Log in

Politieke peilingen in de media: fictie of frictie?

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 4 (april), pagina 44 tot 53

Peilingen vertalen individuele opvattingen in een collectieve publieke opinie, maar indien dit op een gebrekkige en vertekende wijze gebeurt, ontstaat een misleidend beeld dat afwijkt van de werkelijke zorgen van de bevolking.  Door het rapporteren van deze peilingen in de media wordt fictie gecreëerd.

INLEIDING

Onderzoek naar wat in de publieke opinie leeft is niet zo eenvoudig als het lijkt. Men moet niet alleen over de kennis, ervaring en kunst beschikken om de vragen en de antwoordalter­natieven op een adequate wijze te verwoorden, maar bovendien moet men over het nodige statistische inzicht beschikken om op een correcte en betrouwbare wijze uitspraken over opi­nies in de bevolking te doen. Wij krijgen de indruk dat in de media tegenwoordig geen onder­scheid gemaakt wordt tussen betrouwbaar gemeten opinies en voorkeuren bij de bevolking enerzijds en fictie anderzijds. Meer zelfs, het lijkt erop dat de media zelf duchtig bijdragen tot het creëren van deze fictie. Bij de berichtgeving over resultaten van peilingen blijkt het element ‘sensatie’ een hoge waarde te hebben, zodanig zelfs dat correcte berichtgeving soms moet wijken voor sensationele koppen die bij het lezen van het onderzoeksverslag pertinent onjuist blijken te zijn. In de hier volgende reflecties over de waarde van peilingen over politieke thema’s, vooral kiesintenties, in de media zullen deze inleidende beweringen onderbouwd worden en zullen enkele stellingen verdedigd worden. Bij de drie stellingen die we zullen verdedigen, willen wij ons beperken tot peilingen over stemintenties, maar dan in de brede betekenis van het woord. Wij hebben het niet enkel over de vraag voor welke partij men zou stemmen indien er ver­kiezingen zouden zijn. Ook peilingen naar politieke voorkeuren en naar de mate waarin be­paalde thema’s (zouden) meespelen bij het maken van politieke keuzes zijn hier aan de orde.

Impliciet hebben de stellingen betrekking op het onderscheid tussen enerzijds opiniepei­lingen waarvan de resultaten tot ons komen via dagbladen, magazines, het nieuws op radio en televisie, en anderzijds wetenschappelijk opinieonderzoek. Bij verschillende gelegenhe­den werden de criteria van onderscheid uitvoerig behandeld.1 We zullen dit hier niet herhalen maar terloops wel enkele van de criteria toepassen in zoverre ze relevant zijn voor de stellingen. Er wordt niet beweerd dat peilingen die door de media worden opgezet vanuit het oogpunt van de be­trouwbaarheid volledig waardeloos zouden zijn. Af en toe is men wel eens aangenaam verrast, maar dit gevoel overheerst helaas te zelden. Denk bijvoorbeeld aan de ‘De grote moslim­enquête’ in Humo van eind 2007 (30/11-6/12). Op het eerste zicht zeer interessant maar dit delicate thema werd gepeild via het internet. Wat ook nog wordt prijsgegeven, is dat de enquête werd gehou­den onder 581 inwoners van Noord-Afrikaanse of Turkse afkomst die tussen 15 en 45 jaar oud zijn, die in Vlaanderen, Brussel en Wallonië wonen. Hoe betrouwbaar zijn de gevonden sensationele verschillen op het gebied van godsdienstigheid tussen cohorten moslims? Drie collega’s van de Universiteit van Hasselt die onderzoek uitvoerden naar opinies en gedragin­gen van moslims besluiten hun kritische commentaar als volgt: ‘het komt ons voor dat de gepercipieerde hogere religiositeit bij jonge moslims veeleer samenhangt met de aard van de gebruikte selectie- en meettechnieken dan met kennis over vermeende ontwikkelingen in de moslimgemeenschap zelf’.2 Ik zou niet beter kunnen verwoorden wat de achillespees is van mediapeilingen. Sensationele vondsten zijn meer het resultaat van de gebruikte methode dan van wat zich in de werkelijkheid afspeelt. Men noemt dit ‘bias’ in de vakliteratuur. Waarom zich daar zorgen over maken?

Peilingen vertalen individuele opvattingen in een collectieve publieke opinie, maar dit kan op een gebrekkige en vertekende wijze gebeuren waardoor een misleidend beeld ontstaat dat afwijkt van de werkelijke zorgen van de bevolking. Er wordt doorgaans ook geen onderscheid gemaakt tussen de opinies van burgers met sterke gevoelens over de thema’s (sterke attitudes) en de brede middenmoot met weinig uitgesproken meningen die toch antwoorden produceren. Precies omwille van het gevaar dat de publieke opinie door resultaten van peilingen gema­nipuleerd wordt en de overheid op een verkeerd been gezet wordt, is het correct, betrouwbaar en geldig meten van opinies een dwingende plicht.

DE TOENAME VAN BERICHTEN OVER OPINIEPEILINGEN SINDS 2000

In onze onderzoeksgroep wordt onderzoek verricht naar de rapportering over opiniepeilin­gen in de Vlaamse kranten van 2000 tot en met 2006 en naar de mogelijke invloeden van peilingresultaten op de opinies in de bevolking (Sonck, 2007; Sonck & Loosveldt, 2008a; Sonck & Loosveldt, 2008b). Over dit laatste op het einde een woordje meer. Dit is een allesbehalve eenvoudige kwestie. Er wordt een enorme toename vastgesteld in het aantal krantenbijdragen dat focust op opiniepeilingen (dit wil zeggen dat ten minste 60 percent van de artikeltekst gerelateerd is aan nieuws over peilingen), namelijk van 124 bijdragen in 2000, naar 668 in 2006 (zie Figuur 1; Sonck & Loosveldt, 2008a: 493).

Figuur 1. Evolutie van artikels in de Vlaamse kranten met opiniepeilingen als focus

Bron: Sonck & Loosvemdt; 2008a

Hoewel het aantal artikels dat substantieel over peilingen rapporteert gestegen is, blijkt het percentage van de berichten die op verkiezingspeilingen focust eerder stabiel te zijn gebleven in deze periode. In de verkiezingsjaren richt ongeveer 45% van de peilingberichten zich op de rapportering van verkiezingspeilingen naar stemintenties en de populariteit van politici. Bovendien pieken in verkiezingsjaren de artikels over opiniepeilingen tijdens de pre-electorale maanden, om na de verkiezingsdag weer vlug te dalen (Sonck & Loosveldt, 2008a: 495). Dit is duidelijk te zien in Figuur 2.

Figuur 2. Publicatie van krantenartikels over peilingen tijdens verkiezingsjaren

Bron: Sonck 2007

Deze toename van peilingen over allerhande onderwerpen, en de berichtgeving daarover, is mede het gevolg van de be­schikbaarheid van het internet waardoor snelle en relatief goedkope webenquêtes mogelijk zijn bij grote aantallen ondervraagden. De betrouwbaarheid van zulke onderzoeken daalt na­venant omdat het dan vaak om onderwerpen gaat waarvoor dit medium vooralsnog ongeschikt is.3 Het lijkt er echter op dat het beoordelen van de betrouwbaarheid van peilingen in de media steeds moeilijker wordt. In het reeds vermelde onderzoek naar peilingpublicaties werd ook de rapportering van noodzakelijk geachte tech­nische informatie over de peilingen in de media onderzocht. Daaruit blijkt op overtuigende wijze dat de informatie over de steekproef, die nodig is om zich een oordeel over de waarde ervan te kunnen vormen, sterk is afgenomen tussen 2000 en 2006, of vaak zelfs helemaal ontbreekt (Sonck, 2007; Sonck & Loosveldt, 2008a: 495-496). In slechts een gering aantal artikels is er informatie over de sponsor (in 18,2% van de peilingartikels vermeld), de bedoelde populatie (6,6%), het soort steekproef (2,6%), de methode (12,5%), de periode (9,2%) en de gestelde vragen (3,9%) (Sonck & Loosveldt, 2008a: 495). Bovendien blijkt de vermelde peilinginformatie niet altijd even correct te zijn. Hoewel bij peilingen over stemintenties bijvoorbeeld wel vaak de betrouwbaarheidsmarge wordt weergegeven, wordt deze betrouwbaarheid steeds overschat omdat geen rekening gehouden wordt met typische kenmerken van de steekproef en met de zogenaamde non-respons.4

Alvorens de stellingen voor te leggen nog een woord over de verschillende sta­dia in de productie van de publieke opinie door de media. De op peilingen gebaseerde pu­blieke opinie wordt gemaakt op minstens drie niveaus. Op elk van die niveaus kan er wat misgaan: het onderzoeksbureau dat de peiling uitvoert en rapporteert, de verslaggever die de resultaten vertaalt in het medium en de eindredactie die voor de koppen instaat. Omwille van de geringe prijs die de opdrachtgever maar wenst te betalen, omwille van de druk om op korte termijn veel gegevens te produceren, en ook soms wel omwille van beperkt inzicht in statis­tiek vertonen mediapeilingen geregeld ernstige gebreken. Zelfs ernstig uitgevoerd onderzoek kan verkeerd in de media verschijnen. Omwille van het sensationele karakter zegt een kop in een dagblad soms precies het omgekeerde van wat gevonden werd.

DE GERINGE NIEUWSWAARDE VAN PEILINGEN NAAR STEMINTENTIES

Er wordt in de politieke wereld door velen met interesse uitgekeken naar het verschijnen van de driemaandelijkse peilingen over stemintenties, ook al zeggen velen, vooral de verliezers, er weinig waarde aan te hechten. Onze eerste stelling luidt als volgt:

Peilingen naar de kiesintenties hebben nauwelijks nieuwswaarde omdat, indien men ze correct zou uitvoeren en gebruiken, men meestal zou moeten besluiten dat weinig of niets verandert. Kleine en vaak kunstmatige verschillen worden daarom opgedreven zodat ze de omvang krijgen van grote veranderingen terwijl er vaak weinig aan de hand is. De foutenmarges die eigen zijn aan dit soort onderzoek zijn vaak groter in omvang dan de vastgestelde veranderingen.

Figuur 3 is hiervan een mooie illustratie. Gedurende de hier weergegeven periode kreeg men elke drie maanden bij de peiling van De Standaard de indruk dat de CD&V/N-VA meer stemmen zou halen dan het Vlaams Belang, maar de maand daarop bleek telkens in de peiling van De Morgen het omgekeerde het geval.5 De resultaten van de andere partijen zijn minder spectaculair en verschillen weinig over de ganse periode, met uitzondering van een daling van VLD in de twee kranten van mei en juni 2005 en in mei en juli 2006. Omwille van de overzichtelijkheid worden alleen de resultaten voor de twee grootste partijen weergegeven.

Figuur 3. Peilingen naar stemintenties (Vlaanderen) voor CD&V/N-VA en VLBlok/Belang in De Standaard (en VRT) en La Libre Belgique (De Morgen/VTM/RTL) na de verkiezingen voor de Vlaamse Raad (juni 2004) tot december 2006.


Bron: ISPO op basis van gepubliceerde peilingen

De gegevens die worden voorgesteld zijn steeds het resultaat van één of andere manipula­tie (zoals een weging van de ruwe resultaten of basis van de laatste verkiezingsuitslag). Daar is op zichzelf niets op tegen, maar het maakt wel dat resultaten voor een deel een functie zijn van de regels van ‘het huis’ (het bureau dat de peiling uitvoert). Figuur 3 toont de trend in kiesintenties voor enerzijds CD&V/N-VA en anderzijds Vlaams Belang (of Vlaams Blok) tussen juni 2004 (verkiezingen) en eind 2006 volgens twee verschillende bronnen (La Libre Belgi­que/De Morgen/VTM/RTL en De Standaard/VRT). Hieruit blijkt duidelijk de invloed van ‘het huis’. Vanaf september 2004 tot juli 2006 is er ongeveer om de drie maanden een peiling van La Libre Belgique gevolgd door een peiling van De Standaard. De ‘jojo-beweging’ is duidelijk. Telkens scoort Vlaams Belang in de peiling van La Libre net iets hoger dan, of even hoog als CD&V/N-VA. In de peiling van De Standaard van telkens een maand later neemt het kartel CD&V/N-VA afstand van Vlaams Belang en wordt het Vlaams kartel veruit de grootste.
Aangezien het telkens om peilingen uit dezelfde bevolking gaat zou men hieruit kunnen besluiten dat de politieke kaart om de drie maanden telkens in een maand tijd beduidend wijzigt. Men kan daar ganse dagbladen mee vullen en be­schouwingen aan wijden zoals ‘Vlaams Belang wordt weer grootste’. Maar als men alleen de peilingen van eenzelfde opdrachtgever en dito onderzoeksbureau bekijkt (dus alleen La Libre of De Standaard), dan verandert er bitter weinig. Men kan dan op statistische gronden door­gaans niet besluiten dat er een verandering heeft plaatsgehad. Dat is geen aantrekkelijke boodschap voor de media. Vanaf september 2006 wordt de ‘jojo’ verstoord en laat La Libre eveneens een hoger cijfer voor CD&V/N-VA zien en een lager voor Vlaams Belang, eerst nog aarzelend en nadien meer uitgesproken zodat de verschillen tussen de twee bronnen kleiner worden. Toevallig of niet, midden juli publiceerde Knack (week 26) deze figuur met commentaar waarin op het meten van een kunstmatig effect werd gewezen. In zulke peilingen zijn meetfouten vaak groter dan de waargenomen verschillen.
Er werd al gewezen op de rol van de berichtgeving in de krantenkoppen. Een mooi voorbeeld hiervan is de krantenkop in De Standaard (maart 2009): ‘CD&V en N-VA samen groter dan ooit’. Deze krantenkop is manifest niet correct want bij drie vorige gelegenheden scoorden de twee partijen samen wel hoger dan de 30,6% in maart 2009. Dit was namelijk het geval in november 2006 (32,7%), in oktober 2007 (30,9%) en in maart 2008 (31,3%) (zie de Figuren 3 en 4). De journalistiek heeft blijkbaar een kort geheugen. Of is de behoefte aan sensatie doorslaggevend bij de keuze van krantenkoppen en artikels?

Figuur 4. Uitslag van Kamerverkiezingen van 10 juni 2007 en de voorafgaande en volgende peilingen in de media (De Standaard/VRT en La Libre Belgique/De Morgen/VTM/RTL).

Zoals men uit Figuur 4 kan opmaken zijn in maart 2009 de resultaten voor LDD en N-VA overigens de enige die beduidend wijzigen ten opzichte van de vorige peiling van De Standaard/VRT in oktober 2008. Deze wijzigingen worden echter alweer (voorspelbaar) ongedaan gemaakt in de peiling van La Libre drie weken later. LDD zit eind maart 2009 opnieuw hoger en N-VA lager zoals in De Standaard peiling van oktober 2008. Verdriet en vreugde zijn van korte duur. Deze wijzigingen waaraan de eerste pagina van De Standaard aandacht besteedt spelen zich af in de fictieve wereld van de mediapeilingen. Omwille van de behoefte aan sensatie en iets nieuws gaan de commentaren in de media eigenlijk in tegen wat deze peilingen beogen te zijn: een barometer om trends op het spoor te komen. Niet meer dan dat. Maar dan moet de lezer ook geholpen worden om deze correct te lezen. Om de barometer correct te interpreteren moet de lezer weten dat het niet om echte toevalssteekproeven uit de totale kiesge­rechtigde bevolking gaat. Dat de foutenmarges vaak groter zijn dan de veranderingen die schijnbaar optreden. Dat de aantallen van deelgroepen die zelden vermeld worden te klein zijn om stevige besluiten te kunnen trekken. Dat de context, waarin vragen over politiek worden ge­steld de productie van weloverwogen antwoorden moeilijk maakt. En ten slotte dat de gegevens bin­nen een te korte periode ingezameld worden zodat men overmatig veel bereidwillige en gemakkelijk te bereiken respondenten in de steekproef heeft. Als men met dit alles rekening houdt, kan men uit deze peilingen soms wel iets opsteken.

MINDER MAAR BETERE PEILINGEN GEWENST

Is regelmatig peilen naar stemintenties of politieke voorkeur in opdracht van de media dan zinloos? Helemaal niet, maar men zou dit toch best wat anders aanpakken. Hierover gaat de tweede stelling.
Beter minder peilingen van betere kwaliteit en met meer relevante informatie dan de hui­dige inflatie van peilingen naar stemintenties en de populariteit van politici. Er is vooral behoefte aan een degelijk uitgevoerde exitpoll op de dag van de verkiezingen, niet om te voorspellen wat men een paar uur later toch zal weten, maar om beter inzicht te krijgen in wat de kiezers heeft bewogen.
Hoe groot is het aandeel van de Vlamingen die in juni 2007 een stem hebben uitgebracht met het oog op een verregaande staatshervorming, of met het oog op de splitsing van België? Alvast een deel van de aanhang van de CD&V en de politici van N-VA interpreteerden de verkiezingsuitslag en de 800.000 stemmen voor Yves Leterme als een door brede lagen van de Vlaamse bevolking gedragen wens voor een zo verregaand mogelijke autonomie van Vlaanderen. Het decor van zwart-gele leeuwenvlaggen in het CD&V-hoofdkwartier op de avond van de verkiezingen ondersteunt die opvatting over wat Vlaanderen echt zou bewegen. De ruwe optelsom van de behaalde stemmen bij partijen die dit streven zouden steunen, was een bijkomend argument voor zulke lezing van de verkiezingen van juni 2007. CD&V/N-VA, Vlaams Belang en LDD behalen samen 55% van de stemmen, een meerderheid dus. Maar is dit wel een correcte inschatting van wat de Vlaamse bevolking bezighoudt en wat de Vlaamse kiezers heeft bewogen op 10 juni? Poli­tieke wetenschappers weten wel beter, althans als ze erin slagen om hun eigen politieke voor­keur even opzij te zetten.

Het volgens wetenschappelijke criteria uitgevoerd verkiezingsonderzoek van ISPO heeft in 1991, 1995, 1999 en 2003 aangetoond dat het niet vanzelfsprekend is dat de dominante programmapunten van een partij door een overgrote meerderheid van de kiezers van die partij wordt gedragen. Niet zelden wordt een tegenstel­ling waargenomen tussen de aanhang van een partij, de militanten en de top. Inzicht in wat de kiezers beweegt bij het uitbrengen van hun stem kan alleen bekomen worden door een dege­lijk uitgevoerde en correct gebruikte exitpoll. Bij de verkiezingen van 1999 werden meer dan 7.000 kiezers ondervraagd over hun keuze en hun motieven bij het buitenkomen van het stemlokaal. Men moet het wel op het moment zelf doen want nog dezelfde avond zijn de ant­woorden op ‘waarom hebt U voor die partij gestemd’ al besmet door wat men erover hoort in de media. Elke commentator leest zijn of haar eigen wensen in de uitslag. Als geen analyserende exitpoll mogelijk is dan is een tweede optie mogelijk, namelijk een diepgaand postelectoraal onderzoek. Ondertussen weten we dankzij het ISPO-verkiezingsonderzoek van 2007 dat het aantal kiezers voor wie de staatshervorming het voornaamste thema was, zeer gering was (5,4%). Dit thema komt pas op de negende plaats na sociaal- economische thema’s, milieu en het migrantenthema. Zelfs bij CD&V/N-VA is dit bij nog geen 10% van de kiezers het belangrijkste thema.6 Dit is weliswaar niet gevonden in een exitpoll maar wel in een peiling in dezelfde periode dat de peilingen in de media heel wat anders lieten zien, zoals verder wordt aangetoond.

ZORGZAAMHEID: EEN NIET OVERBODIGE LUXE

Degelijke informatie verschaffen over wat in de bevolking leeft in plaats van fictie is misschien ook wel een functie van de media, en zeker van de openbare omroep. Hierover gaat de derde stelling.
Het is niet de taak van de openbare omroep om tijdens nieuwsuitzendingen zonder enige kritische commentaar bevindingen uit volstrekt onbetrouwbare peilingen als nieuwsfeiten voor te stellen. De openbare omroep zou bijzonder zorgzaam moeten zijn en er over moeten waken de publieke opinie niet te misleiden. Ik denk dat voor de dagbladen die zichzelf respecteren eenzelfde regel moet gelden. Informatie over de publieke opinie op basis van peilingen dient zorgvuldig gecontroleerd en geëvalueerd te worden door men­sen binnen de media die over de nodige deskundigheid daartoe beschikken.

In 2004 kwam een onderzoeksbureau dat via het internet ook naar waarden peilt in het nieuws met de bevinding dat nog amper 3,7% van de Vlamingen wekelijks naar de kerk gaat, een bevinding die zonder enige reflectie een plaats kreeg in het avondnieuws. Nochtans is het niet zo moeilijk om dit te controleren. Wat Vlaanderen aangaat zien we in de toevalssteekproeven van het Eu­ropean Social Survey een wekelijkse kerkpraktijk van rond 9% in 2004-2006. Die cijfers komen overeen met de bevindingen uit het verkiezingsonderzoek (ISPO) en met de jaarlijkse peilingen van de Administratie Statistiek en Planning (APS) in die periode. Deze ervaring leert ons dat sommige conclusies volstrekt fout kunnen zijn als ze ge­baseerd zijn op een internetpanel waarin bepaalde categorieën uit de bevolking sterk ondervertegenwoordigd zijn. Het herwegen van de steekproef haalt doorgaans niet veel uit.7 Het doet mij denken aan het sensationele nieuws in een krant dat ruim 70% van de be­jaarden in Vlaanderen aan internetbankieren doet, dat blijkt althans uit een peiling via het internet.

Dat zorgzaamheid met peilingresultaten in de media inderdaad geen overbodige luxe is, bewijst het volgende voorbeeld. De maanden na de verkiezingen van 2007 probeerde men ons door allerhande peilingen ervan te overtuigen dat het aantal Vlamingen dat voorstander is van een splitsing van België 40% of meer zou bedragen. Tussen 1991 en 2004 vond het postelectoraal onderzoek van ISPO nochtans nooit meer dan 10 tot 12% separatisten in Vlaanderen. Is het separatisme onder Vlamingen dan zo fors toegenomen? De VRT droeg begin september 2007 ook een steentje bij met een uitzending in Koppen. Ook deze keer werd een cijfer van 40% de wereld ingestuurd op basis van (naar onze informa­tie snel afgenomen) telefonische peiling. De voornaamste misleiding kan worden toe­geschreven aan de formulering van de vraag: ‘Vindt U een eventuele splitsing een goede zaak of een slechte zaak’. Strikt genomen weet men niet eens of het hier om de splitsing van België gaat. Maar laat ons aannemen dat deze vraag omwille van de voorafgaande vraag in dit geval begrepen werd zoals ze bedoeld werd, de splitsing van België en niet van BHV. Bij zulke vraag met slechts twee mogelijke antwoorden kiezen de ondervraag­den toch één van deze ‘een goede zaak’ of ‘een slechte zaak’, ook al geeft dit niet hun ‘echte’ opinie weer. We weten ook dat voor mensen zonder opinie ‘een goede zaak’ als keuze meer aantrekkelijk is dan ‘een slechte zaak’.
Midden oktober peilden VRT en RTBF nog eens samen de staatsopvatting van de Belgen. Deze keer werd op het avondnieuws een cijfer van ruim 44% voor splitsing bij de Vlamin­gen voorgehouden. Het Laatste Nieuws liet op maandag 5 november ook van zich horen met opvallend hoge cijfers van Vlamingen die aan de staatshervorming absolute topprioriteit willen geven (84%), of die vinden dat de Vlamingen het been stijf moeten houden (87%). Uit de ISPO verkiezingsonderzoeken tussen 1991 en 2007 weten we dat het aantal kiezers dat voor het separatisme opteert (splitsing van België) nooit meer dan 10% bedraagt. Dit was trouwens ook zo in de peiling van De Standaard op 10 november 2007 waar een meerkeuzevraag werd gebruikt zoals we suggereerden.
Het groot aantal separatisme is met andere woorden een functie van de vraagverwoording. De cijfers in Tabel 1 tonen aan dat het grootste deel van de Vlaamse kiezers gewonnen is voor een verdergaande staatshervorming, maar dat het separatisme nog steeds, zoals werd gevonden sinds 1991, ook nog in 2007 slechts een kleine minderheid kan beroeren.

UITSMIJTER

Moet dit slordig omgaan met de publieke opinie ons zorgen baren? Wij denken van wel. In het onderzoek dat momenteel wordt uitgevoerd naar mogelijke effecten van de berichtgeving over opiniepeilingen wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreekse en onrechtstreekse invloed (Sonck & Loosveldt, 2008b). Wellicht is het niet zo dat de burgers hun opinie wijzigen als gevolg van berichten over de publieke opinie in de media. Er zijn echter wel aanwijzigen dat deze berichtgeving invloed heeft op de perceptie die de burgers hebben van de publieke opinie. Als je maar voldoende herhaalt dat een meerderheid voor een standpunt is gewonnen, dan gaan mensen denken dat het ook zo is, zelfs al delen zij zelf die opinie niet. Zo kunnen berichten over de zogenaamde publieke opinie standpunten als meerderheidsstandpunten legitimeren, zelfs al worden ze maar door een minderheid gedragen.

Jaak Billiet en Nathalie Sonck
CeSO - K.U. Leuven

Literatuur
- Billiet J. (1993b), Ondanks beperkt zicht. Studies over waarden, ontzuiling en politieke ver­anderingen in Vlaanderen. Brussel/Leuven, VUBPress/SOI.
- Billiet J. (2007), Het belang van regelmatig peilen naar opinies en houdingen in de bevol­king. In: Vlaanderen gepeild. Studiedag 18 september 2007 (pp. 7-36). Brussel, Studie­dienst van de Vlaamse Overheid.
- Loosveldt G. & Sonck N. (2008), An Evaluation of the weighting procedures for an online access panel survey, Survey Research Methods, vol. 2 (2), pp. 93-105.
- Sonck N. (2007), Analyse van de rapportering van publieke opiniepeilingen door de Vlaamse kranten in de periode 2000-2006. Paper gepresenteerd op het Politicologenetmaal, 31 mei - 1 juni 2007 te Antwerpen.
- Sonck N. & Loosveldt G. (2008a), Research Note: making news based on public opinion polls: the Flemish case, European Journal of Communication, vol. 23 (4), pp. 490-500.
- Sonck N. & Loosveldt G. (2008b), Opinion polls and perception of collective opinion. Paper gepresenteerd op de ECPR Graduate-conferentie, 25-27 augustus te Barcelona.
- Swyngedouw M. & Rink N. (2008), Hoe Vlaams-Belgischgezind zijn de Vlamingen? Een analyse op basis van het postelectoraal verkiezingsonderzoek 2007. Onderzoeksverslag CeSO-ISPO, 2008/6.

Noten
1/ Zie hiervoor de lezingen in het kader van de Francqui leerstoel aan de VUB in 2003 en de uiteenzetting in het kader van het onderzoek naar sociaal-culturele stromingen van de Studiedienst van de Vlaamse Overheid in september 2007 (Billiet, 2003 en 2007).
2/ Zie: Ackaert, Van Craen en Vancluysen in De Standaard van 21 november 2007, p. 21.
3/ Internetpeilingen zijn maar betrouwbaar onder welbepaalde voorwaarden en meestal niet rond politieke opinies in de algemene bevolking. Als men zulke peilingen toch in dit kader wil gebruiken, is er zeer gevorderde statistische kennis nodig, samen met de beschikbaarheid van zogenaamde ‘auxiliaire’ data en een analyse van het bereik en de non-respons. Deze voorwaarden ontbreken omzeggens volledig bij media-enquêtes die gebruikmaken van het internet.
4/ Men gaat uit van de hypothese van zuivere toevalssteekproeven, en men ziet steeds over het hoofd dat, indien het al om een toevalssteekproeven zou gaan, de standaardfouten moeten worden aangepast voor designeffecten. Aan mogelijke vertekeningen omwille van non-respons wordt geen aandacht besteed.
5/ We bekijken hier enkel de peilingen van De Standaard/VRT en La Libre Belgique/De Morgen/VTM/RTL.
6/ Zie de bulletins van het ISPO over politieke thema’s bij de verkiezingen en over de Vlaams-Belgische gezindheid van de Vlaamse kiezers (Swyngedouw, 2007 a en b), http://soc.kuleuven.be/web/files/6/34/Politieke%20kwesties%20en%20stemgedrag\_Swyngedouw.pdf en http://soc.kuleuven.be/web/files/6/34/ISPO07vlaanderenbelgie.pdf
7/ Zie Loosveldt & Sonck (2008) voor een evaluatie van de weegtechnieken die vaak worden toegepast op survey data van een online panel.

opiniepeilingen - media - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 4 (april), pagina 44 tot 53