Abonneer Log in

Nieuwe dageraad voor Amerika en voor de wereld?

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 9 (november), pagina 4 tot 12

Yes We Can! Barack Obama wordt de 44ste president van de Verenigde Staten. Voor Amerika is Obama’s verkiezingsoverwinning historisch te noemen. De rest van de wereld slaakte een collectieve zucht van opluchting dat het tijdperk-Bush ten einde is. Maar of president Obama ook voor hen een verschil zal maken, is veel minder zeker.

Met Obama’s verkiezing is Amerika eindelijk in het reine gekomen met zijn ‘erfzonde’: meer dan anderhalve eeuw na de afschaffing van de slavernij speelde huidskleur nog steeds een rol, zelfs aan de Oostkust. De rassenrellen in Los Angeles in 1992 en de rauwe sociale kloof die de orkaan Katrina in 2005 in New Orleans blootlegde, wezen op een onverwerkt verleden in de Amerikaanse samenleving. Het meest ontroerende beeld tijdens de verkiezingsnacht was dan ook dat van de tot tranen toe bewogen legendarische burgerrechtenactivist Jesse Jackson, die in 1984 vergeefs een gooi had gedaan naar de Democratische nominatie.
Barack Obama’s succes was te danken aan zijn goed geoliede verkiezingscampagne en zijn overvloedig gevulde campagnekas (het zevenvoudige van McCain). De ongelukken die John McCains campagne leken te achtervolgen, werkten in Obama’s voordeel. De krakkemikkige organisatie van McCain, diens leeftijd, zijn keuze van Sarah Palin als running mate, de ranzige kantjes bij sommige van zijn aanhangers: het droeg er allemaal toe bij om onafhankelijke kiezers in grote getale naar Obama’s kamp te drijven.

Maar Barack Obama won in de eerste plaats omdat hij sprak­ tot het hart én de verbeelding van zovelen, en omdat hij de tijdsgeest onder zijn landgenoten beter kon inschatten dan John McCain. Hij domineerde de debatten omdat de middle-class angst in het centrum van zijn campagne stond. Hij bood hoop in bange dagen, terwijl McCain inzette op angst - voor de migrant, voor het terrorisme, voor Iran, voor Rusland - terwijl Amerika precies naar het einde van de angst smachtte, na acht jaar Republikeins bewind dat van angst zijn handelsmerk had gemaakt.
De onverwachte financiële crisis en de dreiging van economische achteruitgang hebben te elfder ure ongetwijfeld de doorslag gegeven. Deze hebben de ongerustheid van de doorsnee Amerikaan alleen maar versterkt. Voor zulke thema’s schenken Amerikanen instinctief meer vertrouwen aan Democraten dan aan Republikeinen. Het bevestigt een oude waarheid in de politiek: wiens thema de verkiezingscampagne beheerst, maakt een goede kans om de overwinning te behalen.

Het is exact honderd jaar geleden dat een presidentsverkiezing nog zoveel Amerikanen naar de stembus bracht. Toch kan zijn overwinning bezwaarlijk verpletterend genoemd worden. Hij kreeg de steun van 64 miljoen kiezers, maar 58 miljoen Amerikanen deden dat niet. Een verschil van 6% tussen Obama en zijn rivaal valt wat schraal uit tegen de megascores die Franklin Roosevelt in 1932 of Ronald Reagan in 1980 en vooral in 1984 (bijna 60% tegen 40% voor de Democraat Walter Mondale) hadden behaald. De eerste kon daardoor het roer radicaal omgooien en het New Deal tijdperk inluiden, waarin de staat de hefboom werd voor maatschappelijke veranderingen en toenemende gelijkheid. Ronald Reagan stuurde de Amerikaanse politiek de andere kant op: hij zette een nieuw conservatief tijdperk in, waarin de staat werd afgebouwd en de ongelijkheid opnieuw toenam. De Amerikaanse geschiedenis is al vaker beschreven als een opeenvolging van cycli, waarbij progressiviteit en conservatisme elkaar afwisselen. Het is vooralsnog voorbarig om met zekerheid te besluiten dat Amerika een nieuwe cyclus is binnengestapt, na het lange conservatieve tijdperk van Ronald Reagan. Maar de campagnetaal van Obama wijst alvast in die richting.

Het sociaal contract van Barack Obama

Het is gemakkelijk om te begrijpen waarom een deel van de Amerikaanse bevolking zo enthousiast op Obama heeft gereageerd. Hij is er niet alleen in geslaagd de zwarte Amerikanen uit hun diepgewortelde electorale apathie te halen. Hij heeft ook een mobilisatie onder de jongeren teweeg gebracht, die niet meer gezien was sinds de verkiezingscampagne van Robert Kennedy in 1968.
Wat hij lijkt aan te bieden, is immers niets minder dan een nieuw sociaal contract. Franklin D. Roosevelt deed het hem voor in de jaren 1930. Dat zo’n boodschap vandaag opnieuw aanslaat, is geen toeval. Opiniepeiling na opiniepeiling bevestigt immers het beeld dat Amerika vandaag in vele opzichten aan dezelfde kwalen lijdt als ten tijde van Roosevelt. Het land leeft in angst. Tachtig procent van de Amerikanen vond in april 2008 dat hun land de verkeerde richting uitgaat. Uit de jaarlijkse Nieuwjaarspeilingen van Gallup kan worden opgemaakt dat de Amerikaanse bevolking zowat de meeste pessimistische ter wereld is. De Amerikaanse publieke opinie worstelt met een gevoel van machteloosheid, alsof de controle over het dagelijks leven haar ontglipt, terwijl Amerika’s invloed in de wereld lijkt af te kalven.
Het middle class Amerika voelt zich onder druk. De stagnatie en - sinds 2001 de lichte daling - van de reële lonen voedt in de middenklasse de angst en onzekerheid. In deze groep hebben velen het gevoel dat ze buiten de prijzen van de economische groei vallen. Middle-class angst, zo betitelde Washington Post columnist David Ignatius dat gevoel van ongerustheid in 2004.
Een jaar later wijdden de New York Times en de Wall Street Journal gelijktijdig een lange reeks artikels over de verborgen klassenstructuur in de Verenigde Staten. ‘Class matters - Klasse doet ertoe’, titelde de eerste. Recente opiniepeilingen wijzen in dezelfde zin. In september 2007 zag bijna de helft van de Amerikanen hun land verdeeld tussen haves en have-nots (een stijging met 20% sinds 1988). Voor een samenleving die nooit in termen van klassenstrijd heeft geredeneerd, is dat een opmerkelijk resultaat - temeer omdat steeds meer Amerikanen zichzelf in het kamp van de have-nots blijken te situeren. Een meerderheid onder de Amerikanen heeft de indruk dat het vandaag minder gemakkelijk is om een goed inkomen te verwerven dan twintig of dertig jaar geleden. De huizen- en vervolgens de kredietcrisis van 2007 en 2008 heeft die angst voor de economische toekomst helemaal bovenaan de rangorde van de zorgen van de Amerikaanse kiezer gestuwd.

Al vrij snel bij het begin van de campagne hebben de Democratische presidentskandidaten die middle-class angst ontdekt als een politiek wapen tegen hun Republikeinse tegenstanders. Aan presidentskandidaat John Edwards komt de eer toe om daar als eerste op ingezoomd te hebben. Hij ging zelfs zo ver om armoede als verkiezingsthema in te zetten. Armoede bleek voor de modale Amerikaan immers een nieuw schrikbeeld te zijn en dat gevoel werd gevoed door wrevel over de groeiende kloof tussen wie profiteert van de voordelen van de mondialisering en wie ernaast grijpt. Een derde van de Amerikaanse burgers beschouwt de groeiende kloof tussen arm en rijk zelfs als de grootste bedreiging op wereldniveau. Zelfs in de rangen van de evangelicals, ooit de meest conservatieve aanhangers van George W. Bush, is de strijd tegen armoede (en hiv-aids) een prioriteit geworden.
Die economische bezorgdheid heeft de American Dream aangetast. Deze leek elke Amerikaan de kans te geven om op te klimmen van arm naar superrijk, mits hard werken (en wat geluk). De kracht van deze droom maakte dat de Amerikanen in het verleden grote ongelijkheden hebben aanvaard. Recent onderzoek wijst echter in de omgekeerde richting. De ‘sociale mobiliteit’, zoals dat opklimmen in het jargon heet, neemt af in de Verenigde Staten. Terwijl de ongelijkheid er toeneemt. Een studie uit 2007 die de toestand van gezinnen in de jaren 1960 en veertig jaar later vergeleek, liet er geen twijfel over bestaan: slechts zes procent van de kinderen uit arme gezinnen waren er in die afgelopen vier decennia in geslaagd op te klimmen tot aan de top en slechts een derde van alle kinderen was hoger op de maatschappelijke ladder beland dan hun ouders. Evenveel kinderen waren gezakt op de maatschappelijke ladder.1
Zelfs conservatieve commentatoren waarschuwden dat een periode van duurzame economische ontevredenheid dreigde als Amerika er niet in slaagde de sociale mobiliteit te herstellen. Michael Gerson, president Bush’ speechwriter en auteur van Heroic Conservatism (2007), vatte dat mooi samen: ‘Als een samenleving gelijk noch mobiel is, dan is het een aristocratie. Conservatieven accepteren dat ongelijkheid nu eenmaal een economisch feit is, maar niet dat het een klassenmaatschappij is waar ongelijkheid erfelijk en permanent is’.2

Op die Amerikaanse tijdsgeest pikte de Obama-campagne met verve in. Ook al gebruikte hij bijna nooit het woord ‘armen’ (zijn spindoctors vonden dat geen wervend woord)3 en had hij het voortdurend over de ‘hardwerkende Amerikaan’, toch stond solidariteit centraal: hij stelde bescherming in het verschiet, maar tezelfdertijd ook een perspectief op vooruitgang. Net zoals Roosevelt wil Obama de zwaksten in de Amerikaanse samenleving beschermen en tezelfdertijd de toenemende ongerustheid onder de middenklasse opvangen. In de beste Democratische traditie bevestigde Obama daarbij expliciet dat hij de staat aan de zijde ziet van de zwaksten in de samenleving - en niet als de behoeder van ’s lands welvarenden. De staat is er om de individuele burger te beschermen tegen risico’s en problemen waartegen hij zich niet op eigen kracht kan indekken (tenzij hij of zij behoort tot de toplaag van de welgestelden). Het was deze boodschap die Obama vanwege het McCain-kamp het etiket van ‘socialist’ opleverde. Zijn plan om de belastingen te verminderen voor wie minder dan een kwart miljoen dollar per jaar verdiende, ontnam het McCain-kamp meteen ook het klassieke Republikeinse argument dat Democraten de partij van de belastingsverhoging waren.
Maar Obama’s project beperkte zich niet tot deze defensieve dimensie. Opnieuw zoals Roosevelt (we have to fear but fear itself - wij moeten enkel onze eigen angst vrezen) wilde hij de angst onder de Amerikanen overstijgen doorheen wat hij een ‘nieuwe gemeenschappelijke doelstelling’ noemde. Zonder schroom appelleerde hij aan het zelfbeeld van de Amerikaan (‘We verdienen beter dan wat we de afgelopen acht jaar gehad hebben, want we zijn een beter land dan dat’). Obama’s programma wil eigenlijk het elementaire gemeenschapsgevoel onder Amerikanen herstellen. ‘Je stapt niet alleen’, zo klonk het eind augustus 2008 in een van de memorabele passages in zijn aanvaardingstoespraak. Hij herhaalde daarmee Martin Luther Kings woorden van 45 jaar eerder. Maar zoiets ligt niet in de macht van de overheid - of althans, niet uitsluitend. Obama plaatste ook de burger uitdrukkelijk voor zijn individuele verantwoordelijkheid, inzake opvoeding, milieu, criminaliteit. Maar dat lukt alleen maar als die burger zich betrokken voelt in een gemeenschappelijk project dat perspectief inhoudt.

Slechts weinig waarnemers hebben het opgemerkt, maar Obama’s project van een gemeenschappelijke doelstelling bevat een zeer on-Amerikaans kernelement: de energietransitie. Bijna onopvallend is transitie naar een broeikasvrije economie al enkele jaren aan een opmars bezig als kern van een nieuwe progressieve vooruitgangsgedachte. In Amerika heeft Al Gore dit thema als eerste aangekaart. Ook de Amerikaanse journalist Thomas Friedman was in 2007 tot de conclusie gekomen dat green - een wat vager woord dan ‘energietransitie’ - de basis kan vormen van a new unifying political movement for the 21st century, een nieuwe ‘baken van vooruitgang, hoop en inspiratie’.4 Het Leefmilieuprogramma van de VN van zijn kant had het in oktober 2008 over een green New Deal, opnieuw naar analogie met Franklin Roosevelt: ‘Mobilizing and re-focusing the global economy towards investments in clean technologies and ‘natural’ infrastructure such as forests and soils is the best bet for real growth, combating climate change and triggering an employment boom in the 21st century’.Eerder dan de opwarming van de aarde als een doembeeld te schetsen, stelt Obama dit voor als een perspectief op collectieve vooruitgang, van onontgonnen terrein en van kansen die ze biedt om nieuwe technologieën te ontwikkelen die banen opleveren, zowel voor hoog- als voor laaggeschoolden. Hij is daarmee de eerste regeringsleider die de energietransitie in het centrum van zijn politiek project heeft geplaatst.

Wat de wereld mag verwachten van Obama’s Amerika

Barack Obama was ongetwijfeld de kandidaat van Europa en van de rest van de wereld. Als de wereldbevolking mee had mogen stemmen, zou diens overwinning op McCain verpletterend zijn geweest. Maar kennen we de man op wie we wilden stemmen? In zijn overwinningstoespraak kondigde hij ‘een nieuwe dageraad voor het Amerikaanse leiderschap’ aan. Maar wacht de wereld daar op, en bezitten de Verenigde Staten nog de macht om die rol te spelen?

Verkiezingscampagnes zijn slechte voorspellers van het buitenlands beleid dat nadien gevoerd zal worden. George W. Bush is een schoolvoorbeeld. In zijn verkiezingscampagne in 2000 had hij een bescheiden buitenlands beleid aangekondigd: ‘Ik denk dat Amerika zich bescheiden moet opstellen. We moeten trots en fier zijn op onze waarden, maar bescheiden in de manier waarop we naties behandelen die hun eigen weg aan het zoeken zijn’, zo klonk de kandidaat. ‘Ik ben van oordeel dat onze troepen niet moeten worden ingezet voor nation building’, aldus George W. Bush als kandidaat. Minder dan een jaar later sloeg hij de meest ambitieuze, zelfs neo-imperiale koers in die het land had gekend sinds het einde van de 19de eeuw. De naoorlogse successen met nation building in Duitsland en Japan boden de inspiratie voor een soortgelijke grootschalige - maar minder succesrijke - inspanning in Afghanistan en Irak.

Aan de vooravond van de verkiezingen verwachtte bijna de helft van de Europeanen dat de relaties tussen Europa en Amerika onder president Obama zouden verbeteren. Een derde was echter van mening dat er weinig zou veranderen.5 Dat lijkt erop te wijzen dat de verwachtingen minder hoog zijn gespannen dan instinctief wordt gedacht. Dat is een goede zaak. Grote verwachtingen leiden immers vaak tot grote ontgoochelingen. Als een nieuwe president aantreedt, is continuïteit doorgaans de regel en koerswijzigingen de uitzondering. Belangen vormen immers de basis van het buitenlands beleid van een land en die veranderen niet plotsklaps bij het aantreden van een nieuwe president.
Het binnenland zal prioriteit krijgen op het buitenland (tenzij er iets onverwachts gebeurt). Obama erft immers een militair en economisch uitgeput land. Het land is verwikkeld in twee oorlogen. De economie staat er aan de vooravond van een recessie. De overheidsbegroting vertoont een historisch diepterecord. Obama’s overgangsteam worstelt met de vraag of Obama fors en ambitieus of voorzichtig en met de blik op de lange termijn moet inzetten in de eerste maanden van zijn presidentschap.
Vaak worden Irak, Afghanistan, Iran en de nieuwe monetaire wereldorde genoemd als de belangrijkste internationale dossiers voor president Obama. De meest cruciale vraag waarmee hij geconfronteerd zal worden in zijn buitenlands beleid, kwam in de verkiezingscampagne echter nauwelijks aan bod: hoe om te gaan met de afname van het soortgelijk gewicht van de Verenigde Staten in de wereld? Henry Kissinger, die McCain steunde, was zich daar van bewust. ‘As a nation, we have to understand our reach, but also our limits’, verklaarde hij op een lezing enkele maanden voor de verkiezingen.6 De kwestie kwam slechts zijdelings ter sprake in enkele spots van McCain en Palin waarin Obama afgeschilderd werd als de kampioen van Amerika’s verval.
Die verminderde leiderspositie van de Verenigde Staten is al enige tijd geleden ingezet, maar nam onder George W. Bush dramatische proporties aan. In het Midden-Oosten is Amerika momenteel nauwelijks meer dan een passieve toeschouwer. Anderen nemen er het voortouw. Egypte bemiddelt tussen Israël en de Palestijnen, Saoedi-Arabië tussen Hamas en Fatah en Turkije tussen Israël en Syrië (zeer tegen de wens in van Washington trouwens). Qatar bemiddelde in de machtsstrijd in Libanon. Europa deed hetzelfde in de Georgische crisis (nadat president Saakasjvili alle Amerikaanse waarschuwingen tegen een onbesuisd optreden in de wind had geslagen) en China in de Noord-Koreaanse nucleaire crisis. De mirakeloplossing uit de kredietcrisis werd door Gordon Brown aangereikt en George W. Bush schoof zijn oorspronkelijk reddingsplan terzijde ten voordele van de Europese benadering van nationaliseringen. De kredietcrisis van september 2008 betekende bovendien een forse klap voor de normatieve invloed van de Verenigde Staten, nu de Washington Consensus niet langer een geloofwaardig exportproduct is. ‘We must not allow the burden of boundless greed of a few to be shouldered by all’, fulmineerde de Braziliaanse president Lula de Silva tijdens de Algemene Vergadering van de VN in september 2008.

Toch is het niet zozeer de Amerikaanse macht die afneemt, maar wel die van andere grootmachten die toeneemt. De capaciteit om een leidersrol te spelen, is echter direct afhankelijk van de machtsvoorsprong die een land heeft op andere mogendheden. Is die er niet, dan zijn grote mogendheden aan elkaar gewaagd en is er sprake van een multipolaire wereldorde.
Van oudsher spelen in dergelijke wereldorde twee mechanismen. Het eerste is het gevolg van het komen en gaan van grote mogendheden. De geschiedenis van de wereld laat zich inderdaad lezen als een aaneenschakeling van wereldordes die elkaar afwisselen op het ritme van opkomst en verval van grote mogendheden en van hun onderlinge relaties. Dat is vandaag niet anders. Niet alleen wisselen de onderlinge machtsverhoudingen tussen grote mogendheden constant, als gevolg van verschillende groeiritmes en van politieke beslissingen. Heden ten dage komt daarbovenop nog de evolutie naar een ‘postwesterse’ wereld, waarin zelfbewuste groeilanden de bestaande machtsverhoudingen op de helling (willen) zetten. De hoogtijdagen van de Noord-Atlantische dominantie zijn voorbij, nu de motor van de wereldeconomie steeds meer in oostelijke richting verschuift. En wie macht verwerft, plooit zich niet graag naar de wetten van de vroegere machthebbers.
Het tweede mechanisme is ooit door Lord Palmerston, de legendarische negentiende-eeuwse Britse minister van buitenlandse zaken, vastgelegd in een onsterfelijke formule: ‘We hebben geen eeuwige bondgenoten en we hebben geen eeuwige vijanden. Alleen onze belangen zijn eeuwig en permanent en het is onze plicht die te verzekeren’. Grote mogendheden zijn verwikkeld in een voortdurende competitie, om een eersterangsrol, om voordelen, om belangen. Afwisselend vinden zij elkaar als hun belangen hen in dezelfde richting duwen, maar botsen zij als hun belangen tegengesteld zijn. Geïnstitutionaliseerd wantrouwen vormt een wezenlijk kenmerk van zo’n wereldorde.

In zulk een internationale omgeving zijn voorzichtigheid en bedachtzaamheid vereist, om te beletten dat onbesuisde reacties crisissen op de spits drijven. Barack Obama lijkt die twee kenmerken te bezitten. Zijn toon is uitgesproken multilateraal. Wat geen enkele waarnemer is opgevallen, is bovendien dat hij een typisch Europese (zelfs sociaaldemocratische) benadering van de veiligheidspolitiek tot de zijne heeft gemaakt: ‘the security and well-being of each and every American depend on the security and well-being of those who live beyond our borders. The mission of the United States is to provide global leadership grounded in the understanding that the world shares a common security and a common humanity’.7 Deze notie van ‘wederzijdse veiligheid’ werd ontwikkeld door Egon Bahr, compagnon de route van Willy Brandt (SPD), en de Zweedse premier Olof Palme in de eindfase van de Koude Oorlog.8 In de Verenigde Staten heeft deze notie nooit ingang gevonden. Die inspiratie bleek alvast uit zijn terughoudendheid in verband met het rakettenschild in Europa, dat zijn voorganger tegen elke kost wou opstellen. Obama daarentegen wil zich ervan verzekeren dat de technologieën rijp zijn, maar ook dat Rusland er niet door bedreigd wordt.

In de beginmaanden van zijn regering zal president Obama dus ongetwijfeld de soft power - de politieke aantrekkingskracht - van de Verenigde Staten verbeteren, surfend op de wereldwijde golf van enthousiasme die zijn overwinning veroorzaakte. De hele wereld lijkt te verwachten dat met Barack Obama de Verenigde Staten meer open zullen staan voor hun bekommernissen en hun belangen.
Hoe duurzaam dit zal zijn, is nog zeer de vraag. Een reden is alvast dat ook Barack Obama het typisch Amerikaanse - en voor niet-Amerikanen soms irritante - messianistische geloof deelt in de exceptionele positie van de Verenigde Staten. In het beste geval was dat echter bedoeld als campagnetaal. Als gevolg van zijn verblijf in Indonesië, zo had hij immers geschreven in zijn autobiografie Audacity of hope (2006), kon hij immers begrip opbrengen voor het feit dat niet-Amerikanen zich storen aan ‘the tolerance and occasional encouragement of tyranny, corruption, and environmental degradation when it served our interests’, alsook aan ‘our tireless promotion of American-style capitalism and multinational corporations’.

Dat alles betekent evenwel niet dat Obama een doetje is. Dat is meteen de tweede reden waarom Obama’s buitenlands beleid ongetwijfeld ook aanleiding zal geven tot wrijvingen en conflicten, misschien zelfs eerder dan velen denken. Ondanks de indruk van het tegenovergestelde, wijkt hij in een aantal dossiers niet wezenlijk af van het huidige Amerikaanse beleid. In sommige kwesties kwam hij zelfs radicaler uit de hoek dan George W. Bush en John McCain. Zo kondigde hij tijdens de campagne zonder omwegen aan dat hij niet zou aarzelen om militaire operaties in Pakistan te bevelen (McCain was veel omzichtiger). Ook al verklaarde hij te willen praten met de Iraanse president Ahmadinejad, Iraanse uraniumverrijking was voor hem niettemin een casus belli (McCain wou die mogelijkheid niet uitsluiten als dat gebeurde onder strenge internationale controles). Zijn expliciete steun aan Israël bracht Obama ertoe om Jeruzalem als de onverdeelde hoofdstad van Israël uit te roepen, een standpunt dat geen enkele mogendheid onderschrijft. Obama’s eerste benoeming was die van Rahm Emanuel tot zijn kabinetschef. Deze werd door de Israëlische krant Maariv meteen bestempeld tot ‘onze man in het Witte Huis’. Het riskeert Obama’s campagnebelofte van een actieve bemiddelingsrol in het Midden-Oosten te hypothekeren.9
Zijn oorspronkelijke verwerping van de Amerikaanse oorlog tegen Irak en zijn standpunt dat het gros van de Amerikaanse troepen binnen de 16 maanden na zijn ambtsaanvaarding teruggetrokken zouden worden, werd door vele progressieve Amerikanen geprezen. Maar intussen spoort zijn campagnestandpunt redelijk goed met de huidige officiële Irakpolitiek, die beoogt om tegen 2011 het gros van de strijdkrachten terug te trekken, maar met behoud van vele duizenden GI’s ter plaatse. Dat laatste wil ook Barack Obama doen.
Ook het Afghanistanstandpunt van Obama ademt eerder continuïteit uit dan een breuk met het verleden. Het is moeilijk een wezenlijk verschil te zien tussen wat Obama voorstelt en dat waartoe de regering-Bush de afgelopen tijd beslist heeft. Beiden wensen de Amerikaanse militaire aanwezigheid in dat land fors te versterken. Obama spreekt van 10.000 extra troepen, terwijl de regering-Bush het over 12 tot 15.000 man heeft. En dat Obama een grotere inzet van Europa in Afghanistan verwacht, lijkt een evidentie te zijn - zoals hijzelf trouwens nog eens bevestigde tijdens de laatste rechte lijn van de verkiezingen. Zijn vermelding dat meer politieke en economische instrumenten moeten worden aangesproken om de oorlog in Afghanistan te winnen, verschilt niet wezenlijk van de thans algemeen aanvaarde vaststelling, ook in het Pentagon, dat de oorlog in Afghanistan niet enkel met de wapens kan worden beslecht.
Ook op het vlak van het zogenaamde internationale terrorisme hanteert Barack Obama grotendeels hetzelfde, verouderde clichébeeld als de huidige Amerikaanse regering, al had hij scherpe kritiek op de unilaterale aanpak van zijn voorganger. In Washington delen Republikeinen en Democraten nog steeds grotendeels de overtuiging dat het terrorisme een significante en existentiële bedreiging betekent voor­ het Westen. Dat reflecteerde zich in Obama’s toespraak in de zomer van 2008 in Berlijn waar hij de Europeanen opriep tot een hecht mondiaal partnerschap om wereldwijd terroristische netwerken op te rollen. In Europa daarentegen beschouwen de meeste experts het terrorisme als een - relatief beperkte - bedreiging, die bovendien gedreven wordt door een lokale, bottom-up dynamiek, en niet langer als een internationale top-down bedreiging.

In de Democratische traditie wordt doorgaans meer belang gehecht aan samenwerking met Europa dan bij de Republikeinen. De vraag die de trans-Atlantische gemeenschap echter al een hele tijd bezig houdt, is of Amerikanen en Europeanen wel hetzelfde wereldbeeld delen. In mei 2008 had CIA-directeur Michael Hayden daar alvast zijn twijfels over: ‘Differing views over the nature of threats and the right tactics to address them are likely to impact American-European relations for much of this century, and the effects will be felt on many levels - from intelligence and law enforcement to military cooperation and foreign policy. Now, look, I am confident that we will continue to work together on many tough global challenges, as we are today, for example, in Afghanistan, or as we’re doing today in working together to deter Iran from developing nuclear weapons. But it is not yet clear to me when or if the United States and Europe will come to share the same views of 21st century threats as we did for threats in the last half of the 20th century. Managing the disagreements and tensions that arise because of the absence of a unified vision will complicate what has traditionally been America’s easiest relationship’.10

Deze bedenking geldt evenzeer voor Amerika’s relatie met de overige grote mogendheden. Delen de grote mogendheden een min of meer gelijklopende visie op de grote wereldproblemen? Als er tussen hen daarentegen geen overkoepelende doelstelling zou bestaan, dan deint de wereldpolitiek op het ritme van hun onderlinge machtsstrijd, van hun opkomst en hun verval én van elkaar opvolgende crises. Vandaag wordt de klassieke internationale competitie tussen grote mogendheden in een multipolaire wereldorde bovendien verhevigd door een nieuwe wedren op grondstoffen en door de ongelijke effecten van de opwarming van de aarde.
De leidersrol van grote mogendheden wordt pas aanvaard door de rest als deze onderworpen is aan vaste regels (en zeker als daar bovendien op wordt toegezien door geloofwaardige instellingen) en als die macht ingezet wordt op een manier die ook de belangen en de behoeften van minder machtige mogendheden ten goede komt. Zonder zo’n gedeeld perspectief zal de multipolaire wereldorde ook vandaag op haar best opnieuw een regelloze arena van wisselende bondgenootschappen worden, het resultaat van het geïnstitutionaliseerde wantrouwen tussen grote mogendheden. Dat heeft in het verleden zo vaak tot instabiliteit en conflict heeft geleid. Dat is het grote falen geweest van George W. Bush. Zijn War on Terror werd als doelstelling niet onderschreven door de andere grote mogendheden en leidde dan ook tot polarisering en verdeeldheid. In zijn tweede ambtsperiode was de regering-Bush daarentegen haar kompas kwijt en was haar buitenlands beleid weinig meer dan een aaneenschakeling van ad hoc acties.

Zal president Obama in staat zijn om een internationale doelstelling vooruit te schuiven die gedeeld wordt door de andere grote mogendheden en die tevens aantrekkelijk is voor kleinere landen? Het antwoord op die vraag zal beslissen of de verkiezingsoverwinning van Barack Obama ook voor de wereldpolitiek een historische gebeurtenis mag worden genoemd.

Rik Coolsaet
Hoogleraar internationale politiek, Universiteit Gent

Noten
1/ Economic Mobility of families across generations. Washington, Brookings, november 2008.
2/ Washington Post, 14 november 2007.
3/ New York Times, 30 oktober 2008.
4/ Thomas L. Friedman, The power of green, in: New York Times Magazine, 15 april 2007.
5/ Transatlantic Trends 2008. Brussel, German Marshall Fund of the U.S., 10 september 2008.
6/ Gecit. in: New York Times, 4 september 2008.
7/ Barack Obama, Renewing American leadership, in: Foreign Affairs, juli/augustus 2007.
8/ Common security. A programme for disarmament. London, 1982; Uit de waanzin. Een veiligheidsplan voor Europa. Brussel, Sevi, 1983.
9/ http://mideast.blogs.time.com/2008/11/09/obama-mideast-watch-rahm-emanuel/
10/ Gecit. in: CNN, 1 mei 2008.

Verenigde Staten - Barack Obama - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 9 (november), pagina 4 tot 12