Abonneer Log in

De Vlaamse sociaaldemocratie en de vreemden: 1987-2009

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 9 (november), pagina 49 tot 60

Op 12 november was Mark Elchardus te gast als spreker op de rondetafel ‘Diversiteit als uitdaging voor de sociaaldemocratie’, georganiseerd door de Stichting Gerrit Kreveld en de Foundation for European Progressive Studies (FEPS). Die dag werd Belgian Society and Politics 2009 - The Diversity Challenge for the Left1 voorgesteld, waarin onderstaande tekst in Engelstalige versie verscheen.

VAN INBOORLINGEN EN VREEMDEN

Men geeft hen vele namen. Zij worden migranten genoemd, hoewel het voor de meeste van hen heel lang geleden is dat er in hun familie nog eens werd gemigreerd. Zij worden ook ‘allochtonen’ genoemd om ze te onderscheiden van de autochtonen, de inboorlingen. Ook al een eigenaardige aanduiding voor mensen waarvan de families hier al drie generaties gevestigd zijn. Er zijn ook steeds meer mensen die het woord allochtoon niet meer willen of durven gebruiken. Zij spreken van ‘mensen geboren uit de migratie’, van mensen van Turkse en Marokkaanse origine, van nieuwe Belgen… Zij worden ook omschreven als ‘minderheden’ hoewel ze in mijn gemeente zo langzamerhand een stevige meerderheid vormen. In wat volgt zal ik me niet volkomen kunnen losmaken van dat vage taalgebruik, maar doorgaans zal ik precies zijn en ze gewoon ‘vreemden’ noemen. Dat is in feite de enige juiste term. De mensen die we willen aanwijzen, vallen niet te onderscheiden door hun status van migrant, hun inboorlingschap, hun taal, hun huidskleur, hun land van origine of hun status van minderheid. Zij hebben slechts één ding gemeen: een aantal inboorlingen vindt hen vreemd en daarom zijn ze het voorwerp van negatieve gevoelens.

DE SOCIAALDEMOCRATISCHE TEKST

Het is uiteraard kunstmatig het politieke denken van een partij te beperken tot één maatschappelijke uitdaging zoals de aanwezigheid van vreemden. De standpunten die in dat verband worden ingenomen, zijn immers dikwijls ingebed in een meer globale visie op de samenleving of, en in het verhaal dat ik ga vertellen is dat spijtig genoeg al even vaak het geval, in de pijnlijke afwezigheid van visie. Het is geenszins mijn bedoeling een overzicht te geven van het sociaaldemocratische beleid met betrekking tot de vreemden of het sociaaldemocratische beleid waarvan kan worden aangenomen dat het een impact heeft gehad op de positie en het lot van die mensen. Dat beleid was vooral onderwijs- en arbeidsmarktbeleid en het is steeds consequent gericht geweest op kansenverhoging, opname en integratie. Wat ik zal proberen te vatten is de wijze waarop de sociaaldemocratische partij de ontmoeting van haar electoraat en achterban met de vreemden heeft beleefd en mee heeft vorm gegeven. Hoe werd de vreemde opgenomen in het vertoog, in het verhaal, in de sociaal-symbolische tekst waarmee een partij haar electoraat, haar beleid en een visie op de samenleving met elkaar probeert te verbinden? Heeft dat vertoog de vreemden minder vreemd gemaakt of daarentegen verder van de inboorlingen vervreemd? Heeft dat verhaal het electoraat van de sociaaldemocratische partij van die partij vervreemd? Om bondig op die vragen te kunnen antwoorden, periodiseer ik. De onderscheiden periodes vormen uiteraard geen perfect gescheiden tijdsbestekken, maar de indeling lijkt me handig, houdbaar en verhelderend.

1987-1991: WIE DUIKT DAAR NU PLOTS OP!

Tussen 1965 en 1985 is het aantal vreemdelingen in de Belgische bevolking sterk gestegen, van bij de 450.000 tot bij de 900.000. ‘Vreemdelingen’ in die statistiek zijn inwoners die de Belgische nationaliteit niet hebben. ‘Vreemden’ in het dagelijkse taalgebruik heeft een andere betekenis en omvat bijvoorbeeld ook de mensen van Turkse en Marokkaanse origine die de Belgische nationaliteit wel hebben. Die statistiek geeft dus slechts bij benadering een idee van de periode tijdens dewelke onze samenleving van een relatief homogene naar een meer diverse is geëvolueerd. Op de twintig jaar tussen 1965 en 1985 werd menige buurt sociologische getransformeerd, soms grondig.

Die evolutie is niet snel op het beeldscherm van de samenleving verschenen. De statistieken waren er wel, maar zij leken niet belangwekkend, haalden de media niet. Als in enquêtes lijstjes werden voorgelegd van maatschappelijke problemen, scoorden samenlevingsproblemen met vreemden (of ‘migranten’ zoals ze toen steevast werden genoemd) nooit hoog. Het was alsof er op dat vlak weinig problemen waren. Gedurende vele jaren was de samenleving en waren dus ook de politieke partijen relatief blind voor de spanningen en de problemen waarvan men in de loop van de jaren 1990 zou beseffen dat zij zich in vele buurten en in de levens van vele mensen hadden voorgedaan.2

Het was daarom bij de verkiezingen van 24 november 1991 een hard ontwaken voor de socialistische partij. De verbijstering - die ook toen al live vanuit de televisiestudio’s werd uitgezonden - valt nog beter te begrijpen als we even achteruitblikken. In Vlaanderen verloren de socialisten vanaf het midden van de jaren 1950 vrij gestaag stemmen. In verkiezingen tussen 1954 en 1968 behaalden ze gemiddeld 28% van de stemmen, in verkiezingen tussen 1971 en 1981 gemiddeld nog 22%. De jaren 1980 leken hen weer goedgezind. In de Europese verkiezingen van 1984 behaalden ze 23,7% en in de federale verkiezingen van 1987 niet minder dan 24,2%. In die tijd werden in verschillende landen de neoliberale bestuursvormen ingeplant en ook de Vlaamse socialisten zaten toen op een betrekkelijk liberale koers die onder meer een grotere afstand ten opzichte van de vakbond impliceerde. Wat men later, onder invloed van Tony Blair en Anthony Giddens, de ‘modernisering van het socialisme’ zou gaan noemen, werd in Vlaanderen vroeg en schijnbaar met succes ingezet. In de parlementsverkiezingen van 1991 zakte de socialistische partij dan plots en onverwacht tot 19,4%. Zij verloor eensklaps zowat één vijfde van haar aanhang. In die verkiezingen steeg het Vlaams Blok voor het eerst boven de 10% uit. Een ‘Zwarte Zondag’.

Achteraf bleek uit verkiezingsonderzoek dat een niet onaardig deel van de arbeidersachterban van de sociaaldemocraten naar de extreemrechtse partij was overgestapt. Vooral arbeiders en laaggeschoolden deden dat. Uit onderzoek bleek tevens dat dit werd gemotiveerd door onder meer een negatieve houding ten opzichte van de vreemden.3 Terwijl dikwijls, zoals ook in de twee voorgaande zinnen, wordt gesproken van het vertrek van de ‘arbeiders’ is het dan sociologisch al overduidelijk dat stemgedrag en houdingen vooral worden bepaald door het onderwijsniveau en niet door een status als die van arbeider. De term ‘arbeider’ behield in het begin van de jaren 1990 in socialistische kringen nog iets van zijn romantisch aura: het had met kolen en staal te maken; de hoofdzakelijk mannelijke, bij de vakbond aangesloten werknemers tewerkgesteld in sectoren waar met metaal, machines en zware materialen werd omgegaan, stonden symbool voor dé arbeidersklasse. Die groep was inmiddels relatief schaars geworden en ‘arbeidersklasse’ verwijst in het begin van de jaren 1990 in feite naar een diverse groep van mensen, eerder laag geschoold, arbeider of bediende, met weinig controle over de eigen taak, relatief werkonzeker en waarvan velen zich gedurende periodes van hun leven net boven, op of onder de armoedegrens bewegen. Zij zijn en voelen zich dikwijls ook niet zo gezond.

1991-1995: FLINKS!

In de naweeën van de stembusgang van 1991 werd druk en opgewonden teruggeblikt op het recente verleden. Opvallend was alleszins dat de socialistische partij nagenoeg blind was geweest voor haar omgeving. Het groeiende ongenoegen, de problematiek van groeiende diversiteit werd niet of alleszins onvoldoende onderkend. Dat had een belangrijke les van 1991 kunnen zijn, maar zij werd onvoldoende geleerd. De vaststelling groeide uit tot een discussiepunt met enerzijds een aantal mensen die van oordeel waren dat opiniepeilingen en onderzoek een goed beeldscherm bieden, een goede manier zijn om voeling te houden met de bevolking, het electoraat en de leden, anderzijds critici die dat beeldscherm afwijzen met de stelling dat men de ‘peilingen niet achterna mag lopen’. Afgezien van het feit dat politieke partijen het dikwijls moeten stellen met gebrekkige peilingen en zelden op het (te dure en te trage) betere sociologische onderzoek kunnen steunen, is het verzet tegen het gebruik van zo’n beeldscherm niet alleen een ouderwetse, maar ook ronduit noodlottige houding. Partijen leven nu in een omgeving en worden geconfronteerd met problemen waarvoor ideologie onvoldoende sturing biedt. Blindheid voor wat er leeft in de bevolking, bij het electoraat en bij de leden, maakt het onmogelijk om het eigen verhaal duidelijk, verstaanbaar en wervend te brengen. De reflexieve samenleving, waarin organisaties de voor hen belangrijke ontwikkelingen zo goed mogelijk meten en die gegevens vertalen in informatie en kennis en daarbij zelfs nadenken over de analysewijzen en de concepten die worden gebruikt om gegevens om te zetten in bruikbare kennis, vond nooit voldoende ingang in de sociaaldemocratie. De groep van mensen die meenden dat men zich louter door ideologie moet laten sturen en dat men daaruit ook kon afleiden hoe met diversiteit om te gaan, bleef te invloedrijk. Zelfs naar het denken en voelen van de leden werd slechts heel recent, in 2008, gepeild.4

In Vlaanderen en zeker in zijn linkse kringen werd na de verkiezingen van 24 november 1991 druk, maar zonder veel harde gegevens, nagedacht over de oorzaken van de negatieve houding ten opzichte van vreemden, zoals die uit de stembusgang was gebleken.5 Allerhande mogelijke verklaringen doken op: mensen waren etnocentrisch uit deprivatie, de moderniserende socialistische partij had haar klassieke achterban verwaarloosd, zij was niet genoeg aanwezig geweest in de wijken waar het Vlaams Blok zich inmiddels wel had ingeplant, de Vlamingen waren nu eenmaal een racistisch volkje, enzovoort. Een aantal van die verklaringen werden inmiddels door onderzoek weerlegd, maar dat is hier niet meteen relevant. Los van die verklaringen groeide de SP langzaam naar een geïntegreerde aanpak die duidelijk vorm kreeg onder het voorzitterschap van Louis Tobback en waarmee in 1995 naar de verkiezingen werd getrokken.

Die aanpak steunde op een reeks uitgangspunten. Ten eerste, werd er van uitgegaan dat groeiende diversiteit bijna altijd en overal leidt tot spanningen en dat er tijd en rust nodig zijn om opname in de samenleving, integratie en wederzijdse aanpassing mogelijk te maken. Men kan dus best niet te veel over dat probleem polemiseren. Door er een expliciet thema van te maken, loopt men een groot risico in de kaart van extreemrechts te spelen. De opname moet in de eerste plaats worden bevorderd door onderwijs- en arbeidsmarktbeleid, liefst gericht op alle kansarmen zodat de vreemden ook worden meegenomen zonder van hen het expliciete doelwit van dat beleid te maken. Ten tweede, moest de verloren achterban van arbeiders en laaggeschoolden worden aangesproken op een positieve manier, over iets dat hen nauw aan het hart ligt en dat ook kan worden beschouwd als behorend tot de core business van een socialistische partij: sociale zekerheid, pensioenen, ziekteverzekering en de integriteit van de verzorgingsstaat (die toen onder neoliberaal vuur lag). Ten derde, werd ervan uitgegaan dat het etnocentrisme van de laaggeschoolden, dat zo pijnlijk zichtbaar was geworden in de analyses van de verkiezingsuitslag van 1991, geen geïsoleerde houding was, maar deel uitmaakte van een complex van houdingen, samen met onveiligheidsgevoelens, malaise over de algemene gang van zaken, de ervaring van een gebrek aan respect, antipolitieke gevoelens en een hang naar duidelijk gezag. De overstap van een deel van de arbeidersachterban naar extreemrechts werd niet zozeer ingegeven door een op zich staand etnocentrisme, laat staan racisme, maar door het gevoel dat de politieke kaste de problemen van de diversiteit onderschatte of ontkende, de reële problemen op het vlak van criminaliteit, verloedering en toenemende brutaliteit in de omgang niet zag of niet wilde zien; alleszins onvoldoende duidelijk leiderschap aan de dag legde om die problemen aan te pakken en op te lossen. Daarom werd een ‘flinks’ vertoog ontwikkeld, een manier van spreken waarmee de partij zich tot die zorgen van de achterban kon richten. Louis Tobback zelf werd de meest duidelijke stem van dat vertoog. Eigenlijk werd gemikt op wat in het Blairiaanse Labour Manifesto van 1997 zou worden geformuleerd als ‘tough on crime, tough on the causes of crime’.6 Dat waren de ingrediënten van het dominante discours van de partij rond 1995, dat ook werd gebruikt voor de campagne van 1995.7

Dat was een bijzonder moeilijke, ja zelfs pijnlijke campagne omdat de socialistische partij toen geplaagd werd door het Agustaschandaal. Men verwachtte een groot verlies, maar de campagne bleek succesrijk en de partij behaalde dezelfde score als in 1991. Het leek erop dat het stramien van een diversiteitsbeleid geboren was:
- integratiebeleid in de eerste plaats via onderwijs en arbeidsmarkt,
- naast preventieve aanpak ook een ‘flinkse’ sociaal rechtvaardige repressie ontwikkelen om doeltreffender om te gaan met jeugdcriminaliteit en verloedering,
- proberen de illegale immigratie en het gebruik van het asiel onder controle te krijgen,
- een categorisch op vreemden gericht beleid vermijden en zoveel mogelijk doen via een algemeen kansenbeleid dat in de eerste plaats de kansarmen (en op die manier ook de vreemden) helpt,
- proberen polemiek rond deze problematiek te vermijden, rust en tijd creëren om integratie mogelijk te maken.

1995-1998: NAAR EEN DOORSNEEPARTIJ EN VAAG VERTOOG

Zo’n ontwikkeling is moeilijk te dateren, maar die beleidslijn is grotendeels verwaterd en verlaten in de periode gaande van 1996 tot 1998. Linkse én rechtse opiniemakers gingen bijzonder hevig te keer tegen de ‘flinksheid’ van de nieuwe aanpak. De kritiek kwam zowel van radicaal rechtse commentatoren zoals Derk Jan Eppink als van progressieve literatoren als Tom Lanoye, die beide van oordeel waren dat de socialisten op die manier ‘het Blok achterna liepen’. Op die manier werd de poging om niet te polemiseren rond de tegenstelling inboorling/vreemde (autochtoon/allochtoon in het jargon van die periode) al meteen ondergraven. Verder bleek de partij ook niet bestand tegen die kritiek. Hij kreeg haar meteen aan het zwalpen. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het gegeven dat de partijleiding een heel gebrekkig zicht heeft op het denken van haar electoraat en van haar leden en daarom bijzonder gevoelig is voor wat een aantal opiniemakers schrijven in kranten of vertellen op televisie. Het is natuurlijk ook in dat verband dat de strijd tussen de ‘opiniepeilers’ en de ‘ideologen’ moet worden gesitueerd. Het pleidooi voor blindheid voor de opinies van electoraat en leden vloeit natuurlijk niet voort uit een soort atavistisch verzet tegen nieuwe kenniswijzen of tegen de reflexieve samenleving. Het is veeleer een strategie in een machtsspel. Bevolkings- en ledenonderzoek geeft gewicht en dus invloed aan de ‘gewone’ leden. Het beroep op ideologie geeft invloed aan een partij-elite en een doorgaans kleine kring van opiniemakers.8

De spanning tussen electoraat, leden, geëngageerde militanten en opiniemakers werd zichtbaar en daarmee meteen ook scherp gesteld in de analyses van de verkiezingen van de jaren 1990 waarin een overwegend uit laaggeschoolden bestaand deel van het electoraat een sociaaldemocratische partij verliet waarvan nagenoeg alle woordvoerders hooggeschoolden waren die baadden in en spraken vanuit een andere cultuur dan die van een groot deel van de achterban. Het waren binnen de partij die groepen die tegenover elkaar kwamen te staan. Aan de ene kant de hooggeschoolden die leefden in hetzelfde culturele klimaat als de opiniemakers en waarvan velen toen, in de tweede helft van de jaren 1990, van oordeel waren dat diversiteit een onverdeelde zegen was, klachten over vreemden getuigden van racisme of van de frustraties van de ‘verliezers van de moderniteit’ en dat culturen, vooral die van de vreemden, een soort absolute definiërende waarde hebben, zodat samenleven in een diverse maatschappij enkel kan via multiculturalisme waarbij de minderheden worden afgeschermd van de opdringerige invloed van de Verlichting.9 Aan de andere kant stonden de laaggeschoolden waarvan velen problemen met vreemden ervaren (of menen te ervaren), die niet zelden van oordeel zijn dat de vreemden door het ‘establishment’ worden voorgetrokken en dat de politieke ‘kaste’ de problemen wil negeren, in elk geval niets onderneemt, ‘geen rekening houdt met de mening van de gewone man’.

Voor een sociaaldemocratische partij is dat een zeer pijnlijke, dikwijls verlammende spanning. Een modern socialisme kan zich niet afhankelijk maken van een laaggeschoolde achterban, anderzijds is het niet zeker dat een sociaaldemocratische partij als een significant gegeven kan overleven zonder een geprivilegieerde band met die achterban. In de loop van de jaren 1990 heeft de socialistische partij, sociologisch gesproken, opgehouden een arbeiderspartij, een partij van laaggeschoolden te zijn, om een doorsneepartij te worden. In 1991 had 47% van de bevolking ten hoogste een diploma lager onderwijs. Die mensen vertegenwoordigden toen echter niet minder dan 58% van het socialistische electoraat. Die groep was in dat electoraat dus sterk oververtegenwoordigd. Hoogopgeleiden daarentegen waren sterk ondervertegenwoordigd. In 2003 vormden de laaggeschoolden nog 37% van de bevolking en 36% van het sociaaldemocratische electoraat. Dat laatste vormde toen een nagenoeg perfecte doorsnee van de bevolking.10 De verschillende onderwijsniveaus waren op een evenredige wijze in dat electoraat vertegenwoordigd. De rol van sociologische ‘arbeiderspartij’, partij van laaggeschoolden, was inmiddels overgenomen door het Vlaams Blok. In 1991 was 49% van hun electoraat laaggeschoold (t.o.v. 47% van de bevolking), in 2003 52%! (t.o.v. 37% van de bevolking).11

Die evolutie droeg ertoe bij dat het vertoog van de partij naar dat van de hoger opgeleiden ging overhellen. De rond 1995 opgebouwde beleidslijn verwaterde en nooit zou er zich in de sociaaldemocratie in Vlaanderen nog een even duidelijke benadering van de diversifiërende samenleving uitkristalliseren. Vele linkse opiniemakers opteerden in de periode 1995-98 voor het multiculturalisme en stelden dat dit de enige aanvaardbare linkse optie was. Rechtse commentatoren associeerden maar al te graag links en multiculturalisme en op die manier werd de indruk gewekt dat de sociaaldemocratische partij ook voor het multiculturalisme koos. In feite werd op dat vlak in die periode weinig gekozen en veel getwijfeld.

Die evolutie kan zeker niet alleen op rekening van de invloed van de hooggeschoolden worden geschreven. Uit de peilingen in de loop van de jaren 1990 bleek dat de laaggeschoolden niet terugkeerden naar de bedding van het socialisme. Achteraf bekeken steunde de hoop dat een sociaaldemocratische weg naar integratie rond een ‘flinks’ discours kon worden uitgebouwd, op twee misrekeningen. De eerste was de hoop dat linkse militanten, opiniemakers en intellectuelen de waarde van zo’n aanpak zouden inzien, en zouden beseffen dat veiligheid ook en misschien in de eerste plaats een linkse problematiek is en niet zouden vallen voor de verleiding diversiteit voor te stellen als een lachertje, laat staan mee te stappen in het essentialisme van het multiculturele vertoog. Die hoop is ijdel gebleken. Daarnaast rekende men erop dat de steun van de laaggeschoolden kon worden herwonnen via aandacht voor sociale zekerheid. Dat bleek maar heel gedeeltelijk het geval. Laaggeschoolden zijn weliswaar in grotere mate afhankelijk van de sociale zekerheid dan andere groepen, maar bij hen leeft ook veel meer dan bij andere groepen de overtuiging dat de sociale zekerheid er vooral is voor profiteurs en sociale fraudeurs en dat het geld niet terecht komt bij degenen die het echt nodig hebben. Zij blijken zelfs gevoeliger dan andere groepen voor de rechtse argumenten dat een stevige sociale zekerheid luiheid en onverantwoordelijkheid in de hand werkt. Kortom, ook op het vlak van de sociale zekerheid sluit het vertoog van de rechtspopulisten beter aan bij de opvattingen van een niet onaardig deel van de laaggeschoolden dan dat van de socialisten.12 De twee ontwikkelingen samen zorgden voor een ‘afscheid van de arbeidersklasse’.

Electoraal had dat ook voor gevolg dat de sociaaldemocratische partij haar status van kleinere partij bezegelde en dat de electoraten van de sociaaldemocratische en de groene partijen veel sterker op elkaar gingen gelijken dan voorheen. Die twee partijen werden daarom vanaf het einde van de jaren 1990, zeker in de middenklasse en bij de hoger opgeleide groepen van de bevolking, communicerende vaten. Wat de ene won verloor de andere, terwijl links stagneerde of achteruitging: twee lekkende communicerende vaten.

1998-2005: ELEMENTEN VAN EEN ANDER VERHAAL

Op 23 april 1998 ontsnapte Marc Dutroux gedurende een viertal uren uit gevangenschap. Johan Vande Lanotte (SP) nam toen ontslag als minister van binnenlandse zaken, samen met Stefaan De Clerck (CVP) die ontslag nam als minister van justitie. Tobback verliet het voorzitterschap van de socialistische partij en volgde Vande Lanotte op als minister van binnenlandse zaken. Het inmiddels al flink verwaterde flinkse discours en beleid werd daarmee opgeborgen. De SP stapte naar de verkiezingen van juni 1999 zonder noemenswaardige visie op diversiteit. De campagne werd geleid door Vande Lanotte en eindigde in een pijnlijke nederlaag. Wederom ging één vijfde van het electoraat verloren. De partij behaalde toen nog 15% van de stemmen. In oktober 1999 werd Patrick Janssens, die uit de reclamesector kwam, voorzitter van de partij. Hij zal de partij en haar verhaal aan het inmiddels duidelijk geworden doorsneekarakter (of profielloosheid) van haar electoraat aanpassen.

Het bewustzijn van het doorsneekarakter van het electoraat beïnvloedde toen trouwens sterk het taalgebruik; de ‘arbeiders’ werden ingeruild voor de ‘gewone mensen’ en niet langer aangesproken als ‘kameraden’, maar als ‘beste vrienden’. Een paar jaar voordien had Tony Wright in zijn Socialism: Old and New voorgesteld de ‘working class’ te vervangen door ‘the people’ en het socialisme te richten op ‘those people in search of a more rational, secure and human way of ordering society’. Patrick Janssens benaderde het socialisme ook als een ethische visie op de samenleving, niet als een ideologische implicatie van een sociale conditie. In de nieuwe visie die zich dan ontwikkelt, is van een specifieke benadering van het thema diversiteit echter nauwelijks sprake. Van de vorige beleidslijn behoudt men de neiging niet rond het thema te polemiseren. De mate waarin de socialistische partij over die problematiek verdeeld is, blijkt in die tijd desondanks vrij duidelijk. De aanpak is overwegend progressief te noemen en het vertoog verschilt niet grondig van dat van de groene partij. Aan opname wordt verder gewerkt via onderwijs- en arbeidsmarktbeleid. Immigratie en diversiteit worden weliswaar minder als een zegen naar voor geschoven, maar nu veeleer voorgesteld als onvermijdelijk. Het begrip multiculturaliteit wordt in die periode veel en overwegend met een positieve connotatie gebruikt. De zorgen van de traditionele achterban krijgen relatief weinig aandacht. Men is zich bewust van het belang van de onveiligheidsgevoelens, maar durft daarvan geen thema te maken, uit vrees ongewild bij te dragen tot een cultuur van de angst en tot populisme. Oplossingen voor de electorale problemen worden veeleer gezocht in een betere organisatie van de partij, in het laten bloeien en naar voor schuiven van charismatische figuren, in een effectievere marketing en een evolutie in de richting van een kaderpartij.

Die aanpak, in de steigers gezet door Patrick Janssens en in grote mate belichaamd door Steve Stevaert, die in maart 2003 het voorzitterschap van de partij overneemt, loonde electoraal. In wat men de sociaal-symbolische tekst van de partij kan noemen - het geheel van uitspraken van boegbeelden dat het beeld, de identiteit en de richting van de partij aangeeft voor brede bevolkingsgroepen - tekent zich een betrekkelijk duidelijk verhaal af. Het was resoluut positief en verstaanbaar. Er was aandacht voor de sociale zekerheid en de ziekteverzekering, voor een eerlijke inning van belastingen, voor wat in het vakjargon ‘decommodificatie’ wordt genoemd, maar wat bij Stevaert gewoon ‘gratis’ heette. Veiligheid kreeg een expliciete plaats in het programma waarmee men in 2003 naar de kiezer stapte, via de vertaling van de succesrijke Labour-slogan: ‘Kordaat optreden tegen criminaliteit, kordaat optreden tegen de oorzaken van criminaliteit’. Van een duidelijk beleid gericht op het verminderen van onveiligheidsgevoelens viel echter nog weinig te bespeuren. Diversiteit en vreemden kregen, conform de gevolgde strategie, weinig expliciete aandacht. Men hoopte eigenlijk dat het resoluut positieve verhaal ook verdraagzaamheid, opname en wederzijdse aanpassing zou bevorderen. ‘Gratis’, ‘warmte’, ‘geluk’… werden kernwoorden. Dat impliceerde ook: we zijn voor (pro) onze nieuwe medeburgers, niet tegen de vreemden.

De verkiezingen van 18 mei 2003 werd een overweldigend succes, met 24,3% van de stemmen. Men moet terug naar het begin van de jaren 1970 en naar de jaren 1960 om even hoge toppen te zien. De euforie was groot, maar daarom ook de blindheid voor de neerwaartse langetermijntrend en voor de grote kwetsbaarheid van een doorsneepartij die zich afhankelijk maakt van charismatische figuren. Het succes werd in de Vlaamse verkiezingen van 2004 trouwens niet herhaald, hoewel daar een zeer goede uitslag werd neergezet, 19,7%, veel beter dan de 15% die in 1999 werd behaald.
De elementen van een nieuw verhaal waren echter nog verre van duidelijk uitgekristalliseerd. De kernbegrippen waren er, alsook het talent van Stevaert om deze à propos te gebruiken, maar van een grondig doordenken van de verschillende beleidslijnen van de partij rond richtinggevende concepten als geluk, vrijheid, warmte en gratis (ontmarking) was men nog heel ver verwijderd toen Stevaert in 2005 het voorzitterschap van de partij achter zich liet om gouverneur van de provincie Limburg te worden.

2005 EN VERDER… BERGAF

Er circuleerden in die periode eigenlijk twee sociaaldemocratische verhalen. Laten we ze gemakshalve omschrijven als ‘het socialisme van het geluk’ en ‘het socialisme van de actieve welvaartstaat’. Het eerste is verbonden met de figuur van Steve Stevaert, het tweede met die van Frank Vandenbroucke. De actieve welvaartsstaat gaf zin en bindmiddel aan de federale paarse en paars-groene coalities. De actieve welvaartstaat is een aanpassing aan de uitbreiding van het takenpakket van de verzorgingsstaat en wil deze betaalbaar houden via het activeren van de samenleving, dat is door meer mensen wat langer aan het werk te houden. Het komt in grote mate neer op een verschuiving van het continentale naar het Scandinavische model van verzorgingsstaat. Minderheidsgroepen konden gemakkelijk in dat verhaal worden ingepast. De werkloosheid van jongeren van Turkse en Marokkaanse origine is ontzettend hoog en activering zou aan die jongeren in het bijzonder bijkomende kansen kunnen bieden. Daarenboven kon het oude sociaaldemocratische recept van emancipatie door onderwijsdemocratisering voor die groep nog eens worden herhaald.

De twee verhalen - ‘geluk’ en ‘activering’ - stonden naast elkaar, soms dwars op elkaar, zoals bij het Generatiepact, dat in oktober 2005 aan het parlement wordt voorgelegd. Het verhogen van de gemiddelde leeftijd waarop de Belgen definitief stoppen met werken (dat was een verbazend lage 57 jaar in 2005) werd beschouwd als een absolute noodzaak in het licht van de actieve welvaartsstaat. Het was een eerder pijnlijke zaak in licht van een socialisme dat hoofdzakelijk over gratis, warmte en geluk wil praten. Bij de achterban was er ook heel wat weerstand tegen het Generatiepact en bij extensie tegen de actieve welvaartstaat. De partij had die twee verhalen eigenlijk met elkaar moeten verbinden, het ene door het andere uitzuiveren, verfijnen en verrijken. Dat was de reële ideologische uitdaging waarvoor de partij in 2005 stond.

Zij werd niet opgenomen. Johan Vande Lanotte is in 2005 na Stevaert aangetreden als voorzitter en heeft korte metten gemaakt met het bouwen aan verhalen. Volgens hem diende communicatie met het electoraat veeleer te verlopen via het formuleren van concrete doelstellingen. Dat had niet het verhoopte effect. In de federale verkiezingen van 2007 viel de partij terug op 16,3%. Een resultaat vergelijkbaar met dat van de Vlaamse verkiezingen van 1999 en meteen de slechtste naoorlogse score in federale verkiezingen. Door een zeer gebrekkige communicatie na de verkiezingen werd dat verlies daarenboven opgeklopt tot een ramp die de indruk wekte dat de sociaaldemocratische partij niet alleen verhaalloos, maar volkomen ontredderd was. In juni 2009 moest de partij, in de zeer ongunstige omstandigheden gecreëerd door de naweeën van de verkiezingen van 2007, weer campagne voeren voor de Europese en regionale stembusgangen van 7 juni 2009. Zij had uiteraard een verkiezingsprogramma. De problemen van allochtonen werden daarin grotendeels behandeld in een ruimere aanpak van kansarmoede en daarbij werden vooral maatregelen in onderwijs en op de arbeidsmarkt voorgesteld. Dat blijken de blijvende elementen te zijn van de eerste beleidslijn betreffende vreemden die tussen 1991 en 1995 vorm kreeg. Die aanpak, zoals trouwens het ganse programma, lijkt zich echter niet te vertalen in een verhaal dat de identiteit en de bedoelingen van de partij voor brede groepen duidelijk maakt.

CONCLUSIE

Inmiddels is het maatschappelijke klimaat veranderd. Het multiculturalisme kan nog op weinig aanhang rekenen.13 Samen met Groen! wordt de sp.a beschouwd als een partij die de problemen van de diversiteit schromelijk heeft onderschat. Dat wordt haar door een deel van het electoraat kwalijk genomen. De Vlaamse bevolking is sedert 1991 niet etnocentrischer geworden, maar een aantal intellectuelen zijn wel begonnen aan wat men de ‘islamisering van de vreemde’ kan noemen: het voorstellen van de moslimbevolking als een homogeen, fundamentalistisch blok dat incompatibel is met onze westerse beschaving. In zekere zin is dat de keerzijde van het multiculturalisme: men essentialiseert wederom een aantal cultuurtrekken maar vraagt nu niet langer respect voor hun integriteit, maar onderstreept hun onverzoenbaarheid met de integriteit van het Europese samenlevingsmodel.

In de toekomst zal de sociaaldemocratische partij zich scherp tegen die verdere vervreemding van de vreemde, tegen die bron van misverstand, onverdraagzaamheid en haat moeten verzetten. Rechts heeft zich inmiddels verbreed, naast het Vlaams Belang zijn er nu het rechts-nationalistische N-VA en het rechts-populistische LDD. Zowel de sociaaldemocratische partij als de omgeving waarin zij moet optreden, zijn over de laatste kwart eeuw grondig veranderd. Diversiteit, de langzame en moeilijke opname van de vreemden, hebben een veel groter effect gehad op de sociaaldemocratische partij dan omgekeerd. Het is verre van zeker dat de sociaaldemocratische aanpak de vreemden minder vreemd heeft gemaakt; zeker is dat de aanwezigheid van vreemden een deel van de traditionele achterban van de socialistische partij heeft vervreemd. Zij hebben van die partij een doorsneepartij gemaakt, hebben het verschil tussen sp.a en Groen! doen verwateren en waarschijnlijk ook bijgedragen tot een verrechtsing van de samenleving. Aan die veranderingen moet de socialistische partij zich nog aanpassen. Voor de sociaaldemocratie in Vlaanderen is de 21ste eeuw nog niet echt begonnen.

Mark Elchardus
Hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel

Noten
1/ Wim Vermeersch (red.), Belgian Society and Politics 2009 - The Diversity Challenge for the Left, Stichting Gerrit Kreveld/Samenleving en politiek, Gent, 2009, 144 p.
2/ Er zijn natuurlijk uitzonderingen op deze blindheid, onder meer Paula D’Hondt die als politica het probleem van de integratie van de migranten al op de politieke agenda had geplaatst en die in 1989 Koninklijk Commissaris voor Migratiebeleid werd en tussen 1989 en 1993 verschillende rapporten over die problematiek liet verschijnen.
3/ Zie verschillende bijdragen in: M. Swyngedouw, J. Billiet, A. Carton & R. Beerten (red.), Kiezen is verliezen, onderzoek naar de politieke opvattingen van Vlamingen, Acco, Leuven, 1993.
4/ Zie o.a. Patrick Vander Weyden, Koen Abts en Sophie Colpaert, De sp.a-leden doorgelicht. Wie zijn ze en wat denken ze over maatschappij en partij?, Samenleving en politiek, nr. 10, december 2008, pp. 13-22.
5/ Onder meer: L. Huyse e.a., 24 November, Kritak, 1992; een analyse van de reacties in de pers vindt men in M.Elchardus, Zwarte zondag verwerken, De Nieuwe Maand, 1992, september, pp.30-39.
6/ Die toon werd onder meer betracht in L.Tobback & J.Oosterwaal, Zwart op wit, Houtekiet, 1995.
7/ F. Van Dyck, Agusta. Overleven met een crisis, Van Halewyck, 1996.
8/ Het via opiniepeilingen laten spreken van de mensen die doorgaans weinig het woord nemen, wordt door de tegenstanders daarvan omschreven als ‘populisme’, bv. J. Blommaert, E. Corijn, D. Lesage, M. Holthof, Populisme, EPO, 2004.
9/ J. Blommaert (o.m. J.Blommaert & J. Verschueren, Het Belgische migrantendebat. De pragmatiek van de abnormalisering, IPeA, 1992) is misschien wel een van de duidelijkste vertegenwoordigers geweest van dat standpunt, maar elementen ervan vindt men in de tweede helft van de jaren 1990 bij heel veel opiniemakers.
10/ Uit peilingen en onderzoek van de jaren 1997-98 bleek al dat de socialistische partij op vele vlakken een doorsneepartij was geworden, enkel vrouwen waren in haar electoraal nog betekenisvol oververtegenwoordigd.
11/ Deze cijfers steunen op de verkiezingsonderzoeken van 1991 en 2003.
12/ Verhelderend in dat verband zijn: D. Houtman, P. Achterberg & A. Derks, Farewell to the leftist working class. Transaction Publishers, New York, 2008 en A. Derks, Populism and the Ambivalence of Egalitarianism. How Do the Underprivileged Reconcile a Right Wing Party Preference with Their Socio-Economic Attitudes? In: World Political Science Review, 2006, 2, 3: pp. 175-200.
13/ Een ontwikkeling die zich in verschillende landen voordoet: C. Joppke (2004), The Retreat of Multiculturalism in the Liberal State: Theory and Policy, In: British journal of Sociology, 55,2: pp. 237-57.

sociaaldemocratie - diversiteit - vreemden

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 9 (november), pagina 49 tot 60