Log in

De Derde Weg naar nergens. Op zoek naar verloren beginselen

In een bijdrage in het oktobernummer van Samenleving en politiek ging Paul Zeeuwts onder de noemer ‘waar is de rode draad?’ de uitdaging aan een aanzet te geven voor het herformuleren van de essentie van het moderne socialisme. De zoektocht naar een nieuw en omvattend verhaal, een update van de socialistische ideologie, is een nuttige en noodzakelijke oefening die nu meer dan ooit moet worden gemaakt. Sterker nog: in de huidige context is er zelfs geen tijd meer te verliezen. Maar hoewel Zeeuwts zelf aangeeft dat zijn aanzet nog onvolmaakt is en hoewel zijn engagement an sich zeer lovenswaardig is, hopen wij dat zijn ‘poging tot formulering van de essentie in tien punten’ niét de basis zal worden van een vernieuwd Charter van Quaregnon. Het gaat immers om oude wijn, geserveerd in dezelfde zakken. In plaats van tien genuanceerde en gefragmenteerde punten, menen wij de basis voor de socialistische agenda, de zogenaamde rode draad, kort te mogen samenvatten in één enkel credo: de strijd tegen onrechtvaardigheid. Deze strijd, in welke vorm of op welke schaal dan ook, is vandaag nog even hard nodig als gisteren. En het is dan ook bevreemdend dat de socialistische beweging deze strijd slechts zo moeizaam weet aan te gaan.

De ‘nieuwe’ essentie volgt de Derde Weg

Het betoog van Zeeuwts vangt aan met de stelling dat zowel liberalen, christendemocraten als groenen beschikken over een verhaal, een respectievelijk blauwe, oranje en ecologische draad die deze stromingen duidelijk herkenbaar maken. Het socialistische verhaal kampt echter met een gebrek aan dergelijk coherent verhaal, een rode draad, wat meteen de reden is voor de auteur om een poging te doen de essentie van het socialisme te herformuleren in tien punten. Wat echter als een nieuwe aanzet wordt gepresenteerd, lijkt ons niet meer te zijn dan het herkauwen van wat eind jaren 1990 genoegzaam bekend werd onder de noemer ‘Derde Weg’, en wellicht mede als oorzaak kan worden beschouwd van de huidige crisis die het socialisme in Europa doormaakt. Uit de tien punten van Zeeuwts valt dan ook moeilijk af te leiden in welk opzicht hij - in navolging van Bertrand Delanoë - sociaal én liberaal is, in plaats van sociaal-liberaal.

De helft van de punten aangehaald door Paul Zeeuwts lijken rechtstreeks weggeplukt uit het ‘Europe: The Third Way’ charter dat aan het eind van de vorige eeuw neergepend werd door Tony Blair en Gerhard Schröder.1 Dat veiligheid ‘een links thema moet worden’ werd door hen verwoord als ‘crime is a vital political issue for modern social democrats. We consider safety on the street to be a civil right’. Het omarmen van de vrije markt als basisprincipe van onze economie, mits de noodzakelijke ‘sociale en ecologische correcties’, vormt natuurlijk één van de basispijlers voor het sociaal-liberalisme van de Derde Weg: ‘product market competition and open trade is essential to stimulate productivity and growth’. Flexibele markten zijn het na te streven doel, waarbij de staat moet sturen in plaats van roeien. Het verhaal van Zeeuwts is dus niets nieuws onder de zon. Ook waar hij het heeft over overheden die ‘slagvaardig’, ‘efficiënt en effectief’ moeten zijn, en vooral gespeend moeten blijven van enige bureaucratisering, schrijft Zeeuwts zich ten volle in de ideologie van de Derde Weg in: ‘Within the public sector bureaucracy at all levels must be reduced, performance targets and objectives formulated, the quality of public services rigorously monitored and bad performance rooted out’.

Zonder uitspraken te willen doen over de geldigheid, de wenselijkheid of de belangrijkheid van de aangehaalde punten, menen we dat het toch revelerend is hoezeer de ‘nieuwe’ agenda van Zeeuwts aansluit bij de Derde Weg zoals die in de tweede helft van de jaren 1990 gepropageerd werd. Vinden we daar wel de middelen en kracht om een socialistische herbronning te kunnen verwezenlijken? Deze ideeën zijn er immers al langer dan vandaag, terwijl noch de maatschappelijke, noch de electorale successen ervan duidelijk zijn. Het teruggrijpen naar de recepten die de laatste jaren bewezen hebben niét te werken, om het socialisme vandaag uit het slop te halen, lijkt ons dan ook niet meteen de aangewezen strategie.

De strijd is nog niet gestreden

Het bekampen van sociale en economische ongelijkheid zou vandaag, meer dan ooit, tot de core business van het socialisme moeten behoren. Ook Zeeuwts haalt terecht aan dat het streven naar rechtvaardigheid en gelijkheid een socialistisch streven moet blijven. Maar de drijfveren die hij daarvoor aanhaalt zijn niet gespeend van enig cynisme. Hij schrijft dat ‘grote inkomens- en machtsongelijkheid leidt tot zwakke maatschappelijke cohesie’ en dat ‘afgunst dicht aanleunt bij het rechtvaardigheidsgevoel’, wat dan een ‘fact of live’ (sic) zou zijn. Een sociale agenda is dan in essentie herverdelend vanuit een ‘welbegrepen eigenbelang’. We hoeven dus niet omwille van ethische of idealistische redenen voorstander te zijn van een meer rechtvaardige en evenwichtige samenleving, maar wel voor het eigen én het algemeen belang! Een argument dat zowat het spiegelbeeld lijkt van de zogenaamde trickle-down economics: geef aan de armen en ook de rijken zullen rijker worden.

Los van de waarschijnlijkheid van een dergelijk scenario (immers, de relatie tussen ‘maatschappelijke cohesie’ en ‘economische performantie’ valt niet zo eenduidig te interpreteren - om maar iets te noemen) lijkt dit ons een weinig wervend socialistisch verhaal te zijn. Wanneer de zogenaamde ‘rode draad van de 21ste eeuw’ het eigenbelang als uitgangspunt heeft, ja, dan is het socialisme toch waarlijk uitgestorven! Het socialisme waar wij warm van worden, waar wij ons bij willen aansluiten, is er één dat verontwaardigd reageert op sociale en economische onrechtvaardigheden en ongelijkheden. Het is een ideologie die ernaar streeft iedere persoon een ‘goed leven’ aan te bieden en een maatschappij met zo weinig mogelijk onrecht te creëren. Het is een geloof in de wetenschap dat we onrechtvaardigheid en ongelijkheid niet alleen willen, maar ook moeten en kunnen bestrijden. Dat socialisme is niet tegen grove ongelijkheden uit ‘welbegrepen eigenbelang’, maar omdat het wil streven naar een betere wereld waarin de mogelijkheden en de middelen rechtvaardig verdeeld zijn.

Dat dit enkel kan door ook sociaaleconomische ongelijkheden zo veel mogelijk in te perken, is een argument dat in socialistische kringen nog al te zwak klinkt. Nochtans wordt in het (internationale) beleid steeds vaker opgemerkt dat het eenzijdig streven naar gelijkheid van kansen (in plaats van naar gelijkheid van uitkomsten) onvoldoende vruchten afwerpt. Zoals Francine Mestrumin het septembernummer van Samenleving en politiek opmerkte, verliest de liberale stelling dat inkomensongelijkheid volstrekt normaal is, steeds meer steun.2
Vreemd genoeg staat het streven naar meer sociaaleconomische gelijkheid zelden nog prominent vooraan in de sociaaldemocratische partijen van de 21ste eeuw. Er wordt wel eens beweerd dat socialisten bij de huidige (electorale) crisis het slachtoffer geworden zijn van het eigen succes. De welvaartsstaat is ondertussen immers reeds verwezenlijkt en de levensstandaard staat op een historisch ongezien hoog peil, zo luidt het dan. Alsof armoede en sociaal onrecht definitief naar de geschiedenisboeken werden verwezen.

Niets is echter minder waar. De inkomensongelijkheid in België stijgt jaar na jaar aan een alarmerend snel tempo: daar waar we in 1995 nog een Gini-coëfficiënt van 0,297 haalden, was dit in 2004 reeds gestegen tot 0,362. Of anders uitgedrukt: daar waar de armste 30% van de Belgische bevolking in 1995 nog 11,2% van het totale inkomen in ontvangst mocht nemen, is dit vandaag nog amper 8,5%. De rijkste 10% van de bevolking daarentegen, zag haar aandeel toenemen van 27,7% naar 31,5%.3 Voor een land dat er prat op gaat over één van de beste herverdelingsmechanismen ter wereld te beschikken, en waar socialistische partijen veelal deelnamen aan het beleid, is dat toch een markante evolutie. Bovendien kan vandaag 1 op 7 (of 14,7% van de bevolking) als arm worden beschouwd.4 Deze trends naar toenemende ongelijkheid en armoede manifesteren zich niet enkel in België: sedert het midden van de jaren 1980 tot nu steeg de inkomensongelijkheid in de ontwikkelde landen voortdurend en merkelijk.5 Een stijging die de OECD alleszins ‘moderate but significant’ noemt en waar elk sociaal denkend mens wellicht even halt bij zou mogen houden.
En dan hebben we het enkel nog maar over de situatie in het welvarende deel van de wereld. Op wereldschaal bekeken is de inkomensongelijkheid gedurende de laatste 200 jaar in het geheel niet afgenomen. In het beste geval hebben we sedert het midden van de 20ste eeuw een vertraging of stabilisatie van de ongelijkheidsgroei meegemaakt, maar dat neemt niet weg dat de inkomensongelijkheid in de wereld zich vandaag de dag nog steeds op een historisch hoogtepunt bevindt.6 Gini-coëfficiënten op wereldschaal worden geschat tussen ruwweg 0,63 en 0,71. Dat het socialisme haar doelstellingen zou hebben verwezenlijkt en daardoor aan overtuigingskracht en duidelijkheid verloren heeft, is dan ook een non-argument voor iedereen die het internationale streven van de socialistische beweging ook maar enigszins serieus neemt. Anno 2008 is sociale onrechtvaardigheid allesbehalve uit de wereld verdwenen. Redenen voor verontwaardiging en bezorgdheid zijn er te over, en het is volgens ons daaraan dat het socialisme nog steeds haar bestaansreden én haar bindende kracht ontleent. Of zou moeten ontlenen.

De wol kaarden alvorens de draad te spinnen

Het voorgaande is geen pleidooi voor zuiver egalitarisme, noch voor een dogmatisch en achterhaald socialisme van de oude stempel. Ook is het geen a priori afwijzing van de Derde Weg of van de voorstellen van Paul Zeeuwts. Wel is het een waarschuwing voor een vernieuwing die er geen is. Een vernieuwing die niet meer is dan meer water bij oude wijn. Het is een oproep om de fundamenten van de socialistische beweging niet uit het oog te verliezen. Onrechtvaardigheid tiert nog steeds welig (en wellicht zelfs steeds meer) in onze samenleving en in de gemondialiseerde wereld van vandaag. De strijd daartegen hoort nog steeds het fundament te zijn van elke sociaaldemocratische herbronning. Bovendien is het een boodschap en een agenda die, ons althans, duidelijk en eenvoudig in de oren klinkt. Het is dan ook bevreemdend dat in een tijd als deze, waarin de sociaaleconomische ontwikkelingen bijzonder verontrustend zijn, de Vlaamse sociaaldemocraten nog steeds slechts aarzelend in het maatschappelijk debat op de fundamenten van hun ideologie durven wijzen.
Die fundamenten draaien wat ons betreft evenzeer om vrijheid en gelijkheid, maar ook om het verlaten van het blindelings vertrouwen in de mantra der ‘economische groei’, om het nastreven van culturele en wetenschappelijke ontwikkeling, om het beperken van sociale onrechtvaardigheden en om het garanderen van een menswaardig bestaan voor alle mensen. Dat alles vanuit een onomwonden rechtvaardigheidsstreven en niét omwille van één of ander vermomd eigenbelang. Dat het huis van de sociaaldemocratie aan heropbouw toe is, willen we niet betwisten, maar naast de fundamenten bouwen, maakt een huis niet steviger.

Wim Van Lancker 7
Wouter Ryckbosch 8
Universiteit Antwerpen

Noten
1/ Blair Tony, Schröder Gerard (1999), Europe: the Third Way/ die Neue Mitte, in: B. Hombach (2000), The Politics of the New Centre, Blackwell, Oxford, pp.157-77.
2/ Mestrum F. (2008), Voor een nieuwe ontwikkelingsagenda, Samenleving en politiek, jg. 15, 7, p.51.
3/ Van Lancker W. (2007), Armoede en sociale uitsluiting ontsluierd, in: J. Vranken, G. Campaert, K. De Boyser en D. Dierckx (eds.), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2007, Acco, Leuven/Voorburg.
4/ Onder arm wordt hier bedoeld dat men minder verdient dan 60% van het mediaaninkomen. Dit komt neer op een netto beschikbaar inkomen van minder dan 860 euro per maand als alleenstaande. FOD economie, K.M.O., Middenstand en Energie; Persbericht 17 oktober 2008.
5/ OECD (2008), Growing Unequal. Income distribution and poverty in OECD countries, OECD, Paris.
6/ Bourguignon F. en Morrisson C. (2002), Inequality Among World Citizens: 1820-1992, in: The American Economic Review, 92,4. Ook Dikhanov Y. en Ward M. (2001), Evolution of the Global Distribution of Income in 1970-1999, in: Proceedings of the Global Poverty Workshop, Colombia University; en Dikhanov Y., Trends in Global Income Distribution, 1970-2000, and scenarios for 2015, Human Development Report 2005.
7/ Wim Van Lancker is verbonden aan het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck van de Universiteit Antwerpen. Hij schrijft dit stuk in eigen naam.
8/ Wouter Ryckbosch is doctoraatsbursaal aan het Centrum voor Stadsgeschiedenis van de Universiteit Antwerpen. Hij schrijft dit stuk in eigen naam.

Derde Weg - ideologie - socialisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 9 (november), pagina 50 tot 53