Log in

Arbeidsvreugde: cruciaal sociaal vraagstuk

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 9 (november), pagina 69 tot 78

De arbeidersbeweging moet er niet naar streven om de arbeidsduur zo beperkt mogelijk te houden. Ze moet ervoor zorgen dat werknemers hun natuurlijke behoefte aan arbeidsvreugde kunnen beleven. Finaal kan dat echter alleen als de economie als zodanig in dienst staat van wat de mensen nodig hebben. Arbeid en vrije tijd zijn twee kanten van eenzelfde medaille.1

ARBEID WORDT VERACHT

De Nederlandse psychiater Jan Hendrik van den Berg geeft ergens2 verslag van een gesprek met een functionaris van de Amerikaanse vakbond. Het ging over de vermindering van de arbeidsduur. Op de vraag wanneer die op zijn grens zou stoten, antwoordde de vakbondsman zonder veel nadenken: ‘nul uur arbeid en dubbel loon’. Dit ontlokte bij Van den Berg de commentaar dat de arbeid nog nooit zozeer werd veracht. Want die vakbondsman drukte volgens hem uit wat alle arbeiders echt willen, de arbeid afschaffen. Toen hij de functionaris ook vroeg wat de arbeider in de vrijgekomen tijd zou doen, geraakte deze even van zijn stuk. Ja, dat was wel een probleem, antwoordde hij.
De vakbondsman zei niet zomaar iets. Hij trad zelfs in de sporen van niemand minder dan Karl Marx. Die had trouwens wel een antwoord op de vraag wat de vrije arbeider zou doen. Als hij niet langer zou vastzitten aan een door de arbeidsdeling opgedrongen activiteit - hij is jager, visser, herder of kritische criticus en moet dat ook blijven wil hij zijn bestaansmiddelen niet verliezen - zou hij gewoon doen wat hij graag doet. Hij kan ’s morgens jagen, ’s namiddags vissen, ‘s avonds vee hoeden en na het eten aan kritiek doen. De samenleving regelt de algemene productie en het individu is gewoon vrij.3

RIJK VAN DE NOODZAAK VERSUS RIJK VAN DE VRIJHEID

Over hoe die samenleving de algemene productie zou regelen, ontdek je niet zoveel. Ook niet over wat er gebeurt als echt niemand eens zin heeft om eten te maken. Zal men dan maar met een lege maag aan kritiek doen? Marx heeft hier meer dan één antwoord op gegeven, maar het laatste heeft te maken met de tweespalt tussen het rijk van de noodzaak en het rijk van de vrijheid.

In het rijk van de noodzaak werkt men om den brode. Het is het niveau van de materiële productie, waar doelmatigheid heerst. Deze sfeer van het natuurnoodzakelijke verkleint niet naarmate de mens zich ontwikkelt, maar groeit integendeel mee met de behoeften. Gelukkig groeien ook de productiekrachten die nodig zijn om die behoeften te bevredigen. De samenleving moet die productie zo rationeel mogelijk en gemeenschappelijk inrichten. De enige manier om aan de beheersing door blinde natuurkrachten te ontsnappen is ervoor te zorgen dat die productie zo weinig mogelijk krachtinspanning vraagt en de mensen zoveel mogelijk in hun waardigheid laat. Maar het blijft noodzaak en geen vrijheid. Die vrijheid begint precies wanneer de noodzaak ophoudt. Met andere woorden in de vrije tijd, wanneer men kan doen wat men wil. Activiteit hoeft dan geen doel meer te hebben, maar is doel op zichzelf. Het rijk van de vrijheid kan natuurlijk alleen maar als het rijk van de noodzaak voldoende produceert, maar de tijd die een individu daarin steekt moet zo beperkt mogelijk zijn. Verkorting van de arbeidstijd is met andere woorden een basisvoorwaarde voor het rijk van de vrijheid.4

MYTHE VAN DE ZONDEVAL

De Amerikaanse vakbondsman vertolkte een marxistische stelling. Op de vraag wat in de vrijgekomen tijd aan te vangen had hij in die traditie gewoon moeten zeggen: dolce far niente, zalig niets doen en in elk geval niets meer wat een doel heeft. Ach wat, marxistische stelling? Is dit niet gewoon de oudtestamentische mythe van het aards paradijs, waar de mens en zijn vrouw Eva uit verdreven werden? Zij werden in de tuin van Eden gebracht om die te bewerken en te beheren5, maar mochten van één boom niet eten. Omdat ze dit toch deden, werden ze gestraft. Dat werken en beheren was blijkbaar niet zo lastig geweest. Plots was de grond vervloekt. Het rijk van de noodzaak was geïnstalleerd en de mens en zijn vrouw konden alleen nog dromen van het verloren rijk van de vrijheid. Omdat ze hun onschuld verloren hadden, omdat ze kennis verworven hadden van goed en kwaad. En vooral omdat ze beseffen sterfelijk te zijn. Zij kunnen alleen proberen de tijd waarin zij moeten afzien zo beperkt mogelijk te houden. In die vrije tijd stellen ze zich voor terug in de tuin te vertoeven en geven zichzelf de illusie van de eeuwige jeugd. En ze fantaseren er meteen bij dat dit een arbeidsloos bestaan zou zijn.

Het zit blijkbaar heel diep in de westerse cultuur te denken dat arbeid negatief is en de tijd dat gewerkt moet worden daarom zoveel mogelijk moet worden beperkt. Het is niet alleen christelijk, de Grieken probeerden de klus zelfs helemaal door te schuiven naar hun slaven. Vanaf de negentiende eeuw ontstond echt de hoop dat het ideaal van nul uur arbeid binnen bereik kwam. De productiecapaciteit steeg zienderogen en met die stijging ook de verwachting dat het ideaal van een heerlijk niets doen bereikbaar zou worden. De inspiratie van Marx en de Amerikaanse vakbondsman was eigenlijk zeer Bijbels. Maar wat als Marx en zijn volgelingen zich eens vergist zouden hebben? Wat als dat paradijs eigenlijk gerealiseerd zou zijn in de twintigste eeuw, maar voor de mensen helemaal niet zo leuk zou zijn? En waarom lezen ze (zoals de westerse traditie het wil) erover dat de mens en zijn vrouw in het paradijs gebracht werden om de tuin te bewerken en te beheren? Dan hadden ze toch begrepen dat het er helemaal niet op aan komt niet te werken, maar dat het soort werk of de manier waarop men dat moet doen bepalend zijn? Dat het zweet en de smarten vooral te maken hebben met de omstandigheden?

PERPETUUM MOBILE

Marx was er nochtans dicht bij. De kern van zijn verhaal heeft te maken met het zogenaamde fetisjkarakter van de waar: het geloof dat waren een of andere mystieke waarde hebben. En precies dat geloof maakt het mogelijk om een economisch systeem te laten draaien op objecten die geen direct verband meer hebben met behoeften. Het is een economie waar een eeuwige circulatie van geld als kapitaal doel op zich geworden is. Een perpetuum mobile. Dolce far niente? Maar dat is precies de werkelijkheid van het systeem dat Marx beschreef: produceren om te consumeren en consumeren om te produceren. Wat geproduceerd en geconsumeerd wordt doet er niet toe, als het maar een eeuwige kringloop is. Het probleem is niet dat de arbeider ondergeschikt wordt aan de machine, maar aan het kapitaal.6

In het paradijs moest wel degelijk gewerkt worden. De tuin moest bewerkt en beheerd worden. Maar blijkbaar zagen de mens en zijn vrouw daar niet van af. Mag ik suggereren dat het bestaan in de tuin van Eden een zinvol bestaan was, dat de arbeid die er te verrichten was zinvolle, dit wil zeggen op een doel gerichte, arbeid was? De westerse cultuur wordt gevoed door een ideaal van zalig niets doen, een doelloos bestaan. Die cultuur heeft een economisch systeem gecreëerd dat dit ideaal van niets (bepaald) doen realiseert. En dat blijkt helemaal niet zo zalig te zijn. Marx had dat door, maar hij bleef in laatste instantie toch haken aan een soort paradigma: laat die mallemolen maar draaien, maar laten we er tegelijk voor zorgen dat we er als individu zo weinig mogelijk mee te maken hebben. We hebben het rijk van de noodzaak nodig, maar we kunnen er mentaal aan ontsnappen in het rijk van de vrijheid. Zijn redeneerfout was dat hij dacht dat de doelloosheid in het rijk van de vrijheid bevredigend zou zijn. Het is echter een doelloosheid die door datzelfde economisch systeem gedicteerd wordt. Het rijk van de noodzaak en het rijk van de vrijheid zijn twee kanten van eenzelfde medaille.

HET ENIGE SOCIAAL VRAAGSTUK

Hoe zou men daaraan kunnen ontsnappen? Dat toont nu net Hendrik De Man wanneer hij het over arbeidsvreugde heeft. Hij kon op een bepaald moment de westerse mythe van het aards paradijs wel degelijk en consequent doorbreken. Dat wil niet zeggen dat alles wat hij op dat gebied geschreven heeft kritiekloos moet worden overgenomen. Sommige zaken zijn zelfs ronduit gedateerd, zoals Mieke Van Haegendoren al in 1972 in haar biografie over De Man opmerkte. Ze heeft het dan over de waslijst aan instincten die de arbeidsvreugde moeten helpen begrijpen.7 Ik ga daar zelfs niet op in. Maar dat hij van die arbeidsvreugde een centraal punt van het socialisme maakte is van groot belang. In het rijk van de noodzaak moeten mensen gelukkig zijn. De Man stelde dat niet terloops, maar men vindt zijn visie centraal terug in de hele discussie die hij met het marxisme voerde.

Ik begin met enkele verwijzingen uit Psychologie van het socialisme, de ongelukkige vertaling van Au delà du marxisme8:
‘Alle sociale vraagstukken der geschiedenis zijn slechts verschillende verschijningsvormen van het eeuwige, alles overheersende, eigenlijk enige sociaal vraagstuk, hoe de mens niet slechts door de arbeid, maar ook in de arbeid geluk kan vinden.’ (p.101) Marx en Engels hadden uiteraard oog voor de erbarmelijke toestand van de arbeidersklasse, maar zij dachten er niet aan om het geluk bij het uitvoeren van de arbeid centraal te stellen. Men moet er gewoon voor zorgen dat die arbeid zo weinig mogelijk inspanningen vraagt, zo veel mogelijk gemechaniseerd is. Dat geluk zou wel vanzelf komen ofwel moest de arbeider het in zijn vrije tijd vinden. Niet Hendrik De Man: ‘Dit en geen ander is het vraagstuk waarin het socialisme zal overwinnen of waarop het schipbreuk moet lijden.’ (p.101) Verlies aan arbeidsvreugde is minstens zo belangrijk als beweegreden in de sociale strijd als verlies van inkomen. Het socialisme moet er gewoon voor zorgen dat de arbeiders ook op hun werkplek gelukkig zijn. De mechanisering kan daar een rol in spelen, maar niet alleen door arbeid van de mensen over te nemen.

In een cursus voor de arbeidershogeschool had De Man al enkele jaren eerder geschreven dat de economische wetenschap pas zinvol is als ze de mensheid helpt bij het zoeken naar geluk. Maar, en dat is een cruciaal vervolg in zijn redenering, geluk is geen zaak van accumulatie van goederen. Goederen moeten behoeften lenigen. De economie mag zich niet beperken tot het zoeken van een maximum resultaat aan goederen tegen een minimum aan inspanningen. Zij moet oog hebben voor de relatie tussen product en behoefte. Een economie die dit doet, draagt bij tot het geluk.9
Het komt er dus op aan de economie in te richten met het oog op wat de mensen nodig hebben. Als het zogenaamde rijk van de noodzaak juist geen oog heeft voor de behoeften, kan dat niet gecompenseerd worden in het zogenaamde rijk van de vrijheid. Dat kan des te minder omdat beide sferen aan elkaar gebonden zijn. In een krantenstuk uit 1929 schrijft De Man letterlijk dat de arbeid zijn zingeving ontleent aan het leven. Arbeidsvreugde en levensvreugde zijn niet te scheiden. Er moet strijd gevoerd worden om beide te verhogen, wat niet zal gebeuren door een simpele verhoging van de materiële prikkels. De maatschappelijke ordening als zodanig moet tot meer arbeidsvreugde leiden.10 Dat onderscheid tussen rijk van de noodzaak en rijk van de vrijheid is met andere woorden nonsens.

Er ontstaat juist een probleem wanneer de sfeer van de arbeid louter op zichzelf bestaat. In dat geval wordt de arbeider van zijn arbeid afgescheiden. Hij werkt niet omwille van het plezier van het werken, maar omwille van de vrees voor werkloosheid. Arbeidslusteloosheid komt dan in de plaats van arbeidsvreugde. Het drama is dat ook de arbeider de algemene regel van het onbegrensde winstbejag volgt, eigenlijk zelf kapitalist geworden is. Alleen kan hij de drang tot werkzaamheid bij zichzelf niet ontkennen. Het is een van zijn meest fundamentele behoeften, voor een stuk waarschijnlijk zelfs fysiologisch verankerd. De vreugde van het spel is de basis van zijn zelfwaardering.11

TAYLOR ORGANISEERT DE OVERSPANNING

Belangrijk om op te merken is dat dit voor De Man niet te herleiden is tot machinearbeid. Hij is in 1918 naar de Verenigde Staten geweest om het Taylorisme te bestuderen. Hij maakte deel uit van een Belgische delegatie die moest onderzoeken of dat Taylorisme na de Eerste Wereldoorlog niet nuttig kon zijn in de heropbouw van de Belgische industrie. Het jaar daarop resulteerde dit in Au pays de Taylor12 en zijn Conferenties over het Taylorisme.13 Men leest hier best ook Der Kampf um die Arbeitsfreude14 uit 1927 bij, een boek dat eigenlijk een soort praktische bijlage bij het derde hoofdstuk van De psychologie van het socialisme was. Het is gebaseerd op interviews in de periode 1924-1926 met zijn studenten in Frankfurt-Am-Main. Die studenten aan de zogenaamde academie voor werk, waren allemaal mensen die zelf ervaring hadden met fabrieksarbeid.15

De Man kwam helemaal niet terug met een positieve boodschap over Taylor.16 Hij kon hem nog volgen wanneer het gaat om de organisatie van een fabriek of een productieproces, maar zelfs op dat vlak vond hij Taylor niet origineel. Hij probeerde te veel te veralgemenen wat hij als ingenieur in zijn eigen bedrijf had geleerd. En eigenlijk werd die organisatie voordien al rationeel aangepakt. Maar hij kon Taylor helemaal niet volgen wanneer deze de tijdsbesteding van de mensen ging meten en probeerde de productiviteit te verhogen door premiesystemen. Met zijn stop watch organiseerde Taylor noch min noch meer dat arbeiders overspannen werden. Mensen zijn nu eenmaal geen machines, ze kunnen ook gewoon vermoeid worden. Mensen zijn ook geen gorilla’s, die je om het even wat kunt laten doen waaruit alle kennis is weggenomen.

WERKNEMERS ZIJN MOTOR VOOR RATIONALISATIES

Het grondprobleem is dat Taylor dacht, door zijn zogenaamde wetenschappelijke methode, het (sociaal) overleg overbodig te maken. In werkelijkheid opereerde hij voor slechts één van de twee partijen in dat overleg. De arbeider zelf werd niet gehoord. En er zat dan nog een meer dan behoorlijke foutenmarge aan vast. Hetzelfde geldt voor zijn idee dat je mensen zodanig kunt rekruteren dat je gegarandeerd de juiste arbeider voor een bepaalde plaats krijgt. Het zogenaamd wetenschappelijk management ontneemt de arbeider iedere invloed op de organisatie van zijn arbeid, terwijl het premiesysteem de solidariteit ondermijnt. Dat is hommeles vragen en je ziet dan ook in de praktijk een daling van de productiviteit, als een vorm van individueel of collectief verzet. Opdat een werknemer goed zou werken, moet hij of zij nu eenmaal gelukkig zijn. En goed behandeld worden is nog belangrijker dan goed betaald worden. Werk is echt geen waar, maar maakt integraal deel uit van het bestaan van de mens.

De Man had het niet voor Taylor, omdat deze werknemers alle initiatief en kennis ontzegde en hen herleidde tot machines of dieren. Mensen willen plezier beleven aan en in hun werk. Ze hebben daar gewoon behoefte aan. Arbeidsvreugde is een natuurtoestand. Die hoeft niet aangemoedigd te worden, ze kan enkel verhinderd worden. En het is niet zomaar de groei van de productiviteit die de arbeidsvreugde verhindert. Er is helemaal niets tegen een productiviteitsverhoging, op voorwaarde dat de last voor het individu niet hoger wordt. De werknemer mag niet meer uitgebuit worden. Het is zelfs nodig om de productiviteit te verhogen, wil men de welvaart verbeteren. En het beste resultaat bereikt men bij een georganiseerde samenwerking tussen werknemers en werkgevers. De Man noemt dit een democratisering van de industrie. De perfectionering van de werktuigen en machines moet leiden tot hoge lonen en lage lasten.

Het is vandaag duidelijk dat dit laatste niet overeenkomt met de economische evolutie op wereldvlak. Daar zie je hoe de lonen gedrukt worden door een wereldwijde concurrentie en hoe hele industrietakken wel degelijk verdwijnen naar lagelonenlanden. Waar ik echter wil op wijzen is dat het verzet van De Man tegen Taylor niet te maken had met angst voor productiviteitsstijging. Hij dacht integendeel - ook op basis van zijn eigen enquête - dat de arbeiders vragende partij zijn voor goede werktuigen. Zij zijn in zekere zin zelfs de voornaamste oorzaak van rationalisatie. Het zoeken naar de geringste inspanning is volkomen natuurlijk, een zaak van psychische hygiëne. De arbeider wil daar alleen economisch de klos niet van zijn.

Bij Hendrik De Man zul je dus geen oproep vinden om tegen de machines ten strijde te trekken. Het zijn de sociale omstandigheden die uitmaken of machines problematisch zijn. Het werk met sommige machines kan te pijnlijk zijn, of te gevaarlijk, of te weinig hygiënisch. Ze kunnen te moeilijk zijn om te beheersen of een bedreiging vormen voor de sociale positie. Maar daar kan allemaal aan verholpen worden. Totale onderwerping aan een machine is een grensgeval. Mensen vinden altijd nog wel een kleine aanleiding om een beetje vreugde uit hun werk te putten. De vakbonden spelen daar trouwens een eersterangsrol in, veel meer dan de partij die dit niet eens goed begrepen heeft. Veel belangrijker dan de strijd voor hogere lonen, is de strijd voor de waardigheid van de arbeider. Vaak zal men trouwens ondervinden dat machines aanleiding geven tot hogere scholing, juist repetitief werk wegnemen. Arbeiders zijn dan geen aanhangsel, maar bedienaars van hun machine. Ongeschoolde arbeid komt stilaan veel meer voor buiten dan binnen de industrie. En men moet ook aanvaarden dat niet iedere werknemer vies is van repetitief werk. Sommigen zoeken dat juist op. Vandaar dat het ontzettend belangrijk is om iedereen in te zetten op de juiste plaats. En even belangrijk is het ontscholingsproces van de industriële arbeider tegen te houden, of minstens in zijn ergste gevolgen te bestrijden door onder meer de vakkennis te promoten en het vakonderwijs uit te breiden. In zijn enquêteboek kwam duidelijk naar voor dat hogere kwalificaties makkelijker arbeidsvreugde opleveren. Techniek kan voor De Man een oorzaak van emancipatie zijn.

DE MAN IS RADICAAL…

Het fundamentele verschil van mening tussen De Man en Marx zit hem daarin dat voor de eerste een arbeider meer is dan een verkoper van zijn arbeidskracht. Met alleen maar de verkoop van zijn arbeidskracht zou hij heel ongelukkig zijn. De arbeider wil blijven produceren. Maar hij kan dat maar doen als hij met die arbeid ook goed zijn boterham verdient. Marx ziet een fundamenteel onderscheid tussen het rijk van de noodzaak en het rijk van de vrijheid. Voor De Man zijn beide aan elkaar gebonden. Als je al een onderscheid maakt, moet je ervan uitgaan dat het rijk van de noodzaak niet volledig onderworpen mag zijn aan het doelloze produceren van kapitaal. Het moet gericht zijn op de behoeften van de mensen. Als je daarvan uitgaat, kun je verwachten dat mensen vreugde kunnen beleven aan hun arbeid. Geen absolute vreugde, die bestaat niet. Er is altijd een spanning. Maar arbeidsvreugde moet wel een recht zijn.17
Wanneer je de zaken op die manier voorstelt was de zogenaamd revisionistische De Man ongelooflijk veel radicaler dan de revolutionaire Marx. Voor deze laatste moet het geluk louter in de vrije tijd gevonden worden. Het is echter geluk dat gebouwd wordt op een productieapparaat dat helemaal niet geïnteresseerd is in het geluk van de werknemer. Het is een puur rationeel ingericht productieapparaat, inderdaad een Tayloristische organisatie. Of sterker nog: een Tayloristische samenleving, waar de zogenaamde wetenschappelijke organisatie uitgebreid wordt tot de hele samenleving.

Op basis van wat ik tot nu gevonden heb, moet De Man daarvan gruwelen. Hij wil op termijn het productieapparaat inrichten in functie van de behoeften van de mensen. Tegelijk wil hij een harmonische mens die zowel binnen als buiten de arbeid straalt van geluk. Voor de arbeidersbeweging is de ideale arbeider een Tayloristische arbeider, schrijft hij ergens.18 We hebben gezien dat dit een arbeider is die afgesneden is van kennis en alle autonomie ingeleverd heeft. Een machine of een gorilla. De Man aanvaardt dit niet, ook al beseft hij dat arbeidsvreugde een zeer relatief begrip is. Een werknemer kan nooit volledig gelukkig zijn in zijn werk en niet iedereen ervaart het geluk op zijn werk op dezelfde manier. Maar je moet tenminste voor dat geluk ijveren. Het laatste hoofdstuk van Psychologie van het socialisme heet: Credo. Daarin schrijft hij dat hij socialist is, omdat socialisme betere en gelukkiger mensen maakt.19

… MAAR HIJ HOUDT HET NIET VOL

En toch denkt hij daar niet consequent over door. Overwegingen over geleide economie20 is zo een beetje een aanloop naar zijn ‘planteksten’. Het is ook het eerste stuk in het deel over het planisme van Persoon en ideeën. Daar heeft hij het uitdrukkelijk over de idee van een samenleving, die de principes van Taylor niet alleen op de individuele bedrijven toepast, maar op de hele samenleving. Die is op dat moment niet langer gedreven door een winstprincipe, maar door meer rationele motiveringen, ‘(…) zoals het zoeken naar de kleinste inspanning voor het grootste rendement, m.a.w. ze vervangt de drijfveren van de kapitalist door die van de ingenieur.’ (p.49) Het ideaal van een ingenieur is een autonome economie, alleen onderworpen aan de wet van efficiëntie en rendement. Wanneer die ingenieur Amerikaan is, dan kan hij perfect samenleven met de stellers van de jarenplannen in de Sovjet-Unie.

De Man vindt dit een utopie, maar hij distantieert er zich niet van. Plots stelt hij niet meer de vraag waar die autonome, efficiënte en hoge rendementseconomie moet voor dienen. De machines draaien als doel op zich, niet voor wat de mensen zelf nodig hebben. Hij pleit voor een geleide economie, die privébezit en samenwerking tussen de klassen niet uitsluit. Banken hoeven niet overgenomen te worden, als bankmonopolies maar voorkomen worden en als er een regeling voor kredieten voorhanden is. Daar wordt zijn fameuze plan van de arbeid op gebouwd.21 Maar de vraag wat er moet worden geleid krijgt geen duidelijk antwoord meer, ook al beseft hij wel dat het antwoord cruciaal is als men echt wil scherp stellen wat een geleide economie is.22 Hoe kan je dan dat ‘formidabele productieapparaat’ ooit ten dienste stellen van de mensheid?

POLITIEK VAN HET GELUK

Maar De Man was er op een bepaald moment toch al dichter bij dan Marx. Nadien is men soms weer minder ver geraakt. In 2007 verscheen een prachtig boek onder de titel Het grootste geluk. Het is van de hand van Mark Elchardus en Wendy Smits.23 Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de auteurs om een aanzet te geven voor een werkelijke politiek van het geluk. Maar eigenaardig genoeg hebben zij het niet over de arbeid, laat staan over de arbeidsvreugde. Ze hebben het een enkele keer over tijdsdruk, maar dan gaat het over de combinatie arbeid en privéleven. Heel even hebben ze het dan toch over de tevredenheid op het werk, maar ze doen daar niet veel mee omdat tevredenheid in een specifiek levensdomein alleen betrekking heeft op de groep die er bij hoort, in dit geval aan het werk is (p.72). Maar in hun ‘geluksmodel’ komt arbeidsvreugde niet voor bij de voorwaarden van het geluk (p.135). Ook niet wel of geen werk hebben, maar zeker niet zoiets als plezier beleven op en aan je werk.

Dat is te meer verwonderlijk omdat Elchardus en Smits eigenlijk wel eenzelfde analyse maken van het economisch systeem als indertijd De Man. Het berust op een middel-doelverdraaiing.24 Het geluksdoel werd vergeten en vervangen door economische groei. Daar komt een gevoel van zinloosheid uit voort. We moeten het geluk weer ontdekken, geluk moet voorwerp van een gerichte politiek zijn (p.55). Niet dat economische groei als zodanig tegengesteld zou zijn aan geluk. Het tegendeel blijkt het geval: er is een samenhang tussen een hoog BNP en geluk. Alleen ziet men vanaf een jaarinkomen van ongeveer 15.000 euro geen gelukstoename meer. Ik hoop dat men beseft dat dit een klein inkomen is, zelfs als het netto zou zijn (wat niet gespecificeerd wordt). Het aantal niet zo gelukkige mensen in ons land ligt op 45%. Het aantal echt ongelukkigen ligt op 15%. Dat lijken toch geen verwaarloosbare groepen? Zou dat ook niet mede een gevolg kunnen zijn van een economie die zich geen zorgen maakt over wat en hoe dingen gemaakt worden, als ze maar voor de consumptie aangeboden kunnen worden? Elchardus en Smits vinden dat er een halt zou moeten worden toegeroepen aan het uitbreiden van keuzes. Keuzes worden te veel een last, de burger te veel ‘een bangelijk vergelijkende consument’.

Maar hoe je dit zou kunnen bereiken zonder iets aan de fundamenten van de economie te doen is een raadsel. Alleen, zo leert De Man, is een economie die zich richt op de behoeften ook een economie die rekening houdt met de werknemers en met het plezier dat ze aan hun werk kunnen beleven. Een economie die zich daar niets van aantrekt, maakt weinig kans om het geluk te vergroten. Het is een economie die de mens meelokt in een vicieuze cirkel: ze zoeken het geluk buiten het werk, ze vluchten de arbeid, ook op ogenblikken dat ze niet aan het werk zijn. Alleen komen ze terecht in een georganiseerde verveling. Hun geluk wordt bepaald door werk af te meten aan anderen. De huidige mens heeft ogenschijnlijk alle redenen om zich gelukkiger te voelen dan de middeleeuwse mens (op vlak van hygiëne, scholing, levensbescherming en rechtszekerheid), maar hij zit opgesloten in een uitputtende en zinloze rat race. Hij voelt zich helemaal niet gelukkiger. En dat is des te minder zo omdat ook alle hinderpalen weg zijn die eventueel een rem zouden kunnen zijn om (rechts)aanspraak te maken op goederen. Moderne remedies - zoals sabotage op de werkvloer en totaal negeren van de noodzaak om ook op het werk plezier te beleven25 - kunnen dat niet oplossen. Werk en leven zijn niet te scheiden.

GEEN TIJD ALS DE ONZE HEEFT DE ARBEID ZOZEER VERACHT

De Amerikaanse vakbondsfunctionaris citeerde Marx. Er spreekt verachting uit voor de arbeid, alhoewel de vlucht voor die arbeid paradoxalerwijze leidt tot een vrije tijd die neerkomt op georganiseerde verveling. Hendrik De Man heeft de vinger op die zere wond gelegd. Hij pleit daartegenover voor een harmonieuze verhouding tussen arbeid en vrije tijd. Geluk vereist vreugde in de arbeid. En die vreugde is alleen mogelijk als de economie zich bekommert om het geluk van de mensen. Op een bepaald moment is De Man die draad uit het oog verloren, maar het is de moeite om deze terug te zoeken. We zijn ver van zijn ideaal verwijderd, maar één ding is duidelijk: arbeidersstrijd moet om meer gaan dan om loon of arbeidsduur. Vakbonden nemen in die arbeidersstrijd nog altijd het voortouw.

Luc Vanneste
Redactielid Samenleving en politiek

Noten
1/ Dit is een beknopte samenvatting van een uitgebreidere tekst die zal verschijnen bij de vereniging van de studie van het werk van Hendrik De Man. De tekst is gebruikt als inleiding op een colloquium georganiseerd door de vereniging op 20 november 2009.
2/ J.H. van den Berg, Leven in meervoud, een metabletisch onderzoek, Callenbach, Nijkerk, 1963. Hoofdstuk 7, meer in het bijzonder pp. 184-185.
3/ Ook Van den Berg verwijst naar deze beroemde passage. Ze is te vinden in K. Marx & F. Engels, Die deutsche Ideologie, Kritik der neuesten deutschen Philosophie (1845). In: MEW 3, Dietz Verlag, Berlin, 1973, p. 33.
4/ K. Marx, Das Kapital, Kritik der politischen Okonomie, Dritter Band (1894). MEW Dietz Verlag, Berlin, 1974, p. 828.
5/ De Bijbel uit de grondtekst vertaald, Willibrodvertaling, uitg. Emmaus, Brugge 1975, Genesis, Hoofdstuk 2 en 3.
6/ F. Wheen, Das Kapital van Karl Marx, een biografie (2006), Roularta Books, Roeselare, 2009. Vooral het tweede hoofdstuk is hier van belang.
7/ M. Claeys-Van Haegendoren, Hendrik De Man, biografie, uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel, Kaellen, 1972, p. 140.
8/ Althans zo luidt de Franse titel: H. De Man, Au delà du marxisme. Het boek werd oorspronkelijk in het Duits geschreven en in 1926 uitgegeven. In het Nederlands werd de titel: De psychologie van het socialisme. Het is opgenomen in het tweede deel van: Hendrik De Man, Persoon en ideeën, Standaard Wetenschappelijke uitgeverij, Antwerpen/Amsterdam 1974.
9/ H. De Man, Eléments de psychologie appliquée à la vie sociale, Ecole ouvrière supérieure, 01/04/1922, p. 15.
10/ H. De Man, Glück und Arbeit, 1929.
11/ H. De Man, De psychologie van het socialisme, l.c. hoofdstuk 3, in het bijzonder p. 98 e.v.
12/ H. De Man, Au pays de Taylor, Petite bibliothèque du peuple, 1919.
13/ H. De Man, Conférences sur le Taylorisme aux Etats-Unis, Cercle industriel Bruxelles, 1919.
14/ Ik heb zelf een Franse vertaling gebruikt: H. De Man, La joie au travail, Félix Alcan Paris/L’Eglantine, Bruxelles, 1930.
15/ Het zijn geschriften die spijtig genoeg niet opgenomen zijn in de uitgave Hendrik De Man, Persoon en ideeën. Deze en een aantal andere relevante documenten kan men vinden in het Amsab in Antwerpen. Ik probeer hierna een gebalde samenvatting te geven, waarbij het weinig zin heeft om passages exact te situeren, maar alles is terug te vinden bij De Man. Vaak worden ideeën in verschillende teksten herhaald.
16/ Het is een beetje verwonderlijk dat Geert Van Hootegem het heeft over een genuanceerde beoordeling door De Man. Hij vergist zich ook door te verwijzen naar Belgische situatie. De Man bestudeerde het Taylorisme wel degelijk in de VS. G. Van Hootegem, De dragelijke traagheid van het management, Tendensen in het productie- en personeelsbeleid, Acco, Leuven, 2000, p. 183.
17/ H. De Man, Het recht op arbeidsvreugde, Sociale verhandelingen, februari 1928.
18/ H. De Man, De psychologie van het socialisme, l.c. p. 104.
19/ H. De man, o.c. p. 458.
20/ H. De Man, Overwegingen over geleide economie (1932), in Hendrik de Man, Persoon en ideeën, deel IV. Dit werk hoort bij de teksten over het planisme.
21/ Alle relevante teksten staan in het vierde deel van Hendrik de Man, Persoon en Ideeën.
22/ H. De Man, Overwegingen over geleide economie, p. 64.
23/ M. Elchardus en W. Smits, Het grootste geluk, Lannoo Campus, Leuven, 2007.
24/ R. Boehm, Kritiek der grondslagen van onze tijd (1974), Wereldvenster, Baarn, 1977.
25/ C. Maier, Bonjour paresse, de l’art et de la nécessité d’en faire le moins possible en entreprise, Ed. Michalon, Paris, 2004. En J. Mair, Het is mooi geweest, Het kantoor is geen pretpark, Roularta books, Roeselare, 2003.

arbeidsvreugde - Hendrik De Man - Karl Marx

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 9 (november), pagina 69 tot 78