Log in

De zeven dwergen

Sinds 1991 al onderzoekt het Centrum voor Politicologie van de KU Leuven de verkiezingsuitgaven van de verschillende Vlaamse partijen. Ook voor de stembusgang van juni 2009 brachten we de verkiezingsuitgaven in kaart. In wat volgt gaan we eerst na hoe de totale uitgaven zijn geëvolueerd van 1991 tot 2009. Daarna onderzoeken we hoe die evolutie samenhangt met de ontwikkeling van het partijsysteem en de inkomsten van de politieke partijen.

INLEIDING

De verkiezingscampagnes vormen steeds meer een caleidoscopisch gebeuren. Bij de regionale en Europese verkiezingen van juni 2009 werd het speelveld bezet door niet minder dan acht partijen met een parlementaire vertegenwoordiging (CD&V, Open Vld, sp.a, Vlaams Belang, N-VA, LDD, Groen! en SLP). Hoe breed het beeld van de hedendaagse TV’s ook mag zijn, het bleek niet breed genoeg om de acht partijvoorzitters samen aan één tafel in beeld te brengen. In de plaats daarvan kregen we telkens kleinere debatten te zien, met een voortdurend wisselende constellatie van partijen. De kiezer werd er duizelig van en allicht waren er niet veel die alle significante partijen in één keer konden opsommen.
Nochtans heeft het er even naar uitgezien dat de kieshervorming van 2002 en de invoering van een kiesdrempel zou leiden tot een vermindering van het aantal partijen. De erfgenamen van de Volksunie (spirit en de N-VA) bleken al snel te klein om als aparte partijen te kunnen overleven en zagen zich ertoe verplicht om een kartel te vormen met een grotere partij: spirit al in 2003, en de N-VA in 2004. Na de zware verkiezingsnederlaag van 2003 leek ook het lot van Agalev bezegeld en stond het volgens velen in de sterren geschreven dat ook die partij zou toetreden tot het kartel sp.a-spirit. De politici van de gevestigde partijen wreven zich al in de handen in het vooruitzicht van een overzichtelijk partijlandschap met drie traditionele partijen plus het Vlaams Belang.

Maar vandaag is het Vlaamse partijsysteem meer versnipperd dan ooit. Weliswaar heeft één van de acht eerder genoemde partijen de handdoek in de ring gegooid, er blijven er nog steeds zeven over. En de kans is reëel dat de kleinste daarvan ook bij volgende verkiezingen over de kiesdrempel zal springen. In dit artikel gaan we niet zozeer in op die electorale ontwikkeling, maar wel op de vraag hoe die zich weerspiegelt in de verkiezingsuitgaven. In een versnipperd en onoverzichtelijk partijlandschap is het voor elke partij van cruciaal belang om voldoende zichtbaar te zijn en op één of andere manier boven het maaiveld uit te steken. Zelfs de ‘grote’ partijen zijn te klein geworden om louter door hun electorale gewicht het speelveld te domineren. Natuurlijk wordt de zichtbaarheid van de partijen in de eerste plaats bepaald door de media. Maar daarnaast is ook de campagne niet onbelangrijk. Een partij die in de media wordt opgevoerd als één in een rijtje van acht en daarenboven niet aanwezig is op de advertentiepagina’s en in de brievenbus dreigt helemaal weg te deemsteren. Zo een partij wordt door de kiezer niet langer als een ernstige medespeler beschouwd, als die kiezer zich de naam van de partij al herinnert in het stemhokje.

Een intense directe communicatie kan een middel zijn voor een partij om zich te midden van het geharrewar op de electorale markt toch enigszins in the picture te werken. Maar het is natuurlijk wel een duur middel, zeker voor de kleinste partijen. Voor de partijen die zich wel een grote campagne kunnen veroorloven stelt er zich een ander probleem: zij botsen al snel op het wettelijke uitgavenplafond wanneer ze meer willen investeren in communicatie tijdens de campagne. De partijen zelf mogen maar één miljoen euro uitgeven. Voor de kandidaten hangt het maximumbedrag af van de plaats op de lijst, het aantal ingeschreven kiezers in de kieskring, en het aantal zetels dat de lijst bij de vorige verkiezingen behaalde. Een beperkt aantal topkandidaten mag een aanzienlijk bedrag uitgeven, berekend op basis van het aantal kiezers in de kieskring. In de grootste kieskring (Antwerpen) mochten de topkandidaten in 2009 52.258 euro uitgeven, in de kleinste kieskring (Limburg) 29.291 euro. Maar voor het gros van de effectieve kandidaten geldt een veel lager uitgavenplafond van amper 5.000 euro (en 2.500 euro voor de opvolgers).

DE EVOLUTIE VAN DE UITGAVEN 1991-2009

We beschikken over officiële gegevens inzake de uitgaven van de partijen en de kandidaten voor alle federale en regionale verkiezingen sinds 1991, toen de wetgeving inzake de beperking van de verkiezingsuitgaven voor het eerst werd toegepast.1 In Tabel I wordt per verkiezingsdag en per partij een overzicht gegeven van de totale uitgaven van partij en kandidaten samen, uitgedrukt in euro en prijzen van juni 2009 (zoals alle in dit artikel vermelde bedragen).

Het is echter duidelijk dat de zeven verkiezingsdagen waarop deze gegevens betrekking hebben, niet zonder meer met elkaar kunnen worden vergeleken. Op de eerste plaats moet rekening worden gehouden met de wijzigingen die de wetgeving inzake de verkiezingsuitgaven tijdens de voorbije twintig jaar heeft ondergaan. Belangrijk daarbij is vooral dat het maximumbedrag voor de partijen in 1993 werd teruggebracht van 50 miljoen BEF naar 45 miljoen BEF en in 1998 naar 40 miljoen BEF. Bij de invoering van de euro werd het maximumbedrag vastgelegd op 1.000.000 euro. Daarnaast varieert ook het aantal verkiezingen per verkiezingsdag, zoals aangegeven in Tabel 1. De verkiezingen die wat dat betreft helemaal vergelijkbaar zijn, zijn die van 2004 en 2009, en die van 2003 en 2007.

We zien dat de uitgaven van alle partijen samen gestadig dalen vanaf 1991 tot 2004 (zie ook Grafiek I, bovenste curve). Vooral in 2003 vallen de uitgaven sterk terug (van 18.447.833 tot 13.997.040 euro). In 2007 zijn de uitgaven echter wat hoger dan in 2004, maar ze blijven wel onder het niveau van de vergelijkbare federale verkiezingen van 2003. Dat de uitgaven in 2007 hoger waren komt enerzijds doordat LDD als nieuwkomer toch wel een substantieel bedrag uitgaf, en anderzijds doordat Groen! opnieuw kon aanknopen met het uitgavenniveau van 2003.

Grafiek I: De uitgaven van partijen en kandidaten samen in 1991, 1995, 1999, 2003, 2004, 2007 en 2009: totaal en traditionele partijen apart (in prijzen juni 2009 en in euro)

In 2009 is er opnieuw een stijging, en lijkt de dalende trend helemaal omgebogen. De verkiezingen van 2009 waren inderdaad beduidend duurder dan de vergelijkbare verkiezingen van 2004 (+2.778.099 euro) en dan de federale verkiezingen van 2007 (+2.335.312 euro). Deze stijging is in de eerste plaats het gevolg van de toename van het aantal partijen: van vijf in 2004 naar zes in 2007 en acht in 2009. Terwijl SLP een vrij bescheiden campagne voerde waren de uitgaven van N-VA substantieel en zelfs hoger dan in 2003. Maar daarnaast zien we ook dat de niet-traditionele partijen een duurdere campagne gevoerd hebben dan de voorbije jaren. Dat geldt zowel voor LDD (die sinds de verkiezingsoverwinning van 2007 kan meegenieten van de overheidssubsidies en in 2009 bijna dubbel zoveel uitgaf als in 2007) als voor Vlaams Belang (dat in 2009 de duurste campagne voerde sinds 1999). Zelfs de Groen!-campagne was wat duurder dan in 2007. De campagne van 2009 was de duurste die de groene partij ooit heeft gevoerd, al is het verschil met 1999 en 2003 niet zo groot.

Door het voortdurende komen en gaan van partijen wordt de vergelijking doorheen de tijd natuurlijk wat vertroebeld. We kunnen daarvoor controleren door de analyse te beperken tot de drie traditionele partijen. En dan blijkt er zich eerder een dalende trend af te tekenen vanaf 2007 (zie Grafiek I, onderste curve). In 2007 gaven de traditionele partijen iets minder uit dan in 2004, en in 2009 zakte dat bedrag nog verder weg. Zowel bij CD&V, sp.a en Open Vld was de campagne van 2009 de goedkoopste sinds 1991. Dat is het meest uitgesproken het geval bij CD&V en Open Vld, terwijl de campagne van sp.a in 2009 slechts een tikkeltje goedkoper was dan in 2003. Bij CD&V en sp.a heeft de terugval van de uitgaven allicht mee te maken met het feit dat de financiële inbreng van de kartelpartner is weggevallen.

Grafiek II: De uitgaven van partijen en kandidaten samen in 1991, 1995, 1999, 2003, 2004, 2007 en 2009: afzonderlijke partijen (in prijzen juni 2009 en in euro)

Grafiek II toont de evolutie van de uitgaven per partij. PVV/Open Vld en CVP/CD&V zijn bij elke verkiezingen aan elkaar gewaagd wat de uitgaven betreft. De socialistische partij komt altijd op de derde plaats, maar wordt sinds de verkiezingen van 1999 redelijk dicht op de hielen gezeten door het Vlaams Blok/Belang. Na een duidelijke dip in 2004 zitten de groenen sinds 2007 weer op het uitgavenniveau van 1999 en 2003. De N-VA voerde, zoals gezegd, een iets duurdere campagne dan in 2003 maar blijft wel afgetekend onder het uitgavenniveau van de Volksunie in 1991-1995-1999. LDD gaf in 2009 bijna dubbel zoveel uit als in 2007. En ook al was SLP dan de hekkensluiter in 2009, het bedrag van 671.045 was toch niet onaanzienlijk voor een kleine en beginnende partij. De SLP-campagne was zelfs beduidend duurder dan de campagne van LDD in 2007 en die van Groen! in 2004.

Ruw samengevat kunnen we dus stellen dat er tijdens de campagne steeds meer wordt uitgegeven door allerlei niet-traditionele partijen, terwijl de uitgaven van de drie klassieke partijen eerder een dalende trend vertonen. Het resultaat is natuurlijk dat het aandeel van de traditionele partijen in de totale verkiezingsuitgaven aanzienlijk is gedaald: in 1991 bedroeg dit aandeel nog 81,3%, in 2009 slechts 53,6%. Toch is die daling niet rechtlijnig. In 2004 en 2007 veert het aandeel plots op tot respectievelijk 78,1% en 73,3% (Grafiek III). Dit moet grotendeels op rekening geschreven worden van het kartel CD&V/N-VA. Doordat de N-VA niet opkwam als aparte partij vielen telkens bijna 1,5 miljoen euro aan ‘niet traditionele’ uitgaven weg, terwijl CD&V anderzijds een vrij dure campagne kon voeren dankzij de financiële inbreng van de kartelpartner.

Grafiek III: Het stemmenpercentage van de drie traditionele Vlaamse partijen in het Vlaams Gewest en het procentuele aandeel van die drie partijen in de totale verkiezingsuitgaven van alle Vlaamse partijen, in procenten.

De tot nu toe geciteerde cijfers hebben betrekking op de totale uitgaven, zowel de uitgaven van de partij zelf als van de individuele kandidaten. In werkelijkheid zijn veel van de uitgaven die door de individuele kandidaten worden gedeclareerd verdoken partijuitgaven. Omdat het plafond van 1 miljoen euro voor de partij erg laag is wordt een deel van de partijuitgaven aangegeven als individuele uitgaven, gefinancierd door de partij. Zo kan de partij bijvoorbeeld een provinciale campagne voeren om de hele lijst te promoten en de kostprijs daarvan uitsmeren over verschillende individuele kandidaten. Elke kandidaat neemt dan een deeltje van die uitgaven voor zijn of haar rekening en die deelbedragen verschijnen op de individuele aangiften als uitgaven gefinancierd door de partij, bovenop de uitgaven gefinancierd door de kandidaat zelf.

Op basis van de gegevens betreffende de herkomst van de middelen kunnen we nagaan welk deel van de individuele uitgaven door de partij zelf wordt betaald, en welk deel door de partij. Gemiddeld betalen de kandidaten één derde van hun uitgaven zelf, terwijl twee derden door de partij wordt ‘gesponsord’. Maar deze percentages verschillen sterk van partij tot partij. In een aantal gevallen dragen de kandidaten zelf relatief veel bij en de partij relatief weinig. Het aandeel dat uit het eigen patrimonium van de kandidaten wordt betaald was in 2009 het hoogst bij LDD (95,3%) en Groen! (67,9%). Dat laatste percentage is echter minder relevant omdat de uitgaven van de Groen!-kandidaten sowieso erg laag zijn. Ook bij Open Vld (41,6%) en CD&V (37,8%) is het aandeel uit het eigen patrimonium relatief hoog. Daartegenover staan de partijen waar de individuele uitgaven in relatief grote mate door de partij worden betaald. De bijdrage van de partij is het hoogst bij SLP (87,6%), sp.a (84,5%) en Vlaams Belang (83,7%).

Op basis van de gegevens over de inkomsten van de kandidaten (die beschikbaar zijn vanaf de verkiezingen van 1999) kunnen we een schatting maken van de werkelijke kostprijs van de campagne voor de partij en haar componenten en afdelingen. Deze stemt overeen met de kostprijs van de partijcampagne (maximum 1 miljoen euro) plus het aandeel van de individuele uitgaven gefinancierd door de uiteenlopende geledingen van de partij. Anders gezegd gaat het hier om de totale uitgaven (zoals weergegeven in Tabel I) min de individuele uitgaven die door de kandidaten zelf werden betaald. Ook als we die individueel gefinancierde uitgaven aftrekken, dan blijken de campagne-investeringen van de traditionele partijen een dalende trend te vertonen. In 2009 (6.614.335 euro) waren die beduidend lager dan in 2007 (7.882.992 euro). Die werkelijke partijuitgaven waren het hoogst in 1999 (8.376.527 euro) en vertonen daarna een eerder dalende tendens, met een opvering in 2003 (7.250.975 euro) en 2004 (7.521.767 euro).

DE IMPACT VAN HET UITGAVENPLAFOND

Op het eerste zicht zou je verwachten dat de gevestigde partijen, naarmate ze worden geconfronteerd met een steeds grotere concurrentie, hun dominante positie op de electorale markt zullen proberen te heroveren door meer te investeren in communicatie met de kiezer. Het probleem is natuurlijk dat het wettelijke uitgavenplafond, zoals al aangegeven, automatisch grenzen stelt aan een dergelijke strategie. Maar in hoeverre is dat de werkelijke reden waarom de traditionele partijen de jongste jaren minder geld in de campagne pompen?
In Grafiek IV geven we enerzijds de evolutie van het totale besteedbare bedrag voor de traditionele partijen en de kandidaten samen, en anderzijds het deel daarvan dat effectief werd uitgegeven. Het totale besteedbare bedrag van de partijen is de resultante van uiteenlopende factoren. Zoals al vermeld is het uitgavenplafond voor de partijen in de loop van de jaren 1990 verlaagd, maar sinds 1998 bleef het constant 1 miljoen euro. De individuele uitgavenplafonds werden in 1998 aanzienlijk verlaagd voor de topkandidaten, maar zijn daarna niet meer veranderd. Het totale bedrag dat alle kandidaten samen mogen uitgeven hangt ook af van het aantal kandidaten. Bij regionale en Europese verkiezingen zijn er veel meer kandidaten (omdat er meer zetels te begeven zijn) dan bij federale verkiezingen, en daardoor stijgt automatisch het totale besteedbare bedrag. Daarnaast is dit bedrag per partij ook afhankelijk van het aantal zetels behaald bij de vorige verkiezingen: hoe groter dat aantal, hoe meer kandidaten het hoogste maximumbedrag mogen uitgeven, en dus hoe hoger het totale individueel besteedbare bedrag. Zo zien we bijvoorbeeld dat VLD en sp.a-spirit beduidend meer mochten uitgeven in 2007 als gevolg van hun verkiezingsoverwinning in 2003. De overwinning van het kartel CD&V/N-VA in 2004 heeft dan weer geleid tot een hoger plafond voor CD&V in 2009. Het resultaat van dit alles is dat het totale besteedbare bedrag voor de traditionele partijen tussen 1995 en 2003 spectaculair is gedaald en daarna, vanaf 2004, een licht dalende tendens vertoont. In 2007 mochten de traditionele partijen nog 11.265.650 euro uitgeven, in 2009 10.746.467 euro.

*GRAFIEK IV: Totaal besteedbaar bedrag en effectief besteed bedrag (in absolute cijfers en percentages) van de partijen en kandidaten samen bij de verkiezingen van 1991-2009 (in euro en prijzen juni 2009). *

Van 1991 tot en met 1999 gaven de traditionele partijen iets meer dan 60% uit van wat wettelijk mocht. Maar door de daling van het totale besteedbare bedrag vanaf 2003 is dit percentage gestegen tot rond de 85%. In 2007 bedroeg het nog 85%, maar in 2009 zakt het verder weg tot 81,4%. Dit percentage verschilt wel aanzienlijk van partij tot partij. Bij sp.a is het doorgaans het laagst, maar vooral vanaf 2007 valt het sterk terug: terwijl het nog 81,5% bedroeg in 2003 en 84,1% in 2004, zakt het in 2007 tot 74,7% en tot 77,9% in 2009. Bij CD&V en VLD piekt het percentage in 2007 rond de 90% (91,4% voor CD&V/N-VA en 89,2% voor VLD) om in 2009 sterk te zakken (tot 83,3% voor CD&V en 82,8% voor VLD). Uit deze gegevens kan dus alvast worden afgeleid dat de daling van de uitgaven in 2009 bij de traditionele partijen moeilijk op rekening geschreven kan worden van het uitgavenplafond. Weliswaar was er een lichte daling van het totale besteedbare bedrag, maar tegelijkertijd gaven de partijen een kleiner percentage daarvan ook effectief uit. Louter wettelijk gezien hadden de traditionele partijen gerust evenveel of zelfs meer kunnen uitgeven dan in 2007.

Bij de niet-traditionele partijen is het totale besteedbare bedrag doorgaans wat lager dan bij de traditionele partijen. Dat komt omdat de niet-traditionele partijen over het algemeen minder zetels hebben en dus ook minder kandidaten die het topbedrag mogen uitgeven. Maar eigenlijk maakt dit niet zoveel uit omdat die nieuwere partijen altijd ver onder hun maximumbedrag blijven. Het Vlaams Blok/Belang komt nog het dichtst in de buurt van het uitgavenplafond, met een percentage dat tussen de 60 en 70% schommelt. In 2009 voerde de partij de tweede duurste campagne ooit in haar bestaan, maar daarmee kwam ze nog maar aan 67,2%. Bij de andere partijen is het percentage nog een pak lager. De N-VA besteedde in 2009 58,4%. Groen! heeft nog nooit meer dan de helft uitgegeven van wat wettelijk mag. In 2009 kwam die partij uit op 42,8%, dat is net iets meer dan LDD (41,6%). Bij SLP bedroeg het percentage een schamele 29,9%. Voor de niet-traditionele partijen ligt het totale uitgavenplafond met andere woorden onrealistisch hoog. Dit betekent meteen ook dat die partijen, als ze dat zouden willen, nog een grote marge hebben om een veel duurdere campagne te voeren.

Voor de traditionele partijen is de impact van het uitgavenplafond moeilijker in te schatten. De beduidend hogere percentages suggereren dat het plafond toch wel een remmend effect heeft op de uitgaven. Dat is zeker het geval voor wat betreft de uitgaven van de partij zelf. Meestal geven de traditionele partijen daarvoor een bedrag aan dat heel dicht in de buurt komt van het plafond van 1.000.000 euro. De marge die de gevestigde partijen nog hebben om meer uit te geven (18,6% in 2009) zit dus vooral bij de individuele kandidaten. Maar zoals hoger al gezegd is dit onderscheid tussen partijuitgaven en individuele uitgaven in grote mate artificieel en zijn de individuele uitgaven voor ongeveer twee derden partijuitgaven.

Een partij die het onderste uit de kan wil halen en het besteedbare bedrag voor 100% wil uitgeven, moet er voor zorgen dat de echte uitgaven van de individuele kandidaten maximaal worden aangevuld met partijuitgaven. Dit is minder omslachtig dan op het eerste zicht lijkt. In de meeste partijen is het immers de partijadministratie (op provinciaal of zelfs nationaal niveau) die instaat voor het invullen van de aangiften. Het uitsmeren van een partijuitgave over de individuele aangiftes is op zich een koud kunstje. Het probleem lijkt eerder te zijn dat de partijen niet vooraf weten hoeveel de individuele kandidaten aan hun persoonlijke campagne zullen besteden. In de praktijk worden hierover vooraf wel afspraken gemaakt. Daarbij wordt aan de kandidaten gevraagd om een deel van hun maximumbedrag, bijvoorbeeld 2.000 van de 5.000 euro, te reserveren voor partijuitgaven. Maar dat betekent niet noodzakelijk dat de kandidaat de overblijvende 3.000 euro ook effectief zal uitgeven voor zijn of haar persoonlijke campagne. Alleen blijkt dat meestal pas achteraf en kunnen de partijen pas dan zien hoe groot de marge is die ze nog hebben. Maar dan zijn de uitgaven natuurlijk al gebeurd. Om het besteedbare bedrag helemaal te kunnen opsouperen zou een partij nog veel meer beslag moeten leggen op de individuele maximumbedragen. We stellen inderdaad een tendens vast in die richting: een steeds groter deel van de individuele uitgaven wordt gefinancierd door de partij en zijn dus allicht verdoken partijuitgaven.3 Maar daar zit natuurlijk een limiet op, en de partijen kunnen het niet maken om het besteedbare bedrag van de kandidaten (dat sowieso al vrij beperkt is) helemaal in te palmen. Hoe dan ook toont de praktijk aan dat een partij de limiet van de 100% toch wel vrij dicht kan benaderen. Zoals al vermeld slaagde CD&V/N-VA er in 2007 in om 91,4% uit te geven van wat wettelijk mocht, en VLD bereikte in dat jaar 89,2%.

DE INKOMSTEN VAN DE PARTIJEN

Het is dus duidelijk niet zo dat de traditionele partijen minder uitgeven omdat het wettelijke uitgavenplafond hen daartoe dwingt. Maar misschien komt dit gewoonweg omdat de traditionele partijen over minder middelen beschikken. De politieke partijen worden vandaag voor 77% gefinancierd via directe overheidssubsidies. Dit percentage loopt zelfs op tot 85% als we ook de bijdragen van de mandatarissen meetellen.4 De omvang van deze financiering staat in functie van het verkiezingsresultaat. De dotatie die de partijen krijgen (zowel op regionaal als federaal niveau) wordt berekend op basis van het aantal behaalde stemmen, afgezien van een beperkt forfaitair bedrag. De fractietoelagen in de verschillende parlementen worden toegekend op basis van het aantal zetels. Een verkiezingsnederlaag betekent voor een partij dus meteen ook een financiële aderlating. De opeenvolgende verkiezingsnederlagen van sp.a in 2007 en 2009, bijvoorbeeld, hebben geleid tot een financieel verlies op jaarbasis van 1.719.763 euro. Bij de VLD, die eveneens beide verkiezingen heeft verloren, bedroeg dat verlies 1.657.984 euro.5 Bekeken op langere termijn betekent het krimpende marktaandeel voor de traditionele partijen dus logischerwijze een verlies aan overheidsinkomsten en dus ook aan middelen om campagne te voeren.

Bij kleinere partijen lijkt er inderdaad een nogal rechtlijnig verband te bestaan tussen het verkiezingsresultaat en het uitgavenniveau bij de volgende verkiezingen. Groen! vormt daarvan de mooiste illustratie. Als gevolg van de spectaculaire verkiezingsnederlaag in 2003 vallen de federale fractietoelagen en dotatie weg en komt de partij financieel in ademnood. Dit dwingt de partij ertoe om in 2004 een zeer goedkope campagne te voeren, die minder dan half zoveel kost als de campagne van 2003. Dankzij het behoorlijke resultaat van 2004 en de daaruit voortvloeiende betoelaging op Vlaams niveau krijgt de partij wat meer financiële ademruimte en kan ze zich in 2007 weer een duurdere campagne veroorloven. En bij LDD leidt de verkiezingsoverwinning van 2007 en de daarmee samenhangende subsidiestroom meteen tot een verdubbeling van de uitgaven in 2009.
Bij de grotere partijen is die band tussen het verkiezingsresultaat en de daaropvolgende verkiezingsuitgaven minder duidelijk. Dat komt vooral omdat die partijen over meer financiële reserves beschikken. Op die manier kunnen ze hun uitgavenniveau een tijdlang op peil houden ook al verliezen ze een aantal verkiezingen. Maar als de verliezen aanhouden zullen ook de grotere partijen uiteindelijk de tering naar de nering moeten zetten. Daardoor is het logisch dat het krimpende marktaandeel van de traditionele partijen zich op lange termijn toch vertaalt in een minder dure campagne.

Maar dat is dan wel in de veronderstelling dat ook de overheidsfinanciering vermindert. En net dat blijkt niet het geval te zijn. De totale overheidsfinanciering aan de traditionele partijen blijkt in absolute termen gestaag te zijn toegenomen sinds het begin van de jaren 1990 (Grafiek V). De traditionele partijen zijn erin geslaagd om hun overheidsinkomsten op peil te houden ondanks het feit dat hun electoraal gewicht geleidelijk aan verminderde. Dat komt omdat ze enerzijds de bestaande subsidies hebben verhoogd en anderzijds, sinds 2001, een nieuwe bron van inkomsten hebben aangeboord: de regionale partijdotatie. Als gevolg daarvan krijgen de Vlaamse traditionele partijen vanaf 2002 samen ongeveer 5 miljoen euro extra per jaar.
Die regionale dotatie was bedoeld als een compensatie voor de meeruitgaven die de aparte regionale verkiezingen met zich meebrachten. Het organiseren van twee aparte verkiezingen (regionale en Europese enerzijds, federale anderzijds) is inderdaad beduidend duurder voor de partijen dan het laten samenvallen van al deze verkiezingen. Dat komt vooral omdat de partijen bij aparte verkiezingen twee keer een partijcampagne van tegen de 1 miljoen euro moeten betalen, terwijl dat bij samenvallende verkiezingen maar één keer het geval is. De ‘moeder van alle verkiezingen’ van 1999 kostte 18.447.833 euro (Tabel I). De opgetelde verkiezingsuitgaven van 2003+2004 en 2007+2009 daarentegen bedroegen respectievelijk 26.631.811 euro en 28.490.428 euro. Voor de drie traditionele partijen kostten de verkiezingen van 2007+2009 dus 5.018.050 euro méér dan de samenvallende verkiezingen van 1999, dat is een bedrag dat mooi overeenkomt met de extra inkomst voor die partijen via de regionale dotatie.
Maar die extra vijf miljoen euro krijgen die partijen wel elk jaar, terwijl er maar om de vijf jaar regionale verkiezingen zijn. De aanzienlijke stijging van de overheidsfinanciering tijdens de voorbije decennia heeft ertoe geleid dat de traditionele partijen vandaag zo goed bij kas zitten dat de kostprijs van een verkiezingscampagne slechts iets meer dan een derde is van hun totale jaarlijkse inkomsten (zie Grafiek V). In werkelijkheid is dit aandeel nog lager voor de partij, omdat - zoals hoger al besproken - ongeveer 25% van de totale campagne-uitgaven wordt betaald door de individuele kandidaten.

Grafiek V: De totale inkomsten, overheidsinkomsten en verkiezingsuitgaven van de drie traditionele partijen in Vlaanderen (in prijzen juni 2009 en in euro)

BESLUIT

Dat de traditionele partijen minder investeren in de campagne komt dus duidelijk niet omdat ze over minder middelen beschikken. Het lijkt eerder een strategische keuze te zijn van die partijen om geen middelen te ‘verspillen’ aan verkiezingspropaganda, en die eerder te besteden aan het aanwerven van personeel en het uitbouwen van de partijorganisatie. Daarnaast wordt de riante overheidsfinanciering ook gebruikt om aan vermogensopbouw te doen. De gemiddelde jaarlijkse toename van het vermogen in de periode 1999-2007 bedraagt 4% voor CD&V, 5% voor sp.a, en niet minder dan 14% voor de VLD. Het vermogen van de VLD is in die periode verdriedubbeld, dat van CD&V verdubbeld. Bij sp.a is het ‘maar’ gestegen met 30%. Dit vermogen bestaat voor ongeveer de helft uit liquide middelen en voor 30 à 40% uit geldbeleggingen.6 Met enige slechte wil en veel overdrijving zou je kunnen stellen dat de politieke partijen zich hebben omgevormd tot beleggingsclubs. In werkelijkheid proberen de partijen natuurlijk een financiële buffer op te bouwen om beter bestand te zijn tegen mogelijke electorale nederlagen in de toekomst. Die financiële reserve moet beletten dat de partij in een negatieve spiraal terechtkomt, waarbij een tegenvallend verkiezingsresultaat zich meteen vertaalt in een afslanking van de partijorganisatie en een meer bescheiden campagne bij de volgende verkiezingen.

Maar is dit wel een verstandige strategie? Als de traditionele partijen minder investeren in propaganda, dan zijn ze ook minder aanwezig in de campagne en dan laten ze het speelveld meer en meer over aan de steeds sterker wordende concurrentie. Natuurlijk worden de traditionele partijen nog steeds als de dominante spelers gezien. Dat komt deels omdat ze nog steeds een grote voorsprong hebben op het vlak van verkiezingsuitgaven, maar ook en vooral omdat ze nog altijd veruit het meest aan bod komen in de media. Kandidaten van de traditionele partijen komen bijvoorbeeld beduidend meer aan bod in de kranten. Van alle kandidaat-vermeldingen tijdens de campagne van 2007 betrof niet minder dan 79,8% kandidaten van de drie traditionele partijen, terwijl die in 2004 maar goed waren voor 65,8% van de stemmen.7 De resultaten van het onderzoek naar de aandacht voor kandidaten in tv-nieuws liggen in dezelfde lijn. Tijdens de campagneweken voor 18 mei 2003 werd maar liefst 77% van het totaal aantal vermeldingen opgeëist door kandidaten van de traditionele partijen. Nochtans bedroeg hun electoraal aandeel slechts 59,7% bij de Kamerverkiezingen in 1999.8 Die overbelichting van de drie traditionele partijen wordt nog het best geïllustreerd door de ‘kandidaat-premier’-debatten die de openbare omroep organiseerde op 20 mei en 3 juni 2007. De VRT beschouwde enkel de boegbeelden van de drie traditionele partijen als ‘kandidaat-premier’, en dit ondanks het feit dat het Vlaams Belang op dat moment de grootste fractie vormde in het Vlaams Parlement. De partij heeft deze beslissing aangevochten bij de Vlaamse Regulator voor de Media. Die oordeelde in 2007 dat de uitsluiting van Frank Van Hecke van de ‘kandidaat-premier’-debatten een inbreuk vormde op de verplichting van niet-discriminatie en van politieke en ideologische onpartijdigheid van de VRT.9 De omroep heeft hiertegen beroep aangetekend bij de Raad van State, die in 2009 de beslissing van de Vlaamse Mediaregulator heeft bevestigd.10 Het ligt dan ook in de lijn van de verwachtingen dat de traditionele partijen bij de verkiezingen van 2011 niet meer op een soortgelijke voorkeursbehandeling zullen kunnen rekenen. Overigens is de VRT al in 2009 afgestapt van die eenzijdige focus op de boegbeelden van de gevestigde partijen, met het eerder al vermelde caleidoscoopeffect tot gevolg. Zeker nu het trio van gevestigde partijen in juni 2009 nog meer pluimen heeft verloren, lijkt de tijd definitief achter de rug dat ze in de media worden voorgesteld als drie reuzen die het moeten opnemen tegen drie of vier dwergen. In de plaats daarvan wordt het meer dan ooit een verhaal van de zeven dwergen, ook in de media.

Met de wet van 1989 op de beperking van de verkiezingsuitgaven en de partijfinanciering lijken de gevestigde partijen zichzelf lelijk in de voet te hebben geschoten. Het vrij lage uitgavenplafond stelt onvermijdelijk grenzen aan de strategie om dominanter aanwezig te zijn in de campagne via een meer intense communicatie met de kiezer. Zoals aangetoond hebben de traditionele partijen nog een zekere marge om meer uit te geven, ook al stellen er zich hier een aantal praktische problemen. Maar zelfs als zouden die partijen het onderste uit de kan halen wat de uitgaven betreft, dan nog zou die extra-communicatie-inspanning het verschil niet kunnen maken. Temeer omdat het zich laat aanzien dat de andere partijen steeds meer middelen in de campagne zullen pompen. De strategie van de traditionele partijen om de eigen inkomsten op peil te houden door het verhogen van de overheidssubsidies heeft natuurlijk als ‘pervers’ effect dat ook de concurrenten steeds rijker worden en steeds meer in de campagne kunnen investeren. Sinds 1999 zit het Vlaams Belang de traditionele partijen al dicht op de hielen wat de verkiezingsuitgaven betreft. Het is een gemakkelijke voorspelling dat zowel N-VA als LDD hun sinds de voorbije verkiezingen verworven rijkdom zullen gebruiken om zwaarder in de campagne te investeren, zodat ze nog meer als volwaardige spelers zullen worden gepercipieerd. Dit zal er hun voornaamste concurrent, het Vlaams Belang, dan weer toe nopen om de eigen uitgaven verder op te drijven. Op die manier zal er aan de rechterzijde allicht een opwaartse uitgavenspiraal ontstaan.

De niet-traditionele partijen hebben hoe dan ook nog een aanzienlijk communicatief groeipotentieel. Maar als de traditionele partijen hiertegen willen opbotsen, dan zullen ze snel tegen de grens van het wettelijke plafond botsen. Op die manier evolueren we geleidelijk naar een situatie van ‘uitgavenpariteit’, waarbij alle partijen ongeveer evenveel uitgeven. De nieuwe partijen zullen op die manier helemaal op gelijke voet komen te staan met de groten van weleer. En die vroegere groten hebben wel de middelen, maar niet de wettelijke mogelijkheden om zich door een intense communicatie van hun concurrenten te onderscheiden en zo hun dominante positie te heroveren.

Maar goed, tenslotte was het ook één van de doelstellingen van de wet van 1989 om een faire electorale competitie te garanderen, met gelijke kansen voor iedereen. Een wet die het doel niet voorbijschiet: het is eens wat anders.

Bart Maddens, Karolien Weekers, Gert-Jan Put en Ine Vanlangenakker
Centrum voor Politicologie, KU Leuven

Noten
1/ Bron: Verslagen van de Parlementaire Controlecommissie, met uitzondering van de verkiezingen van 2007 en 2009: op basis van de aangiften van verkiezingsuitgaven. Zie: Bart Maddens, Karolien Weekers, Stefaan Fiers, De uitgaven van de Vlaamse partijen voor de federale verkiezingen van 10 juni 2007. Leuven, Centrum voor Politicologie, 2007; Bart Maddens, Gert-Jan Put, Karolien Weekers, Ine Vanlangenakker, De uitgaven van de Vlaamse partijen voor de Europese, Vlaamse en Brusselse verkiezingen van 7 juni 2009. Leuven, Centrum voor Politicologie, 2009.
2/ De individuele uitgaven van de kartellijsten VLD-VU-O en SP!Aga bij de verkiezingen voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad zijn niet meegeteld in de totalen voor de respectievelijke kartelpartners, maar wel in het algemene totaal.
3/ Zie hierover: Karolien Weekers en Bart Maddens, Het geld van de partijen. Leuven, Acco, 2009, pp.77-86.
4/ Karolien Weekers en Bart Maddens, Het geld van de partijen, o.c., pp.25-40.
5/ Karolien Weekers en Bart Maddens, De financiële gevolgen van de verkiezingsuitslag van 7 juni 2009 voor de Vlaamse politieke partijen. Leuven, Centrum voor Politicologie, 2009.
6/ Karolien Weekers en Bart Maddens, Het geld van de partijen, o.c., pp.104-106.
7/ Bart Maddens en Gert-Jan Put, Kiesstrijd is mediastrijd. De media-aandacht voor de kandidaten in 2007, in: Doorbraak, 2008, nr.4, pp.4-5.
8/ Peter Van Aelst, Bart Maddens, Jo Noppe en Stefaan Fiers, Van de studio naar de Kamer? Over de relatie tussen media en voorkeurstemmen bij de verkiezingen van 2003, in: Stefaan Fiers en Herwig Reynaert (Reds.), Wie zetelt? De gekozen politieke elite in Vlaanderen doorgelicht, Leuven, Lannoo, 2006, p.170.
9/ Vlaamse Regulator voor de Media, beslissing nr.2007/0032 van 26 juni 2007.
10/ Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak, arrest nr.194.650 van 25 juni 2009.

verkiezingen - verkiezingsuitgaven - partijfinanciering

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 2 (februari), pagina 46 tot 58