Abonneer Log in

Nieuwe regels voor nieuwe banken

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 19

Sampol heeft mij gevraagd een evaluatie te geven van de voorstellen die gebundeld zijn in het SPD-manifest A New Balance Between Market and State: Traffic Rules for International Financial Markets (zie kadertekst hieronder). Het manifest is de neerslag van een denkoefening binnen de Duitse sociaaldemocratische partij en bevat een reeks interessante voorstellen voor de herregulering van het financiële systeem.

SOCIAALDEMOCRATEN EN DE FINANCIËLE CRISIS

Het is geen toeval dat de SPD hieraan bijzondere aandacht besteedt. Enkele Duitse banken waren bij de eerste die in moeilijkheden gekomen zijn vanaf de zomer van 2007. En de laatste maanden heeft ook de Duitse overheid diverse banken moeten bijspringen met vers kapitaal. Maar ook in België hebben we de schok hevig gevoeld. Voorheen onaantastbaar gewaande financiële huizen zoals Fortis en Dexia kwamen in 2008 in de problemen. Net zoals een hele resem andere grote banken in bijna alle landen. De banken moesten bedelen bij de overheid voor extra kapitaal en waarborgen. Zelfs het woord nationalisering werd kwistig gebruikt, ook door sommigen die er voordien huiveringen van kregen. Een aantal lessen werden vlug getrokken. Zelfregulering op financiële markten werkt niet. De banken hebben onverantwoorde risico’s genomen. Ze zijn te ver van hun kerntaken afgeweken en hebben een systeem van schaduwbankieren opgezet met grote risico’s voor beleggers en spaarders. Het overheidstoezicht, dat in de financiële sector wel degelijk aanwezig is, heeft niet naar behoren gefunctioneerd. De vertrouwenscrisis leidde tot het opdrogen van de anders zo liquide interbankenmarkt. Het gevolg was dat de onderlinge kredietverlening tussen de banken droog viel en meteen slibden ook de aders dicht die de kredieten aan ondernemingen en particulieren moeten voeden. Het functioneren van het gehele economische systeem kwam op de helling te staan.
Dit soort marktbreuken en de verklaringen ervoor kunnen niet anders dan koren op de molen zijn van een sociaaldemocratische analyse. Er moet immers een nieuw evenwicht gevonden worden tussen markt en staat. Banken moeten terug naar hun kerntaken en moeten een gezond risicobeheer voeren. De kleine spaarder moet kunnen rekenen op een overheid die het spaargeld waarborgt en snel intervenieert als er iets fout loopt. Maar sociaaldemocraten doen er goed aan hun analyses grondig te maken. Ze moeten niet vergeten dat ze zelf deelnamen aan het bestuur in vele landen ten tijde van de deregulering. En het is ondertussen meer dan duidelijk dat de crisis implicaties heeft buiten de financiële sector. Maar aangezien de oorzaak van de crisis wel degelijk moet worden gesitueerd binnen het financiële systeem, moeten sociaaldemocraten eerst een coherente visie ontwikkelen op de optimale werking van dat systeem.

Het manifest van de SPD neemt deze uitdaging aan en ijvert voor meer transparantie en stabiliteit van het financieel systeem. Deze doelstellingen worden concreet gemaakt aan de hand van 14 beleidsvoorstellen (zie kaderstukken). Ik vind dit manifest duidelijk en coherent. Het bevat een reeks aanbevelingen die essentieel zijn voor het goed functioneren van het financieel systeem. Het toont meteen aan dat de sociaaldemocraten op korte termijn een accurate analyse gemaakt hebben en gepaste antwoorden formuleren. Het SPD-document is trouwens geen alleenstaand geval. Ook het ‘rapport Rasmussen’, genoemd naar de voorzitter van de PES, aan de Europese Commissie bevat een serie analoge beleidsaanbevelingen. En ook in andere landen hebben sociaaldemocratische partijen (ook de sp.a) voorstellen geformuleerd voor een betere regulering van het financieel systeem. Sommigen verwijten de socialistische partijen dat die voorstellen niet uitgebreid in de media aan bod zijn gekomen en dus de publieke opinie weinig beroeren. Daaruit alleen mag men evenwel niet besluiten dat de sociaaldemocraten geen antwoorden zouden hebben op de financiële crisis, laat staan dat de denkkracht afgebot zou zijn.
In wat volgt maak ik eerst een korte analyse van de financiële crisis en haar naweeën. Deze analyse zal reeds aantonen dat de aanbevelingen van de SPD een adequaat antwoord bieden op enkele van de meest manifeste tekortkomingen van het financieel systeem. In een volgende stuk hergroepeer ik de 14 aanbevelingen1 in het SPD-manifest onder vier hoofdingen. De eerste groep voorstellen pleit ervoor om banken opnieuw bank te doen zijn, dit zijn voorstellen (1), (2) en (3). De tweede groep voorstellen (7), (8), (9), (10) en (11) stellen een nieuw kader voor inzake regulering van en toezicht op de banken. De derde groep aanbevelingen gaan over de corporate governance van de banken, het zijn voorstellen (5), (6) en (12). De vierde groep aanbevelingen, namelijk (4) en (13), bepleit meer transparantie op de financiële markten. Ik zal argumenteren dat de beleidsaanbevelingen in het SPD-manifest noodzakelijke bouwstenen zijn voor de herregulering van het banksysteem. Maar evenzeer dat sociaaldemocraten in sommige domeinen gerust nog een stap verder kunnen gaan. De ambitie mag niet minder zijn dan een blauwdruk te bieden voor een nieuwe globale financiële architectuur die een stabiel en veilig financieel systeem ten dienste van de economie laat werken.

DE ANATOMIE VAN DE FINANCIËLE CRISIS

Voor een goed begrip van de financiële crisis van 2007-2008 leest U best ook het artikel Post-mortem van de zelfregulerende en efficiënte financiële markt van Koen Schoors(Samenleving en politiek, jg. 15, nr. 9). Daarin legt hij een aantal basisconcepten over financiële innovaties en banken uit en analyseert hij een aantal mechanismen die de crisis hebben veroorzaakt. Men moet evenwel goed beseffen dat de huidige crisis niet de eerste is, hoewel ze inzake omvang en internationale verspreiding duidelijk alle voorgaande overtreft. Ze zal ook niet de laatste zijn; financiële crises zijn van alle tijden (zie Reinhart en Rogoff, 2008). De anatomie van dergelijke crisissen is vrij stevig gedocumenteerd. Ze ontstaan typisch na een periode van deregulering of versnelde financiële innovatie. Ze gaan gepaard met een sterke expansie van de kredietverlening, die leidt tot een stijging van de prijzen van activa, zowel reële activa (vastgoed) als financiële activa. Er ontstaat een algemeen gevoel van euforie dat ervoor zorgt dat de risicopremies op financiële instrumenten zeer laag worden, waardoor de normale standaarden van voorzichtig risicobeheer overboord worden gegooid. In de aanloop naar de crisis zijn er wel degelijk waarschuwingen, van analisten of toezichthouders, die er op wijzen dat de waarderingen afwijken van de economische fundamenten. Maar die stemmen worden genegeerd. Meestal is een macro-economische schok (omslaande conjunctuur, rentewijzigingen, wisselkoersaanpassingen) de aanleiding voor een initiële correctie. Als die aanleiding geeft tot negatieve psychologische effecten kan de daling van de activaprijzen zeer substantieel zijn. Daarop volgt typisch een periode van faillissementen, de afbouw van schuldposities en een substantiële daling van de koersen op de financiële markten. Als ook de reële economie wordt aangetast, mondt dat uit in een recessie, waarop de centrale bank normaal reageert door een versoepeling van het monetaire beleid via renteverlagingen. In bijna alle gevallen komen de banken ernstig in de problemen omdat ze door hun kredietverlening en blootstelling aan marktrisico’s kwetsbaar zijn voor de economische omslag.

De financiële crisis van 2007-2008 heeft vele van deze ingrediënten, maar ook een aantal onverwachte kenmerken. Niet in het minst omdat de oorzaak van de economische malaise eenduidig op het conto van de financiële sector kan worden geschreven. Het fenomeen van overmatige kredietopbouw was duidelijk aanwezig, niet enkel via de banken maar ook via financiële en afgeleide markten waar complexe effectiseringsstructuren werden opgezet. Het expansieve monetaire beleid van de centrale banken, en met name de Federal Reserve, heeft de schuldopbouw ongetwijfeld in de hand gewerkt. Zelfs de voormalige legendarische voorzitter van de Federal Reserve, Alan Greenspan, heeft dat ondertussen schoorvoetend toegegeven. In de Eurozone heeft de ECB een voorzichtiger beleid gevoerd, onder meer omdat de doelstelling van de ECB duidelijk gericht is op het beheersen van de inflatie. De vraag stelt zich derhalve wat een optimale doelstelling van de centrale bank is en welk gewicht het aspect financiële stabiliteit daarin moet hebben.
Evenzeer is het duidelijk dat de kredietstandaarden die werden gehanteerd, zowel door de banken als door andere financiële intermediairs, in sommige gevallen de risico’s sterk hebben onderschat. De ratingagentschappen - de meest bekende zijn Moody’s, Standard & Poor’s en Fitch - geven via een lettercombinatie (AAA is de hoogste kredietwaardigheid) een externe beoordeling van de kredietwaardigheid van de uitgevers van schuldfinanciering. Ze doen dit traditioneel voor landen en ondernemingen, maar sinds enkele jaren ook voor de effectiseringsvehikels waarlangs de banken hun leningen doorverkopen. Het is gebleken dat de ratingagentschappen de risico’s van deze complexe structuren verkeerd ingeschat hebben. Dit is deels veroorzaakt door een belangenconflict. Immers, de ratingbureaus waren zelf partij geworden bij het opzetten van de effectiseringsoperaties en tegelijkertijd geven ze ook ratings aan dezelfde structuren. Deze belangenvermenging moet worden doorgeknipt; ratingagentschappen moeten op een onafhankelijke manier ratings toekennen en dus moet de regelgever hen verbieden om zelf de structurering van de transacties op te zetten. Daarenboven is het duidelijk dat de modellen die de agentschappen hanteerden onvoldoende rekening hielden met de verstrengeling van de risico’s en dat ze het liquiditeitsrisico sterk hebben onderschat. Ratingagentschappen, net zoals externe auditors en revisoren, worden geacht een onafhankelijk oordeel te verschaffen over de kredietwaardigheid van tegenpartijen. De kans is groot dat ook zij in de toekomst verantwoording zullen moeten afleggen aan een toezichthouder.

De meest onverwachte en daardoor meest onderschatte marktbreuk was het wegvallen van de liquiditeit in sommige segmenten van de financiële markten. Banken ageren in een traditioneel model van financiële intermediatie als gedelegeerde monitors. Spaarders zetten spaargeld op deposito’s tegen een vooraf gekende rentevoet en de banken lenen die middelen uit aan particulieren, ondernemingen en overheden. Het is precies de taak van de bank om een grondige screening en monitoring te doen van de ontleners, daartoe als het ware gedelegeerd door de spaarders. Als de banken het risico van de leningen op hun balans goed beheren, realiseren ze een rentemarge die de basis vormt van hun winst. Deze winst kan gedeeltelijk worden uitgekeerd aan de aandeelhouders. De rest wordt gereserveerd en toegevoegd aan het kapitaal van de bank, zodat de solvabiliteit voldoende sterk blijft. Naast de spaardeposito’s halen de banken een deel van hun financiering via de interbankenmarkt die doorgaans zeer liquide is. De ironie van het verhaal is precies dat de banken, door af te stappen van het traditionele bankmodel, hun toegang tot liquiditeiten op het spel hebben gezet. Door de techniek van effectisering werden in het gehele financiële systeem vorderingen herverpakt. De algemene term voor deze effecten is asset-backed securities, de ondertussen bekende CDO’s (collateralised debt obligations) zijn daarvan een voorbeeld. De oorsprong van dit originate and distribute model ligt in de Verenigde Staten, waar in toenemende mate hypotheken van lage kwaliteit werden doorverkocht via effectisering. Dit deinde na verloop van tijd uit tot een parallel systeem van schaduwbankieren, waarbij allerlei vorderingen werden herverpakt in effecten waarvan de kwaliteit onzeker werd. Een deel van de kredietrisico’s vloeide terug naar de banken omdat zij, aangetrokken door aanlokkelijke rendementen op basis van fout ingeschatte risico’s, investeerden in deze geëffectiseerde vehikels of er aan leenden. Door de inherente ondoorzichtigheid van deze structuren ontstond echter grote onzekerheid over hun waardering en de mogelijke verliezen. Daardoor werd de interbankenmarkt getroffen door een nooit geziene golf van onzekerheid en droogden de normale bronnen van liquiditeit voor de banken volledig op. De banken moesten een beroep doen op een massale verstrekking van liquiditeiten door de centrale banken. En enkel door de bedragen van de depositogarantie op te trekken kon in sommige gevallen een run op de banken door de spaarders worden vermeden.

Liquiditeit is voor banken de eerste bekommernis, maar daar eindigt het niet. De bank moet ook solvabel blijven, dit wil zeggen dat ze voldoende kapitaal moet hebben om onverwachte verliezen op haar activa (leningen en effecten op de balans) op te vangen. De verliezen op de dubieuze kredieten en effecten tasten uiteraard het eigen vermogen rechtstreeks aan. En hier hebben de nieuwe boekhoudnormen een nefaste rol gespeeld. De mark-to-market waardering, onder meer vervat in de International Financial Reporting Standards (IFRS), dwingt banken om hun effecten te waarderen aan marktwaarde. Echter, vele markten van de innovatieve financiële instrumenten waren en zijn zeer illiquide geworden. Als er geen goed functionerende markt meer is, riskeren de activa aan steeds dalende fair values te moeten worden gerapporteerd. Door een gebrek aan transparantie van de blootstelling aan risico van de activa en de buitenbalansverplichtingen van de banken wordt aldus de indruk geschapen dat de banken steeds grotere verliezen zouden oplopen. Dat zou per ultimo hun kapitaalbuffers aantasten waardoor potentieel de deposito’s van de spaarders gevaar zouden lopen. Deze cascade van onzekere informatie leidde ertoe dat de interbankenmarkt onder toenemende druk kwam, waardoor de herfinanciering van de banken en financiële vehikels in het gedrang kwam. Er is derhalve nood aan meer transparantie van risicoposities van alle financiële spelers, ook de niet-gereguleerde zoals hedge funds. In geval van een nakende crisis, detecteerbaar door oplopende risicopremies en verhoogde volatiliteit op de markten, moeten toezichthouders alle financiële spelers kunnen verplichten om gelijktijdig en uniform de blootstelling aan bepaalde risico’s openbaar te maken. Op die manier kunnen de tegenpartijen op een ordelijke wijze hun eigen risicobeheer aanpassen. Hadden de toezichthouders deze procedure afgedwongen bij het uitbreken van de crisis in de zomer van 2007, dan was wellicht veel onheil vermeden. In een crisissituatie moeten bovendien de regels van marktwaardering tijdelijk op halt worden gezet, want als er geen markt meer is kan men onmogelijk een gefundeerde marktwaarde rapporteren.
We wezen al even op de rol van de centrale banken in een liquiditeitscrisis. Deze actoren hebben gelukkig wel het hoofd koel gehouden. In het oog van de storm hebben de centrale banken goed gefunctioneerd. In overeenstemming met hun mandaten hebben ze additionele liquiditeiten in de geldmarkt geïnjecteerd om de kortetermijnfinanciering van de banken te garanderen. Dit is een normaal onderdeel van de lender of last resort functie van de centrale banken. Echter, als daardoor de impliciete waarborgen worden uitgebreid tot niet-banken (in de Verenigde Staten gebeurde dat bijvoorbeeld ten voordele van zakenbanken en verzekeraars) ontstaat een moral hazard probleem. De centrale banken, en met name de Federal Reserve, zijn echter ondertussen buiten hun traditionele rol moeten treden door ook krediet toe te staan aan niet-financiële ondernemingen (door de herfinanciering van commercial paper). Daardoor komt de kwaliteit van de balans van de centrale bank potentieel in gevaar. Dergelijke ingrepen moeten dus maximaal vermeden worden. Dit kan enkel door de kapitaal- en liquiditeitsrisico’s van de banken scherper te reguleren en ook de niet-bancaire spelers op de financiële markten aan regels te onderwerpen.

De centrale banken en overheden hebben ondertussen een arsenaal aan middelen ingezet om de financiële crisis te bedwingen. Deze mechanismen zijn niet nieuw, zie bijvoorbeeld Calomiris, Klingebiel en Laeven (2004) voor een overzicht. De meeste Europese landen hebben verschillende van de mechanismen gehanteerd. Op korte termijn moet de liquiditeit van de banken gevrijwaard worden, maar tegelijk moet ook de solvabiliteit via voldoende eigen vermogen worden versterkt. De eerste brandweerman is dus de centrale bank die via massale liquiditeitsverstrekking de interbankenmarkt functioneel moet houden. Daarenboven kunnen de centrale banken via drastische renteverlagingen de kostprijs van de liquiditeiten verlagen. Op die manier hopen ze de kredietverlening van de banken aan de reële economie te ondersteunen. Zowel de Federal Reserve als de ECB hebben deze acties ondernomen: de Fed actiever dan de ECB aangezien de korte rente in de Verenigde Staten gedaald is tot nul procent. Tegelijk moeten de banken hun kapitaalbuffers versterken. Aangezien de private kapitaalverschaffers veelal aan de kant bleven, hebben de overheden noodgedwongen deze rol overgenomen. Sommige staten hebben aanzienlijke participaties genomen in het kapitaal van banken die ze te groot om te falen achtten. In enkele gevallen leidde dat zelfs tot een volledige nationalisatie. Dit soort bailout met belastinggeld is niet de normale gang van zaken. Daarom is het aangewezen dat duidelijke richtlijnen gehanteerd worden voor de interventie van overheden in het kapitaal van banken. De beste manier is dat overheden tijdelijke waarborgen verstrekken voor interbankenleningen en dat ze via preferente aandelen de kapitaalbuffers verhogen. Daardoor is er een redelijke kans dat de overheden een billijke vergoeding krijgen voor hun inbreng en dat op termijn de participaties in de banken kunnen worden verkocht tegen een prijs die voldoende is om de voor deze operaties aangegane extra staatsschuld terug te betalen. Er zijn voorbeelden waar deze logica vrij strikt is toegepast (bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk). België had het ongeluk als een van de eersten getroffen te worden; dan betaalt men leergeld.

Men mag evenwel niet vergeten dat de belangrijkste oorzaak van de crisis, namelijk de on-transparante slechte activa op de bankbalansen, ook moeten worden aangepakt door afzondering in een bad bank. Dit was de doelstelling van het Troubled Asset Relief Program (beter bekend als het plan Paulson) in de Verenigde Staten, maar dat plan is al enkele keren bijgesteld en daardoor is de opzet onduidelijk geworden. Ook in België is het parcours niet zonder valkuilen. In het geval van Fortis Bank is het de bedoeling om de portefeuille gestructureerde producten wel af te zonderen, in het geval van Dexia is dat vooralsnog niet het geval (de producten zijn ondergebracht in de Amerikaanse dochter FSA waar Dexia in eerste instantie borg voor blijft staan). Aangezien de grote banken grensoverschrijdend opereren, is er bovendien nood aan een ex ante mechanisme op Europees niveau om de kosten tussen de deelnemende overheden op een transparante wijze te verdelen. Dit geldt evenzeer voor eventuele tussenkomsten van de depositogarantiestelsels. Deze oproep is niet nieuw, maar de Europese leiders hebben in het verleden getalmd om een mechanisme goed te keuren. Het geval Kaupthing, maar ook andere, toont aan dat dergelijke regeling onontbeerlijk is om het vertrouwen van de spaarders te herstellen. Dergelijk mechanisme zou ook dienstig zijn om nationalistische reflexen bij het crisisbeheer in te tomen. Aangezien snelle harmonisatie van deze mechanismen in de gehele EU wellicht niet mogelijk is, is in deze materie duidelijk een rol weggelegd voor een aangescherpte politieke coördinatie binnen de Eurogroep.

DE SPD-VOORSTELLEN: RADICAAL EN TOCH REALISTISCH

Hierna hergroepeer ik de 14 voorstellen in het SPD-manifest onder vier hoofdingen. De voorgestelde maatregelen schetsen op een scherpe wijze de contouren van een geherreguleerd financieel systeem. Telkens probeer ik de voorgestelde maatregelen te beoordelen en voor een aantal belangrijke thema’s additionele suggesties te formuleren op basis van bovenstaande analyse.

Banken moeten bank zijn

Uit de analyse van de crisis is het duidelijk dat banken zich opnieuw in eerste instantie moeten wijden aan hun kerntaak van financiële intermediatie, inclusief een gezond risicobeheer. De drie eerste SPD-voorstellen gaan in die richting. Voorstel (2) stelt dat de banken al hun verplichtingen op hun balans moeten noteren, zodat het schaduwbankieren aan banden wordt gelegd. Voorstel (3) wil de banken verbieden om leningen zomaar uit de balans te lichten en door te verkopen. Als ze leningen effectiseren moeten ze toch minimum 20% van het risico op hun balans houden. Dit moet de banken aanzetten om de kredietwaardigheid van hun ontleners grondig te analyseren. In de Verenigde Staten hebben hypotheekverstrekkers immers leningen verkocht aan mensen waarvan ze wisten dat ze dergelijke engagementen financieel niet aankonden. Echter, als de hypotheekleningen meteen doorverkocht worden, wordt ook het risico meteen doorgeschoven. Dat gaf aanleiding tot de perverse situatie dat de originele verstrekker van de hypotheken zich niet bekommerde om het terugbetalingsrisico. Voorzichtig kredietbeleid is dan een illusie. Voorstel (1) vervolledigt het kader door te pleiten voor strengere kapitaalvereisten en liquiditeitsvereisten voor de banken. Samen met stress-testing en een meer proactieve controle door de toezichthouders.

Deze voorstellen zijn een goed begin, maar wellicht moeten we verder gaan. Eenvoudigweg decreteren dat een bank een bank moet zijn, is onvoldoende. We moeten ons afvragen welke types banken we in een moderne economie nodig hebben. Vooreerst zijn dat de traditionele retail- of depositobanken die geld verzamelen bij de spaarders en die deze middelen uitlenen aan particulieren en ondernemingen en die overheidseffecten aanhouden ter financiering van de staat. Deze banken moeten de ontleners grondig screenen en de kredietrisico’s adequaat monitoren en moeten derhalve een conservatief risicobeheer hanteren. Het is logisch deze banken te onderwerpen aan kapitaalvereisten. Dat wil zeggen dat ze een bepaald percentage kapitaal moeten aanhouden tegenover de risico’s die ze nemen. Deze bepalingen worden vandaag geregeld door de zogenaamde Bazel-II regulering die door de G-10 in de Bank voor Internationale Betalingen in Bazel is uitgewerkt en die alle banken moeten naleven. Deze bestaande kapitaalvereisten zijn hoofdzakelijk gebaseerd op de gemeten kredietrisico’s. Het verdient evenwel aanbeveling daarnaast ook een maximale schuldratio (een zgn. gearing ratio) in te voeren zodat retailbanken geen te expansieve kredietpolitiek kunnen voeren. Daarenboven moet de toezichthouder regels opleggen inzake liquiditeit. De banken die deze reguleringen naleven hebben twee voorrechten: toegang tot de liquiditeiten van de centrale bank en toegang tot het systeem van depositogarantie. De premies die de aangesloten banken voor deze garantie betalen moeten afhankelijk zijn van hun risicoprofiel om ook op die manier gezond risicobeheer te stimuleren. Het in principe lage risicoprofiel van depositobanken impliceert dat deze banken ook een relatief lage winstgevendheid hebben. Hun aandeelhouders moeten dat weten.

Naast de retailbanken zullen steeds ook banken actief zijn die voor hun financiering een beroep doen op de professionele markten zoals de interbankenmarkt of middelen van institutionele beleggers. Deze banken mogen geen depositogarantie genieten en hebben geen toegang tot rechtstreekse kredieten van de centrale bank. Ze zijn actief in meer risicovolle segmenten zoals de financiële markten, gestructureerde leningen, risicokapitaal voor startende ondernemingen, enzovoort. Ook deze banken moeten voldoen aan eigen vermogensvereisten die gebaseerd zijn op de diverse types risico (kredietrisico, marktrisico, renterisico) die ze op hun balansen hebben. Indien de zuivere zakenbanken of investment banks onafhankelijk willen opereren, moeten ze (zoals dat traditioneel het geval was) de vorm aannemen van private partnerschappen zodat hun risicogedrag in toom gehouden wordt door hun reputatierisico en de kapitaalinbreng van de partners/vennoten. Maar hier kan het verhaal van de bankregulering niet eindigen. Ondertussen zijn er een veelheid aan spelers actief op de financiële markten (private equity, hedge funds, etc.) die dermate vervlochten zijn met de traditionele intermediairs dat ondoorzichtigheid van de risico’s een reëel gevaar blijft. Toezichthouders moeten steeds een globaal beeld kunnen hebben van het risico in het financieel systeem. Dus moeten ook deze spelers zich houden aan regels van transparantie en adequate kapitaaldekking. Dit moet gebeuren via een incrementeel systeem: eenvoudige banken moeten eenvoudige kapitaalvereisten naleven, hoe complexer de risico’s worden, hoe meer vrijheidsgraden de toezichthouders moeten krijgen bij het opleggen van dekkingsvereisten. Meer fundamenteel moeten schotten ingebouwd worden op het vlak van de interne allocatie van kapitaal zodat de retailbank, die verantwoordelijk is tegenover de depositohouders, niet kan besmet geraken door onverwachte verliezen in andere financiële activiteiten binnen een gediversifieerde bankgroep. Dit vereist sluitende systemen van risicobeheer en rapportering die de toezichthouder in staat stellen besmettingsrisico’s te detecteren en te kwantificeren via stress-testing. Als dergelijke garantie niet controleerbaar aanwezig is, moet het aan retailbanken verboden worden om bepaalde activiteiten op financiële markten te ondernemen.

Kapitaalvereisten blijven de hoeksteen van de prudentiële regulering van de banken. Kapitaal dient als buffer voor onverwachte verliezen, wat ervoor zorgt dat deze verliezen gedragen worden door de aandeelhouders en niet door de spaarders. Het raamwerk van Bazel II bevat een aantal noodzakelijke ingrediënten, maar het moet strenger toegepast worden via transparante dekkingsvereisten die niet door de banken kunnen worden omzeild via hun interne risicomodellen. Voor de traditionele tegenpartijrisico’s moeten eenvoudig afdwingbare minimumregels worden vastgelegd die de kapitaalvereisten duidelijk afhankelijk maken van het risicoprofiel van de banken. Bovendien weten we dat kapitaalvereisten een procyclisch karakter kunnen hebben. De banken worden nu verplicht additionele kapitaalbuffers aan te leggen in een periode van laagconjunctuur, maar dat kan hun bereidheid tot kredietverlening verminderen, wat de conjunctuur verder negatief kan beïnvloeden. Deze procycliciteit kan slechts fundamenteel worden aangepakt als men de kapitaalvereisten doorheen de conjunctuurcyclus oplegt. Dit impliceert dat banken additionele buffers moeten aanleggen in tijden van hoogconjunctuur, waarop ze kunnen teren in tijden van laagconjunctuur. Deze regulering moet worden gekoppeld aan de plicht tot proactieve interventie van de toezichthouders wanneer zij oordelen dat bepaalde risico’s excessief worden. Toezichthouders moeten in geval van stress op de financiële markten alle financiële intermediairs verplichten om gelijktijdig en op een uniforme wijze hun risico’s te melden. Dit vereist een grondig zicht op alle risico’s, grondige stesss-testing en de macht en bereidheid om effectief maatregelen aan de banken op te leggen. De ervaring in de Verenigde Staten met de Federal Deposit Insurance Corporation, die banken indeelt in risicoklassen, kan als voorbeeld dienen. Banken met een geobserveerde hoge graad van kapitaaldekking en risicobeheersing krijgen meer flexibiliteit, degenen met een lage score moeten maatregelen nemen. Dit type van optreden door de toezichthouder vereist een langetermijnvisie, ervaren personeel en een grote mate van onafhankelijkheid.

Een betere regulering van het financieel systeem

De SPD-voorstellen (7) tot en met (11) schetsen een nieuw kader voor de internationale regulering van het financieel systeem. Ik vind deze voorstellen zeer coherent omdat ze breed en internationaal zijn. Breed omdat ze niet enkel slaan op de banken, maar ook op de nieuwe financiële spelers zoals hedge funds en op de ratingagentschappen. En internationaal omdat ze pleiten voor een Europese aanpak binnen een wereldwijd kader waarin het IMF een belangrijke rol moet spelen.
De SPD-denkgroep pleit in voorstel (8) voor een strikte regulering van de ratingbureaus. Zoals ik reeds in de analyse vermeldde, moet in eerste instantie de belangenvermenging bij effectiseringen worden verboden. Het manifest ijvert ook voor een Europees ratingagentschap als tegengewicht voor de Amerikaanse dominantie. Dat is een begrijpelijke suggestie, maar ik ga er toch van uit dat de kwaliteit van de ratings belangrijker is dan de plaats waar de hoofdzetel gevestigd is. Het sluitstuk is volgens de SPD een Europese toezichthouder die de ratingagentschappen moet controleren.
Voorstel (10) wil de relatief nieuwe en tot op heden ongereguleerde spelers zoals hedgefondsen en private equityfondsen binnen het reglementaire kader brengen. De argumentatie is duidelijk. Iedereen die met geld van anderen werkt, banken of niet-banken, moet zich houden aan bepaalde spelregels. Dit is een gezonde ambitie, maar ongetwijfeld zeer moeilijk te realiseren. Immers, de hedgefondsen zijn precies opgezet als zeer gesloten organisaties met een kleine kern van zeer rijke aandeelhouders om de bestaande regels voor beleggingsfondsen en banken te vermijden. Men moet zich geen illusies maken, het innovatievermogen om regulering te omzeilen is groot. Vandaar dat de aanpak van het opleggen van transparantie en openbaarmaking van de posities die deze fondsen op de financiële markten aanhouden meer aangewezen is. Minstens even belangrijk is dat de kredietverlening van de banken aan de hedge funds binnen de perken wordt gehouden. Dit was immers één van de oorzaken van de overmatige schuldopbouw. Het verstrengen van de kapitaalvereisten voor dit soort leningen, zoals bepleit in voorstel (1), is een goed piste. Het is evenwel vooral de rol van de toezichthouders om dit type van kredietverlening door de banken aan banden te leggen.
De jongste telg aan het firmament van de fondsen zijn de zogenaamde sovereign wealth funds (SWF). Het zijn staatsfondsen die gespijsd worden door de inkomsten uit olie, grondstoffen of andere types van exportontvangsten. De bekendste zijn de staatsfondsen van enkele olie-exporterende landen in het Midden-Oosten en die van China en Singapore. Sommige van deze fondsen zijn ondertussen zeer groot geworden en kunnen derhalve massale bedragen investeren. Dit gebeurt typisch in Westerse ondernemingen. De ironie wil dat sommige Westerse banken met een tanende solvabiliteit precies bij deze staatsfondsen nieuw kapitaal hebben aangetrokken. De vraag is dus wat het uiteindelijke doel is van deze staatsfondsen. Zijn ze een beleggingsvehikel of proberen sommige staten via dit kanaal strategische ondernemingen onder controle te krijgen? Daarom pleit de SPD-groep er in hun voorstel (11) voor om deze SWF te integreren in het financieel systeem en ook aan hen vereisten van transparantie op te leggen. Dit is uiteraard een goed voorstel. Wie investeert met geld van anderen moet zijn intenties kenbaar maken. Men kan zich overigens afvragen waarom sommige van de betrokken landen deze staatsfondsen gebruiken om Westerse activa te kopen in de plaats van de middelen te gebruiken voor infrastructuur of andere investeringen in het eigen land.

Het sluitstuk van de nieuwe financiële architectuur is een hervorming van het toezicht op de banken. Tot op heden is de prudentiële controle op de banken toevertrouwd aan nationale toezichthouders. In België is dat de taak van de Commissie voor het Bank-, Verzekerings- en Assurantiewezen (CBFA). De CBFA werkt samen met de Nationale Bank van België via een Comité voor Financiële Stabiliteit. Op het niveau van de Eurozone is de situatie ambigu. We hebben wel één centrale bank, de ECB, die het monetair beleid voert voor de gehele Eurozone, maar het banktoezicht blijft nationale materie, er zijn dus 16 nationale toezichthouders. Deze instellingen hebben wederzijdse overeenkomsten gesloten voor de uitwisseling van informatie, maar het zijn in essentie nationale toezichthouders die controle moeten houden over de banken met hoofdzetel in het betrokken land, hoe internationaal ze ook opereren. Daarom pleit de SPD-groep in voorstel (7) voor een Europese coördinatie van het banktoezicht. De suggestie is om de supervisie over internationale banken toe te vertrouwen aan een college van de nationale toezichthouders.
Opnieuw is dit wellicht een nuttige eerste aanzet, maar zeker niet het eindpunt. Op welk niveau moet het banktoezicht optimaal gebeuren? Er is een consensus dat het systematische risico van de grote banken, die typisch geografisch en functioneel gediversifieerd zijn, significant groter is dan dat van kleinere, lokaal opererende banken. Aangezien financiële stabiliteit de centrale doelstelling is van de toezichthouders, moet de controle op de grote banken dan ook geïntegreerd en supranationaal geschieden. Cruciaal is een zeer grote graad van coördinatie en de mogelijkheid van een snelle interventie wanneer zich een systematisch risico voordoet. In dergelijk geval is het noodzakelijk dat één instantie verantwoordelijk is om de leiding te nemen, wat pleit voor een Europese overkoepelende banktoezichthouder. Dit kan aanleiding geven tot een gelaagd systeem van prudentieel toezicht, nationaal voor de kleinere retailbanken, internationaal voor de grotere banken. Het is ook economisch wenselijk dat de centrale bank betrokken wordt bij de analyse en de probleemoplossing omdat ze in de meeste gevallen zelf actief zal moeten interveniëren op de geldmarkt. Aangezien het monetair beleid en het banktoezicht tegenstrijdige doelstellingen kunnen hebben, moeten de verantwoordelijke instellingen institutioneel gescheiden blijven. Dus een Europese overkoepelende banksupervisor moet naast de ECB functioneren, zij het dat ze nauw met elkaar moeten overleggen. Tevens moet de Europese banktoezichthouder een lokale aanwezigheid behouden om voeling te hebben met de kleinere Europese banken die actief zijn in de nationale of subnationale bankmarkten. Een organisatiemodel zoals de ECB, waarbij de nationale toezichthouders zeggenschap hebben in het beleid van de Europese supervisor, is wenselijk. Wat betreft de taakverdeling tussen de nationale regulatoren en de Europese regulator kan het Europese mededingingsbeleid als voorbeeld dienen. De Europese regulator beheert de multinationale dossiers en de puur nationale dossiers worden overgelaten aan de nationale regulatoren die opereren binnen een kader van Europese regels en richtlijnen.
Een aantal banken met de hoofdzetel in Europa opereren wereldwijd en een aantal globale banken zijn ook actief in Europa. Het ligt dan ook voor de hand om het toezicht op de banken in te bedden in een wereldwijd systeem van supervisie. Voorstel (9) bepleit daarom een globale aanpak waarbij het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en het Financial Stability Forum (FSF, een groep van bank- en beurstoezichthouders), een sturende rol zouden opnemen. Het IMF heeft historisch als basistaak leningen toe te staan aan landen die betalingsbalansproblemen hebben. Het IMF doet ook jaarlijks een analyse van de macro-economische toestand van haar landen/leden. Samen met de Wereldbank organiseert het IMF sinds 1999 tevens het Financial Sector Assessment Program waarin de stabiliteit van de financiële sector in de diverse landen wordt geanalyseerd. Op basis van deze expertise lijkt het logisch om het IMF een coördinerende rol te geven in het opvolgen van de globale financiële risico’s. Een fusie van het IMF en het FSF zou een instelling creëren met een indrukwekkende expertise inzake financiële instellingen en markten. Dergelijke instituut zou dan ook met enig gewicht tijdige waarschuwingen kunnen publiek maken wanneer ergens onverantwoorde financiële risico’s worden opgebouwd. Dergelijk early warning system, een systeem van knipperlichten, is ook een taak voor de Europese banktoezichthouder en de ECB. Door tijdig en krachtig te waarschuwen kunnen artificieel hoge pieken en zeepbellen vermeden worden, zodat ook de dalen wat minder diep zullen zijn als zich schokken voordoen.

Goed bestuur van banken en ondernemingen

Een voorzichtig risicobeleid is en blijft de taak van elke individuele bank. En dus moeten de organisatievorm en de interne controlemechanismen aangepast zijn aan het risicoprofiel van elke bank. Even belangrijk is dat de systemen van verloning in de financiële sector de juiste incentives inhouden. Het is immers duidelijk dat het excessieve risicogedrag van financiële instellingen minstens deels werd gedreven door de structuur van de verloning van een deel van hun verantwoordelijken. In de media liggen vooral de vergoedingen van CEO’s onder vuur. Maar het zijn vooral de extreem prestatiegedreven en vaak exuberant hoge vergoedingen die handelaars op financiële markten of beheerders van speculatieve fondsen opstrijken die de structuur van de incentives hebben besmet. Het voorstel (5) van de SPD-groep pleit voor een internationale gedragscode inzake verloning in de financiële sector met als doelstelling dat degenen die de winsten opstrijken ook de verliezen moeten dragen. Dit is een lovenswaardig voorstel, maar het is te vaag. Men zou alvast een onderscheid moeten maken tussen de verloning en de vertrekpremies. Inzake vertrekpremies kiezen nogal wat landen, waaronder België, voor de piste van een wettelijke plafonnering, bijvoorbeeld op één jaar of achttien maanden basisloon. De vraag is of deze aanpak sluitend is. Inzake verloning bestaat tegenwoordig het remuneratiebeleid typisch uit een vaste looncomponent aangevuld met een bonus afhankelijk van de resultaten en een aandelencomponent afhankelijk van de waardecreatie van de onderneming. Echter, de variabele verloning mag in de financiële sector nooit op de korte termijn gericht zijn, omdat zulks overmatig risicogedrag aanmoedigt. Het verdient dus aanbeveling dat bonussen of aandelen slechts uitkeerbaar en belastbaar zijn na een voldoende lange periode, zodat een evaluatie van de waardering en het risico van de onderneming adequaat kan gebeuren door de Raad van Bestuur. De Zwitserse bank UBS heeft ondertussen beslist dat cash bonussen en aandelen geplaatst worden op een rekening die kan stijgen maar ook dalen over de loopbaan van de manager. We zullen zien of de discipline in betere tijden stand houdt. In elk geval is het aan de overheid om een standaardpraktijk te installeren in de banken waarin ze participaties hebben.
In voorstel (6) pleit de SPD-denkgroep er voor om internationale standaarden te ontwikkelen om partijen op de financiële markten meer persoonlijk aansprakelijk te stellen. Dit lijkt sterk op wat in de Verenigde Staten in de Sarbanes-Oxley Act werd neergelegd na de Enron affaire. Managers bij Enron, maar ook bij andere ondernemingen, hadden de boekhoudcijfers gemanipuleerd om de beurskoersen te beïnvloeden. In 2002 kwamen deze malversaties aan de oppervlakte en één van de maatregelen van de Amerikaanse overheid was om de topmanagers van beursgenoteerde ondernemingen te verplichten zelf de boekhoudkundige staten te ondertekenen, op straffe van vervolging. Hoe dit type van persoonlijke verantwoordelijkheid moet worden veralgemeend tot alle partijen die handelen op financiële markten is niet duidelijk. Overigens moet men dan ook een regeling uitwerken voor tussenpersonen, zoals zakenbanken, juridische consultants en revisoren. Als sluitstuk van een betere governance pleit de SPD in voorstel (12) voor het versterken van de rechten van de werknemers. Het voorstel is om strengere sancties op te leggen aan ondernemingen die onvoldoende informatie verstrekken aan ondernemingsraden.

Meer transparantie en stabiliteit op de financiële markten

Ten slotte doet de SPD-denktank voorstellen om de financiële markten transparanter en stabieler te maken. Inzake stabiliteit pleit de groep voor het verbieden van schadelijke short selling. Dit betekent dat men aandelen of andere effecten verkoopt die men nog niet heeft, aldus speculerend op een daling van de koersen. Dit voorstel sluit aan bij wat gedurende de financiële crisis in de praktijk werd gebracht. Immers, zowel in de Verenigde Staten als in Europa (inclusief België) hebben de toezichthouders op de beurzen short selling van financiële aandelen tijdelijk verboden. De vraag is natuurlijk welk soort short selling schadelijk is. Deze praktijk wordt immers vaak gehanteerd door beheerders van beleggingsfondsen om bepaalde risico’s in te dekken. Men zal dus een onderscheid moeten maken tussen operaties die het indekken van risico als doel hebben en louter speculatieve transacties.
Stabiliteit van het financiële systeem vereist ook dat alle stromen en transacties bekend zijn en op een rechtvaardige manier kunnen worden belast. Het voorstel (13) raakt heel terecht het punt aan van de fiscale paradijzen. Als men wil dat financiële markten transparant zijn en dat de toezichthouders beschikken over alle informatie kan het niet dat centra zonder regulering en belastingen een deel van de stromen aan het zicht onttrekken. De financiële crisis kan een belangrijke hefboom zijn om deze artificiële paradijzen binnen het gereguleerde systeem te brengen. Internationale organisaties zoals de OESO hebben deze tax havens grondig in kaart gebracht. Er bestaan er ook in Europa. Daarom moet de EU resoluut het voortouw nemen om deze financiële centra in het gereguleerde systeem te dwingen. Dit laat meteen toe om belastingontwijking en -ontduiking op een meer effectieve manier te bestrijden.

BANKEN IN DIENST VAN DE ECONOMIE

De financiële crisis is een beving met vele na-schokken. Ook de reële economie wordt getroffen. Dat is niet verwonderlijk. Van zodra banken in moeilijkheden komen met hun liquiditeit en kapitaaldekking heeft dat gevolgen voor de kredietverstrekking. De financieringsproblemen bij ondernemingen leiden tot vertraging of zelfs afstel van investeringen. En het tanende consumentenvertrouwen weegt op de consumptie. Zowel de Verenigde Staten als de Eurozone zitten eind 2008 officieel in een recessie. Economisten noemen dit een vraagschok die daarenboven symmetrisch is want hij treft alle landen op een analoge wijze. In dergelijke conjunctuur is het de taak van de centrale banken om de rente te verlagen en aldus de consumptie en investeringen te ondersteunen. Dat hebben alle centrale banken, ook de ECB, gedaan. Echter, door de fragiliteit van de banksector werkt de transmissie van die renteverlagingen onvoldoende sterk door. Het noodzakelijke complement aan economisch beleid is dan dat de overheden via hun begrotingsbeleid een additionele impuls geven. Opnieuw zou dit gecoördineerd op Europees (Eurozone) niveau moeten gebeuren om maximale resultaten te hebben. Het is dan ook een gemiste kans dat de landen van de Eurozone hierin niet slagen en in verspreide slagorde nationale plannen aankondigen.

Ondertussen moeten we voor de banksector op zoek naar een nieuw evenwicht tussen markt en staat. Het oude model van bankieren - de these - was gekenmerkt door een grote mate van veiligheid, afgedwongen door strikte regulering. De antithese, in opgang sinds twee decennia, legde de nadruk op mededinging, innovatie en zelfregulering. De synthese moet pogen het beste uit deze twee paradigma’s te combineren. Financiële innovaties, wanneer ze op een economisch gefundeerde wijze worden gebruikt, verhogen de welvaart. We moeten behouden wat economisch nuttig is, de regulering van de banken versterken en de incentives in de financiële sector afstemmen op de noden van de economie. Het financiële systeem kan maar stabiel zijn als er voldoende vertrouwen kan heersen bij alle marktparticipanten over de redelijkheid van de waarderingen en over het oordeelsvermogen van de bankiers en hun toezichthouders. Wat de toegevoegde waarde van de financiële sector op lange termijn bepaalt is niet ongebreidelde differentiatie, maar gedisciplineerd pluralisme gekenmerkt door evenwichtige afwegingen tussen rendement en risico. Stabiliteit en vertrouwen zijn publieke goederen. Het sluitstuk is een effectief toezicht door strenge toezichthouders die onafhankelijk zijn maar ook verantwoording verschuldigd zijn, naar het model van de centrale banken. Optimaler wijze vereist dit wereldwijde actie en coördinatie. De G20 kan het nieuwe forum zijn voor die wereldwijde actie. Maar dat mag de EU en vooral de Eurozone niet verhinderen om in deze materie het voortouw te

Rudi Vander Vennet
Gewoon hoogleraar financiële economie aan de UGent

Bibliografie
- Calomiris Charles W., Klingebiel Daniela and Laeven Luc, 2004, A taxonomy of financial crisis resolution mechanisms: Cross-country evidence, World Bank Policy Research Working Paper 3379.
- Reinhart Carmen M. and Rogoff Kenneth S., 2008, This time is different: A panoramic view of eight centuries of financial crises, NBER Working Paper 13882.
- Schoors Koen, 2008, Post-mortem van de zelfregulerende en efficiënte financiële markt, in: Samenleving en politiek, jg. 15, nr. 9, pp. 13-21.

Noot
1/ Ik behandel voorstel (14) niet in extenso. De SPD pleit voor het behoud van het gefragmenteerde Duitse banksysteem waarin de lokale spaarbanken en coöperatieve banken het overwicht hebben op de deposito- en leningmarkt. Deze institutionele structuur heeft voor- en nadelen.

|

Transparantie en stabiliteit van de financiële markten: 14 beleidsmaatregelen
(uit: A New Balance Between Market and State: Traffic Rules for International Financial Markets, Summary Report of the Expert Working Group at the SPD Federal Executive More Transparancy and Stability in Financial Markets, October 2008)

‘We hebben nood aan een nieuw evenwicht tussen de financiële markten en de staat, om onze burgers en ondernemingen te beschermen tegen dalende groei en afnemende welvaart, om potentiële crisishaarden op de financiële markten beter te identificeren, en de impact van crises adequater te bestrijden. Zoals ook in andere sectoren, moeten we vooruitgang boeken op het vlak van een cultuur van duurzaamheid en langetermijnbenaderingen. Wanneer we regels voor financiële markten internationaal afspreken, moeten we ons concentreren op de volgende 14 maatregelen’:

Voorstel (1): Verhoog de liquide middelen en de kapitaalreserves van financiële instellingen!
De financiële reserves die banken wettelijk moeten aanleggen, moeten worden versterkt. Er moet meer aandacht komen voor (het beheersen van) liquiditeitsrisico’s en er moeten financiële buffers worden opgebouwd. De stabiliteit van financiële instellingen moet optimaal worden getest en de betrokkenheid van de toezichthouders moet worden verhoogd. Ook moeten aan banken aanzienlijk hogere kapitaalvereisten worden opgelegd: wij willen minimale kapitaalratio’s. Niet in het minst moet dit gelden voor leningen aan hedgefondsen (speculatieve fondsen met hoge risico’s). In de toekomst moeten banken minstens 40% eigen vermogen aanhouden tegenover dergelijke leningen.

Voorstel (2): Verscherp de boekhoudkundige verplichtingen voor financiële instellingen!
In de toekomst moeten op de balansen van financiële instellingen alle risico’s duidelijk worden vermeld. Risico’s mogen niet langer worden overgedragen aan speciaal opgerichte beleggingsfondsen (special purpose vehicles), zoals tot dusver het geval was. Wat dat betreft, is de Europese richtlijn betreffende de banken nog altijd niet voldoende precies. Wij geloven dat er dringend werk moet worden gemaakt van de eis om risico’s te melden via een standaardformulier. De huidige schatting van de potentiële marktprijs (fair value assessment) moet crisisbestendig worden gemaakt.

Voorstel (3): Verplicht financiële instellingen om minimaal 20% van het risico zelf te dragen!
Het hele financiële systeem heeft behoefte aan een groter risicobewustzijn. Beslissingen om geld te lenen, kunnen niet langer worden gescheiden van de verantwoordelijkheid voor het bijbehorende risico. Bijgevolg mogen financiële instellingen dat risico niet langer integraal - 100% - overdragen (securitization), maar moeten zij in de toekomst, op grond van internationale regels, minstens 20% van het risico op de door hen verstrekte leningen zelf dragen.

Voorstel (4): Verbied short selling!
Short selling - met andere woorden, het speculeren op dalende aandelenprijzen zonder die aandelen ook effectief te bezitten - heeft nadelige effecten. Short selling heeft de crisis op de financiële markten nog verscherpt. Schadelijke short selling die crises erger maakt, moet wereldwijd worden verboden.

Voorstel (5): Verander bonus- en beloningsstelsels!
Zij die winsten willen boeken, moeten ook verliezen nemen. Honoraria en beloningsstelsels in de financiële sector moeten worden bijgestuurd op basis van een internationale gedragscode. Zo willen we in de toekomst verzekeren dat wangedrag van de kant van individuen wordt gesanctioneerd.

Voorstel (6): Maak wie verantwoordelijkheid draagt persoonlijk aansprakelijk!
Het principe van ‘het privatiseren van de winsten en het nationaliseren van de verliezen’ is voor ons onaanvaardbaar. Wij hebben nood aan internationale normen die een grotere persoonlijke aansprakelijkheid impliceren van hen die opereren op de financiële markt. Hun verantwoordelijkheid kan eventueel de vorm aannemen van collectieve en hoofdelijke aansprakelijkheid.

Voorstel (7): Verscherp het Europese toezicht!
Het Europese toezichtsysteem moet verder worden verbeterd. De eerste stappen in dat verband zijn al gezet, maar blijken volstrekt ontoereikend. Vooral de nationale en supranationale samenwerking tussen alle regulerende overheden moet definitief worden vastgelegd in de Europese richtlijn betreffende de banken. De volgende stap bestaat erin ervoor te zorgen dat het college van toezichthouders, dat internationale banken moet reguleren, bindende beslissingen kan nemen.

Voorstel (8): Verbeter de kredietbeoordelingen!
We moeten onderzoeken of er geen Europees kredietbeoordelingagentschap moet worden opgericht, als tegengewicht voor de uitsluitend Amerikaanse kredietbeoordelingagentschappen. Adviesactiviteiten van kredietbeoordelingagentschappen moeten worden beperkt. Kredietbeoordelingagentschappen moeten beloven om de IOSCO-gedragscode toe te passen; en die code moet worden uitgebreid. Een Europees agentschap - mogelijk het Comité van Europese Effectenregelgevers (Committee of European Security Regulators) - moet kredietbeoordelingagentschappen registreren en monitoren. Het gewicht van kredietbeoordelingen bij het inschatten van risico’s moet worden verminderd.

Voorstel (9): Geef een nieuwe centrale rol aan het IMF!
We hebben nood aan betere systemen die tijdig aangeven dat het financieel systeem gevaar loopt (early warning). Een betere coördinatie is ook nodig tussen het Internationaal Muntfonds (IMF) en het Financiële Stabiliteitsforum (FSF). Om dat te realiseren moeten de belangrijkste bevoegdheden van beide instellingen worden gebundeld en uitgebreid. Vooral een gezamenlijk rapport van het IMF en het FSF kan de doeltreffendheid van maatregelen die een crisis kunnen voorkomen, verhogen.

Voorstel (10): Reguleer rigoureus hedgefondsen en private equityfondsen!
Hedgefondsen en private equityfondsen moeten op een meer doeltreffende wijze worden gemonitord en gereguleerd. Voor ons zijn de belangrijkste topics: verplichtingen omactiva- en eigendomsstructuren openbaar te maken, meer dwingende vereisten om investeerders te informeren over risico’s, het beperken van overmatige schuldfinanciering en investeringsbeperkingen.

Voorstel (11): Meer transparantie eisen van sovereign wealthfondsen!
We juichen de vooruitgang toe die onlangs is geboekt inzake meer transparantie van sovereign wealthfondsen. Het vrijwillige engagement van die fondsen op dat vlak werd mogelijk gemaakt door het IMF. We steunen verdere internationale, Europese en bilaterale stappen om de sovereign wealthfondsen constructief te integreren in het mondiaal financieel systeem.

Voorstel (12): Meer Mittbestimmungsrechte voor werknemers!
De rol van de werknemers bij het beheren en managen van een bedrijf is belangrijk voor het overleven van het bedrijf op langere termijn. Daarom moet die rol worden versterkt. Zwaardere sancties zijn nodig voor bedrijven die nalaten om ondernemingsraden te informeren (Risikobegrenzungsgesetz).

Voorstel (13): Sluit belastingparadijzen!
Belastingparadijzen en offshore financiële centra die grotendeels ongereguleerd zijn en buiten de wet vallen, moeten worden opgedoekt. Bovenal moet belastingontduiking resoluut worden bestreden. Nieuwe methodes moeten daarvoor worden ontwikkeld. Het is betreurenswaardig dat er in Europa nog altijd belastingparadijzen bestaan, en plekken naar waar illegale fondsen kunnen worden doorgesluisd. Europa moet het voortouw nemen in de strijd tegen beide. We roepen in dit verband op om de Europese spaarrichtlijn te herzien.

Voorstel (14): Handhaaf het Duitse bankmodel met drie pijlers - consolideer de sector van de Landesbanken horizontaal!
Wij willen vasthouden aan Duitslands driedelige, duidelijk gedecentraliseerde banksysteem, met spaarbanken, coöperatieve banken en privébanken. Vooral met de huidige crisis is gebleken dat van de ééngemaakte structuren van de spaarbanken en coöperatieve banken een stabiliserende werking uitgaat. Om die reden wijzen we de idee af om spaarbanken om te vormen tot naamloze vennootschappen of andere organisatievormen met privaatrechtelijk karakter. De sector van de Landesbanken moet horizontaal worden geconsolideerd.

Vertaling 14 SPD-voorstellen: Jan Vermeersch

|

banken - financiële crisis - economie

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 19