Abonneer Log in

Aan de volgende minister van sociale economie

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 6 (juni), pagina 60 tot 67

De sociale economie heeft een belangrijke rol te spelen bij het vinden van een uitweg uit de crisis. In dit artikel willen we, in de huidige context van neerwaartse conjunctuur, stilstaan bij de toekomst van de sector. We tasten daarbij ook de valkuilen af waarmee de volgende minister van sociale economie geconfronteerd zal worden.

Sociale economie, een bundeling van initiatieven die doorgaans vooral geassocieerd wordt met fair trade producten en sociale tewerkstellingsprogramma’s, wordt in het huidige crisisklimaat in het beste geval een beetje meewarig bekeken. Een groepje ietwat wereldvreemde wereldverbeteraars. Duur ook vooral. In betere tijden hebben we daar wel wat centen voor over, maar in deze context is het toch niet echt een prioriteit. We hebben wel dringender zaken aan ons hoofd. Nu even niet, schat.
Eenieder is vandaag koortsachtig op zoek naar antwoorden, toverformules en recepten om de crisis te bezweren. Oorlogskabinetten. Antwoorden op een economie in vrije val. Wie heeft er een parachute? Maar denken we voldoende na over wie ons uit het vliegtuig heeft geduwd? Nee, niet om de schuldigen aan te wijzen; wel om de volgende keer misschien ook effectief op onze bestemming aan te komen.
In ieder geval is het veilig te stellen dat na de verkiezingen van 7 juni de ministerportefeuille van sociale economie op zich niet echt een grote stormloop teweeg brengt onder de verkozenen. Nochtans beweegt er heel wat in deze sector en bevat die heel wat praktijken die inspirerend kunnen werken wanneer we straks, als de brand geblust is, moeten gaan kijken hoe het nu verder moet.

EEN WAAIER AAN MEERWAARDE

De koepelorganisatie VOSEC, het Vlaams Overleg Sociale Economie, omschrijft sociale economie als volgt: ‘De sociale economie bestaat uit een verscheidenheid van bedrijven en initiatieven die in hun doelstellingen de realisatie van bepaalde maatschappelijke meerwaarden vooropstellen en hierbij de volgende basisprincipes respecteren: voorrang van arbeid op kapitaal; democratische besluitvorming; maatschappelijke inbedding; transparantie; kwaliteit; duurzaamheid. Bijzondere aandacht gaat ook naar de kwaliteit van de interne en externe relaties. Zij brengen goederen en diensten op de markt en zetten hun middelen economisch efficiënt in met de bedoeling continuïteit en rentabiliteit te verzekeren.’

Zo’n brede definitie geeft al een beeld van wat sociale economie precies inhoudt, maar zegt op zich natuurlijk niet zo veel. Daarom geven we hieronder een aantal zeer concrete invullingen mee van sociale economie en van de manier waarop deze kan bijdragen om een echt en valabel alternatief te ontwikkelen voor het dominante economische handelen.

Ethisch bankieren

Vlaanderen kent vandaag de dag een bloeiende sector van zogenaamde solidaire financiers. Veelal zijn ze ontstaan in de jaren 1980, toen er voor initiatieven uit de sociale economie vanwege de hoge risico’s en het lage rendement, onvoldoende kredieten beschikbaar waren op de klassieke markt. Ondertussen zijn spelers als Triodos Bank, Hefboom, Alterfin en vele anderen uitgegroeid tot gespecialiseerde instellingen met een breed gamma aan producten, die gaan van het verstrekken van kredieten en risicokapitaal aan bedrijven met een maatschappelijke doelstelling tot het aanbieden van formules van ethisch sparen en beleggen of het verstrekken van microkredieten aan grassroots projecten in het zuiden.
De invloed en draagwijdte van de solidaire financiers is in de voorbije decennia weliswaar toegenomen, maar hun impact op het reilen en zeilen in de klassieke financiële sector bleef tot voor kort beperkt tot het stimuleren van het aanbod van ethische producten en labels. Soms werden goede praktijken echt overgenomen, soms bleef het effect ook beperkt tot window dressing ten behoeve van een bepaald marktsegment van bijvoorbeeld milieubewuste spaarders. Met de economische realiteit van vandaag komen we echter in een andere situatie terecht. De kredietcrisis is immers in belangrijke mate voorbijgegaan aan deze instellingen. Niet ondanks, maar dankzij het vooropstellen van een maatschappelijk doel. Om die reden is men immers steeds blijven waken over de band van de acties die men ontplooit met de reële economie; met de maatschappelijke en de economische realiteit dus. Of zoals één van de instellingen het zelf formuleert: ‘Winst is geen doel op zich, maar een maatstaf van goed beheer.’ Wie uit de financiële malaise van vandaag lessen voor de toekomst wil trekken, doet er dus goed aan een blik te werpen op de praktijken van de solidaire financiers.
Eén pikant detail willen we in dit verband alvast meegeven: Triodos bank verleent kredieten voor projecten die voldoen aan een aantal ethische en economische criteria. In Groot-Brittannië en Nederland slaagt Triodos erin zo’n 70% van het beschikbare budget aan maatschappelijk verantwoorde projecten en bedrijven uit te keren. In ons land is dat slechts 45%, zelfs in tijden dat bedrijven schreeuwen om toegang tot kredieten. Er is dus nog een hele weg af te leggen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemerschap.

Voortrekkers van MVO

Wat betreft maatschappelijk verantwoord ondernemen, of kortweg MVO, is er in de sociale economie heel wat inspiratie te halen.
Sociale economie en MVO worden soms in één adem genoemd, maar hebben toch een heel andere ontstaansgeschiedenis en betekenis. Bedrijven uit de sociale economie stellen het realiseren van een maatschappelijke meerwaarde als hoofddoel voorop; het maken van winst is in vele gevallen wel noodzakelijk, maar ondergeschikt aan dat doel. Bedrijven die maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn in de eerste plaats actoren binnen een concurrentiële marktomgeving; zij stellen het realiseren van winst als hoofddoel voorop maar trachten via de bedrijfsactiviteiten ook hun steentje bij te dragen tot de duurzame ontwikkeling van mens, milieu en economie.

Eind vorige eeuw groeide uit een aantal intiatieven van de sociale economie het concept van de invoegbedrijven. Sinds 2000 vond dit ook zijn vertaling in een subsidie-instrument van de Vlaamse overheid. Erkende invoegbedrijven zijn bedrijven uit de reguliere economie die naast hun economische doelstellingen een dubbel doel onderschrijven: het organiseren van arbeidsplaatsen voor zwakkere groepen op de arbeidsmarkt en het hanteren van een aantal principes van mens- en milieuvriendelijk ondernemen in de bedrijfsvoering. In ruil krijgen zij van de overheid een deel van de loonkost terugbetaald. Begin 2008 was de sector van de invoegbedrijven goed voor een tewerkstelling van zo’n 2.300 personen uit de zogenaamde kansengroepen. Met de maatregel van de invoegbedrijven beschikt de overheid dus over een zeer concreet instrument om bedrijven aan te zetten aan maatschappelijk verantwoord ondernemen te doen.
Vandaag de dag is het stimuleren van MVO geen overbodige luxe. Milieudoelstellingen, aandacht voor de stakeholders, voor inspraak en ontwikkelingsmogelijkheden van de werknemers zijn in economische hoogconjunctuur al geen evidentie. In tijden van recessie dreigen zij helemaal op het tweede plan geschoven te worden.

Werk voor iedereen

De sociale economie biedt verder ook een uitweg voor die groepen van mensen die in de reguliere arbeidsmarkt uit de boot vallen. De sector zorgt voor een brede waaier aan aangepaste tewerkstelling voor kwestbare groepen, gaande van sterk omkaderde jobs voor wie erg veraf staat van de arbeidsmarkt tot werk met een beperkte begeleiding voor wie slechts een kleine steun in de rug nodig heeft. De cijfers spreken voor zich: zo’n 3.000 mensen uit de prioritaire doelgroepen zijn tewerkgesteld in een sociale werkplaats, 14.000 in beschutte werkplaatsen, een 900-tal in arbeidszorginitiatieven en zo’n 600 voltijds equivalenten werken in de lokale diensteneconomie.
Het gaat hierbij niet alleen om inclusie. Uiteraard is het van belang dat ook meer kwetsbare groepen zich kunnen ontplooien en maximaal kunnen participeren aan de maatschappij; en werk is daar een erg belangrijk onderdeel van. Het gaat echter ook om het soort economie dat we willen: één die evolueert naar het stellen van onrealistisch hoge eisen aan alle kandidaat-werknemers, of één die de creatieve reflexen bezit om het productieproces zo te organiseren dat eenieder de mogelijkheid geboden wordt zijn of haar potentieel tot het maximum te ontwikkelen. Het is onze overtuiging dat die laatste alleszins beter gewapend zal zijn om bij conjuncturele schokken een sociaal bloedbad te vermijden.

Echte kansen voor een ander ondernemerschap

Ook op ondernemerschap biedt de sociale economie een unieke invalshoek. Twee voorbeelden illustreren dit: de coöperatieve economie en de activiteitencoöperaties.
De coöperatie is een aloude vorm van organisatie van economische activiteiten. Slechts een fractie van de 40.000 Belgische bedrijven die onder de juridische vorm van het coöperatief vennootschap opereren, worden echter tot de coöperatieve economie gerekend. Het gaat dan over die ondernemingen die bij het ontplooien van hun activiteit maximaal inzetten op participatie van de werknemers en op het uitbouwen van een democratische beslissingsstructuur waarbij zeggenschap zo gelijk mogelijk verdeeld wordt en niet op basis van het in de onderneming ingebrachte kapitaal. Typisch is ook dat economische leefbaarheid een wezenlijk maar geen alleenstaand doel is. Het streven naar duurzaamheid is een even essentieel onderdeel van de bedrijfsstrategie.
Voorrang van arbeid op kapitaal mag sommigen dan wat oubollig in de oren klinken; de actuele situatie, waarbij massale overheidsinvesteringen en het geven van belastingsvoordelen aan bedrijven geen garantie meer blijken voor behoud van werkgelegenheid, doet de vraag rijzen naar nieuwe manieren om maatschappelijke eisen te verbinden aan overheidssteun. De greep van de samenleving op een economie ten dienste van de mens kan wel een steun in de rug gebruiken. Wie zoekt naar innovatieve manieren om participatie vorm te geven in onze ondernemingen en naar inspiratie inzake het uitwerken van strategieën van duurzame groei, kan heel wat leren van de moderne coöperaties.
Via de activiteitencoöperaties draagt de sociale economie ook bij tot één van de fetisjes van het economische beleid: het stimuleren van ondernemerschap. In de activiteitencoöperatie kunnen werkzoekenden en leefloners terecht die de ambitie hebben een eigen zaak op te starten. Zij krijgen er begeleiding en ondersteuning en worden tijdens het eerste jaar van hun activiteit ingeschakeld in de coöperatie. Daardoor krijgen ze de kans om met een beperkt risico hun activiteit op te starten. Ze brengen in in de coöperatie en krijgen in ruil daarvoor tijdelijk een loon uitbetaald. Op die manier wordt ondernemerschap ook mogelijk voor die groepen die er wel de talenten toe hebben, maar voor wie in normale omstandigheden het financiële risico te groot is om de stap naar een zelfstandige activiteit te zetten.

Ingaan op maatschappelijke noden

Heel wat takken van de sociale economie enten zich op het bieden van een antwoord op een maatschappelijke behoefte. Men richt zich daarbij expliciet tot een aantal niches die door de markt niet worden ingevuld, doorgaans omwille van de beperkte return die behaald kan worden. Voor deze blinde vlekken wordt dan een dienstverlening uitgebouwd die tegelijkertijd arbeidsplaatsen creëert voor meer kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Zo wordt een dubbele maatschappelijke meerwaarde gerealiseerd.
De klassieke voorbeelden van zo’n dienstverlening genieten een grote bekendheid bij het publiek: kringloopwinkels, sociale restaurants, buurtgerichte kinderopvang, boodschappendiensten voor hulpbehoevenden of groenonderhoud.
Daar houdt het echter niet bij op. De sector spreidt een grote creativiteit tentoon als het gaat over het identificeren van noden en het ontwikkelen van nieuwe dienstverlening. De laatste jaren zijn bijvoorbeeld de Energiesnoeiers ontstaan, die tewerkstelling van kansengroepen combineert met het screenen op en het uitvoeren van kleinere energiebesparende werken in particuliere woningen (spaarlampen, spaardouchekoppen, buisisolatie en radiatorfolie plaatsen). Andere voorbeelden zijn de fietspunten die in sommige stations werden opgericht om een service te bieden aan pendelaars of het recent opgestart experiment om werkzoekenden in te schakelen als huisbewaarders in sociale wooncomplexen.

Het zal niet verbazen dat er bij het ontwikkelen van deze activiteiten heel wat drempels overwonnen moeten worden. Regelmatig steekt daarbij ook het spook van de concurrentievervalsing de kop op. De meeste van deze activititeiten worden immers in meer of mindere mate gesubsidiëerd door de overheid. De discussie over concurrentie is echter in sterke mate een valse discussie. Vooreerst omdat er doorgaans precies vertrokken wordt van blinde vlekken op de markt, waar er dus per definitie geen door de private sector als voldoende winstgevend ingeschatte activiteit te ontwikkelen valt. Dat de sociale economie er toch in slaagt in deze niches activiteiten uit te bouwen, ligt niet enkel aan subsidiëring. Deze dient immers ook voor een stuk om rendementsverlies op te vangen dat opgelopen wordt omdat men zich specifiek richt op de tewerkstelling van kansengroepen. Dat er toch meerwaarde gecreëerd kan worden, zou eerder inspirerend moeten werken dan afgunst opwekken, omdat ze van een creativiteit getuigt die in de reguliere economie niet altijd even evident is. Men zou dus beter win-win-effecten nastreven door in meer winstgevende takken van de economie af te stemmen en in te spelen op het succes van de niches die in de sociale economie uitgewerkt worden. Daarbij komt nog dat tegenover de subsidiëring vanuit de overheid een dubbele tot driedubbele maatschappelijke return wordt geboden: er wordt ingespeeld op specifieke noden bij de bevolking, tewerkstelling van zwakkere groepen wordt bevorderd en het bereiken van beleidsdoelstellingen (bijvoorbeeld op het vlak van energiebesparing of mobiliteit) wordt een steun in de rug gegeven. Het zal de pleitbezorgers van een afgeslankte overheid - vandaag weer legio - bovendien plezier doen dat de dienstverlening in kwestie dan niet door de overheid zelf opgenomen hoeft te worden.

VIJF NUTTIGE TIPS VOOR DE VOLGENDE MINISTER VAN SOCIALE ECONOMIE

We zeiden het al: in de komende regeerperiode zal sociale economie niet echt als de Heilige Graal van de ministerportefeuilles worden gezien. Onterecht, vinden we. De minister van sociale economie beschikt immers als geen ander over een brede waaier aan - vaak ook nog eens vrij mediatieke - instrumenten en over een schier onuitputtelijke bron van inspiratie voor het uitwerken van antwoorden op de brandend actuele problemen die aan de basis liggen van de economische crisis. Maar daarnaast bevat het domein van de sociale economie ook heel wat verleidelijke valkuilen voor beleidsmakers. Daarom geven we vijf korte tips mee aan de volgende minister.

Kwantiteit en kwaliteit

De sector beschikt over een groot potentieel inzake de tewerkstelling van kansengroepen. Dat is tegelijk een troef en een valkuil. Extra jobs zijn immers een erg zichtbaar product van beleid en het is in die zin verleidelijk om voor de grote aantallen te gaan en daarbij de kwaliteit van de tewerkstelling naar het tweede plan te verschuiven. Zo ontstaat de indruk dat jobs voor kansengroepen per definitie laagbetaalde ‘rotjobs’ zijn. Dat hoeft echter niet noodzakelijk zo te zijn. Binnen de sector is er voldoende creativiteit aanwezig om via arbeidsorganisatie en sociale innovatie werkbaarheid en kwaliteit van de arbeid hand in hand te laten gaan met jobcreatie. Het beleid moet er dan ook over waken dat dit ook effectief gebeurt.
Ook naar aard van de activiteiten is verder waakzaamheid geboden. Een sociaal project dat jobs creëert maar negatief scoort op andere aspecten als milieu of arbeidsomstandigheden heeft geen plaats binnen de sociale economie. In de vorige beleidsperiode was er in dat verband het voorbeeld van de combinatie dienstencheques-invoegbedrijf. De bedrijven in kwestie konden dan beide subsidiemechanismen combineren. In de praktijk bleek dat de meerwaarde die deze bedrijven hadden ten aanzien van reguliere dienstenchequebedrijven beperkt bleef. De combinatie was dan ook niet meer te verantwoorden en werd stopgezet. Dat wil niet zeggen dat dienstencheque-invoegbedrijven per definitie slecht bezig waren. Wel dat het instrument niet kon garanderen dat het engagement om naar een maatschappelijke meerwaarde te streven, kon worden hardgemaakt.

Uitdragen versus eigenheid

Eén van de doelstellingen van sociale economie is en moet zijn dat ze ernaar streeft om de gehele economie socialer te maken. De overheid kan dit ondersteunen op verschillende manieren: door uitwisselingen op te zetten, door ruchtbaarheid te geven aan goede voorbeelden, door sociale clausules in te bouwen bij aanbestedingen, enzovoort.
Valkuil hierbij is wel dat sociale economie niet verengd mag worden tot MVO. Sociale economie heeft zoals we al aanhaalden zijn eigenheid en vertrekt van een andere invalshoek dan dat van een regulier bedrijf dat aan MVO doet. Bovendien bestaat er wat MVO betreft een reëel gevaar tot vervlakking, die dan leidt tot holle frasen als ‘Elk bedrijf is per definitie maatschappelijk verantwoord bezig omdat het jobs verzekert’ of ‘In tijden van crisis is MVO geen prioriteit meer’.
Een tweede valkuil zit in het cliché van de nood aan professionalisering. Ja, de sector moet professioneel gerund worden en ja, uitwisseling met de reguliere sector kan daarbij interessant zijn. Maar net zo goed kan de reguliere sector nog heel wat leren inzake professionalisering. Belangrijk inzake beleid is vooral te waken over goed werkende ondersteuningsstructuren op maat. Naar analogie met de solidaire financierders, blijkt immers dat de leemte die er ook op het vlak van advies inzake (bijvoorbeeld) bedrijfsvoering bestond meer en meer ingevuld geraakt. Gespecialiseerde adviesbureau’s met een grote expertise over de sector hebben zich ondertussen ontwikkeld. Gebruik deze dus ook, of nog meer, om de ondersteuning vorm te geven.

De grenzen van inclusie

Het helpen doorstromen van werknemers van gesubsidieerde tewerkstelling naar een reguliere job is een belangrijk doel voor heel wat initiatieven in de sociale economie. Het is echter van belang duidelijk te stellen dat voor sommige groepen sociale tewerkstelling een finaliteit inhoudt en dat daar ook niets mis mee is. Natuurlijk wordt men dan wel eens geconfronteerd met de kritiek dat het allemaal te veel kost. Aangezien de baten vaak in sterke mate op het vlak van de maatschappij en de individuele ontwikkeling van de werknemer liggen, eerder dan dat ze in Euro’s becijferd kunnen worden, gaat het steeds over het aftasten van een grens. Dat is een zaak van maatschappelijk debat: vanaf wanneer is het niet meer ‘rendabel’ om iemand te helpen participeren aan de samenleving? In de praktijk zal de discussie echter vaak veel minder filosofisch zijn. En daarbij is het belangrijk dat men twee zaken voor ogen houdt: ten eerste dat een job in de reguliere economie niet noodzakelijk het ideale eindpunt is voor elke werknemer en ten tweede dat doorstroom naar de ‘normale’ arbeidsmarkt niet alleen afhangt van de persoon en de begeleiding, maar ook van die arbeidsmarkt zelf die niet altijd aangepast is aan wie enigszins afwijkt van wat als normaal wordt beschouwd. Er zal dus altijd flankerend gewerkt moeten worden met initiatieven om de diversiteit en sociale innovatie op de werkvloer van alle bedrijven te bevorderen.

Vernieuwen versus consolideren

In Vlaanderen zijn de impulsen voor de sector vanuit het beleid in de afgelopen jaren niet gering geweest. Dat heeft als keerzijde dat er heel wat in beweging is gezet, maar nog niet altijd structureel is ingebed. Twee voorbeelden van nog te consolideren vernieuwingen zijn, zonder in detail te reden, de integratie van sociale en beschutte werkplaatsen tot één werkvorm en de verankering van de zogeheten klaverbladfinanciering (subsidiëring vanuit verschillende beleidsdomeinen) van de lokale diensteneconomie.
De innovatieve kracht van sociale economie moet verder ondersteund worden, maar tegelijk moeten we kunnen vasthouden wat blijkt te werken. Dat betekent voldoende ruimte creëren voor experimenten én voor het vertalen van succesverhalen naar leefbare structuren.

Een luisterend oor

Als vijfde tip raden we ten stelligste een luisterend oor aan. Dit niet in het minst vanwege de grote diversiteit van de sector, waardoor de ene stem al eens luider klinkt dan de andere. Dat neemt natuurlijk niet weg dat het net zo goed de verantwoordelijkheid van de sector zelf is om zich op een adequate manier te organiseren. Dit gebeurt vandaag echter al meer en meer.
Een tweede valkuil in dit verband is eerder politiek van aard. De kans is reëel dat in de komende legislatuur de portefeuilles Werk en Sociale Economie opnieuw bij één minister terecht komen. Op zich is dat geen probleem en kan dat zelfs versterkend werken. De verleiding is echter wel groot om sociale economie louter in dienst te zien van tewerkstelling, hetgeen een verarming voor de sector zou betekenen.

EEN TOEKOMST VOOR DE SOCIALE ECONOMIE

Onze boodschap zal ondertussen duidelijk zijn: de tijd van de ietwat wereldvreemde geiten-wollen-sokken is voorbij. De voorbeelden die we hierboven uit de doeken hebben gedaan, geven aan dat de sociale economie een dynamische en innovatieve sector is die flink wat inspiratie kan bieden bij het zoeken naar antwoorden op de crisis. Met de juiste beleidsimpulsen kan zij zelfs uitgroeien tot een volwaardig laboratorium voor alternatieve manieren om economie te voeren. En in de huidige omstandigheden is zo’n laboratorium meer dan ooit noodzakelijk, al was het maar bij het zoeken naar manieren om toekomstige crisisschokken beter te kunnen opvangen.
Wie vragen stelt bij het belang van sociale economie in tijden van crisis, heeft het dus bij het verkeerde eind. Net nu hebben we nood aan meer sociale economie. Overigens, tot voor kort werd net de krapte op de arbeidsmarkt aangehaald als reden waarom sociale economie overbodig zou worden. Er zouden immers geen werkzoekenden meer zijn waarvoor een antwoord moest worden gevonden. Met wat vooraf ging hebben we willen aantonen dat het tijdperk van de opportuniteiten voor de sociale economie nog maar net aangebroken is.
Het is nu tijd om de onzekerheden om te buigen tot troeven. Het moment is rijp om alternatieven aan te reiken. Het is tijd om komaf te maken met het cynische in vraag stellen van het streven naar een meer sociale economie. Niet alleen is met het ineenstorten van het financiële systeem de nood aan een andere en meer sociale economie pertinent gebleken; het is nu ook tijd om de oubollige bezwaren van het neoliberalisme tegen de initiatieven uit de sociale economie voor eens en voor altijd achterwege te laten. Het dreigende spook van de valse concurrentie moet worden begraven naast het lijk van de laisser faire. De mythe van de oh-zo-professionele reguliere economie versus de maar wat aanmodderende sociale economie is definitief doorprikt. De fantasten bleken in het kamp van de ongebreidelde winstmaximalisatie te zitten en niet in dat van de bedenkers van ethische bankproducten. Beste sector en beste toekomstige minister: u heeft heel wat werk voor de boeg!

Philippe Diepvents
Adviseur Vlaams ABVV

ethisch beleggen - MVO - maatschappelijk verantwoord ondernemen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 6 (juni), pagina 60 tot 67