Log in

'Claude Lévi-Strauss. Tussen mythe en muziek'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 62 tot 63

Claude Lévi-Strauss. Tussen mythe en muziek

Ton Lemaire
Ambo, Amsterdam, 2008

De grote Franse antropoloog werd in november 2008 honderd jaar. Ton Lemaire heeft daarop geanticipeerd met een mooi boekje. Mooi geschreven, mooi opgebouwd, mooi uitgegeven. Het is een hommage aan een groot schrijver, in alle betekenissen van het woord. Om dit in te zien volstaat het Het trieste der tropen te herlezen. In het Nederlandstalige gebied lijken we niet op veel andere initiatieven te moeten rekenen. In Frankrijk wordt de verjaardag uitbundiger gevierd. Ik vermeld alleen de uitgave van een ruime selectie uit het werk van Lévi-Strauss, in de zeer prestigieuze Pèiade-reeks.

Claude Lévi-Strauss behoort tot het ooit modieuze structuralisme. Achter bijvoorbeeld mythes zit wel degelijk een rationaliteit, een eigen logica. Een groot deel van zijn werk probeert juist die logica bloot te leggen. Het is immers een rationaliteit die aan het oog onttrokken is, een verborgen, onbewuste rationaliteit. Hoewel Lévi-Strauss heel zeker geen volgeling van Freud wilde zijn (hij noemde de psychoanalyse een mythe en zelfs sjamanisme), was hij wel op zoek naar dat onbewuste in een cultuur. Hij wilde voor alles wetenschappelijk te werk gaan, maar hij keek niet neerbuigend neer op het denken van volkeren zonder schrift. Hij zag bij hen hetzelfde ‘wilde denken’ aan het werk dat ook vandaag nog in het Westen een doorslaggevende rol speelt. Het denken van het dagelijkse leven, de logica van het concrete. Dat wilde denken is even rationeel als het wetenschappelijk denken. Het brengt orde aan in de waarneembare wereld, waar de wetenschap zich juist van het concrete heeft afgewend. Lévi-Strauss probeert dat concrete in het wetenschappelijk denken te integreren. In de jaren 1960 heeft hij dat heel uitgebreid gedaan in zijn studie van de mythen. Hij vatte die op als een taal, waarin het wilde denken werkzaam is. Hij zocht naar de kleinste eenheden, de bouwstenen van de mythen. Die hebben op zich geen betekenis, maar verkrijgen die door hun relatie met andere bouwstenen. Er is niet zoiets als de oorspronkelijke betekenis van een mythe: ‘Maar een mythe bevat een boodschap die op vele manieren, in steeds ander materiaal, wordt uitgedrukt, voortgedreven door haar structuur die dezelfde blijft’. (p. 65) De mythe probeert in dat wilde denken de grondproblemen van het menselijk bestaan te begrijpen (man/vrouw, leven/dood, natuur/cultuur, zijn/niet-zijn).

Lévi-Strauss bouwde zijn antropologie op in de voetsporen van de antropoloog Boas, de linguïst De Saussure en de socioloog Mauss. Hij moet echter zeker ook in de rij geplaatst worden van Marx en Freud, ‘meesters van het wantrouwen’ (p. 45), die het burgerlijke mens- en wereldbeeld ontmaskerd hebben. Lévi-Strauss plaatst grote vraagtekens bij het 19e eeuwse vooruitgangsoptimisme. Geschiedenis verloopt niet wetmatig, maar wordt door het toeval bepaald. Er is niet alleen vooruitgang en niet alleen Europa is belangrijk. Er zijn koude en warme culturen. Koude culturen bewegen zich in steeds dezelfde cycli, met een minimum verbruik van energie. Warme culturen doorbreken de cyclische herhaling, maar zijn gebaseerd op roofbouw, op een permanente destructie van de materie. Ze gaan onvermijdelijk ten onder. Lévi-Strauss zelf heeft het nogal voor het shintoïsme, een symbiose van moderne samenleving en traditie. Voor hem is de mens niet het centrum. Hij pleit voor bescheidenheid. De mens is verschillend van de dieren, maar toch niet in die mate dat er een kloof zou zijn. In het wilde denken houdt de cultuur de natuur juist nog niet op afstand. Misschien biedt het wel een directe toegang tot de natuur. Cultuur is in zekere zin de negatie van de natuur. Het begint met het incestverbod (de enige universele regel in de samenleving), waardoor de mens uit de natuur stapt. Maar de breuk mag nooit totaal zijn.

Eigenlijk is Lévi-Strauss met zijn ene been in de 19e eeuw blijven steken: tegelijk rationalist en romanticus. Wie kennis wil maken met zijn denken zal in het boek van Lemaire zeker zijn gading vinden. Het wordt kort en helder uitgelegd, beter dan in mijn hardvochtige synthese mogelijk is. Maar Lemaire doet meer. Hij gaat ook op zoek naar aspecten die er minder uitspringen. Hij zoekt naar de filosofie van Lévi-Strauss, die juist niet hoog opliep met de al te speculatieve wijsbegeerte. Maar hij had wel degelijk filosofische inzichten. Hij is schatplichtig aan Spinoza, die een rationeel systeem probeerde uit te bouwen vanuit een natuurwetenschappelijke en mathematische methodologie, maar dat wist te combineren met een kosmisch eenheidsbesef. Er is een verwantschap met Schopenhauer en Nietzsche. Hij is merkwaardig genoeg ook schatplichtig aan de dialectiek van Friedrich Engels. Maar Lévi-Strauss is ook heel sterk gepassioneerd door de muziek, in het bijzonder van Wagner. Die gaf hem de sleutel tot het begrijpen van de Amerikaanse mythen. Muziek en mythe zijn trouwens nauw aan elkaar verwant. Zij doorbreken de lineaire volgorde van het gesproken woord, het zijn ‘machines om de tijd op te heffen’ (p. 75). Voor beide zijn het zintuiglijke en het intellectuele heel nauw verweven.

Ik kan alleen maar hopen dat de lezer het boek van Lemaire onmiddellijk gaat kopen en lezen. Lévi-Strauss heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het denken over de Europese cultuur. Hij zet een vraagteken bij het Europa- en het antropocentrisme. De idee van het wilde denken is van het allergrootste belang. Er is niet alleen maar wetenschappelijke rationaliteit, er is ook de rationaliteit van het wilde denken. Lévi-Strauss gooit het kind niet met het badwater weg, maar probeert aan die andere logica toch een plaats te geven. Lemaire biedt in elk geval een meer dan uitstekende inleiding.

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 62 tot 63