Abonneer Log in

'Solidariteit in beweging. Perspectieven voor de vakbond van morgen'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 6 (juni), pagina 70 tot 72

Solidariteit in beweging. Perspectieven voor de vakbond van morgen

Carl Devos, Kurt Vandaele, Jean Faniel, Corinne Gobin (red.)
AC/AMSAB-ISG/ASP, Brussel/Gent, 2009

De jongste tijd zijn er nogal wat boeken verschenen die ons uitnodigen om over de toekomst van de sociaaldemocratie te discussiëren. Over de toekomst van de (socialistische) vakbeweging bestond er tot nog toe geen publicatie. Dit heeft in de eerste plaats te maken met het gebrek aan initiatief van de vakbeweging zelf, die sinds geruime tijd koudwatervrees heeft om het over ideologie en de eigen werking te hebben. Samen met Georges Debunne lijken de discussies over structuurhervormingen, arbeiderscontrole en het progressistisch alternatief begraven. Ook de academische wereld leek tot voor kort weinig interesse te tonen voor de werking van de vakbeweging. Gelukkig is daar verandering in gekomen en zijn er nu jonge onderzoekers (zoals Kurt Vandaele en Tine Boucké) die van vakbondslidmaatschap, vakbondsacties en vakbondswerking hun onderzoeksterrein hebben gemaakt.

De leemte van een degelijke discussietekst over de vakbond van morgen wordt nu gelukkig ingevuld met Solidariteit in beweging. Het initiatief voor het boek werd genomen door de Algemene Centrale, de op één na grootste beroepscentrale van het ABVV. Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de centrale, die gevierd werd met een opgemerkte tentoonstelling en de bijhorende publicatie (Wij zijn de AC) wou de AC ook naar de toekomst kijken en een tekst naar buiten brengen die de discussie over de toekomst van de vakbeweging moet aanwakkeren. Het initiatief op zich is dus lovenswaardig.

Het boek bestaat, naast een inleiding van de redacteurs en een conclusie, uit vier hoofdstukken. In de 4 hoofdstukken zijn niet minder dan 24 korte teksten van 24 auteurs opgenomen. Een bewuste keuze zeggen de redacteurs in de inleiding. Dit boek is een werkboek en de korte bijdragen willen telkens een aanzet geven tot debat. Toch mist het boek daardoor samenhang en blijf je de hele tijd zoeken naar de rode draad, die door het boek zou moeten lopen.

In hoofdstuk een wordt vastgesteld dat de vakbeweging in België nog sterk staat. In ons land geen ledenverlies. Integendeel, de vakbond maakt dagelijks nog nieuwe leden. Deze relatieve bestaanszekerheid houdt gevaren in. Men zou wel eens te veel alles bij het oude kunnen laten. Andere vakbonden in crisis, zoals het FNV in Nederland en de Britse vakbonden, zijn door massaal ledenverlies gedwongen om te vernieuwen. In het Belgisch sociaal bestel hebben de vakbonden een vaste plaats. Dat blijkt uit hun rol in het sociaal overleg, hun zitje in de ontelbare adviesorganen en hun opdracht om werkloosheidsuitkeringen uit te betalen. Maar die positie staat niet voor eeuwig vast. Het sociaal overleg wordt voortdurend bedreigd, de vakbond is geen vanzelfsprekende gesprekspartner meer voor het beleid en wat als morgen de RVA beslist om zelf de werkloosheidsuitkeringen uit te betalen? Bovendien wordt gesuggereerd dat de vervlechting met het (politieke) beleid de vakbond aan autonomie heeft doen inboeten en aan strijdbaarheid heeft doen inleveren.

In hoofdstuk twee wordt er vooral ingegaan op de gewijzigde context waarin de vakbond vandaag moet werken. Daarbij wordt uiteraard vooral gefocust op de mondialisering en het toenemend belang van Europa. De auteurs stellen onomwonden dat de vakbond meer internationaal moet werken. Ook de kwestie van de regionalisering wordt niet uit de weg gegaan. De academicus van dienst geeft de vakbonden groot gelijk dat ze zich verzetten tegen een verdere staatshervorming. Maar ook de werknemers zijn veranderd. In een stuk over de diensteneconomie wordt duidelijk gemaakt dat dit de sector van de toekomst wordt. De werknemers in die sector verwachten veel van het vakbondswerk, maar beseft de vakbond ook dat dit vakbondswerk grondig verschilt van dat in industriële bedrijven? Tot slot wordt vanuit de vaststelling dat arbeidsverhoudingen alsmaar individueler geworden zijn de vraag gesteld hoe je dan de solidariteit kan behouden? Ondanks toegenomen individuele belangen neemt de actiebereidheid niet af en blijft het vertrouwen in de vakbond groot. In een relatie van wederkerige solidariteit verwachten de vakbondsleden vooral werkzekerheid. Precies dat laatste komt meer en meer onder druk in de wereldwijde economie. Als je dan toch je werk verliest kan dat een reden zijn om je vakbondslidmaatschap op te zeggen. Voor wie lid blijft, zou de reden kunnen zijn dat er geen alternatief bestaat voor de vakbond.

Hoofdstuk drie probeert uit de analyse een strategie te distilleren voor meer solidariteit en welzijn. In een eerste bijdrage legt men de vakbond het volgende menu voor: meer Europees en internationaal werken, een breder eisenpakket dan de klassieke eisen nastreven, proactief optreden, verdere fusie van beroepscentrales realiseren, het sectorsyndicalisme vorm geven en de werking van paritaire comités herzien (bijvoorbeeld onderaannemingen in hetzelfde paritair comité als het moederbedrijf). Het kan tellen als voorzet. De eis voor een Europees minimumloonbeleid ligt meer voor de hand. Minder vanzelfsprekend is het pleidooi voor een ‘professionele sociale zekerheid’: schaf de functies af, betaal het loon door tussen twee jobs en schaf de arbeidsmarkt af. Wie dacht dat er geen utopisten meer bestonden? Uiteraard mocht een pleidooi voor arbeidsduurvermindering en voor een sociale staat met openbare diensten niet ontbreken. Aandacht voor gezondheid en de klimaatverandering (niet voor de handliggend voor een vakbond) sluiten de rij van strategische opties voor morgen.

Wie verwacht had dat hoofdstuk vier verder zou ingaan op deze strategische doelstellingen vergist zich. Er wordt teruggekeerd naar het vakbondswerk van elke dag. Diverse, actuele thema’s worden kort aangesneden: netwerksyndicalisme, vakbond en kmo, gendermainstreaming, arbeiders met en zonder baan, arbeiders met en zonder papieren, vakbonden en jongeren, het stakingswapen, vakbond en politiek en vakbond en media. Weinig controverse in deze melting pot van vakbondsthema’s en een gebrek aan snedige en uitdagende stellingen.

Het besluit (van de hand van historici) brengt geen heldere synthese van het boek en wijst ook niet direct de richting aan waarin de vakbeweging haar toekomst vorm kan geven. Toch noemen de auteurs de Algemene Centrale de motor van de vakbondsvernieuwing. De Algemene Centrale zou die motor kunnen zijn, dat is duidelijk, en heeft de verdienste dat het de debatten geopend heeft. Aan de andere geledingen van de vakbeweging om de debatten samen met de AC verder te zetten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 6 (juni), pagina 70 tot 72