Abonneer Log in

De efficiënte overheid geanalyseerd

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 4 (april), pagina 4 tot 14

Doordat werkgeversorganisaties, gekleurde denktanks en ook de media het efficiëntiedebat in belangrijke mate hebben weten te monopoliseren, is het debat omtrent de efficiënte overheid in een taboesfeer terechtgekomen. Willen we onze overheid werkelijk klaarstomen voor 2020, dan moeten de oogkleppen afgenomen worden en moet er dringend een gefundeerd debat plaatsvinden over de efficiënte overheid. De statistieken omtrent de overheidsomvang onderstrepen overigens de noodzaak om de personeelsaantallen van dit debat deel te laten uitmaken.

DE ROEP NAAR EEN EFFICIËNTE OVERHEID

Efficiëntie binnen de overheid lijkt wel het nieuwe modewoord te zijn. De efficiënte overheid staat hoog op de agenda in de overheden van de meeste Westerse landen. De Vlaamse overheid vormt hierop geen uitzondering. Tegenwoordig is er geen beleidstekst meer zonder verwijzing naar de doelstelling van een efficiëntere en slagvaardigere overheid. Ook het Vlaanderen in Actie-project dat onze regio tegen 2020 in het koppeloton der Europese regio’s moet fietsen, identificeerde onlangs een slagkrachtige overheid nog als een fundamentele pijler van een groeiende en bloeiende staat.
Historisch gezien zijn er een aantal factoren die de roep om efficiëntie hebben weten te voeden. Zo is er de evolutie van de steeds mondiger wordende burger, die zijn overheid meer en meer aansprakelijk stelt voor haar daden (Pollitt & Bouckaert, 2004). Voor die overheid betekent dit dat ze verantwoording moet afleggen voor wat ze presteert met de middelen die ze ter beschikking heeft. De hardwerkende burger stelt zich in stijgende mate vragen bij wat er met zijn of haar belastingsgeld gebeurt en spreekt de overheid daar ook op aan.
Gekoppeld aan deze emancipatie van de burger, knaagt ook het dalende vertrouwen in (overheids)instellingen van diezelfde burger aan de overheid (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2007). De overheid probeert hierop in te spelen door goed bestuur, optimale dienstverlening en efficiënte interne werking als belangrijke doelstellingen naar voren te schuiven. Op die manier hoopt ze de klantentevredenheid op te krikken, alsook het wantrouwen bij de burger weg te werken.
Voorts worden politieke en ambtelijke corruptieschandalen in de publieke sector eveneens vaak geciteerd als drijvende kracht achter de beweging van de overheid in de richting van een efficiëntere werking (Pollitt & Bouckaert, 2004). Schandalen vormen in dit kader vaak de druppel die de emmer doet overlopen, wat verandering en efficiëntere werking in de hand werkt.
Voor de overheid in ons land speelt de kwestie van legitimiteit ook geen onbelangrijk onderdeel van het efficiëntiestreven. Een periodieke stroom van kritische studies uit werkgevers- en andere hoeken, dwingt de overheid bijna op permanente basis antwoorden te formuleren op negatieve kritieken dat de overheid niet voldoende efficiënt zou werken, dat er te veel ambtenaren zouden zijn en dat de productiviteit binnen de publieke sector te wensen zou overlaten (Delbeke et al., 2009).
Ook de zogenaamd objectievere studies van diverse internationale organisaties laten doorgaans een gelijkaardig geluid horen. Zo maken diverse internationale organisaties, ngo’s en commerciële adviesbureaus op periodieke basis rankings op die landen met elkaar vergelijken op het vlak van de overheidswerking. België bevindt zich doorgaans op niet lovenswaardige plaatsen in dergelijke internationaal-vergelijkende onderzoeken (Van Roosbroek & Van Dooren, 2006).
De ‘objectiviteit’ van deze studies kan echter ter discussie gesteld worden, aangezien de gerenommeerde naam van tal van deze initiatiefnemende internationale organisaties zich in veel gevallen niet weerspiegeld ziet in de kwaliteit van de voortgebrachte studies. De vaststelling van een (al dan niet) efficiënte overheid berust doorgaans op losse fundamenten. De indicatoren zijn in veel gevallen van subjectieve aard, wat niet meer wil zeggen dan dat bedrijfsleiders en - lang niet altijd neutrale - experts een beoordeling opmaken van de werking van het administratieve apparaat en dit als basis hanteren voor de landenscore voor de meting van ‘de efficiënte overheid’. Daarenboven zijn de indicatoren vaak sterk economisch getint, zijn de survey samples te klein en is de vergelijkbaarheid tussen de landen in veel gevallen hoogst twijfelachtig (Luts et al., 2008b).

Afhankelijk van de bron komt België in deze studies voor wat haar overheidsefficiëntie-gehalte betreft op de volgende positie terecht: 16e op 212 landen volgens de Worldwide Governance Indicators (World Bank Institute), 55e op 131 landen volgens de Global Competitiveness Index (World Economic Forum), 42e op 55 landen in het World Competitiveness Yearbook (International Institute for Management Development) en 21e op 23 landen in de Public Sector Performance-studie (European Central Bank). Geen al te fraai rapport dus voor de Belgische overheid.
Ondanks het feit dat deze rankings met de nodige kritische zin moeten worden bekeken, zetten ze onze overheid wel onder druk om op deze studies te reageren. De media maken er immers nieuws van en de oppositie laat het niet na ze als munitie te gebruiken. De overheid kan dit niet zomaar over zich heen laten gaan en zal zich verleid voelen een zichtbaar efficiëntiebeleid te voeren.
Tot slot is er natuurlijk het financiële incentief om efficiënter te gaan werken. Veel efficiëntieprogramma’s zijn immers verdoken of onverdoken besparingsprogramma’s. Het opstarten ervan vindt niet zelden zijn oorzaak in de nood aan extra budgettaire ruimte om de begroting rond te krijgen of in de hoogdringendheid financiële middelen vrij te maken voor nieuwe beleidsmaatregelen (Luts et al., 2009a). De budgettaire druk op de overheid zal er in de huidige tijden van economische crisis overigens niet minder op worden. Het oplopende begrotingstekort en de dalende belastingsinkomsten zullen de roep om efficiënter werken verder aanwakkeren.

QUID EFFICIËNTE OVERHEID?

Het is duidelijk, het efficiëntiedebat wordt volop gevoerd op diverse niveaus. Het wordt echter te eng gevoerd, en dat in twee richtingen (Luts et al., 2009b).
Langs de ene kant wordt het debat te eng gevoerd in de zin dat efficiëntie vanuit bepaalde strekkingen te eenzijdig belicht wordt. Doordat werkgeversorganisaties, gekleurde denktanks, belanghebbende politieke partijen en ook de media het efficiëntiedebat in belangrijke mate hebben weten te monopoliseren, is een efficiëntere overheid al snel gaan klinken als een slankere overheid. Het efficiëntievraagstuk wordt op deze manier verengd tot het ambtenarendebat. Verder dan een opbod van te dumpen ambtenaren komt men daarbij niet meer. Dit zorgt er bovendien voor dat het efficiëntiedebat in een taboesfeer verzeild is geraakt. De efficiënte overheid moet echter over meer gaan dan personeelsaantallen alleen. Een gefundeerd debat moet zich ook buigen over wat de overheid met haar inzet van middelen kan en moet bereiken. Efficiëntie is niet enkel input, maar ook output. De kwaliteit van de dienstverlening aan de burger zou daarbij centraal moeten staan.
Langs de andere kant wordt het debat ook te vaag gevoerd. Binnen de administratie wordt het debat doorgaans gevoerd zonder personeelsaantallen mee te nemen. De sloganeske taal in verband met ambtenarenreducties heeft immers een averechtse situatie voortgebracht. Het efficiëntiedebat is zo al snel vergleden tot een debat waarin vooral niet meer over personeel mocht worden gesproken. Het opnemen van de personeelsfactor binnen een breed efficiëntiebeleid lijkt zo een taboe geworden te zijn.

Tegen deze achtergrond heeft het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen (www.steunpuntbov.be) begin 2008 een onderzoek opgestart met het oog op een wetenschappelijke analyse van het efficiëntiedebat in de Vlaamse overheid. Deze studie, afgerond begin 2009, roept op uit de taboesfeer te stappen en een breed debat te voeren. Dit is een reactie op de verenging van het efficiëntiedebat in de richting van ambtenaren-bashing binnen bepaalde strekkingen enerzijds en het stilzwijgen van de overheidsomvang in andere geledingen anderzijds. Om hier uit te geraken moet efficiëntie in de brede zin van het woord opgevat worden, wat neerkomt op het overstijgen van kostenefficiëntie en het opnemen van kwaliteit in de input/output-ratio.
Bovendien mag efficiëntie niet losgekoppeld worden van andere kwaliteitsmaatstaven. Niet in het minste moeten efficiëntie en effectiviteit in deze discussie hand in hand gaan. De dingen moeten niet alleen goed gedaan worden (efficiëntie), het is ook nodig de goede dingen te doen (effectiviteit). Om deze laatste vraag te beantwoorden moet er echter een debat opgestart worden omtrent de taken van de overheid. Het kerntakendebat - over wie wat op zich moet nemen - en een inhoudelijk - en onlosmakelijk normatief - vraagstuk over de prioritaire taken van de overheid, zijn hier op zijn plaats.
Een interessant vertrekpunt in deze discussie is de typologie die Christopher Hood hanteert (Hood, 1991). Deze bestuurskundige onderscheidt drie soorten van kwaliteitscriteria om het presteren van overheden te evalueren. Het aftoetsen van beleidsopties aan de criteria uit de verschillende categorieën laat toe alternatieven op een systematische en integrale wijze te evalueren. Dit kan de debatten over de rol van de overheid, een efficiëntiebeleid en de visie voor het personeelsbeleid van de overheid verbreden en verrijken.
Criteria van de eerste soort of sigma-criteria, zoals doelmatigheid, efficiëntie en zuinigheid, evalueren het bestuur op haar functionele kwaliteiten. De evaluatie voor het procedurele niveau gebeurt voornamelijk aan de hand van theta-criteria. Voorbeelden van deze criteria zijn transparantie, klantgerichtheid en de mate van rechtsbescherming. De derde soort criteria ten slotte, de lambda-criteria, evalueren de besturende overheid op het basisniveau, dit wil zeggen als regime. Tot de lambda-criteria behoren onder meer diversiteit, duurzaamheid, robuustheid en het open en lerend karakter van de overheid.
Een evenwichtige interpretatie van het prestatieniveau van de overheid kenmerkt zich door het in rekening brengen van elk van dit soort criteria (zie Tabel 1). Een harde prestatie-indicator zoals efficiëntie moet worden geflankeerd door andere - voor een overheid belangrijke - kwaliteitsmaatstaven. Zo is het goed ook onder meer transparantie, diversiteit, integriteit, accountability en zuinigheid mee te nemen in een open debat.

AMBTENARENAANTALLEN ALS ONDERDEEL VAN HET EFFICIËNTIEDEBAT

Ook tegen de teneur om personeelsaantallen uit het debat rond overheidsefficiëntie te weren, wilden we reageren. Het efficiëntiedebat wordt immers niet alleen te eng gevoerd in de zin van een gelijkstellen van efficiëntie aan afslanking, in bepaalde kringen worden de personeelsaantallen volledig over het hoofd gezien. De personeelsfactor binnen het efficiëntiedebat zou echter dringend gedepolemiseerd moeten worden, zodat er plaats gecreëerd wordt voor een op objectieve gegevens gebaseerd debat. De personeelskost maakt nu eenmaal een aanzienlijk deel uit van de overheidsinput (Van dooren & Janvier, 2008). Efficiëntie is meer dan het tellen van personeelsleden, maar het is ook het tellen van personeelsleden.
Dat de ambtenarenaantallen niet terzijde kunnen worden geschoven in het hele efficiëntiedebat wordt overigens verder in de verf gezet door de omstandigheden waarin onze overheid zich de dag van vandaag bevindt. Zo legde de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) onlangs nog in een ophefmakende HRM-review de vinger op de wonde door te stellen dat de aanhoudende groei van de overheden in ons land op termijn problematisch zal worden (Public Employment and Management Working Party, 2007).
Ook als we een blik werpen op de situatie van de overheid in onze buurlanden kunnen we concluderen dat een efficiëntieprogramma met aandacht voor personeelsaantallen haast onontkoombaar is. Zo heeft Balkenende in Nederland het Programma Vernieuwing Rijksdienst opgezet met als hoofddoel tegen 2011 op centraal niveau een kleine 13.000 ambtenaren minder te tellen (Nederlandse regering, 2007; Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2007). Dit opzet kadert in het efficiëntietraject ‘naar een kleinere en betere Rijksdienst’.
Aan de hand van een reeks bovendepartementale, interdepartementale en departementale plannen en maatregelen zal er binnen de Rijksdienst naar gestreefd worden meer met minder te doen. Daarbij wordt wel vooropgesteld dat de personeelsreductie absoluut niet gepaard mag gaan met een verlies van kwaliteit op vlak van dienstverlening. Zo worden de Uitvoeringsambtenaren (die onderscheiden worden van Ondersteuning, Beleid en Inspectie), die direct bezig zijn met taken voor de burger, relatief gezien gespaard in het differentieel taakstellingsschema (zie Tabel 2).

In het Verenigd Koninkrijk maakt het efficiëntiestreven al langer deel uit van het overheidsbeleid (Delbeke et al., 2008). Ook daar is men het thema van de personeelsaantallen niet uit de weg gegaan. Ten gevolge van het grootschalige Gershon Efficiency Programme werd onlangs nog een inkrimping van de administratie met een goede 86.000 posten afgerond (zie Tabel 3). Ook de Britse regering houdt binnen deze programma’s nauwgezet in het oog dat de dienstverlening niet in het gedrang komt. ‘Releasing resources to the front line’ is de leuze achter het efficiëntietraject. Vrijgekomen middelen (personeel + financiën) moeten worden ingezet om de burger beter ter dienste zijn.

De geschetste factoren en evoluties sterken ons in de stelling dat personeelsaantallen moeten worden meegenomen in het efficiëntiebeleid van de Vlaamse overheid. In wat volgt zal de personeelsfactor binnen het efficiëntiedebat verder worden uitgewerkt.

AMBTENAREN TELLEN

Een breed efficiëntiedebat - het ambtenarendebat overstijgend, maar toch met aandacht voor personeelsaantallen - is gebaat bij het hebben van harde gegevens. Indicatoren en data met betrekking tot zowel de input, het proces als de output zijn nodig om een objectief debat te kunnen voeren over de werking van de administratie. Over welke middelen (personeel, financiën) beschikt de overheid, hoe verlopen de processen (aantal stappen, wachttijden) en wat is de kwantiteit en de kwaliteit van de afgeleverde producten en diensten?
Outputindicatoren op het vlak van de performante overheid zijn het onderwerp van een eeuwig debat. Objectieve variabelen hiervoor vinden blijkt geen sinecure en de vaak gebruikte subjectieve metingen zijn verre van probleemloos. Ook het gebruik van procesindicatoren alleen is niet verreikend genoeg. Mede door het gebrek aan andere indicatoren, is er vaak een (te grote) focus op input, en dan nog vooral op de personeelsfactor daarbinnen.
Er bestaat momenteel echter nog te veel controverse rond de ambtenarenstatistieken. Er wordt gegoocheld met cijfers en ambtenarenaantallen worden soms à la carte samengesteld om een bepaald standpunt kracht bij te zetten. Zowel binnenlandse studies als internationale benchmarks bezondigen zich op dit vlak soms aan natte vingerwerk.
Omdat we binnen het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen overtuigd zijn van het feit dat een gefundeerd efficiëntiedebat start (maar zeker niet eindigt) bij het ter beschikking hebben van objectieve ambtenarenstatistieken, hebben we in 2008 een efficiëntiestudie met aandacht voor de personeelsomvang binnen de overheid opgezet. Doel van deze studie was het in kaart brengen van de ambtenarenstatistieken binnen de Vlaamse overheid (en andere overheden in ons land) en dit te kaderen in het efficiëntievraagstuk van vandaag. Want pas wanneer er eensgezindheid bestaat over de aantallen en achtergrondkenmerken van ons ambtenarenapparaat kan een inhoudelijk debat starten over de toekomst van onze overheid. Overigens, indien men personeel wil meenemen in een efficiëntiedebat, dan moeten er objectieve data ter beschikking zijn met betrekking tot het ambtelijk apparaat. De state of urgency ten aanzien van de personeelsevolutie in onze overheid zou bovendien een belangrijke factor kunnen spelen in het efficiëntiedebat.

Ons onderzoeksobjectief om het aantal en de kenmerken van de ambtenaren in ons land in kaart te brengen, startte met de vaststelling dat er voor België geen geconsolideerde data bestaan. Er is geen officiële instantie die een overzicht heeft van hoe groot de publieke sector in ons land juist is, van hoeveel ambtenaren België precies telt. Dit is in eerste instantie een gevolg van de verschillende methodologieën die de verschillende overheden in ons land gebruiken om hun ambtenarenbestanden in kaart te brengen. Ambtenarenstatistieken zijn immers in grote mate afhankelijk van de telmethode en van het toepassingsgebied dat voor de overheid gebruikt wordt. Waar wordt de overheid afgelijnd en wie wordt er meegeteld en voor hoeveel?
Aangezien er bijna evenveel telmethoden en kaders bestaan als dat er overheden in ons land zijn, hebben we de statistieken per overheid weergegeven. De telmethode en het toepassingsgebied komen daarbij steeds overeen met de methodologie die de overheid in kwestie hanteert.
Dit zorgt ervoor dat de ambtenarenstatistieken voor Vlaanderen, voor het federale niveau, voor het Waalse Gewest, voor de Franse Gemeenschap, voor de Duitstalige Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor de Gemeenschapscommissies (VGC, COCOF, GGC/COCOM) en voor de lokale besturen op zich moeten worden beoordeeld en dat elke onderlinge vergelijking uit den boze is.
Aangezien we voor een efficiëntere Vlaamse overheid vooral geïnteresseerd zijn in de personeelsstatistieken van diezelfde Vlaamse overheid, lijsten we hiervan de belangrijkste resultaten op. Voor de Vlaamse overheid zijn er diverse kaders denkbaar om het aantal ambtenaren te tellen. Zo is er het toepassingsgebied van Interne Audit (bevoegdheidsdomein van de audit van interne controlediensten), of van het sectoraal akkoord. Ook het bevoegdheidsdomein van het Rekenhof (externe audit op interne controlediensten) kan als basis dienen voor een begrenzing van de Vlaamse overheid.
De twee voornaamste kaders voor het aflijnen van de Vlaamse overheid zijn echter DVO (Diensten Vlaamse Overheid) en ESR95 (Europees Stelsel van Rekeningen 1995) (Departement Bestuurszaken, 2008) (zie Figuur 1). Daar waar het laatste kader overeenkomt met een typologie van Eurostat op basis van een differentiatie van economische actoren, komt het DVO-kader overeen met het toepassingsgebied van het raamstatuut (uniform personeelsstatuut onder Vlaamse ambtenaren). Het feit dat de Vlaamse overheid een duidelijke keuze maakt voor deze twee kaders is al een stap in de goede richting, een stap in de richting van consistente, betrouwbare en gelegitimeerde statistiekverzameling op het vlak van personeel binnen de Vlaamse overheid.

Figuur 1: Verhouding toepassingsgebieden Vlaamse overheid

Bron: Delbeke et al., 2009

De resultaten van deze datagaring bevestigen de her en der gesuggereerde stijgende evolutie van het aantal ambtenaren in ons land. Zo steeg het aantal personeelsleden binnen de Vlaamse overheid het laatste decennium bijna onophoudelijk (de wervingsstop in 2004 zorgt voor een kleine knik). Indien men de oude categorisering van Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Vlaamse Wetenschappelijke Instellingen en Vlaamse Openbare Instellingen behoudt, komen we uit op een stijging van het aantal personeelsleden met bijna een vijfde (18%) in de periode 2000-2007 (zie Tabel 4).

Naast de aanhoudende groei van het personeelsaantal binnen de Vlaamse overheid is ook de uitdijende vergrijzing en ontgroening binnen de ambtenarij een belangrijke factor in het efficiëntiedebat. De statistieken wijzen uit dat binnen dit en vijftien jaar ongeveer de helft van het huidige ambtenarenkorps op pensioen zal zijn. Deze grote uitstroom houdt risico’s en kansen in.
Enerzijds zal het tot een probleem leiden van verlies aan kennis en ervaring. De krapte op de arbeidsmarkt zal er mede voor zorgen dat de vraag niet zal zijn of we deze grote uitstroom wel willen vervangen, maar of we ze überhaupt kunnen vervangen. Een accuraat competentiemanagement, een doorgedreven rekruteringsbeleid en een people management op maat zullen de instrumenten zijn om hierop in te spelen.
Anderzijds biedt de vergrijzing van de ambtenarij ook een window of opportunity in het kader van een efficiëntiebeleid. De onophoudelijke roep om efficiëntie, de ontwikkelingen op het vlak van ICT en de toenemende budgettaire druk op de overheid zullen er immers samen voor zorgen dat er in de toekomst meer met minder zal moeten worden gedaan. De grote natuurlijke uitstroom binnen de Vlaamse overheid zou in dit kader aangegrepen kunnen worden om de slogan ‘meer met minder’ kracht bij te zetten. Zonder naakte ontslagen, maar met een personeelsbeleid waarin flexibiliteit en mobiliteit een belangrijke plaats krijgen. De vergrijzingsgolf zou er voor kunnen zorgen dat dit de dag van vandaag kan gebeuren met een minimale inspanning, tegen een minimale kost.

NAAR EEN EFFICIËNTIEPROGRAMMA VOOR DE VLAAMSE OVERHEID

De aanhoudende groei van het aantal ambtenaren binnen de Vlaamse overheid, gecombineerd met de stijgende vergrijzing en ontgroening van de ambtenarij onderstrepen de noodzaak van een accuraat efficiëntiebeleid mét aandacht voor personeelsaantallen. Het is dan ook een punt dat hoog op de agenda zou moeten staan voor een nieuwe Vlaamse regering na de verkiezingen van 7 juni.
Als aanzet voor een efficiëntieprogramma hebben we in ons onderzoek voor het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen een reeks aanbevelingen gedaan, die kunnen meegenomen worden in het efficiëntietraject van de toekomst (Luts et al., 2008a). Kort samengevat komt het neer op een oproep een breed efficiëntiedebat te voeren, zonder oogkleppen en met een in overweging name van de personeelsaantallen. Hiertoe kan de Vlaamse overheid best een overheidsbreed efficiëntieprogramma opzetten met de nodige financiële middelen, de noodzakelijke politieke en ambtelijke steun en een functionele governancestructuur. De concrete aanbevelingen werden in vier clusters onderverdeeld (zie Tabel 5).

In een eerste reeks aanbevelingen doen we een oproep het efficiëntiedebat in brede zin op te vatten. Het ambtenarenvraagstuk is een onderdeel van de efficiëntiediscussie, maar mag er niet mee gelijkgesteld worden. Ook aspecten zoals de kwaliteit van dienstverlening en de sociale taak van de overheid moeten mee in rekening genomen worden. In een tweede reeks benoemen we de hefbomen die aangewend kunnen worden in een efficiëntieprogramma. De vergrijzing biedt momenteel een window of opportunity in de context van de efficiënte overheid. De kracht van een meerjarig budgettair systeem en de actieve betrokkenheid van zowel de politiek, als de top van de ambtenarij komen elk efficiëntieprogramma ten goede. In een derde reeks duiden we de kenmerken van een sterk efficiëntieprogramma. We behandelen hier onder andere de noodzaak aan een duidelijke timing, een functionele governancestructuur en een uitgekiende communicatie-strategie. In een vierde reeks tot slot adviseren we om het efficiëntiestreven te bestendigen. Een efficiëntieprogramma mag niet beperkt blijven tot een eenmalige operatie zodat kan worden gekomen tot een duurzame efficiënte overheid die ook haar sociale rol niet uit het oog verliest.

Maarten Luts
Prof. Dr. Annie Hondeghem
Instituut voor de Overheid, K.U.Leuven

Bibliografie
- Delbeke K., Hondeghem A. & Bouckaert G. (2008). De efficiënte overheid geanalyseerd: Casestudie Verenigd Koninkrijk, Leuven, Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen.
- Delbeke K., Luts M., Hondeghem A. & Bouckaert G. (2009). De Efficiënte Overheid geanalyseerd: Situering van het debat, Leuven, K.U.Leuven.
- Departement Bestuurszaken (2008). Bijlage 3: Duiding bij afbakening van de Vlaamse overheid volgens ESR-criteria en bij keuze voor personeelscapaciteit, Brussel.
- Hood C. (1991). A public management for all seasons. Public administration, 69, pp. 3-19.
- Luts M., Delbeke K., Hondeghem A. & Bouckaert G. (2008a). De efficiënte overheid geanalyseerd: Synthese en aanbevelingen, Leuven, Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen.
- Luts M., Hondeghem A. & Bouckaert, G. (2009a). De Efficiënte Overheid geanalyseerd: Naar een kleinere en betere Nederlandse overheid, Leuven, K.U.Leuven.
- Luts M., Hondeghem A. en Delbeke K. (2009b). Hoe efficiënt is de overheid?, De Morgen.
- Luts M., Van dooren W. & Bouckaert G. (2008b). Internationale vergelijkingen vergeleken: Een meta-analyse van rangschikkingen van publieke sectoren, Leuven, K.U.Leuven.
- Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2007). Nota Vernieuwing Rijksdienst.
- Nederlandse regering (2007). Regeerakkoord: Samen werken, Samen leven.
- Pollitt C. & Bouckaert G. (2004). Public management reform. A comparative analysis. New York, Oxford University Press.
- Public Employment and Management Working Party (2007). OECD review of government human resource management in Belgium (Brussels Capital Region, Federal Government, Flemish Government, French Community, Walloon Region).
- Treasury, HM (2008). 2004 Spending Review: final report on the efficiency programme.
- Van dooren W. (2006). Goed openbaar bestuur als kennisobject van de bestuurskunde.
- Van dooren W. & Janvier R. (2008). Wat kosten onze ambtenaren? Een internationaal vergelijkende analyse van de kostprijs van het personeel in de publieke sector. Tijdschrift voor Sociaal Recht.
- Van Roosbroek S. & Van Dooren W. (2006). Meten is weten!/? België/Vlaanderen in internationale indicatoren en indices, Leuven, Instituut voor de Overheid.
- Meer info: www.steunpuntbov.be

overheid - efficiëntie - ambtenaar

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 4 (april), pagina 4 tot 14