften te voorzien en om zoveel mogelijk behoeften voor zoveel mogelijk mensen te vervullen, moet de overheid niet alleen investeren in de ontwikkeling van menselijk en sociaal kapitaal, maar ook werken aan een verbetering van de eco-efficiëntie van de economie en aan de verdeling van de output ervan.
Een actief optreden van de overheid is noodzakelijk maar niet voldoende. Een overheid stemt haar beleid af op de polsslag van de samenleving. Een goed georganiseerd en democratisch middenveld moet de milieubelangen verdedigen, bijdragen tot een grotere bewustwording bij de burgers en voldoende druk uitoefenen op de economische spelers en de overheid. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de milieubeweging, maar ook voor vakbonden, derdewereldbewegingen, consumentenorganisaties en andere maatschappelijke belangengroepen.

Volwaardig burgerschap houdt in dat voor elkeen een gelijk recht wordt gewaarborgd om te participeren aan de beslissingen die een impact hebben op zijn bestaansvoorwaarden. Op basis van haar basisvertrouwen in de mens die als sociaal wezen samen met anderen verantwoordelijkheid kan en wil opnemen voor een betere wereld, staat de sociaaldemocratie op de barricade voor een positieve invulling van deze informatie- en participatierechten die op milieuvlak werden verankerd in het Verdrag van Aarhus (1998).12 Dit draagt bij tot het emancipatorisch project van de sociaaldemocratie. De sociaaldemocratische overheid neemt een grote verantwoordelijkheid op zich wat betreft het garanderen van een minimale levenskwaliteit voor iedereen. Dit betekent niet dat de individuele mensen zelf niet mee verantwoordelijk zijn. Geïnformeerde, geëngageerde en geëmancipeerde burgers nemen hiervoor actief deel aan de maatschappelijke en politieke besluitvorming en werken actief mee aan de uitbouw van het ‘sociaal en ecologisch kapitaal’. Een gezond leefmilieu is niet enkel een basisrecht voor iedereen, ervoor zorgen is ook een verantwoordelijkheid voor eenieder.

Verandering als hefboom voor een duurzame ontwikkeling

Duurzame ontwikkeling als economische kans: de weerstand voorbij

Zolang ons economisch-industrieel apparaat teert op een (te) grote input van materiaalstromen die ontgonnen worden uit steeds schaarser wordende milieuvoorraden en op een output van afvalstromen in het natuurlijk milieu waardoor dat natuurlijk milieu door uitputting, vervuiling en verstoring niet langer de kans krijgt om zich te ‘regenereren’, komt ook de regeneratie en uitbreiding van onze economische welvaart in het gedrang. Het huidig economisch-industrieel apparaat moet daarom worden hervormd naar een apparaat dat veel efficiënter met de schaarse milieugoederen omspringt: een economie die wordt geijkt op het uitgangspunt van duurzame ontwikkeling.
Deze duurzame ontwikkeling houdt in wezen drie processen in: verandering, herverdeling en groeibeheersing.13 Verandering (of hervorming) en herverdeling zijn van oudsher belangrijke waarden voor de sociaaldemocratie. Tegenover groeibeheersing heeft echter lang een koudwatervrees bestaan bij de linkerzijde, dit vanuit de begrijpelijke reflex dat men zonder economische groei geen werk kan scheppen en competitief kan blijven in de wereld. De realiteit toont evenwel aan dat een omslag noodzakelijk is om de toekomstige werkgelegenheid te vrijwaren. Groeibeheersing is daarbij geen synoniem voor ‘nulgroei’, een economische standstill, wel voor een economische ontwikkeling die rekening houdt met en is afgestemd op de ecologische grenzen die zich als harde randvoorwaarden manifesteren. In tal van Europese landen heeft de sociaaldemocratische beweging intussen resoluut de kaart getrokken van de transitie naar een nieuwe economische ordening, die van een duurzame economie.14

Deze sense of urgency mag echter geen reden zijn voor doemdenkerij. Wel voor een besliste overtuiging om de noodzakelijke heroriëntatie van ons politiek en economisch systeem drastisch te versnellen. De sociaaldemocratie breekt daarbij een lans voor een progressieve, toekomstgerichte benadering die gebruik maakt van de mogelijkheden die de technologische vooruitgang ons biedt. De transitie van ons economisch systeem naar een grotere duurzaamheid vergt zeker inspanningen, maar biedt langs de andere kant ook belangrijke opportuniteiten op vlak van economische innovatie, werkgelegenheid en een verbetering van de levenskwaliteit van iedereen. Milieuzorg, economische ontwikkeling en de werkgelegenheid die ervan afhangt, moeten en kunnen tegelijk wederzijds versterkend zijn.

Een nieuwe industriële revolutie is noodzakelijk…

De technologische uitdaging vraagt een nieuwe industriële revolutie die een productiviteitsstijging laat zien in de inzet van energie en grondstoffen in onze economie die vergelijkbaar is met de stijging van de arbeidsproductiviteit tijdens de vorige eeuw. Deze derde industriële revolutie vergt dan ook een nieuw economisch beleid dat gebruik maakt van de inzichten van de ecologische economie, die ook ecologische en sociale aspecten in haar analyse opneemt.15
De nieuwe industriële revolutie vraagt aan de aanbodzijde een economisch systeem dat werk maakt van een doorgedreven innovatiebeleid voor de ontwikkeling van duurzame producten en diensten. Aan de vraagzijde impliceert dit de creatie van een thuismarkt (via bijvoorbeeld een ‘groen aankoopbeleid’ door de overheid) die de afzet van de nieuw ontwikkelde producten in de aanloopfase stimuleert. In aanvulling daarop moeten economische instrumenten zoals regulerende heffingen en emissierechten en een vooruitstrevende normering (voortschrijdende energieprestatie-eisen, uitstootnormen,…) zorgen voor de verdere verspreiding en toepassing van milieu-innovatieve producten en diensten. Ze geven hen een competitieve plaats in de markt ter vervanging van de meer milieubelastende alternatieven.

De transitie naar een duurzame ontwikkeling impliceert voor de toekomst een nieuwe rol van de overheid. De overheid als economische (her)regulator, als organisator van de collectieve diensten blijft een centraal gegeven in het progressieve ideeëngoed. Ook voor de uitdagingen op milieuvlak en het integreren van milieuzorg en economische ontwikkeling zijn sterke overheden nodig die sturend kunnen optreden en tegelijk ruimte laten voor duurzame ontwikkeling gericht op de creativiteit van de samenleving. Een overheid die ingrijpt in het economisch leven om zo een basismilieukwaliteit voor iedereen te waarborgen, maar tegelijk ook stimuleert om duurzame innovaties te ontwikkelen en toe te passen, is een onontbeerlijke voorwaarde om de gewenste transitie tot stand te brengen.
De veranderingen waar we voorstaan zullen kansen bieden aan nieuwe sectoren en andere milieubelastende sectoren tot reconversie dwingen of doen verdwijnen. Het is aan de overheid om dergelijke transities actief te sturen en te zorgen voor de reconversie van milieubelastende activiteiten. Economische instrumenten die conform het beginsel ‘de vervuiler/gebruiker betaalt’ rationeler gedrag willen aanmoedigen en een dematerialisatie en opschoning van onze economie willen stimuleren, mogen er niet toe leiden dat essentiële maatschappelijke behoeften, zoals wonen onder een warm dak of mobiliteit, het privilege wordt van de meer gegoede burgers. Hierdoor neemt de ongelijkheid nog toe. Inspanningen van velen op vlak van rationeler en milieuvriendelijk gedrag mogen op basis van een omgekeerd ‘wie betaalt mag vervuilen’ principe niet worden tenietgedaan door een buitensporig milieuverspillend consumptiegedrag van enkelen. Vandaar dat economische, gedragssturende instrumenten ingebed moeten worden in een hele mix van beleidsmaatregelen. Deze maatregelen moeten burgers en bedrijven de handelingsbekwaamheid en handelingsmogelijkheden geven om hun gedrag aan te passen, terwijl verspilling wordt uitgebannen. Milieusparende producten en diensten moeten betaalbaar en toegankelijk worden voor iedereen, terwijl energie- en milieuvreters van de markt moeten worden gehaald.

…die ook nood heeft aan een nieuwe institutionele architectuur

De beoogde transitie vereist ook een institutioneel veranderingsproces. De huidige institutionele ordening is gestoeld op natiestaten die het hoogste soeverein gezag bekleden. Staten die alleen vrijwillig een stuk bevoegdheden naar boven (EU, VN, enz.) overhevelen of met andere landen multilaterale akkoorden afsluiten. Dit verhindert een adequate aanpak van bovennationale of mondiale problemen, zoals migratie, klimaatopwarming, uitputting van natuurlijke rijkdommen en aantasting van biodiversiteit, terroristische dreigingen, instabiliteit op de financiële markten en globale verdelingsvraagstukken.

Voor de aanpak van mondiale milieuproblemen, zoals klimaatverandering of verlies aan biodiversiteit, schiet de klassieke natiestaat tekort. Zij is immers doorgaans niet bereid of in staat om vervuilers te verplichten de schade aan het mondiale milieu (de atmosfeer, de oceanen, de trekvogels) te voorkomen of te compenseren. Landen die dat toch doen, kunnen hun bedrijven in de geglobaliseerde wereldeconomie dermate concurrentieel benadelen dat ze marktaandeel verliezen ten koste van hun meer milieubelastende concurrenten. Doordat het huidige vrijhandelsregime geen invoerbeperkingen toestaat voor elders geproduceerde producten, vervaardigd met productieprocessen die niet aan dezelfde (milieu)voorwaarden voldoen, valt hier weinig tegen te ondernemen. Op deze wijze leidt een nationaal beleid gericht op het terugdringen of doorrekenen van de milieu-impact niet tot een vermindering van de milieubelasting, maar op het verplaatsen ervan. Het risico op delokalisatie en op een aantasting van het concurrentievermogen leidt tot een bevriezing van de regelgeving (regulatory chill). Daardoor worden milieubelastende productieprocessen te veel ongemoeid gelaten. Hierdoor is er sprake van ‘oneconomische groei’ die meer maatschappelijke kosten dan baten met zich meebrengt en ten koste gaat van het milieu en van concurrenten die wel kosten maken om het milieu te ontzien. De schaalvergroting van milieuproblemen (impact op grotere afstand en op latere tijdstippen) maakt het ook minder evident om een politiek en maatschappelijk draagvlak te vinden voor de aanpak ervan. Daarom moet ook de reikwijdte van de democratisch georganiseerde gemeenschap groter en meer omvattend worden.
In dat kader is Europa een bijzonder en belangrijk project. De Europese Unie (EU) heeft voor belangrijke milieuthema’s (klimaat, afval, water, biodiversiteit, Natura 2000, enz.) een gelijk speelveld gecreëerd en een effectieve grensoverschrijdende aanpak van milieuproblemen mogelijk gemaakt. Om ook mondiaal tot meer doortastende afspraken te komen voor het duurzame beheer van global commons, zoals het werelderfgoed, een rechtvaardige wereldhandel, een stabiele wereldvrede, is het daarom noodzakelijk dat de politieke besluitvorming verder wordt ‘geglobaliseerd’. De politieke en democratische ruimte moet zich aansluiten bij de economische. Daarbij moeten we komen tot vormen van internationaal bestuur waarin natiestaten bewust een stuk van hun soevereiniteit willen opgeven ten voordele van een ‘soevereiniteit van de mensheid’.

Deze institutionele omwenteling zal dan ook alleen maar kunnen slagen als op het internationale niveau een wereldgemeenschap van mensen groeit die beseft dat ze een gedeelde lotsbestemming hebben met gedeelde kansen en gedeelde bedreigingen. Het is deze wereldgemeenschap die op basis van een nieuwe internationale (en intergenerationele) rechtvaardigheidstheorie de funda­menten moet leggen van een verdelingssysteem dat eerlijke ontwikkelingskansen biedt voor iedereen en de grenzen van ons natuurlijk systeem erkent en respecteert. De uitdaging is dan ook hoe een sociaaldemocratisch idee van global citizenship en global governance tot stand kan komen.16 Het is in die richting dat het huis van de Verenigde Naties zou kunnen worden herbouwd, met bijzondere ruimte voor de regionale kamers. Zo ontstaat een nieuwe ‘G8’ (Europese Unie, VS-Canada, Rusland, Australië-Nieuw Zeeland, de Latijns-Amerikaanse landen, de Afrikaanse Unie, Zuid-Oost Azië en China) die via nieuwe mechanismen tot meer doortastende afspraken komen voor de bescherming, de ontwikkeling en het beheer van global commons.

…gedragen door aan een cultuur van gemeenschappelijkheid

Om voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak te vinden voor de bescherming van schaarse milieugoederen en biodiversiteit is het ook noodzakelijk dat er terug een cultuur van de gemeenschappelijkheid ontstaat. Die moet het tegengewicht vormen voor de neoliberale tendens naar het vermarkten of privatiseren van (collectieve) milieugoederen. Het tegengif ook voor een cultuur van consumptiegericht statusmaterialisme dat op termijn uitzichtloos is en huidige en toekomstige generaties hun noodzakelijke levenskansen ontneemt.
Die cultuur van het gemeenschappelijke moet mee het draagvlak vormen voor het beschermen van het collectieve en het weerloze. Voor het behoud van de open ruimte, het investeren in het openbaar domein en het openbaar vervoer en tegen het verkavelen, het toe-eigenen, het privatiseren en accumuleren daarvan. Bescherming van de natuur en het milieu vergt met (sociale of wettelijke) regels vast te leggen ‘afspraken’ die moeten voorkomen dat de vrijheid die de ene groep opeist ten koste gaat van de vrijheid van anderen. Solidariteit, internationaal en intra- en intergenerationeel, is daarbij de leidraad. Zonder dergelijke regels zegeviert het ‘recht van de sterkste’.
In de cultuur van het gemeenschappelijke nemen geïnformeerde, geëngageerde en geëmancipeerde burgers ook actief deel aan de maatschappelijke en politieke besluitvorming en werken ze actief mee aan het behoud en het herstel van een gezond leefmilieu voor eenieder. Zoals hierboven al werd aangestipt, draagt dit bij tot het emancipatorisch project dat de sociaaldemocratische denkstroming voor ogen heeft. De cultuur van het gemeenschappelijke zorgt ervoor dat het leiderschap dat we van de nieuwe politieke leiders verwachten om de nieuwe technologische revolutie op gang te brengen en een nieuwe institutionele architectuur uit te tekenen, wordt aangevuld en gesteund door het noodzakelijke burgerschap.

Bart Martens 17
Vlaams sp.a-parlementslid en Gemeenschapssenator

|

MIKADO als vliegwiel voor dit transitieproces binnen de Vlaamse sociaaldemocratie

_MIKADO: een discussieforum, een oproep en actie _

Om binnen sp.a een discussieplatform te creëren waar kan worden ingegaan op de problematiek die hierboven wordt geschetst, wordt het initiatief genomen tot de oprichting van MIKADO. MIKADO wil een forum bieden om na te denken en van gedachten te wisselen over sociaaldemocratisch geïnspireerde antwoorden op milieuvraagstukken in een kader van duurzame ontwikkeling.

MIKADO wil (binnen en buiten de partij) verduidelijken waarom ook de sociaaldemocratie in Vlaanderen milieuzorg en duurzame ontwikkeling tot één van haar belangrijkste prioriteiten moet maken, waarom dit ook essentieel is om de strijd voor sociale en internationale rechtvaardigheid en waarom juist moderne sociaaldemocraten goed (of zelfs best) geplaatst zijn om de milieu-uitdagingen aan te gaan.

MIKADO wil mee de motor vormen van de weg die de partij hier aflegt. MIKADO wil inspirerend en oriënterend zijn voor de (beleids)keuzes en standpunten die de partij in al zijn geledingen inneemt ten aanzien van deze vraagstukken. MIKADO is ervan overtuigd aldus te kunnen bijdragen tot het versterken van de politieke actie op dit domein. De motor is voor een stuk een ‘buitenboord’motor omdat een forum wordt geboden voor alle progressieven, zowel binnen als buiten de partij. MIKADO is immers geen in zichzelf gekeerde ‘denktank’ en wil juist een breed forum voor discussie aanbieden om de milieuvraagstukken onder de aandacht te brengen en te houden, probleemstellingen te formuleren en verder uit te diepen, oplossingsrichtingen te verkennen, de opgebouwde inzichten te verspreiden en vorm te geven of haar medewerking te verlenen aan de politieke actie rond milieuvraagstukken.

MIKADO wil deze doelstelling verwezenlijken via onder andere het organiseren van studiedagen, seminaries, discussiefora, het ontwikkelen van een apart e-zine, enz.

|

Noten
1/ Zie daarover meer: Mazijn B. ed. (2000), Duurzame ontwikkeling meervoudig bekeken, pp. 20-25.
2/ Zie http://www.panda.org/news\_facts/publications/living\_planet\_report/index.cfm.
3/ Sloterdijk P. (2006), Het kristalpaleis, Een filosofie van de globalisering, SUN Uitgeverij.
4/ Zie Resoluties van het Toekomstcongres van de SP van 16 en 17 mei 1998.
5/ In 1987 werd het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ op de politieke agenda geplaatst via het rapport van de World Commission on Environment and Development (WCED), Our Common Future, beter bekend als het Brundtland-rapport (http://www.un-documents.net/wced-ocf.htm). In dit rapport wordt duurzame ontwikkeling gedefinieerd als development that meets the needs of the present without compromising the ability of future generations to meet their own needs. Sinds de UNCED-conferentie van Rio de Janeiro (1992) wordt het begrip op basis van Agenda 21 ook meer en meer operationeel gemaakt via internationale en nationale beleidsprogramma’s en intentieverklaringen (http://sage-agenda21.voila.net/). De VN-top over duurzame ontwikkeling van Johannesburg 2002 was bedoeld om de uitvoering van Agenda 21 en het bereiken van de armoede- en milieudoelstellingen een nieuwe impuls te geven (http://www.earthsummit2002.org/). Intussen werd ook op Europees vlak en nationaal vlak aan het beginsel van duurzame ontwikkeling een juridische status verleend, onder andere in artikel 2 en artikel 6 EG-verdrag en artikel 7bis van de Grondwet.
6/ Zie: Cordonnier Segher M.C., Khalfan A. (2004), Sustainable Development law: Principles, Practices & Prospects, Oxford/New York, Oxford University Press.
7/ Meyer T. (2007), The Theory of Social Democracy, Cambridge, Polity Press, p.43.
8/ Meyer T. (2007), o.c., p.104.
9/ Artikel 23 Grondwet.
10/ Artikel 7bis Grondwet.
11/ Meyer T. (2007), o.c., pp.64-65.
12/ Zie http://www.unece.org/env/pp/ en http://www.lne.be/themas/regelgeving/aarhus. Het Verdrag - dat intussen werd omgezet in federaal en regionaal recht - handelt over:
a) het verlenen van toegang tot milieu-informatie aanwezig bij de overheid. Naast de ‘passieve’ toegang (d.i. informatie verstrekken wanneer een burger of milieuvereniging erom vraagt), dient de overheid ook aan ‘actieve’ informatieverstrekking te doen via onder meer het publiceren van rapporten over de toestand van het milieu, publiek toegankelijke databanken, enz.;
b) het verlenen van inspraak in de besluitvorming omtrent milieuaangelegenheden. Dit slaat zowel op specifieke activiteiten (een lijst hiervan is opgenomen als bijlage bij het Verdrag) als plannen, programma’s, beleid en regelgeving met betrekking tot milieu. Bij de beslissing dient rekening gehouden te worden met de inspraakresultaten en de beslissing moet openbaar worden gemaakt;
c) het verlenen van toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden.
13/ VMM (1994), Milieu-en Natuurrapport Vlaanderen, Leren om te keren, 37 p.
14/ Zie ook: Vermeersch W. (2008), ‘Europese vernieuwingsprogramma’s voor links’, Samenleving en politiek, jrg.15, april (4), pp. 20-26.
15/ Zie onder meer: Daly H. (1991), Steady-State Economics (2nd ed.), Washington D.C., Island Press.
16/ Zie hierover uitgebreider: Meyer T. (2007)., o.c., 163-187; Rasmussen P.N. (2003), Europe and a New Global Order: Bridging the Global Divide: A Rapport for the Party of European Socialists (http://www.pes.org/).
17/ Bart Martens schreef deze tekst samen met de andere initiatiefnemers van MIKADO: Sara Van Dyck (raadgever energie bij het kabinet van de viceminister-president van de Vlaamse Regering Frank Vandenbroucke), Marileen Vandenberghe (raadgever leefmilieu bij het kabinet van de viceminister-president van de Vlaamse Regering Frank Vandenbroucke), Jan Schaerlaekens (raadgever energie, kernenergie en milieu bij de studiedienst van de sp.a), Luc Goeteyn (raadgever milieu en landbouw bij het kabinet van de viceminister-president van de Vlaamse Regering Frank Vandenbroucke) en Peter De Smedt (milieujurist en medewerker van het Centrum voor Milieurecht UGent). MIKADO is als idee gegroeid in de schoot van de werkgroep leefmilieu van de sp.a.

milieu - sociale bescherming - MIKADO

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 13