Log in

'Over vrijheid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 60 tot 61

Over vrijheid

John Stuart Mill
Uitgeverij Boom, Amsterdam, Jubileumeditie 2009

John Stuart Mill (1806-1873) wordt beschouwd als één van de belangrijkste Britse filosofen van de 19de eeuw. Hij verdedigde op een originele en vooruitstrevende wijze het empirisme, het utilitarisme en het liberalisme. Grote delen van zijn werk zijn politiek geëngageerd: hij was een pleitbezorger van de representatieve democratie (Representative Government,1861) en de gelijke (politieke) rechten van vrouwen (The Subjection of Women, 1869).
In februari 1859, precies 150 jaar geleden dus, verscheen het invloedrijke essay On Liberty waarin Mill het opneemt voor de vrijheid van handelen en de vrije meningsuiting. Het boek werd meer dan dertig jaar geleden in het Nederlands vertaald door W.E. Krul en ter gelegenheid van de verjaardag van het werk laat Uitgeverij Boom een paperback jubileumeditie van deze vertaling verschijnen.

De kern van dit vijfdelige essay Over vrijheid is ‘één enkel zeer eenvoudig principe’ dat bepaalt wanneer we het recht hebben om in te grijpen in de vrijheid van anderen. Dit principe is dat ‘de enige reden waarom men rechtmatig macht kan uitoefenen over enig lid van een beschaafde samenleving, tegen zijn zin, de zorg is dat anderen geen schade wordt toegebracht’. Elke vorm van paternalisme lijkt uitgesloten: het individu mag niet in zijn vrijheid worden beperkt, ook niet door een autoriteit die het beter zou weten en het goed voor heeft met het desbetreffende individu. ‘Iemands eigen welzijn, hetzij fysiek, hetzij moreel, is geen voldoende rechtsgrond’ om de vrijheid in te perken. Mensen kunnen natuurlijk wel goede raad geven, anderen proberen te overtuigen of smeken dat mensen anders zouden handelen, maar dwang is enkel gerechtvaardigd als het gedrag waarvan men anderen wil weerhouden anderen schade toebrengt.

Het is opvallend dat John Stuart Mill het niet alleen heeft over de bedreiging van de individuele vrijheid door wetten en (tirannieke) overheidsinmenging, maar dat hij ook wijst op het gevaar van ‘de druk van de publieke opinie’ die zich ook in democratische regimes kan voordoen. Op dat punt is hij visionair. Op een moment dat de overgang naar de massasamenleving zich nog moest voltrekken en er van massacultuur, -communicatie en culturele globalisering nog geen sprake was, waarschuwt Mill voor de ‘tirannie van de meerderheid’. Deze terminologie ontleent hij aan zijn vriend Alexis de Tocqueville met wiens werk Mill erg vertrouwd was.
Mill besteedt een apart hoofdstuk aan de vrijheid van denken en spreken. Hij benadrukt vooral dat censuur omwille van de mening zelf nooit toegelaten is. De vrijheid van meningsuiting geldt absoluut voor ieder individu afzonderlijk. Meningen op zich kunnen volgens Mill niet direct schadelijk zijn voor anderen, waardoor ze geen onderwerp van regulering kunnen worden. Enkel in contexten waarin het uiten van bepaalde meningen een reëel risico tot schade inhoudt, moet de vrijheid van meningsuiting aan banden gelegd worden. Over de discussie inzake antidiscriminatie- en antiracismewetgevingen zou Mill dus de volgende lijn uitzetten: een meningsuiting op zich - hoe beledigend, immoreel of ongepast ook - is nooit strafbaar; enkel meningen die echt aanzetten tot geweld en een groot risico inhouden dat derden reëel geschaad zullen worden, kunnen juridisch verboden worden.

Tegelijk pleit Mill ook voor een moraal van het publieke debat. Schelden, persoonlijke aanvallen en kwaadwillendheid moeten worden vermeden, zeker als ze worden ingezet ‘tegen mensen die naar verhouding weerloos zijn’. Mill erkent natuurlijk wel dat het niet de wet is die het schelden en kwetsen moet verbieden, maar dit betekent niet dat je het schelden moreel niet zou mogen veroordelen. De kans is groot dat Mill in de huidige context het niet zou opnemen voor de columnisten die graag kwetsend en provocerend schrijven over de islam. Hij zou het hen juridisch niet willen verbieden, maar hij zou het moreel toch veroordelen omdat het indruist tegen ‘de werkelijke moraal van de openbare discussie’.

Samen met John Locke (1632-1704) en Immanuel Kant (1724-1804) behoort John Stuart Mill, onder meer door On Liberty, tot de coryfeeën van de liberale traditie die de menselijke zelfbeschikking, vrijheid en tolerantie centraal heeft geplaatst. Mill beschouwt het liberalisme als een morele doctrine die de autoriteit van de staat en de samenleving over individuen beperkt. Toch is Mill geen libertariër, zoals Robert Nozick, die pleit voor een absoluut minimale invulling van de staat. De vrijheid staat bij Mill immers in het teken van ‘het goede leven’, een leven waarin mensen hun hogere capaciteiten kunnen gebruiken en ontwikkelen. In een context waarin de voorwaarden voor zo’n leven niet vervuld zijn, bijvoorbeeld omdat de persoon in kwestie nog onvoldoende matuur is of niet over voldoende middelen beschikt, kan (en moet) de overheid wel degelijk ingrijpen om die voorwaarden tot stand te brengen. Mill is daarom niet tegen een herverdelende politiek en vindt leerplicht voor minderjarigen absoluut noodzakelijk. Zowel de ouders als de overheid moeten het recht op onderwijs garanderen. De overheid moet daar ook de middelen voor vrijmaken door bij te dragen in de schoolgelden voor de armere kinderen en onderwijs gratis te maken voor mensen die niemand hebben om hun schoolgeld te betalen.

Mill verdient het zeker om ook door sociaaldemocraten gelezen te worden. Uiteindelijk is zijn werk gebouwd op een vrijheidsconcept dat de negatieve, formele vrijheid ver overschrijdt. In On Liberty wordt de vrijheid positief en substantieel ingevuld. Het gaat over meer dan vrijheid van meningsuiting en het belang van eigendomsrechten, Mill heeft ook oog voor een vrijheid die de mensen de facto in staat moet stellen een leven volgens eigen inzichten en interesses uit te bouwen. Voor zover sociaaldemocraten verdedigen dat positieve en negatieve vrijheid niet van elkaar los te koppelen zijn, kan Mill ook voor hen een belangrijke en klassieke bron van inspiratie zijn.

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 60 tot 61