Log in

Een continent vol scherven en verdampte dromen

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 7 (september), pagina 69 tot 72

De vrije markt van de ontwikkelingssamenwerking

Patrick Develtere
Davidsfonds, LEUVEN, 2009.

De koe lacht niet meer. Korte verhalen en essays over ontwikkelingshulp in Afrika

Theo Ruyter
Papieren Tijger, Breda, 2009.

Doodlopende hulp. Waarom ontwikkelingshulp niet werkt, en wat er wel moet gebeuren

Dambisa Moyo
Uitgeverij Contact, Amsterdam, 2009.

Het mondiale uitzendkantoor. Waardig werk in tijden van globalisering en crisis

Dirk Barrez en John Vandaele
EPO, Berchem, 2009.

‘Dat ontwikkelingssamenwerking zin heeft, zullen weinigen betwijfelen’, schrijft Patrick Develtere (1) in zijn jongste boek. Toch is het precies dat wat twee bekende auteurs in zeer recent uitgekomen boeken doen. En hun werk is verre van totaal vernieuwend want ontwikkeling zelf, en zeker ontwikkelingssamenwerking, staan wel degelijk op de helling. Meer en meer mensen in de derde wereld, en heus niet enkel inheemse volken, twijfelen sterk aan de geldigheid van het ontwikkelingsideaal dat West-Europa hen al decennialang voorhoudt. Meer en meer denkers in de rijke landen twijfelen aan de zin van onze zogenaamde ontwikkelingshulp. Hoewel dat uit zeer verschillende ideologische invalshoeken kan gebeuren. Zoals bijvoorbeeld Theo Ruyter (2) en Dambisa Moyo (3).

Dambisa Moyo is een Zambiaanse wetenschapper wiens ouders in de VS hebben kunnen studeren om daarna, in de jaren 1970, vol enthousiasme en idealisme naar hun land terug te keren en er te blijven werken. Zijzelf groeide dus op in Zambia, maar ging later ook in de VS en het VK studeren en is niet direct van plan weer naar haar thuisland te gaan. Ze werkte voor de Wereldbank en is nu actief voor Goldman Sachs. Het is dus lang geen links verhaal wat ze ons voorhoudt, maar ze geeft in haar boek Doodlopende hulp wel aan dat ze de alternatieven voor ontwikkeling kent. Haar stelling is dat ‘hulp’ aan de oorsprong van alle kwaad in Afrika ligt, en dus ook aan de blijvende armoede en zeker aan de zware corruptie. Ze toont dat aan met tal van voorbeelden en terechtwijzingen. Denk aan de lokale fabrikant van muggennetten die de boeken mag neerleggen nadat in het kader van de campagne voor de millenniumdoelstellingen zijn land wordt overspoeld door in het buitenland gefabriceerde en gratis geleverde netten. Het is een anekdote, maar met evenveel overtuiging toont ze aan hoe ‘hulp’ elke stimulans tot verantwoordelijk gedrag van de regeringen ondermijnt. Men blijft leningen geven, ook al worden oude leningen niet terugbetaald. Men blijft de donoren naar de mond praten, omdat er altijd wel iets - of veel - aan de strijkstok kan blijven hangen. Een echt debat en een ernstige dialoog zijn niet mogelijk, omdat de westerse donoren nauwelijks luisteren als er al eens iets wordt gezegd, en omdat iedereen baat heeft bij het in stand houden van het huidige systeem. Behalve de arme bevolking, en die is toch in de meerderheid.
Ontwikkeling vergt geld, dat is overigens de oorspronkelijke reden van ontwikkelingssamenwerking. Moyo pleit ervoor dit geld met obligatieleningen binnen te halen. Enkel op die manier worden regeringen verplicht een goed beleid te voeren en de macro-economische stabiliteit te bevorderen. Want doen ze dat niet, dan krijgen ze geen goede rating en dus ook geen geld. Idem voor buitenlandse investeringen. China, zo zegt ze ook, biedt Afrika een uitgelezen kans, want Afrika heeft alles wat China nodig heeft. Uiteraard is het China meer om grondstoffen dan om ontwikkeling te doen, maar als ondertussen infrastructuur kan worden uitgebouwd en als Afrika gewoon de keuze heeft tussen verschillende donoren, dan mag het vooral niet aarzelen. Ten slotte kan een goed uitgewerkt systeem van microfinanciering zorgen voor hulp aan een opkomende middenklasse, een onontbeerlijk iets in elk ontwikkelingsproces.
Moyo twijfelt niet aan de noodzaak van ontwikkeling zelf, en geeft - onopvallend - hier en daar ook aan dat het anders kan dan met de huidige recepten. Zo pleit ze voor een goed belastingsysteem, wat vandaag eveneens wordt tegengehouden door het hulpsysteem. Ze vermeldt de mogelijkheid om meer voor de binnenlandse markt te produceren, ook al is ze een groot voorstander van internationale handel. Marktgerichte oplossingen zijn echter noodzakelijk, want er bestaan geen andere ideologieën die zoveel mensen zo snel uit de armoede kunnen halen, zo stelt ze.

Theo Ruyter gaat in De koe lacht niet meer uit van heel andere stellingen. Ook hij stelt vast dat de vele hulp van de afgelopen decennia vooral tot gevolg heeft dat er in Afrika een bedelaarsmentaliteit is ontstaan, en ook dat ontwikkelingswerkers vooral met een pak onbewuste vooroordelen vertrekken. De striptease is een pakkend verhaal waarin één voor één de angst voor het onbekende, het superioriteitsgevoel van de blanke en het gebrek aan kennis en inzicht aan de oppervlakte komen. Ruyter is het te doen om het ontwikkelingsideaal zelf, omdat in Nederland-Polderland ‘de dijken in de afgelopen jaren zo hoog zijn geworden dat niemand er meer over heen kan kijken’. Het collectieve onderbewustzijn van de oer-Hollandse natie zorgt er nu voor dat eenieder filantroop wil worden, zijn eigen projectje wil uitwerken, terwijl de psychologische dimensie van de hele onderneming een grote blinde vlek blijft. De wereld staat in brand, aldus Ruyter, en we weten gewoonweg niet waarmee we bezig zijn. Stop die hulp, zo luidt zijn boodschap al enkele jaren lang.

Die twijfel over wat we doen en of het wel goed is, blijft volledig afwezig in het boek van Patrick Develtere, De vrije markt van de ontwikkelingssamenwerking. In zijn studie van en voor de ontwikkelingssamenwerking geeft hij een volledig overzicht van hoe het was en hoe het is, in België, in de Europese Unie en in de VN. Toch betreurt ook hij dat er een groot gebrek aan kennis is en dat er helemaal geen definitie bestaat van wat ‘ontwikkelingssamenwerking’ nu eigenlijk is. Overigens, en dat vermeldt hij niet, is er ook geen definitie van ontwikkeling, en enkel een nietszeggende definitie van armoede (‘multidimensioneel’) en armoedebestrijding. Slechts wie op zoek gaat naar de achterliggende betekenissen merkt dat er veel tegenstrijdige interpretaties mogelijk zijn. En dat maakt van ontwikkelingssamenwerking een bijzonder heikele onderneming. Echter, Develtere beschrijft alleen maar wat er gebeurt. Hij doet dat wel op een voortreffelijke wijze. Hij vermeldt een paar belangrijke vragen en conflicten, maar is van mening, samen met alle internationale instellingen, dat er vooruitgang is maar dat er nog een lange weg te gaan valt. Develtere heeft een redelijk genuanceerd verhaal over de ngo’s, en stelt dat er veel illusies, veel rookgordijnen en veel loze beloftes zijn. En ook hij weet zeer goed dat ‘onze koffer gevuld is met onze eigen bagage’. Of met andere woorden, Develtere geeft, net als Dambisa Moyo, aan dat hij wel weet wat er allemaal mis kan gaan, maar hij houdt zich aan een neutraal verhaal, zonder kritiek op bijvoorbeeld het IMF dat zelfs in tijden van crisis niet afwijkt van de traditionele voorwaarden die economische groei in de weg staan. Ontwikkelingshulp is donor-driven zo weet ook hij, en de gemeenschap van de ontwikkelingssamenwerking zou zich dringend moeten buigen over de vraag wat ‘goede’ hulp is.

Het is een pluspunt voor Dirk Barrez en John Vandaele (4) dat ze het niet over ontwikkelingssamenwerking hebben in hun boek Het mondiale uitzendkantoor, dat vooral de wereld van de arbeid beschrijft. Betekent het dat de auteurs niet geloven dat via die weg iets voor ‘waardig werk’ kan worden gedaan? Ze laten vooral de vakbonden en de sociale bewegingen aan het woord, en geven helaas iets te veel verhaaltjes van ‘werkende mensen’ . Dat laatste verbaast wat, want in de wereld van de mondialisering die ze beschrijven moet iedereen werken, zelf kinderen en bejaarden. Ze noemen de campagne voor waardig werk die ngo’s en vakbonden dit jaar opzetten ‘uniek’ en ‘essentieel’, met enkel kritiek voor ‘politici die een vrijgeleide gaven aan geld’, terwijl het ‘IMF jarenlang heeft gewaarschuwd’. Hun boek beschrijft zeer goed de gruwelijke wereld waarin de meeste mensen onder de armoedegrens moeten blijven leven, en blijft niet blind voor de schandelijke toestanden die ook bij ons, in de Antwerpse haven bijvoorbeeld, meer en meer voorkomen. Toch geven ze de indruk meer naar de politici dan naar de bedrijven met een beschuldigende vinger te wijzen. ‘Bedrijven kunnen niet afwijken van de marktprijs voor arbeid’. Dat is mondialisering vandaag. Het boek heeft een eenvoudige en sterke boodschap: arbeid wordt onderbetaald en is weer koopwaar geworden, hoewel bondigheid in deze tot meer helderheid had kunnen leiden. Evenals iets meer uitleg over wat het concept ‘waardig werk’ precies inhoudt en waar de campagne zal om draaien.

Deze vier boeken maken het leven niet makkelijker en je wordt er niet vrolijker van. Het zijn grimmige beelden en pessimistische inzichten die de lezer worden voorgeschoteld. Patrick Develtere (1) blijft vrij neutraal en biedt inderdaad kennis voor iedereen die in de ontwikkelingssector aan de slag wil. Kritische vragen horen er echter niet bij. Dirk Barrez en John Vandaele (4) hebben een nuttig boek geschreven voor wie mocht denken dat ‘arbeid’ de enige uitweg is uit armoede. Ze geven echter geen analyse van wat ‘waardig werk’ dan wel zou kunnen zijn, van de sterke en zwakke punten in de voorstellen van het IAO, de ngo’s en de vakbonden. Theo Ruyter (2) schetst met zijn oude en nieuwe verhalen een somber portret van een continent ‘vol scherven en verdampte dromen’. Dambisa Moyo (3) geeft alternatieven, jawel, maar ze beperken zich tot markt, meer markt. Toont de huidige crisis niet aan dat er nog iets anders nodig is? Hoelang nog kan ontwikkelingssamenwerking overleven met achteruitlopende resultaten en geldgebrek in rijke landen? Hoe lang nog zullen ‘werkende mensen’ bereid zijn te creperen voor de rijkdom van enkelen? Hoe lang nog wordt ’ontwikkeling’ als een te bereiken ideaal gezien door hen die er meer en meer het slachtoffer van zijn? En hoe lang nog kan ‘ontwikkeling’ betekenen dat de planeet wordt vernietigd en de laatste inheemse volken worden uitgeroeid? Progressieven moeten zich dringend beraden over hoe het verder moet met ‘de derde wereld’. Stellen dat we blijven ‘tasten in het duister’ zoals de algemeen secretaris van 11.11.11 het onlangs verwoordde, is m.i. niet de beste strategie.

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 7 (september), pagina 69 tot 72