Abonneer Log in

Hoe divers is divers?

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 13

In deze Samenleving en politiek vindt u een reeks bijdragen rond diversiteit en integratie. Bij het samenstellen van dit nummer was er vrij snel consensus dat een bijdrage over cijfers en feiten pedagogisch heilzaam kan zijn. Als kader, ‘om te weten waarover men spreekt’. Deze oefening doet toch eerst stilstaan bij enkele algemene bedenkingen. Over de evolutie in het debat. Over de relatieve betekenis van statistieken. Over de enge focus van de meeste onderzoeken, en de onmogelijkheid om vandaag, maar morgen nog veel meer, de personen die het onderwerp van statistiek en onderzoek vormen nog te traceren. Die onmogelijkheid inspireert om na te denken over andere methodes om deze personen te blijven ‘spotten’, via het concept van de zelfidentificatie. Aansluitend volgen enkele cijfers en feiten. Wie wil kan dus fastforwarden.

VAN VERRIJKING TOT FEIT

In de jaren 1990 werd de multiculturele samenleving door believers van dat type samenleving een verrijking genoemd. Om dat te bewijzen werden er onder meer goedbedoelde stichtende boekjes uitgebracht waarin stond opgesomd welke prachtige dingen dan wel uit de Arabische of Turkse cultuur afkomstig waren - want de multiculturele samenleving was, en is, toch vooral een Drievuldigheid van Vlamingen, Marokkanen en Turken.

Sympathieke literatuur uiteraard, en indien correct, ook allemaal bijzonder educatief. Tot een gemakkelijker samenleven in diversiteit hebben die boekjes evenwel niet meteen geleid. Het is niet omdat Jef, Joeri of José immers weten (hadden kunnen weten indien ze die boekjes hadden gelezen, quod non) dat de pyjama een Arabische uitvinding is, dat de verstandhouding met de vaak (nog meer) ongeschoolde, en Nederlandsonkundige buurman er plots beter op werd. Neen, veel effect heeft deze literatuur niet bereikt, behalve dan bij de believers zelf. Zij waren nog meer overtuigd van de zinvolheid van een cross-over der culturen. Alle subsidies ten spijt; Jef, Joeri en José, om drie namen te typecasten, zagen dat dus niet. Voor hen was de nieuwe realiteit immers geen intellectuele spielerei, geen nine-to-five-probleem dat met boek, pamflet, brochure, reizende tentoonstelling, debat en uiteraard … het multiculinaire festijn kon worden opgelost. Trouwens, hoe typisch middle class om te denken dat samenlevingsproblemen met stichtende woorden kunnen worden opgelost. Alsof analfabetisme en achterstand verdwijnen door de redactie van een glossy magazine. Neen dus. Dat gebeurt wel door zwaar in te zetten op een integrale benadering van leefbaarheid, veiligheid, onderwijs en werk. Door aanwezig te zijn in buurt, op plein, en straathoek. Ook buiten de kantooruren liefst. Tegenwoordig heet die aanwezigheid en de beleidsvertaling bottum-up overigens modieus ‘frontlijnsturing’. Het geeft aan dat in hoofde van wie deze terminologie bedenkt er sprake is van een oorlogssituatie.

Maar goed, ik wijk, niet voor het eerst en zeker niet voor het laatst, af. Intussen is het motto, volgens sommigen zelfs het dogma, dat de multiculturele samenleving een verrijking is, meestal wel verlaten. Niet helemaal uiteraard, want niet iedereen valt zo snel zijn geloof af (wat uiteraard net het probleem is in de multiculturele samenleving, dat sommige groepen niet van hun geloof willen afvallen, integendeel). Zo bestond de federale overheid er nog in om in 2006 een campagne te starten met de titel ‘diversiteit is een verrijking’ (waarbij diversiteit breed is opgevat, met name alle verschillen tussen mensen). U kunt de brochure nog steeds terugvinden in flyerrekken die tegenwoordig - in het teken van dienstverlening, klantvriendelijkheid en openbaarheid van bestuur - in elk overheidsgebouw te vinden zijn. Neen, behoudens zulke stuiptrekkingen, het samenleven in diversiteit wordt vandaag toch meer als een feit neergezet. Een beoordeling die ook wat een waardeoordeel inhoudt. In feite klinkt het als een diagnose, iets waar we mee moeten leren leven.

En dat is zo.

Het samenleven in diversiteit boomt als nooit tevoren, en zal dat allicht nog een generatie (of langer) blijven doen. Dan gaan we, zo vermoed ik, allicht weer wat meer op elkaar lijken. Maar wie op wie zal lijken, dat is koffiedik kijken.

HET GEVAAR TE VERDRINKEN IN STATISTIEK

Iedereen die lang genoeg naar school is geweest kent de oneliner van de Nederlandse schrijver Godfried Bomans: ‘Een statisticus waadde vol vertrouwen door een rivier die gemiddeld één meter diep was. Hij verdronk.’ Kortom, statistiek is toch vaak een verhaal waarin, om in dezelfde sfeer te blijven en geheel spreekwoordelijk, het kind samen met het badwater wordt weggegooid, of kan worden weggegooid. De gevaren zijn immers bijzonder groot bij de opmaak van statistieken. Groepen die er werkelijk toe doen (en waarvoor het onderzoek vaak is uitgeschreven) zijn statistisch moeilijk te vatten, een frustrerende vaststelling die wetenschappelijk vaak wordt ingekleed door, voor een leek, mystieke formules toe te passen die dan de zogenaamde foutmarge berekenen. Bij kwalitatief onderzoek worden dan weer algemene conclusies getrokken uit gesprekken met een of twee dozijn gesprekpartners. Heel tijdsintensief, maar naar betekenis natuurlijk beperkt. Toch is kwalitatief onderzoek in de sector van het samenleven in diversiteit vaak niet meer dan dat. Uiteraard wordt er daarom ook altijd, in de rubriek beleidsaanbevelingen, om bijkomend vervolgonderzoek gevraagd. Dan, ja alleen dan, kan de waarheid immers aan het licht komen.

Los van deze kritische inleiding, statistische informatie vormt een nuttige bijdrage aan een debat. Statistiek is een instrument tot waarheidsvinding, maar schept zelden een absolute verduidelijking. Zeker niet gelet op de vele beperkingen (zoals daar zijn: immer te weinig tijd en geld om het onderzoek terdege te voeren, een statistisch moeilijk te traceren doelgroep of een doelgroep die onwillig is tot participeren, wat algemene en vooral sluitende bevindingen onmogelijk maakt) die statistisch onderzoek kenmerkt. Bovendien heeft ook de wetenschappelijke organisator, net zoals de financier, van het onderzoek doorgaans een doel voor ogen. Er is geen reden om te vermoeden dat dit anders zou zijn bij statistisch onderzoek betreft het functioneren van het samenleven in diversiteit.

DE ‘ALLOCHTOON’ ALS ONDERZOEKSOBJECT

Tegelijkertijd met de stichtende, maar weinig ter zake doende literatuur en interculturele theekransjes in de jaren 1990, groeit ook de statistische informatie en hieraan gekoppelde onderzoeksresultaten over het samenleven in diversiteit. Je kan het zo gek niet bedenken of er is allicht wel een (partieel) onderzoek naar gevoerd. Altijd zijn er conclusies, maar ook altijd gaan die gepaard met het verzoek om, zoals al geschreven, urgent vervolgonderzoek op te starten. Niets is immers wat het op het eerste gezicht lijkt. Dat is uiteraard zo, maar de tijd dringt.

Op deze wijze is er, sedert de jaren 1990 een ware onderzoekshausse over het multiculturele samenleven. Die hausse heeft uiteraard geleid tot een stapel rapporten waarvan de teneur doorgaans teneergeslagen is, en die één ding duidelijk maken: het samenleven in diversiteit is niet eenvoudig te managen. Positief is dat er zo ongeveer wel elke dag ergens een rapport media-aandacht krijgt. Negatief is dat er de volgende dag zelden nog iets met gebeurd, zodat zeker kan worden gesproken van een inflatie aan statistieken en onderzoeksresultaten. Misschien het beste bewijs hiervoor is dat het grote debat over het samenleven in diversiteit niet gebeurt op basis van figures and facts maar wel wordt ‘gestimuleerd’ enerzijds door een politieke strekking voor wie het falen van het multiculturele samenleven haar unique selling proposition vormt, en anderzijds door maatschappelijke chroniqueurs van wie de meest bekende zonder twijfel Nederlands publicist én sociaaldemocraat Paul Scheffer is.

Of het onderzoek nu de situatie op de arbeidsmarkt betreft, de kwaliteit van huisvesting, het onderwijsniveau van kinderen, kleinkinderen of de toekomst van het nog ongeboren kind, de aanwezigheid van bepaalde ziektes en depressies, de (gebrekkige) toegang tot de medische en psychische zorgverlening, de toegang tot sportclubs, het gebruik van parken en openbare ruimte, haast altijd leidt dit tot zorgwekkende resultaten. De vraag is, licht gechargeerd, of al dit continue ad hoc ‘geonderzoek’ wel nuttig is, behalve dan voor diegene die deze onderzoeken uitvoeren. Misschien moeten we beter beginnen met het hertalen van al deze resultaten in strategische en operationele doelstellingen? Let wel, ik schrijf wel degelijk ad-hoconderzoek - het jaarlijks grootschalig bevragen van de situatie waarin etnisch-culturele minderheden vertoeven is zonder twijfel wel zinvol. Overigens, in de vorige legislatuur is er hierover, onder auspiciën van de toen bevoegde minister van Inburgering Marino Keulen (Open Vld), al een duidelijke aanzet toe gegeven.

DE HAAKJES VOOR EN NA HET LEMMA ‘ALLOCHTOON’

Ik heb in de tekst hierboven consequent het zelfstandig naamwoord ‘allochtoon’ tussen haakjes geschreven. Het gebruik van dit woord is immers niet onproblematisch. Ten eerste is het newspeak voor het eertijdse ‘gastarbeiders’ waarmee uiteraard niet de buitenlandse CEO van bank of chemisch bedrijf wordt bedoeld. ‘Allochtoon’ is een eufemisme/pejoratieve benaming voor wie, uit den vreemde afkomstig, onderaan de sociale ladder staat. In het dagelijkse taalgebruik wordt er een nog meer beperkte groep met bedoeld, met name personen die afkomstig zijn uit Marokko en Turkije, bij uitbreiding allicht ook alle uitwijkelingen van andere moslimlanden. Onderzoek naar het wel en wee van ‘allochtonen’ is haast altijd een onderzoek naar deze groepen, en niet naar Oost-Europeanen, Aziaten of Latino’s. Vaststelbare problemen bij deze laatste groepen? Zou kunnen, maar die worden in elk geval zelden tot nooit onderzocht. Met andere woorden, er wordt nogal eenkennig gefocust op groepen die sedert de jaren 1960 naar Vlaanderen/België zijn gekomen; nieuwe(re) groepen in onze samenleving inspireren bevolking, beleid en onderzoek minder. Wat bijzonder is, omdat de kans bestaat dat hiermee opnieuw in dezelfde ‘vallen’ wordt getrapt.

De reductie van wie ‘allochtoon’ is tot Marokkanen en Turken doet de werkelijkheid absoluut geweld aan. Er zijn immers ‘allochtonen’ in Vlaanderen (België) uit alle (uit)hoeken van de wereld. De stad Antwerpen bijvoorbeeld, telt vandaag een 170-tal nationaliteiten.1 Volgens sommige berichtgeving neemt zij hiermee een derde plaats in op de overall ranking van meest diverse steden. Alleen New York en Amsterdam doen beter.2 Maar ook in andere steden en gemeenten valt het hoge aantal nationaliteiten op.3 Roeselare bijvoorbeeld telt inwoners uit een honderdtal landen, Kortrijk uit 119 landen.4 Leuven telt dan weer 152 verschillende nationaliteiten, maar dat aantal is allicht te verklaren door de vele buitenlandse studenten aan de universiteit aldaar.5

De begripsvernauwing is problematisch, en wel om twee redenen. De eerste reden is ideologisch: hoe gerechtvaardigd is het om de kindskinderen van eerste generatie ‘allochtonen’ nog steeds ‘allochtoon’ te noemen? Zij zijn hier geboren, hebben hier school gelopen (hoewel de statistieken aangeven met weinig succes), werken hier, of zouden dat graag doen (maar mogen niet, van terughoudende werkgevers die vooral ronselen via gekende wegen van ons-kent-ons, en die ook bang zijn dat wat vreemd is de klandizie angst zou aanjagen; soms is er aan de vraagzijde ook wel een houding van ‘pff, het zal wel weer een maat voor niks zijn, die sollicitatie’, met een vicieuze cirkel als gevolg). Toch blijven deze kindskinderen in een wij-zij-opdeling ‘allochtonen’. Dat gebeurt op basis van hun voor- en achternaam, hun huidskleur, hun andere religie en hun jaarlijkse vakantie naar het thuisland. Natuurlijk zijn dat niet de enige redenen waarom sommige groepen worden onderscheiden, ook, en misschien wel de echte reden is hun zwakke socio-economische positie en al wat dat teweegbrengt. Want laten we wel wezen; alle beleidsmatige, mediatieke en academische aandacht is er uitsluitend omdat deze groepen ook maatschappelijk doorwegen. Anders zou er over hen niet worden gerept.

De tweede reden ligt in het verlengde, en voegt een praktische dimensie toe. Door de opeenvolgende versoepeling van de wetgeving op de (verwerving van) Belgische nationaliteit, is ondertussen bijna iedereen Belg geworden. Statistisch kunnen sommige nieuwe Belgen en hun (kinds)kinderen nog wel getraceerd worden, maar lang niet meer allemaal. Kortom, we geraken steeds meer in de situatie dat onderzoek tussen ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’ onmogelijk wordt - nog even en iedereen is, met toepassing van de huidige statistische instrumenten, ‘autochtoon’. Ontroerend?
Misschien, maar daarmee is de achterstand en achterstelling nog niet verdwenen. Met andere woorden, op relatief korte termijn zullen we naar andere systemen moeten zoeken om groepen in de samenleving statistisch te kunnen vatten.

PLEIDOOI VOOR EEN SYSTEEM VAN ZELFIDENTIFICATIE

In deze context is het te overwegen om stilaan over te stappen naar een systeem van zelfidentificatie. Bij onderzoek wordt aan respondenten gevraagd hoe zij hun band zien met het verblijfsland. Deze methode kan bijzonder verhelderend zijn, omdat zij mensen niet meer louter aanspreekt op basis van antecedenten, maar bevraagt hoe men ‘in de samenleving staat’. Afhankelijk van wat onderzocht wordt, gaan mensen allicht ook zichzelf anders identificeren. Dat is geen probleem, integendeel. Zo is er een gerede kans dat veel inwoners (en ik gebruik deze term, los van nationaliteit) zich ‘Belg’ zal voelen, wanneer vragen worden gesteld over, pakweg, sociale zekerheid. Maar de kans dat inwoners met een moslimachtergrond zich sterk identificeren met België zal allicht kleiner zijn wanneer de onderzoeksvragen betrekking hebben op religiebeleving.

Kortom, zelfidentificatie is een/het middel om bij onderzoek inzicht te verwerven in de achtergrond van de respondenten, met dien verstande dat de achtergrond kan wijzigen naargelang het onderwerp. Ook dat is evident. Zelfs de meeste ‘Belge Belgen’ zullen zich meer zó voelen na een overwinning van Justine Henin of Kim Clijsters, dan na de zoveelste nederlaag van de Rode Duivels.

Het systeem van zelfidentificatie zal overigens in 2011 worden gebruikt in de Britse National Census, te vergelijken met onze tienjaarlijkse ‘volkstelling’ die in 2001 een laatste keer werd georganiseerd onder de benaming van ‘algemene socio-economische enquête’. De reden voor deze werkwijze wordt in Engeland als volgt gemotiveerd: ‘Census information enables central and local government, health authorities and many other public bodies to target their resources more effectively and to plan housing, education, health and transport services for years to come. Accurate, reliable data about ethnic groups, language and religion is an essential part of the planning process, to help ensure equality of outcomes for all diverse communities. Census information includes, for example, the numbers of women, disabled people and people of different age groups within distinct communities. National identity data will help to enrich the ethnic group data’.6

DIVERSITEIT: GEMETEN EN GEWOGEN

Hoe divers is Vlaanderen? Het antwoord hierop is verschillend naargelang van de locatie. Wie de vraag beantwoordt vanuit een (groot)stedelijke context, kan niet anders dan besluiten dat de diversiteit groot is. In vele kleine landelijke gemeenten is dat nog niet het geval - daar is diversiteit vooral een onderwerp van gesprek, op basis van nieuwsberichtgeving, of een kort tevoren gebracht bezoek aan ‘de stad die zo is veranderd’.

Zoals al geschreven, het aanbod aan cijfers is groot en verscheiden. Voor ik kort inzoom op de diversiteit in een aantal steden, som ik in vogelvlucht een aantal vaststellingen op die samen een wat somber beeld geven. In het algemeen wordt immers duidelijk dat inwoners met een vreemde achtergrond, en inzonderheid inwoners met een Marokkaanse en Turkse afkomst, op vele vlakken minder ‘scoren’ dan ‘autochtone’ inwoners. Deze vaststelling houdt ook stand, indien deze groep wordt afgezet tegen personen met eenzelfde socio-economisch profiel. In algemeenheid is er sprake van een hogere kindersterfte en een verhoogde vaststelling van handicaps (ook en vooral door de ‘gewoonte’ om neven en nichten met elkaar te laten huwen). Algemeen worden ‘allochtone kinderen’ ook gerekend tot diegene die pas later instappen in het kleuteronderwijs - wat onlangs in Vlaanderen heeft geleid tot de verplichting dat alle kinderen minstens 1 jaar Nederlandstalig kleuteronderwijs moeten lopen om te kunnen doorstromen naar het lager onderwijs.7 ‘Allochtone’ kinderen komen vaker terecht in een onderwijswaterval, en stoppen vroeger en vaker zonder diploma met school. In het algemeen is het onderwijsniveau van deze jongeren aantoonbaar lager, wat onder meer blijkt uit het zogenaamde Pisa-onderzoek. Aan hogescholen en universiteiten zijn zij nog minder aanwezig.
Op de arbeidsmarkt is het eveneens droef gesteld. ‘Allochtonen’ zijn vaker werkloos, en werken vaker in tijdelijke statuten, waardoor zij ook meer vatbaar zijn voor de effecten van crisissen. Duidelijker; in geval van een crisis zijn zij de eerste die de laan worden uitgestuurd. De achterstelling blijkt overigens niet alleen bij laag/kortgeschoolde ‘allochtone’ jongeren. Ook wie ‘allochtoon’ en hooggeschoold is, vindt in vergelijking met ‘autochtone’ hoogopgeleide jongeren minder snel werk, en minder op het te verwachten niveau. Deze vaststelling heeft uiteraard al vaak geleid tot beschuldigingen dat vele werkgevers in hun aanwervingsbeleid discriminatoir handelen. De cijfers lijken dat te bevestigen. Bijkomend stelt er zich het probleem - zoals Robert Putnam heeft onderzocht - dat de meeste mensen werk vinden via het netwerk van ouders en vrienden. Met andere woorden, bevolkingsgroepen die niet kunnen steunen op een sterk netwerk, lopen grote kans om interessante banen te mislopen.

Ook op andere gebieden zijn de cijfers zelden rooskleurig. Door de combinatie van problematieken (opleidingsniveau, culturele achtergrond, armoede, huisvestingskwaliteit) zijn ‘allochtonen’ vaker ongezond. Er is sprake van een hogere prevalentie inzake diabetes, er is vaker sprake van tandbederf en door de terughoudendheid inzake doktersbezoek - om bovenvermelde gecombineerde redenen - worden ernstige aandoeningen zoals (borst)kanker veel later, en vaak als het al te laat is, vastgesteld. Ook bij de psychische aandoeningen is de situatie niet rooskleuring. Door de combinatie van problematieken (bij uitbreiding wordt ook genoemd: het gevoel niet welkom in de samenleving te zijn) zijn ‘allochtonen’ meer vatbaar voor dergelijke aandoeningen, terwijl ook de specifieke zorgverlening niet aangepast is aan de wijzigende populatie. Zoals al geschreven, ook de toepassing van neef-nichthuwelijken (die sowieso sterk ingebed is in de traditie van sommige ‘allochtone’ groepen maar die nu nog aan betekenis wint doordat dergelijk huwelijk het bijkomend voordeel van toegang tot het grondgebied oplevert) is voor hieruit geboren kinderen niet zonder risico.

Inzake huisvesting is er evenmin reden tot vreugde. ‘Allochtonen’ huren vaker en, ook indien zij eigenaar zijn, is het onroerend goed vaker van mindere kwaliteit. Men spreekt in dit verband van ‘noodkopen’, ook omdat ‘allochtonen’ vaak moeilijk een woning kunnen huren. Er is immers een grote terughoudendheid bij vele verhuurders - een terughoudendheid die deels te verklaren is door de socio-economische zwakte van deze groep (en verhuurders zijn geen caritatieve instellingen, net zoals verzekeringsmaatschappijen willen zij een zo hoog mogelijk rendement tegen zo min mogelijk risico), deels door racisme (want ook ‘allochtonen’ die socio-economisch sterk zijn ondervinden geregeld problemen om een woning te kunnen huren). In vele gevallen, of in hoge mate, wonen ‘allochtonen’ geconcentreerd - wat overigens ook bij ‘autochtonen’ het geval is. Vaak gebeurt dit in oudere stadswijken die gekenmerkt worden/werden door het betaalbare patrimonium. Keerzijde is uiteraard dat de kwaliteit van deze huisvesting vaak laag is, waarbij hetzelfde kan worden gezegd over de gehele buurt waar zij wonen (hoewel, sedert de jaren 1990 alle steden hoog inzetten op stadsvernieuwing en de strijd tegen verloedering wat dan weer gentrification als gevolg heeft). In deze buurten ontbreken vaak ook plaatsen waar mensen elkaar kunnen ontmoeten, en is er geen of minder (openbare) sportinfrastructuur. Bij private sportclubs (die meestal in andere buurten zijn gevestigd) zijn ‘allochtonen’ ondervertegenwoordigd. Afstand, deelnameprijs en racisme belemmeren er de toegang. ‘Allochtonen’ vinden overigens ook nog steeds moeilijk de weg naar culturele events, bibliotheken enzovoort. Ook hier is dat om verschillende redenen, zoals deelnameprijs, maar ook de onaangepastheid van het cultuuraanbod - hoewel de laatste tijd initiatieven worden genomen om dat aanbod te diversifiëren.

DIVERSITEIT IS EEN STEDELIJK CONCEPT

Op voorwaarde dat diversiteit wordt begrepen vanuit een etnisch-culturele context dan is zij, zoals al geschreven, toch vooral, maar niet meer uitsluitend, een verhaal van grootsteden zoals Brussel, Antwerpen of Gent. Maar de toegenomen diversiteit is niet alleen een zaak van de grootsteden. Ook centrumsteden en kleine(re), zelfs meer landelijke, gemeenten verwelkomen steeds vaker nieuwe inwoners uit alle hoeken van de wereld.8 De toegenomen diversiteit betreft, kortom, een algemene vaststelling die toch niet wegneemt dat vandaag vooral in de groot- en centrumsteden diversiteit de regel en geen uitzondering meer is.9 Daarnaast kennen ook nog enkele andere gemeenten een grotere bevolkingsdiversiteit, die historisch te verklaren is. Hierbij wordt dan vooral, voor wat Vlaanderen betreft, gedacht aan de oude industriezones zoals de ex-mijngemeenten in Limburg.10
Met uitzondering van Brussel - waar vandaag meer dan 50% van de bevolking ofwel afkomstig is uit het buitenland ofwel geboren is uit ouders die migreerden11 - is het absolute aandeel (dus de verhouding tussen ‘allochtone’ bevolking met de totale stedelijke bevolking) bij mijn weten nergens meer dan 30%, een percentage dat bijvoorbeeld in het geval van de stad Antwerpen grosso modo jaarlijks met 1% stijgt. Zo wordt er in de stad Antwerpen verwacht, zeker met inachtname van de effecten van de huidige regularisatie (waarbij de federale overheid de uiteindelijke factuur tot nu toe mooi doorschuift naar het lokale niveau) dat dit ‘allochtone aandeel’ binnen tien jaar zal stijgen naar 40% van de gehele stedelijke bevolking.

Los van de effecten van dergelijke regularisatie zijn er voornamelijk twee redenen die de ‘allochtone’ aangroei in steden verklaren. Enerzijds is er de niet aflatende instroom van huwelijksmigranten. Anderzijds is de ‘allochtone’ bevolking in hoofdzaak een jonge bevolking (terwijl de autochtone stedelijke bevolking veel meer ouderen telt). Uiteraard heeft dat effect op de toekomstige bevolkingssamenstelling. Dat effect wordt misschien nog het best zichtbaar aan de hand van een voorbeeld: in de stad Genk trouwt, grosso modo, 1 op 2 van de inwoners van Turkse en Marokkaanse afkomst met een partner uit het herkomstland. Het geboorteaandeel van Genkse kinderen van Turkse of Marokkaanse afkomst bedraagt de voorbije jaren altijd tussen de 40 en 50% van alle geboorten.12 Het is evident dat dit demografisch effect sorteert.

Deze cijfers, die wijzen op een stijgende ‘allochtone’ groep in onze samenleving, zijn an sich niet problematisch. Zij worden dat wel in combinatie met de weergegeven multiple achterstanden waardoor er zonder twijfel een grote claim wordt gelegd op het toekomstig functioneren van betrokkenen en op het samenleven in vele steden. Het lijkt evident dat er daarom de volgende jaren (nog) meer moet worden geïnvesteerd in het wegwerken van achterstanden en het verhogen van stedelijke leefbaarheid. Het gaat met andere woorden om een reusachtige uitdaging, voor overheid en alle inwoners. Want nog meer dan vandaag zal deze bevolkingsevolutie leiden tot een pleidooi van kansen krijgen (door de overheid) en kansen grijpen (door de bevolking). Iedereen heeft dus een taak te vervullen.

Bob Van den Broeck
Redactielid Sampol en adviseur gelijke kansen op het kabinet van
de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel 13

Noten
1/ Ter vergelijking: de Verenigde Naties tellen 192 landen als lidstaten.
2/ Trouw 22 augustus 2007. Pro memorie: op 1 januari 2007 telde Amsterdam 173 nationaliteiten (www.os.amsterdam.nl/themas/bevolkingenwonen/70109). In een recente toespraak noemde de Amsterdamse burgemeester Job Cohen het aantal van 177 nationaliteiten: Nederlands Dagblad 10 mei 2008. Voor New York kon de juistheid van de krantenberichtgeving niet worden achterhaald. Meer, uit correspondentie met the Big Apple, blijkt dat het stadsbestuur deze informatie niet verzamelt, en dus ook niet kan meedelen, zo valt te lezen in het etnisch-cultureel meerjarenplan van de stad Antwerpen, Samenleven in diversiteit Eenheid in verscheidenheid & verscheidenheid in eenheid Beleidsplan 2009-2011, p. 28 en voetnoot 80, te downloaden via http://www.antwerpen.be/docs/Stad/Bedrijven/Sociale\_zaken/SZ\_Integratie/20080522\_MJP\_Eindversie.pdf
3/ Op de website van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) worden de verschillende nationaliteiten per gemeente overzichtelijk aangeboden. DVZ deelt de buitenlandse bevolking in een gemeente echter verder op tussen personen die onderdaan zijn van en lid, en die vermoedelijk onderdaan zijn van een land. Zie http://www.dofi.fgov.be/nl/statistieken/Stat\_ETR\_nl.htm.
4/ Zie hiervoor de geactualiseerde omgevingsanalyse 2007 van het provinciaal integratiecentrum West-Vlaanderen, te downloaden via http://www.desom.be/pdf/publicaties/OA2007.pdf.
5/ Stad Leuven, Beleidsplan etnisch-culturele diversiteit 2009 - 2011, 6, te downloaden via http://www.leuven.be/doc/beleidsplan\2009\_2011.pdf.
6/ Zie de _Ethnicity, National Identity, Language and Religion Question Development
ter voorbereiding van de 2011 Census in England and Wales, 15 via http://www.ons.gov.uk/ons/guide-method/census/2011/the-2011-census/census-consultations/equality-impact-assessment--ethnicity--national-identity--language-and-religion-question-development.pdf.
7/ Juister is een verplichte aanwezigheid van 220 halve dagen in de derde kleuterklas: http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2009/0311-kleuterklas.htm.
8/ Evident: als het ‘allochtone aandeel’ van de bevolking ten opzichte van de autochtone bevolking in wijken en buurten toeneemt, dan impliceert dit een verdieping en verbreding van de ruimtelijke concentratie van eerstgenoemde bevolking. Dit resulteert binnen steden in, zoals (bij afwezigheid van Vlaams onderzoek ter zake) een Nederlandse studie bevestigt, wijken met hogere aandelen ‘allochtonen’ waarbij het aandeel ‘allochtonen’ in al gekleurde wijken stijgt. Bovendien stelt deze studie ook een duidelijke ‘allochtone’ ‘uitbeweging’ vast naar aangrenzende gemeenten. Niettegenstaande deze uitbeweging zullen toch vooral de steden de volgende jaren zeker verder verkleuren door een combinatie van ‘allochtone’ vestiging enerzijds, en (een nog hogere) ‘autochtone’ uittocht anderzijds. Zie hiervoor J. Latten, H. Nicolaas en B. Hamers, ‘De prijs van migratie. Selectieve verhuisstromen van de vier grote steden’, Bevolkingstrends _ 2006, pp. 37-44; C. Van Duin, A. De Jong en R. Broekman, _Regionale bevolking- en allochtonenprognose_  2005-2025, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag, 2006, 60 e.v., te downloaden http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/EDA24743-C3F6-47C5-B4BE-5913F821429A/0/2006pearlatlas.pdf. Zie ook J. Kullberg, M. Vervoort en J. Dagevos, _Goede buren kun je niet kopen. Over de woonconcentratie en woonpositie van niet-westerse allochtonen in Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, 2009, 55 e.v., te downloaden http://www.scp.nl/Publicaties/Alle\_publicaties/Publicaties\_2009/Goede\_buren\_kun\_je\_niet\_kopen.
9/ Studiedienst van de Vlaamse Regering, ‘Sterke lokale besturen, samenleven in diversiteit ‘in VRIND 2008 (Vlaams regionale indicatoren), Vlaamse overheid, Brussel, 2008, 264 te downloaden via http://www4dar.vlaanderen.be/sites/svr/Publicaties/Publicaties/vrind/vrind2007/hoofdstuk8\_2007.pdf.
10/ Voor een duidelijke weergave van de verspreiding van inwoners die ‘van allochtone afkomst’ en statistisch te traceren zijn, verwijs ik graag naar de studie die in 2006 is uitgevoerd in het kader van het onderzoek uitgevoerd door het Belgisch Interuniversitair Consortium over Immigratie en Integratie. T. Eggerickx, A. Bahri, N. Perrin met medewerking van L. Dal, F. Peltier en J.-P. Sanderson, Internationale migratiebewegingen en allochtone bevolkingsgroepen. Statistische en demografische gegevens, 2006, 16 p., te downloaden via http://ec.europa.eu/ewsi/UDRW/images/items/docl\_10768\_79944056.pdf.
11/ P. Deboosere, T. Eggerickx, E. Van Hecke en B. Wayens, De Brusselse bevolking: een demografische doorlichting, Brussel Studies, 17 maart 2009, 8.
12/ Diversiteitsbeleidsplan stad Genk 2009 - 2011, 4-5, te downloaden http://www.kenniscentrumvlaamsesteden.be/samenwerken/participatie/interessante%20participatietrajecten/degenks/Pages/Stedelijkdiversiteitsbeleidsplan2009-2011.aspx.
13/ Bob Van den Broeck schrijft deze bijdrage op persoonlijke titel.

allochtonen - diversiteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 13