Log in

'Gepast en ongepast geld. Een zoektocht naar het geweten van banken en andere financiële dienstverleners'

Uitgelezen

Gepast en ongepast geld. Een zoektocht naar het geweten van banken en andere financiële dienstverleners

Hans Ludo van Mierlo
Schiedam, Scriptum, 2008

Banken en andere financiële instellingen hebben hun reputatie van degelijkheid en betrouwbaarheid de voorbije paar maanden vervaarlijk snel zien wegsmelten. Over de financieel-technische, economi-sche en juridische oorzaken en gevolgen daarvan is al ontzettend veel geschreven en gesproken, en gelukkig doet Hans Ludo van Mierlo dat niet nog eens over. Wat hij wel doet is stilstaan bij wat banken zijn, waar ze vandaan komen, hoe ze evolueren en hoe ze zich verhouden tot de complexe en snel veranderende maatschappelijke omgeving waarin ze opereren.

Van Mierlo is daarvoor goed geplaatst: na een carrière als journalist, politiek commentator en hoofd communicatie van de Nederlandse Tweede Kamer werkte hij nog gedurende enkele decennia bij verschillende Nederlandse banken als verantwoordelijke voor de externe communicatie. In die positie werd hij geconfronteerd met de toenemende hoeveelheid vragen van ngo’s over de maatschappelijke rol die banken spelen door het verlenen van kredieten aan soms sterk betwistbare bedrijven en projecten, en werkte hij mee aan het met vallen en opstaan uitwerken van antwoorden op deze vragen. De meeste banken hebben in de voorbije jaren platformteksten ondertekend en beleidslijnen geformuleerd ten aanzien van belangrijke maatschappelijke thema’s, gaande van dierproeven en genetische manipulatie tot kinderarbeid en dictatoriale regimes. Ze publiceren duurzaamheidrapporten en zitten in overlegorganen met belangengroeperingen.

Het kan natuurlijk allemaal nog stukken beter en van Mierlo beschrijft ook hoe moeilijk en weinig vanzelfsprekend het soms was om binnen banken maatschappelijke thema’s ingang te doen vinden. Maar toch zit daar niet het hoofdprobleem. Volgens van Mierlo zijn banken vervreemd van hun oorspronkelijk doel: het mogelijk maken van economische activiteiten en het verbeteren van de levensomstandigheden van hun klanten. Of van hun leden, want heel wat banken hebben een coöperatief verleden. In de voorbije decennia is er een sterke schaalvergroting geweest bij banken, en de meeste (of toch de grootste) zijn nu multinationale beursgenoteerde ondernemingen. De basisactiviteiten, het inzamelen en beheren van spaargeld en het verstrekken van leningen, zijn uitgegroeid tot een uitgestrekt en complex gamma van financiële producten en diensten, waarvan sommige slecht door enkel hooggespecialiseerde ingewijden helemaal begrepen worden, en dus niet door de bankdirecteurs, laat staan door de klanten. Dit gaat gepaard met een bedrijfscultuur die eenzijdig gericht is op omzetstijging en die werknemers aanzet om steeds meer producten te verkopen aan de klanten, ook als die niet in het belang van de klant zijn. De paternalistische houding van de ‘bewegingsbank’, die de klant aanmaande om spaarzaam te zijn en vooral niet te veel geld uit te geven, heeft plaats gemaakt voor een gretige verkooplust, aangedreven door hoge bonussen voor de verkopers en dito dividendverwachtingen van de aandeelhouders. Volgens van Mierlo hebben de banken hun zelfbeheersing verloren. Ze verkopen hypotheekleningen die de waarde van het onderpand en de financiële draagkracht van de lener ver overstijgen, en zetten hun klanten aan tot het nemen van risico’s die groter zijn dan goed voor ze is. Daarmee verliezen ze hun geloofwaardigheid en dreigt hun maatschappelijke rol eerder negatief dan positief te worden, zoals door de financiële crisis pijnlijk maar overtuigend werd aangetoond. Financiële instellingen bevinden zich in een morele crisis. Ze vertrouwen zelfs elkaar niet meer. Van Mierlo schetst de maatschappelijke dilemma’s waarvoor banken zich geplaatst zien en laat zien hoe banken daar intern mee omgaan. Veel hangt af van de mensen binnen de banken, vindt hij. En dat zal wel zo zijn, al is een uitspraak als ‘niet het systeem heeft gefaald, maar de mensen binnen dat systeem’ (pp. 224-225) wel sterk overdreven.

Door de grote maatschappelijke impact van financiële dienstverleners wordt er door overheden en ngo’s een beroep op hen gedaan voor van alles en nog wat, van het opsporen van fiscale fraude tot het tegengaan van ecologisch onverantwoorde palmolieplantages. Banken leren daar stilaan mee omgaan, onder meer door het in huis halen van gespecialiseerd personeel en het opbouwen van kennis en ervaring. Maar het ombuigen van de bedrijfscultuur naar meer maatschappelijke verantwoordelijkheid blijkt moeilijk te zijn. Van Mierlo houdt een pleidooi voor een herintroductie van het geweten en de ethiek in de financiële sector.
Hij sluit zijn onderhoudend en inspirerend betoog af met een wat teleurstellend hoofdstukje conclusies en aanbevelingen. De meeste van zijn aanbevelingen doen vooral een beroep op de goede wil van de bankiers: het instellen van een beroepseed (een voorstel dat ondertussen overgenomen is door Nederlands minister van financiën Wouter Bos), gedragscodes, ethische commissies, een uitbreiding van de rol van compliance officers van banken en een meer coachende rol van de toezichthouders: het is maar de vraag of dit soort van op zichzelf zeker zinvolle maatregelen veel ten gronde kan veranderen in een omgeving waar op winstmaximalisatie gefixeerde aandeelhouders alles voor het zeggen hebben. Ook voorstellen tot het minder eenzijdig afstemmen van het beloningssysteem op aandeelhouderswaarde zullen waarschijnlijk niet probleemloos goedgekeurd worden door de Algemene Vergaderingen van Aandeelhouders. Wellicht valt van al van Mierlo’s aanbevelingen nog de krachtigste potentiële invloed te verwachten van een niet aflatende druk van maatschappij, ngo’s en vooral klanten. ‘Klanten krijgen de bank die ze verdienen’ (p. 234), schrijft hij: als het de klant niet kan schelen wat er met zijn geld gebeurt, waarom zou de bank er dan wakker van liggen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 1 (januari), pagina 70 tot 71