Log in

'Terra Reversa. De transitie naar rechtvaardige duurzaamheid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 10 (december), pagina 75 tot 77

Terra Reversa. De transitie naar rechtvaardige duurzaamheid

Peter Tom Jones & Vicky De Meyere
epo en Uitgeverij Jan Van Arkel, Berchem/Utrecht, 2009

Drie jaar geleden schreef Peter Tom Jones samen met Roger Jacobs Terra Incognita, een indrukwekkende analyse van oorzaken en symptomen van de ecologische crisis. Een uitstekend boek, maar het laatste hoofdstuk, over mogelijke wegen om uit die crisis te geraken, was ronduit deprimerend. Veel meer dan vage toverformules als ‘een nieuwe ethiek van verbondenheid’, ’consuminderen’ en ‘grassroots postmodernisme’ konden de auteurs toen niet bieden. Met zijn nieuwste boek, Terra Reversa, ditmaal samen geschreven met antropologe/politicologe Vicky De Meyere, vult Peter Tom Jones die lacune gedeeltelijk in.
Het vertrekpunt is dat business as usual geen optie meer is. Het westers welvaartsmodel verkeert in een meervoudige crisis en is hoe dan ook niet extrapoleerbaar naar de rest van de wereld en naar toekomstige generaties. Er zou een nieuw macro-economisch model moeten komen dat tegelijkertijd economische stabiliteit biedt, productie en consumptie op duurzame niveaus houdt en er op de koop toe nog voor zorgt dat de beschikbare milieugebruiksruimte rechtvaardig verdeeld wordt. Hoe dat model er precies moet uitzien weet niemand, maar er zijn mogelijkheden genoeg om de samenleving alvast de juiste richting uit te sturen.

Jones en De Meyere schuiven twee theoretische kaders naar voor die hierbij kunnen helpen. Het eerste is het concept ‘transitiemanagement’. Maatschappelijke systemen evolueren meestal traag, maar soms treden er snelle en drastische veranderingen op, zogenaamde ‘transities’, zoals de overgang van een maatschappij gebaseerd op spierkracht naar een industriële samenleving die op kolen en stoom draait. Meestal is de uitkomst van zo’n transitie niet op voorhand gepland, maar uit analyse van veranderingsprocessen blijkt wel dat die een aantal vaste kenmerken vertonen en op basis daarvan zou men in principe doelbewuste transities kunnen organiseren, bijvoorbeeld gericht op een meer duurzame samenleving. Er bestaan verschillende transitiemanagementmodellen. Een model dat al een paar keer is toegepast in Nederland en België is het DRIFT-transitiemanagementmodel. Belangrijke elementen daarvan zijn het samenstellen van een transitie-arena (met daarin de belangrijkste actoren), het uitwerken van visionaire streefbeelden, het uittekenen van transitiepaden en het opzetten van transitie-experimenten. De resultaten waren tot hiertoe zeker niet altijd spectaculair - met name het samenstellen van de transitie-arena blijkt een zeer delicate aangelegenheid te zijn in situaties waar machtige belangengroepen eigenlijk geen verandering willen - maar transitiemanagment lijkt toch een veelbelovende aanpak om tot een meer duurzame productie te komen op allerlei terreinen. Duurzame productie is echter maar één kant van het verhaal. Milieuverbeteringen aan de productiezijde, zoals de ontwikkeling van duurzame materialen of energiezuinige toestellen, dreigen immers teniet te worden gedaan door de voortdurend toenemende consumptie, en die is zeer moeilijk af te remmen. Niet alleen heeft een groot deel van de wereldbevolking nog steeds geen toegang tot basisvoorzieningen, zodat voor hen is een consumptiegroei absoluut noodzakelijk is, maar ook in het overmatig consumerende rijke Noorden blijkt het matigen van de consumptie politiek veel moeilijker te verkopen dan het verduurzamen van de productie. Dit ondanks de vrij grote consensus rond het belang van de milieuproblematiek en ondanks het feit dat een meer duurzaam consumptiegedrag niet noodzakelijk een lager welzijnsniveau hoeft te betekenen. Alle bewustmakingscampagnes ten spijt blijven we massaal autorijden, vlees eten, de wereld rondvliegen, onze huizen slecht isoleren, enzovoort.

Het tweede theoretisch kader dat Jones en De Meyere naar voor schuiven heeft betrekking op deze tegenstelling tussen inzicht en gedrag. Vertrekkende van het werk van de Amerikaanse psycholoog Ken Wilber situeren ze de belemmeringen voor gedragsverandering op vier niveaus: het (zichtbare) gedrag, de attitudes, de wereldbeelden en de structuren. Strategieën om gedragsverandering te induceren zullen zich moeten richten op alle vier die niveaus en op de complexe interacties ertussen. Alleen overheden beschikken over de middelen om dit omvattend en succesvol te doen, wat natuurlijk niet wegneemt dat ook andere actoren een belangrijke bijdrage kunnen leveren. Een effectieve strategie zou gebaseerd kunnen zijn op het 4E’s model van het Britse Department for Environment, Food and Rural Affairs (DEFRA). Het gaat hierbij over Enable (de mogelijkheden creëren om zich anders te gedragen), Encourage (gedragsverandering aanmoedigen), Exemplify (zelf het goede voorbeeld geven) en Engage (mensen en groepen betrekken bij gedragsveranderingsinitiatieven). De Europese overheden blijken op alle vier de E’s slecht tot matig te scoren. Dat is niet echt verwonderlijk in een politieke context die kortetermijnbeleid in de hand werkt en waarin het electorale draagvlak voor duurzaamheidsbeleid eerder klein is. Jones en De Meyere zien het als een belangrijke taak voor het maatschappelijk middenveld om enerzijds druk uit te oefenen op overheden om een transitiebeleid te ontwikkelen, en om anderzijds ook het electorale draagvlak voor dat beleid te helpen creëren. Daarvoor zal het middenveld wel eerst zelf een transitie moeten doormaken, onder meer door de eigen doelen en missies in vraag te stellen, meer te gaan samenwerken en de comfortabele evidenties te verlaten. Tot op dit punt blijft Terra Reversa eerder theoretisch.

In het uitgebreide derde en laatste deel echter worden de theoretische modellen toegepast op enkele concrete probleemvelden: mobiliteit, voeding, toerisme, en wonen en (ver)bouwen. Telkens worden de barrières geanalyseerd die een transitie naar meer duurzaamheid in de weg staan en worden de transitiepaden aangeduid voor elk van de 4E’s. Het gaat hier niet om uitgewerkte voorstellen - dat zou binnen het bestek van dit boek ook moeilijk kunnen - maar wel om zeer plausibele suggesties die op zijn minst een ernstig onderzoek waard zijn. Nogal wat van de voorgestelde maatregelen zijn ook zogenaamde low hanging fruits, initiatieven die met relatief kleine inspanningen een relatief groot effect kunnen hebben, en bovendien vaak ook nog eens kostenbesparend en werkgelegenheidsbevorderend zijn. Wie dit leest kan dan ook niet anders dan zich afvragen waarom we niet al veel verder staan. En dan komen we weer terecht bij het gebrek aan electoraal draagvlak en aan politieke moed, en bij de remmende werking van machtige belangengroepen zoals landbouw en industrie. Hiervoor bieden Jones en De Meyere geen pasklare oplossing, maar ze hebben in ieder geval de verdienste om overtuigend te hebben aangetoond dat een transitie naar een duurzame maatschappij verre van onmogelijk is.

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 10 (december), pagina 75 tot 77