Log in

Sociaaldemocratische integratiepolitiek: mission impossible?

In het december-nummer van Samenleving en politiek las ik de interessante resultaten van het sp.a-ledenonderzoek, waaruit bleek dat rond de 30% van de sp.a-leden vindt dat migranten niet bijdragen tot de welvaart van ons land en zo’n 15% van de leden meent dat de migranten niet te vertrouwen zijn. De onderzoekers spreken over een partij-interne zenuw. Ook binnen de Partij van de Arbeid is integratiepolitiek een oud, heikel punt; de PvdA is op dat vlak een verdeelde partij.

Het is op basis van het beeld van deze partij-interne zenuw dat ik de conceptresolutie Verdeeld verleden, gedeelde toekomst van het partijbestuur, onder leiding van voorzitter Lilianne Ploumen, wil beoordelen. Het nieuwe partijstatement over immigratie en integratie is toch wel een woord of twee waard. De hamvraag is: vormt deze resolutie de pijnloze zenuwbehandeling die elke patiënt zich wenst of gaat de resolutie, al dan niet per ongeluk, juist bovenop die open partijzenuw staan?1

BUREN

Het zal een paar jaar na de moord op Pim Fortuyn zijn geweest toen ik mijn intrek nam in een hotel in Antwerpen. Het bleek ook het hotel van Marco Borsato tegen wie ik per ongeluk opliep bij de ingang. Ik was in Antwerpen om deel te nemen aan het zogenaamde Politicologenetmaal, een jaarlijkse bijeenkomst van Nederlandse en Vlaamse politieke wetenschappers over de stand van hun vak. Ik trad daar op in een workshop over populisme met onder andere Koen Abts en Cas Mudde. Die bijeenkomst staat me nog altijd voor de geest vanwege het boeiende verschil van inzicht, toon en temperament tussen de Vlaamse en Nederlandse politicologen over het verschijnsel van het (radicaalrechtse) populisme. Dat verschil in houding - alarmerend negatief aan Vlaamse kant en schuldbewust begripsvol aan Nederlandse zijde - leek volledig terug te voeren op de fors uiteenlopende nationale ervaring met het populisme. In Vlaanderen is het het Vlaams Blok/Belang van Filip Dewinter dat het duistere gezicht van het populisme vormt - een beweging die door ontstaansgeschiedenis, personen en opvattingen connecties onderhoudt met de zwartste bladzijden uit de Europese geschiedenis. In Nederland was het de ‘schone’ populist Fortuyn die het cordon sanitaire, dat eerder nog rondom racistische splinterpartijen (zoals de Centrumdemocraten van Hans Janmaat) gelegd was, doorbrak.

Sommigen menen, ook in Nederland, dat Fortuyn aldus xenofobie en islamofobie salonfähig heeft gemaakt, met alle gevaren van dien. Anderen menen daarentegen dat politiek correct multiculturalisme en cultuurrelativisme onverantwoorde conceptuele richtsnoeren zijn voor de handhaving van de westerse democratische rechtsstaat en de solidaire verzorgingsstaat. Met het leggen van een cordon sanitaire rondom de foute partijen, had men van de weeromstuit ook een cordon sanitaire gelegd rondom vraagstukken van grote urgentie en maatschappelijke spanning. Die even pijnlijke als nuttige doorbreking van het taboe op het gesprek over de schaduwzijden van de migratiesamenleving heeft Pim Fortuyn uiteindelijk het leven gekost. In Nederland bestaat er tegen deze achtergrond, maar bepaald niet bij iedereen, enige begripsvolle appreciatie voor de populistische Opstand der burgers onder Fortuyn. De PvdA is op dit punt een verdeelde partij, zoals dat geldt voor het algehele vraagstuk van immigratie, integratie en de islam.

DE MULTICULTURELE SAMENLEVING ALS PARTIJ-INTERNE ZENUW

Het laatste nummer in 2008 van Sampol (in minder mooie outfit) las ik dan ook met grote interesse. Daarin werd verslag gedaan van een onderzoek van de Universiteit van Gent, ‘De sp.a-leden doorgelicht. Wie zijn ze en wat denken ze over maatschappij en partij?’, uitgevoerd door Patrick Vander Weyden, Koen Abts en Sophie Colpaert.2 Zij constateren grote tweespalt in de sp.a op het vlak van de multiculturele en multi-etnische samenleving. Naar de titel van hun onderzoek: ‘De multiculturele samenleving is een partij-interne zenuw’. Een meerderheid van de leden staat open voor de uitdagingen van de hedendaagse diversiteit aan culturele en etnische groepen, maar bij een niet te miskennen deel van de achterban bestaan weerstand en afkeer. Zij hebben vastgesteld dat een kwart van de sp.a-leden er anti-migrantenstandpunten op nahoudt. ‘Rond de 30% van de sp.a-leden vindt dat de migranten niet bijdragen tot de welvaart van ons land, dat de migranten hier profiteren van de sociale zekerheid, dat de migranten een bedreiging zijn van onze cultuur en gebruiken, en dat hun leefwijze onverenigbaar is met de West-Europese leefwijze, terwijl een iets kleinere groep van ongeveer 15% van de leden bovendien meent dat migranten niet te vertrouwen zijn, dat ze geen verrijking zijn voor onze samenleving, dat ze een bedreiging zijn voor de werkgelegenheid en dat migranten minder rechten moeten krijgen.’
Uit deze cijfers blijkt de tweespalt binnen het sp.a-ledenbestand rond het integratievraagstuk: een meerderheid ziet de multiculturele samenleving als een kans, terwijl een kwart haar als een probleem ervaart. Dat ongenoegen hangt deels samen met leeftijd. Hoe jonger de leden, hoe minder etnocentrisch. Dat immigratie en integratie de sociaaldemocratische partij sterk verdelen, blijkt volgens het Gentse onderzoek ook uit de standpunten van de sp.a-leden over een paar actuele kwesties. Bijna de helft van de leden vindt dat islamitische vrouwen in publieke functies geen hoofddoek mogen dragen. Zo’n 42% van het partijkader is tegen het toelaten van nieuwe migranten om specifieke tekorten op de arbeidsmarkt op te vangen, terwijl 39% voor die beleidsoptie is.

Dit is vanzelfsprekend geen vrolijk onderzoeksmateriaal, niet vanwege de grote verdeeldheid die uit het onderzoek naar voren komt, noch door de (deels legitieme) angst die wordt blootgelegd. Toch zijn juist zulke onderzoeken belangrijk materiaal voor de internationale dialoog over complexe maatschappelijke vraagstukken. Niet alleen voor het serene internationale academische debat in de ivoren toren, maar juist ook als een belangrijke correctie van opvattingen en mediapercepties in het algemene publieke debat. Wat ik bedoel is dit. In Nederland is er een hele denkschool, van met name GroenLinkse en sociaal-liberale intellectuelen, die alle populistische ophef en vertier over immigratie en integratie alleen maar in termen van angst, xenofobie en politieke incorrectheid wenst waar te nemen. Om dat arrogante elitaire wereldbeeld enigszins te ontregelen is het Vlaamse sp.a-ledenonderzoek nuttig materiaal. Het laat zien dat het splijtende en heftige integratiedebat allesbehalve een exclusief Nederlandse aangelegenheid is. Sommige intellectuelen uit vooral GroenLinkse kring willen graag het beeld uitdragen dat Nederland een uniek kleinzerig geval zou zijn waar het om gedoe over immigratie en integratie gaat. Nederland zou een voorheen tolerant land zijn, dat zich - hysterisch opgejuind door het integratiedebat van Pim Fortuyn, Herman Vuijsje, Frits Bolkestein en Paul Scheffer - angstig en xenofoob achter de dijken terugtrekt. Nederland zou geheel naar binnen gekeerd zijn geraakt. Het zou zijn wereldopenheid en internationale oriëntatie geheel verraden en te grabbel gegooid hebben voor integratieproblemen die ofwel sterk worden overdreven, ofwel onnodig worden ‘geculturaliseerd’ (de islam). Alle integratieonrust van de afgelopen jaren zou terug te voeren zijn op het ziektebeeld van ‘het bange Nederland’ - naar het gelijknamige boek van Ewald Engelen, Jan Willem Duyvendak en Ido de Haan.3
Maar hoe nationaal bekrompen moet je zijn om juist zo’n stelling te verdedigen? Bovenstaand Vlaams onderzoek had met hetzelfde gemak voor de Franse, Duitse, Deense of Oostenrijkse zusterpartijen van de PvdA gehouden kunnen worden, met hetzelfde type uitkomsten. De metafoor van het bange Nederland verraadt zelf een nationaal naar binnen gekeerde blik van mensen die debatten en vertogen belangrijker vinden dan de maatschappelijke problemen in de alledaagse werkelijkheid. Een gevalletje van Amsterdamse grachtengordelblindheid - de tunnelvisie waarmee well-to-do intellectuelen vanuit hun maatschappelijke luxepositie arrogant neerkijken op Jan Modaal in minder florissante levensomstandigheden.

Het geeft nogal te denken wanneer een partij als de sp.a in zo sterke mate wordt gepijnigd en verdeeld door het immigratie- en integratievraagstuk. Want die sp.a heeft lang in de frontlinie moeten staan tegenover de vervaarlijk extreemrechtse populistische beweging van het Vlaams Blok, daar waar de PvdA de ‘schone’ populist Fortuyn tegenover zich vond.
Zoveel is zeker: wanneer voor de sp.a wordt gesproken over ‘de multiculturele samenleving als partij-interne zenuw’, geldt dat voor haar noorderbuur niet minder. Toch blijft het, bij alle overeenkomsten, uiterst lastig om landen en partijen te vergelijken. De Vlaamse context verschilt in sterke mate van de Nederlandse. En ook de zusterpartijen sp.a en PvdA zijn heel verschillende partijen. Daar is weinig onderzoek naar gedaan en er bestaat weinig kennis over, maar je ruikt en voelt het meteen als je op een partijcongres van de een of de ander komt.

Ik behoor zelf tot de weinigen die zich al geruime tijd transnationaal met de Europese sociaaldemocratie bezighoudt (dus niet via het technocratisch labyrint van ‘Brussel’, maar via de nationale partijen in de hoofdsteden). Het blijft, hoe dan ook, erg lastig om echt goed elkaars partijen, culturen, tradities en achterbannen te leren kennen en voeling te houden met het politiek klimaat en het publieke debat buiten het land waar je woont en werkt.

Lange tijd heb ik gedacht dat de sp.a veel traditioneler en ouderwetser was dan de losgezongen, socialistisch-geseculariseerde PvdA. Met enige heimwee en nostalgie bezocht ik destijds Norbert de Batseliers Toekomstcongres van de SP. Daar zag je in een nog relatief ‘arbeideristische’ partijcultuur mensen uit de partij, de mutualiteit en de vakbeweging elkaar bevechten over de zogenaamde modernisering van de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid - bijvoorbeeld met een principieel debat over uitzendarbeid. Terwijl dat soort debatten in de PvdA vluchtig of helemaal niet gevoerd zijn. Nederland werd Europees kampioen uitzendarbeid en deeltijdarbeid, maar diepgaande ideologische debatten daarover staan me niet voor de geest. De PvdA was door de heftige flowerpowerrevolutie van de jaren 1968-1978 losgescheurd van de wereld van de arbeid en de vakbeweging. Een klassieke sociaaldemocratische arbeiderspartij onderging een metamorfose. Ze werd een algemeen progressieve partij, overheerst door doctorandi uit de publieke sector, met een hang naar Afrika, vrouwenemancipatie en kernenergiebestrijding.

Die demografische kaalslag (een coup van hoger opgeleiden) leek de sp.a minder te zijn getroffen. Voor de waarnemer vanuit het Noorden leek die partij daardoor minder modern en flexibel. Een beetje achter en ietwat Zuid-Europees cliëntelistisch (Nederlanders doen zogenaamd niet aan ‘dienstbetoon’ en gewestelijk baronnenschap). Maar ze stond wel dichter bij de socialistische roots, daar waar bij de PvdA ‘de laatste arbeider’ in parlement en bestuur al decennia eerder was uitgewuifd. De laatste jaren evenwel leek juist de sp.a, op het niveau van de imagologie, moderner en wendbaarder dan de PvdA. Bij de sp.a leek niets meer heilig op dat vlak: haar eigen naam wordt als een reclamemerk steeds weer ter discussie gesteld. Een reclameman schopte het zelfs tot voorzitter, wat in de PvdA deontologisch (zo heet dat, meen ik, in Latijns-Vlaams) wel wat wenkbrauwen deed fronzen. Je kunt het ook overdrijven met het worden van een marketing- en campagnepartij (later bleek deze reclameman een ongelooflijke heldendaad te gaan verrichten door Dewinter af te stoppen, daarmee alle vooroordelen over reclamemannen in een klap vernietigend). Verder kwamen er bij de sp.a de Teletubbies met mediagenieke, mooie jonge dames. En er waren de even briljante als problematisch populistische verleidingskunsten van Steve Stevaert. Wat bij ons ook bewondering opwekt, is dat steeds gepoogd wordt om de oude, verzuilde socialistische constituency strategisch uit te breiden met nieuwe kiezersgroepen (kartel met Vlaamse progressief-nationalisten; opening naar katholieken, groenen, middenstanders e.d.). Het heeft, als we afgaan op de huidige lastige situatie van de sp.a, misschien structureel niet veel zoden aan de dijk gebracht, maar er waren tijden dat ik met enige jaloezie keek naar de bijna-Hollandse lef en bravoure waarmee de sp.a zich uit een benarde ideologische en electorale fuik probeerde te bevrijden. Alleszins meer bravoure dan de PvdA heeft opgebracht in haar existentiële squeeze-positie tussen de links-populisten van de SP, de rechts-populisten van Verdonk en Wilders en de hegemoniale machts- en moraalmachine van de Nederlandse christendemocratie.

Om kort te gaan: als ik op mijn intuïtie af zou moeten gaan, dan zou ik zeggen dat bovenstaand Vlaams onderzoek niet op dezelfde manier van toepassing is op de PvdA. Dat is te zeggen: niet op de PvdA als partij. Het sociale profiel van de sp.a is ondanks de pseudo-moderne marketingstrapatsen (goddank!) die van een tamelijk klassieke volkspartij gebleven: het blijkt een partij van arbeidersklasse, van lagere en hogere middenklasse en van laaggeschoolde naast hooggeschoolde leden. Het zou beter onderzocht moeten worden, maar wat ik van het schaarse onderzoek naar de PvdA-leden ken, gecombineerd met mijn intuïties en ervaringen, wijkt dat substantieel af van dat van het beeld van de sp.a. Om het kort door de bocht te zeggen: de lager opgeleiden die de sp.a nog altijd tot zijn leden mag rekenen, hebben in Nederland de PvdA in grote aantallen verruild voor de Socialistische Partij, de SP. Dat gebeurde uit weerzin tegen de modernisering, c.q. de sanering van de verzorgingsstaat, waarbij ook kabinetten met de PvdA erin betrokken waren (Wim Kok) en die gezien werd als een knieval voor het neoliberalisme: ideologisch verraad. Daarbovenop kwam het onbehagen over de gevolgen en effecten van het proces van massamigratie, met name in de oude volkswijken van de grote steden. Onbehagen waaraan men geen stem mocht geven volgens de doctrines van anti-racisme en politieke correctheid van de hoger opgeleiden.

Het Vlaamse sp.a-ledenonderzoek mag dan niet direct van toepassing zijn op de PvdA als ledenpartij (waarachter dus een tragisch verhaal van het uiteenvallen van de brede sociaaldemocratische volkspartij in twee helften schuilgaat: de PvdA voor hoger opgeleiden en de SP voor lager opgeleiden - ook al valt aan dit simpele schema politicologisch veel af te dingen), het is wel van toepassing op het electoraat van de PvdA, dat nog wel voor een groot deel uit lager opgeleiden bestaat. En aangezien, zoals het onderzoek laat zien, toekomstangst en angst voor het vreemde in sterke mate samenhangen met opleiding (de befaamde Nieuwe Breuklijn van Mark Elchardus) en die nieuwe breuklijn dwars door de sociaaldemocratische kiezersgroepen heen klieft, is het vraagstuk van immigratie en integratie niet alleen een partij-interne zenuw binnen de sp.a, maar ook een open zenuw bij de PvdA. Het debat over de toekomst van de sociaaldemocratische partijen - brede volkspartij of partij van kosmopolieten en migranten - wordt bovenop die zenuw gevoerd. Met de hete adem in de nek van electorale concurrenten en politieke vijanden. In Vlaanderen en Nederland.

WEG MET DE NEPTOLERANTIE

De concept-partijresolutie Verdeeld verleden, gedeelde toekomst die het partijbestuur onder leiding van Lilianne Ploumen eind december 2008 (naar aanleiding van het Congres in maart) publiceerde, is - wat je er verder ook van kunt zeggen - een dappere poging om de verdeeldheid in de PvdA te lijf te gaan. Dat doet men door in ferme, weinig verhullende taal een aantal klappen ineens te maken. Er wordt een harde aanpassingskoers geformuleerd. Men kiest voor een vermetele vlucht naar voren uit de impasse van het integratievraagstuk; de impasse zowel in de samenleving als in de eigen partij. Het is mooi geweest. Het moet over zijn met de onverschilligheid, met de neptolerantie en de verdeeldheid. Weg met het met de rug naar elkaar toe staan. Weg met segregatie in parallelgemeenschappen en witte vermijding. Allochtonen moeten nu maar eens met open vizier kiezen voor Nederland. En autochtonen moeten afkicken van hun nostalgie naar het Land van Ooit, niet wegvluchten voor het Nieuwe Nederland, maar zich daaraan engageren. Gevraagd: een onvoorwaardelijk tweerichtingsverkeer. Mensen worden letterlijk opgeroepen, geforceerd om de verdeeldheid uit het verleden achter zich te laten en een gedeelde toekomst te omarmen. De PvdA-resolutie doet een vermetele poging om ‘de malaise van de multiculturaliteit’, om met de Vlaming Wim van Rooy te spreken, te doorbreken en achter zich te laten.4
Hoewel het niet met zoveel woorden wordt gezegd, zit er in de tekst een grondtoon van een radicale keuze voor het concept van ‘medelanderschap’. Iedereen moet Nieuwe Nederlander worden, allochtoon én autochtoon, zodat we die lelijke begrippen eindelijk eens achter ons kunnen laten. De resolutie zegt: ‘De overheid kan een brug bouwen over een rivier, maar niet tussen u en uw buurman. Dat moet u zelf doen. Het Nederland dat de PvdA voor ogen staat is een land waar deze bruggen geslagen zijn. Waar iedereen zegt: Dit is ons land. En wij zijn van dit land.’

Akkoord. Het is in de resolutie allemaal weinig subtiel, weinig charmant en nogal bot-Hollands geformuleerd (zo is er een merkwaardig onderscheid tussen ‘onvolwaardige’ en ‘volwaardige’ burgers en een vulgair herhalen van de term ‘ons Nederland’), maar als stootrichting vind ik dit moedig gekozen. Ik herken in de tekst, ondanks alles, een nieuw ideaal van sociale cohesie en een moedig verzet tegen de fragmenterende krachten van multiculturele immigratie en individualisering die juist het sociaaldemocratisch samenlevingsmodel kunnen bedreigen en ondermijnen.
Een samenleving die meer wil zijn dan een procedurele rechtsstaat, die ook een solidaire verzorgingssamenleving wil zijn, heeft iets van een gemeenschappelijke, overlappende identiteit en op elkaar betrokken loyaliteit nodig (gedeelde arbeidsethos, gedeelde afkeer van geweld en criminaliteit, gedeelde afkeer van discriminatie, enzovoort). Dat is een politiek-antropologische wet. En wie die negeert zet de toekomst van onze verzorgingsstaat en democratie op het spel. Niet het leugenachtige ‘apartheidsconcept’ van het multiculturalisme, maar een mobiliserend vooruitgangsidee van het nieuwe Nederland moet hierbij de weg wijzen. Het is verrassend dat deze notie nu zo op PvdA-papier is terechtgekomen.

Het is alsof er met het vertrek van integratieminister én PvdA’ster Ella Vogelaar een prop uit de keel van de PvdA is geschoten. Opeens komt Lilianne Ploumen met haar PvdA-bestuur met een integratienota die men gerust een dijkdoorbraak mag noemen. De op dit vlak spreekwoordelijk verdeelde PvdA komt, schijnbaar uit het niets, met een zelfverzekerd, tamelijk ondubbelzinnig integratieverhaal. Dat is nogal spectaculair, al was het maar omdat de causaliteit met het vertrek van Vogelaar nauwelijks aanwijsbaar is. Haar multiculturele positie was en is immers helemaal geen geïsoleerde positie binnen de PvdA, misschien zelfs wel de meerderheidsopvatting binnen topkader en kader van de PvdA. Des te verrassender is het dat de PvdA nu met een verhaal komt dat de multiculturele politieke correctheid wel drie slagen voorbij is.
Inmiddels is duidelijk geworden dat deze dijkdoorbraak op heftige weerstand is gestoten in de PvdA. Bewijs van de grote tweespalt op dit terrein: voorzitter Lilianne Ploumen heeft al moeten toezeggen dat de resolutie zal worden herschreven, en dat daarin meer oog zal komen voor de positieve zonzijdes van multicultureel Nederland. Wordt ongetwijfeld vervolgd.5

MIGRATIEBLUES

Zoals gezegd, steun ik in essentie wel de correctie van PvdA-opvattingen en uitgangspunten, zoals die naar voren komt in de nieuwe resolutie. In termen van achterstallig onderhoud is het cruciaal dat de PvdA haar langdurige verlegenheid en verdeeldheid inzake het immigratie- en integratievraagstuk scherp onder ogen ziet. En dat zij eindelijk eens reageert op de kortsluiting en vervreemding die door het langjarig PvdA-beleid inzake immigratie en integratie optraden met grote delen van haar traditionele achterban.
Cynici en critici ter rechterzijde zullen zeggen dat de PvdA dertig jaar te laat de ogen zijn open gegaan. Nu pas erkent en benoemt ze wat Paul Scheffer ‘de schok van de migratie’ heeft genoemd, een schok voor zowel nieuwkomers als gevestigden. Nu pas erkent de PvdA, opnieuw met dank aan Scheffer, dat de immigratiegeschiedenis in fasen verloopt, van vermijding via conflict tot (hopelijk) normalisering en acceptatie.
Deze erkenning achteraf gaat gepaard met een even ruiterlijk als bescheiden mea culpa voor de blindheid van de (gevestigde) politiek voor de schok van de migratie: ‘Eerlijk is eerlijk, de gevoelens van verlies en onbehagen werden niet erkend door de overheid en de politiek. Pas toen mensen die gevoelens uitschreeuwden werd er geluisterd en - pas toen Pim Fortuyn ze verwoordde - kwam het conflict waar mensen elke dag mee te maken hadden, nadrukkelijk op de politieke agenda.’

Hoe belangrijk en treffend ook, deze erkenning heeft ook iets triests. De resolutie is in deze passages een tragisch document, een afscheidsbrief aan het verloren electoraat. Want voor PvdA-begrippen mogen dit ruige, unverfroren teksten over migratiepijn zijn - vreemde eenden in een decennialang vertoog van politiek correct wegkijken, schuldbewust multiculturalisme en anti-racisme -, het is de vraag of deze woorden wel zullen worden opgemerkt in een land waar zich (onder meer als reactie op het verzaken van de PvdA bij het begeleiden van massamigratie) een populistische opstand heeft afgespeeld. Met het publieke debat als gevolg waar reeds alle registers werden opengetrokken, zowel qua toon als qua inhoud. Lukt het de PvdA met deze late erkenning en bekering om gehoord te worden en gehoor te vinden bij haar weggelopen electoraat? Zal dit nuttige achterhoedegevecht van de PvdA (anderen zullen het zien als een opportunistische invoeging van de PvdA in de post-Fortuyn consensus of zelfs als ‘flirten met Wilders’), nog worden herkend en gewaardeerd? Om een belangrijk voorbeeld te noemen: zal de PvdA erin slagen om, via deze terechte onderkenning van eigen falen en mistasten, alsnog beslissende bruggen te slaan in een stad als Rotterdam, een stad die juist zo dramatisch gespleten is geraakt tussen autochtoon en allochtoon, Leefbaar en PvdA?

TOO MUCH, TOO LATE

Wat dit aangaat betreur ik de tekst en de context van de resolutie toch enigszins. We hebben hier in principe te maken met een cruciale heroriëntatie van de PvdA op wat zij zelf ‘de nieuwe sociale kwestie’ noemt. Zo’n heroriëntatie vraagt om een heel groot gebaar, in termen van politieke en maatschappelijke impact. En ik vrees dat een alleen interne partijtekst, en dan ook nog een tekst die tamelijk ongereflecteerd werd opgeschreven, onvoldoende politieke verleidingskunst en maatschappelijk activerend vermogen met zich mee zal brengen. Dan wreekt zich dat de Ploumen-resolutie niet de uitkomst, laat staan de beslechting, is van een langdurig, diepgaand en breed gevoerd hernieuwd partijdebat over immigratie en integratie, maar eerder een ietwat geforceerde koerscorrectie vanuit het luchtledige. Er ontbreekt maatschappelijke reuring en er ontbreekt degelijk voorwerk.

Wat ontbreekt, ten eerste, zijn politiek-maatschappelijke initiatieven die deze resolutie stutten en begeleiden. Waarom geen brede dialoog gestart met migrantengroepen en organisaties van verbitterde autochtonen? Waarom geen appèl gedaan op de vakbeweging, kerken, bedrijven en sportclubs om mee te tekenen voor het toekomstconcept van een gedeelde toekomst? Waar zijn de nieuwe allianties tussen allochtonen en autochtonen voor een nieuw Nederland, waar is de nieuwe reuring in Rotterdam ten positieve - you name it?
Want het wilde geroep van Wilders vanuit de oppositie te Venlo of het kreupele trotse geluid van Verdonk vanuit haar virtuele partij is een ding, een nieuwe beleidsbenadering van een partij als de PvdA - tot aan haar nek in de alledaagse bestuursverantwoordelijkheid in kabinet en steden; een lastig samengestelde partij met migranten en niet-migranten; een partij die lid is van een grote Europese sociaaldemocratische partijenfamilie - zou van een heel andere orde moeten zijn. Bij zo’n partij mogen nieuwe denkbeelden, opvattingen, teksten en inzichten niet vrijblijvend zijn. Daar moet zo’n koerscorrectie uiterst serieus worden genomen en politiek-maatschappelijke betekenis krijgen door uitwerking tot op het niveau van praktisch handelen voor talrijke beleidsmakers, lokale bestuurders en politici.

Wat, ten tweede, ontbreekt is degelijk voorwerk, een grote studie waarin de verhouding tussen sociaaldemocratie, de immigratiesamenleving en de islam tot op het allerfundamenteelste niveau wordt verkend en onderzocht. Er is in de PvdA ongelooflijk veel gesproken en gedacht over deze thematiek. Daarover bestaat geen twijfel. Zo nu en dan mondde dat uit in enkele (destijds) baanbrekende rapporten, zoals Wisselwerking (deel I en II) van Ed van Thijn en het rapport-Patijn.6 Ook de Wiardi Beckman Stichting (WBS) is een permanente arena geweest voor discussie op dit terrein. Voor en helemaal na de Fortuyn-periode stond Socialisme en Democratie barstensvol stukken. We hadden het Jaarboek Transnationaal Nederland, het Europese WBS-boek The challenge of diversity, plus WBS-studies over immigratie en asiel en over de rechtsstaat.7 Veel van de belangrijkste opinieleiders op integratiegebied kwamen nota bene voort uit kringen van de WBS: van Ayaan Hirsi Ali tot Paul Scheffer, van Arie van der Zwan tot Femke Halsema. Toch is het ook de WBS, mede door interne verdeeldheid, nooit gelukt om het ultieme sociaaldemocratische integratierapport te maken. Een teken aan de wand. Nu is dat rapport er in fragmenten gekomen: in de vorm van het magnum opus van Paul Kalma Links, rechts en de vooruitgang8, in mijn eigen binnenkort te verschijnen boek De wereldburger bestaat niet9 en via de kraamkamer van Monika Sie, de strategische WBS-werkconferenties van politici en experts die mede ten grondslag lagen aan de resolutie.

Toch wreekt zich dit gebrek aan diepere reflectie. Natuurlijk, er is in de resolutie productief geleund op het grote integratiedebat binnen en buiten de PvdA, en op het denkwerk van mensen als Paul Scheffer (‘de schok van de migratie’) en Kees Schuyt (hoe in een rechtsstaat om te gaan met culturele conflicten). Maar er zit in de tekst ook wel iets van de doorgeslagen bekeerling. De tekst is bovenproportioneel vanuit de autochtone migratieblues geschreven. Nogmaals, dat is op zichzelf een zeer terechte correctie op de catastrofale afwezigheid daarvan in de PvdA-boodschap van de afgelopen decennia, maar nu is het een kwestie van too much, too late. Migratie en migranten worden in deze resolutie van de weeromstuit steeds als een gegeneraliseerd probleem neergezet en het snikkend gelijk van wijlen PvdA’ster Karin Adelmund - heel veel migranten doen het ook heel goed - wordt nu nogal onderbelicht, terwijl juist deze pioniersgroep een verzameling vaandeldragers van het nieuwe Nederland zou moeten zijn, die de emancipatie binnen de eigen migrantengemeenschap een beslissende wending kan geven.

Zo ook krijgen culturele kwesties als ‘handen schudden’ en boerka’s, zoals ook bleek uit het interview met Lilianne Ploumen in de vorige Sampol, een enorme nadruk. Opnieuw: het is helemaal terecht dat de PvdA-verlegenheid op dit terrein nu wordt goedgemaakt en dat er voor de PvdA-achterban en lokale bestuurders een soort van beoordelings- en handelingskader wordt aangereikt hoe om te gaan met culturele conflicten in de Nederlandse rechtsstaat. Maar het is niet verdedigbaar dat een ex-marxistische ‘onderbouwpartij’ de sociaaleconomische klassencomponent van het integratievraagstuk zo stiefmoederlijk behandelt in dit strategische beleidsdocument. Werk, onderwijs, opvoeding: die komen in de resolutie pas helemaal achteraan aan bod. Dat is niet logisch, temeer omdat hier een tweede mea culpa node gemist wordt: de grote bestuurlijke overheidspartij PvdA toont zich veel te weinig schuldbewust over het grote falen van Beleidsmakend Nederland (‘ons Nederland’): de aanpak van werkloosheid, schooluitval, criminaliteit, jeugdzorg, inburgering, noem het maar op, het kan en moet allemaal veel beter. ‘Onderwijs en werk zijn de werkelijke emancipatiemachines’, heet het in de resolutie, maar juist op dat elementaire vlak hebben de beleidsmakers van Nederland veel boter op hun hoofd. Er is in de sociale zekerheid en de publieke sector, in het onderwijs en bij de opvoeding stelselmatig niet ‘gehandhaafd’ (zoals dat in het jargon zo vies heet). Nu pas roept men stoer om ‘grenzen te stellen’, maar de integratieproblemen van vandaag zijn voor een niet gering deel terug te voeren op een praktijk van ‘zachte heelmeesters, stinkende wonden’ in het verleden. Daarop ontbreekt zelfreflectie en in de resolutie ontbreken nieuwe inzichten en echte doorbraken, onder gelijktijdige handhaving van te grote ambities en pretenties: ‘De PvdA bestrijdt sociale segregatie.’

Laatste punt: de nadruk in de resolutie op de spanning tussen de Nederlands-westerse rechtsstaat en de islam. Het hele zogenaamde islamdebat is eigenlijk uiterst pijnlijk voor wie zich bewust is van de Nederlandse geschiedenis. Nederland werd als zelfstandige natiestaat geboren uit vrijheid van godsdienst en gewetensvrijheid (denk aan Calvijn, Willem van Oranje en de Unie van Utrecht). Het is even surrealistisch als zorgwekkend dat het nodig blijkt om eeuwen later over de islam precies dat type debat te voeren dat we in Nederland van oudsher juist niet graag voeren, namelijk dat over elkaars geloofsbeleving en religieuze praktijken.
Voor een deel draait het hier om een vergeten en verwaarloosde traditie (daarom is de hernieuwde aandacht voor de vaderlandse geschiedenis van groot belang en is het debunken daarvan als ‘neonationalisme’ oppervlakkig). Maar dit debat heeft helaas ook met de islam zelf te maken. De politieke islam met zijn radicalisering, fundamentalisme en terrorisme noopt tot grote waakzaamheid en strijdbaarheid in de liberale democratische rechtsstaten. Maar ook de hedendaagse meerderheidsopvattingen en praktijken van de islam, orthodoxie en orthopraxis, onderhouden, op zijn zachtst gezegd, een dubbelzinnige relatie met het beginsel van individuele gewetensvrijheid (het recht op geloofsafval) en de vrijheid van godsdienst (de verhouding tot niet- en andersgelovigen).

De islam heeft, om het in de plat-moderne termen van vandaag te zeggen, vooral een reusachtig imagoprobleem, voor een belangrijk deel van eigen negatieve makelij. Nine eleven, de dreiging van terreur en geweld: het lukt de gematigde moslims die zoeken naar een verzoening tussen westerse leefwijze en islam nog niet om tegen de extreme negativiteit die de (radicale) islam aankleeft een voldoende sterk en overtuigend tegenbeeld neer te zetten. Dat is een groot probleem. Zolang die balans niet substantieel verbetert, zullen we geschokt blijven worden door negatieve meningspeilingen over de islam, zoals onlangs nog in het Ispo-onderzoek van de KULeuven. ‘Bijna de helft van de Vlaamse kiezers heeft een uitermate negatieve opvatting over de islam en de moslims’. Grote percentages achten de islam een bedreiging voor Europa en menen dat de meeste moslims geen respect hebben voor de Europese leefwijze en dat de islamitische geschiedenis en cultuur gewelddadiger zijn dan andere culturen. Het slechte imago, het wantrouwen, de angst en de geringe blijken van een matigende Europeanisering van de islam nopen tot een reprise van dit fundamentele debat over rechtsstaat en religie - ook in de PvdA-resolutie, met goede teksten tegen groepsdwang en over het recht op religiekritiek en minder goede teksten over de islamisering van het openbaar onderwijs.

Partijen als de sp.a en de PvdA hebben overigens één voordeel. Wij zijn meer dan anderen proeftuin en pionier, omdat de sociaaldemocratische emancipatiepartijen ook de meest avant-gardistische migrantenpartijen zijn. Dat heeft, anders dan gehoopt, niet direct als een kennis- en ervaringsvoordeel gewerkt in de afgelopen decennia. Althans niet bij de PvdA. De grote participatie van migranten heeft soms ook debatten gedempt, politieke correctheid en angstvalligheid versterkt. Maar er lijkt nu, ook onder invloed van de naargeestige provocatie van de foute partijen, wel sprake te zijn van een nieuwe fase. In Nederland beleven we een doorbraak van toppolitici uit migrantenkring, het cliëntelisme ver voorbij: Ahmed Aboutaleb als burgemeester van Rotterdam; Nebahat Albayrak als kabinetslid. Ook dringen geluiden van progressieve moslims, die zich verzetten tegen groepsdwang en het traditionele keurslijf, steeds meer door binnen de PvdA. Een hoopvol teken.

TER AFSLUITING

Mijn conclusie wat de PvdA-tekst over immigratie en integratie betreft, is dat deze tekst voor de helft aansluit bij deze ontwikkeling, en daarmee voor de helft een geslaagde behandeling van de partijzenuw is. Maar voor de andere helft een tang die de open zenuw net raakt. De conceptresolutie Verdeeld verleden, gedeelde toekomst zal niet het eindverhaal van de Nederlandse sociaaldemocratiehet over integratie en immigratie zijn.

Wat er veel meer nodig is, is een transnationale dialoog over de diverse nationale immigratie- en integratie-ervaringen en hoe deze vanuit het sociaaldemocratisch gedachtegoed tegemoet te treden. Het Vlaamse debat (met zijn ruige aanvaring met het Vlaams Belang) kan daarbij het Nederlandse voeden en vice versa, zoals ook de Franse, Duitse en Scandinavische confrontatie tussen sociaaldemocratie en het immigratievraagstuk van grote betekenis zijn. Nergens gaat het gemakkelijk en vanzelf. Overal heeft de sociaaldemocratie het moeilijk met dit vraagstuk. Het heeft er de schijn van dat de vraagstukken die met immigratie en integratie samenhangen niet gemakkelijk in te passen zijn in haar politieke paradigma: de organisatie van het kapitalisme naar maatstaven van rechtvaardigheid en emancipatie tot volwaardig burgerschap. Bij hun streven naar een dergelijk volwaardig burgerschap voor iedereen stoten sociaaldemocraten op de vragen wat dit burgerschap precies inhoudt en tot welk soort gemeenschap de burgers eigenlijk behoren.

Van oudsher zijn sociaaldemocraten geneigd deze vragen te beantwoorden langs sociaaleconomische, rechtsstatelijke en politiek-democratische lijnen: de gemeenschap waartoe burgers behoren, wordt bepaald door de constitutionele grenzen. Aan de rechtsstaat ontlenen zij bescherming, politieke rechten en verantwoordelijkheden. Hun burgerschap kunnen zij pas waarlijk uitoefenen als zij ook in sociaaleconomische zin voldoende kansen krijgen op ontwikkeling en ontplooiing. Vooral dit laatste element heeft in de sociaaldemocratische traditie altijd zwaar gewogen. Een meer culturele benadering in het gemeenschapsdenken is in de Nederlandse sociaaldemocratie op de achtergrond geraakt.10
Voor het behoud van een sociaaldemocratisch samenlevingsmodel is een herwaardering en heruitvinding van een Nieuw Groot Wij echter onontbeerlijk. In het Amerika van Obama is dat de grote drager van hoop en optimisme; in de door oorlog en nationalisme getormenteerde oude natiestaten van Europa is een nieuw sociaal patriottisme, zeker in linkse kring en zeker in progressief-intellectuele kring een no go-area. Toch zal een samenleving die meer wil zijn dan een procedurele rechtsstaat, maar die ook een solidaire verzorgingssamenleving wil zijn, het op termijn niet kunnen stellen zonder enige gemeenschappelijke, overlappende identiteit en op elkaar betrokken loyaliteit. Dat moet, met vallen en opstaan, de stootrichting van een sociaaldemocratische emancipatie- en integratiepolitiek zijn. Laten de sociaaldemocraten van Europa daarover meer dwingend met elkaar van gedachten wisselen. Om te beginnen in zulke mooie, prikkelende tijdschriften als Sampol.

René Cuperus
Medewerker Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam

Noten
1/ Deze bijdrage verschijnt in andere versie en onder de titel ‘Nagekomen brief voor een verloren electoraat’ in het februari-nummer van Socialisme en Democratie, het maandblad van de Wiardi Beckman Stichting, denktank van de PvdA in Amsterdam.
2/ Patrick Vander Weyden, Koen Abts en Sophie Colpaert, De sp.a-leden doorgelicht. Wie zijn ze en wat denken ze over maatschappij en partij?, in: Samenleving en politiek, nr. 10, december 2008, pp. 13-23.
3/ Ido de Haan, Jan Willem Duyvendak en Ewald Engelen, Het bange Nederland. Pleidooi voor een open samenleving, Amsterdam, Bert Bakker, 2008.
4/ Naar het uiterst boeiende denkboek De malaise van de multiculturaliteit van Wim van Rooy, Acco, 2008.
5/ Zie NRC Handelsblad van 31 januari en het februari-nummer van Socialisme en Democratie, het denkblad van de PvdA, voor dit dispuut.
6/ Commissie-Van Thijn, Wisselwerking. Een visie op interculturaliteit, Amsterdam, PvdA, 1997 (deel I) en 2000 (deel II). Commissie-Patijn, Integratie en immigratie: aan het werk!, Amsterdam, PvdA, 2004.
7/ Frans Becker e.a. (red.), Transnationaal Nederland. Drieëntwintigste jaarboek voor het democratisch socialisme, Amsterdam, WBS, 2002. René Cuperus e.d. (red.), The Challenge of Diversity. European Social Democracy Facing Migration, Integration and Multiculturalism. Friedrich Ebert Stiftung/Renner Institut/Wiardi Beckman Stichting, 2003.
8/ Paul Kalma, Links, rechts en de vooruitgang. Amsterdam, Mets & Schilt/WBS, 2004.
9/ Eind februari verschijnt René Cuperus, De wereldburger bestaat niet, Amsterdam, Bert Bakker. Daarin een groot hoofdstuk over het ‘misverstand van de multiculturele samenleving’ vanuit sociaaldemocratisch perspectief.
10/ Vergelijk daarvoor de speciale uitgave over burgerschap en gemeenschapszin in Nederland van Socialisme en Democratie 1994/6. Zie recentelijk: J. Bussemaker en E. Mastenbroek, De inhoudelijke vernieuwing van de PvdA. Terug naar gemeenschapsidealen, in: Socialisme en Democratie, 2002/7-8, pp. 22-30.

immigratie - integratie - PvdA - sp.a - sp.a-leden

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 15