Log in

'Het politieke landschap is te versnipperd'

Interview met Norbert De Batselier (Directeur van de Nationale Bank)

Zonder een politieke hergroepering kan niemand dit land nog op een goede manier leiden. Zowel rechts als links. En zowel op het federale als op het Vlaamse niveau, aldus Norbert De Batselier. Hij pleit voor openheid en het blijven zoeken naar nieuwe vormen van progressieve frontvorming. Politieke leiders moeten dan wel de tijd nemen om dit te vertalen naar de achterban. Politieke vorming wordt opnieuw essentieel. Enkel via de top een aantal mensen binnenbrengen, volstaat niet.

Op donderdag 11 maart 2010 wordt de biografie van Norbert De Batselier, Een leven in de politiek, voorgesteld in de Schelp van het Vlaams Parlement. Een ideale gelegenheid voor Samenleving en politiek om de voormalige hoofdredacteur van haar verre voorganger, Socialistische Standpunten, aan het woord te laten. Historicus Bart Hellinck nam de Amsab-archieven van Norbert De Batselier onder handen, wat resulteerde in een zeer gedetailleerde, historische weergave van zijn professionele carrière. De Batselier startte aan de VUB, stapte vervolgens over naar de ABVV, maar begon zijn politieke periode in 1979 als kabinetchef. Hij was vervolgens verschillende malen minister en vice-ministerpresident in de Vlaamse regering. Vanaf 1995 was hij burgemeester van Dendermonde en voorzitter van het Vlaamse Parlement. In 2006 werd hij directeur van de Nationale Bank. Ook speelde hij als partij-ideoloog jarenlang een belangrijke rol binnen de socialistische partij, met o.a. Het Sienjaal en het Toekomstcongres. Toch is zijn nogal stoffige imago als economist en ideoloog een verkeerd beeld, aldus Norbert De Batselier. “Wat bijvoorbeeld heel weinig mensen weten is dat ik ook een fervent kunstliefhebber ben. Vooral de schilder- en beeldhouwkunst dragen mijn voorkeur weg.” Dat wordt duidelijk als De Batselier ons ontvangt in zijn bureau op de kantoren van de Nationale Bank, waar verschillende schilderijen van jonge, onbekende kunstenaars aan de muren hangen. ”Hoewel de pers mij steeds goed behandeld heeft, kreeg ik vooral de laatste jaren een saai imago opgekleefd. Welnu, wat er saai aan is om iets uit te rafelen op termijn, is mij niet geheel duidelijk. Als uw toespraken alleen maar fantastische oneliners bevatten, dan ben je voor mij meer een entertainer dan een politicus. Als je lokaal aan politiek doet, moet je uiteraard niet met grote studies voor de dag komen, maar dat deed ik ook niet. Daar heeft mijn vorming bij de vakbond onder Georges Debunne mij zeer goed gedaan. Dat was een schitterende periode. Ik denk dat je dat moet hebben meegemaakt om met arbeiders te kunnen spreken. Dat is voor socialisten een niet onbelangrijk element, vind ik. Ook in het parlement was gans die periode zeker geen nadeel. Aangezien wij in die periode altijd in een minderheidspositie zaten, of we nu in de meerderheid zaten of niet, moest je uw opinie voldoende objectiveren en motiveren om die erdoor te krijgen. Daardoor krijg je meer bewegingskracht in een debat. Alleen maar zeggen dat ónze mening de beste is, is schitterend om voor eigen mensen te praten, maar niet overtuigend voor derden.”

Te vroeg gelijk krijgen loopt als een rode draad door het boek, zelfs al staat het er niet letterlijk zo: verbreding van het socialisme, de energieproblematiek en vooral de milieuproblematiek. U speelde een voortrekkersrol door het ecologische zo sterk te koppelen aan de sociaaldemocratie. Ervaarde u dat zelf ook zo?

“Ik heb steeds getracht de ecologie in de economie binnen te trekken. Daar ik heden economie en ecologie basiselementen van de maakbaarheid van een samenleving vind. Dat is de reden waarom ik als economieminister onder meer de expansiewetgeving totaal heb gewijzigd, en daar het ecologisch criterium heb ingevoerd. Tevens heb ik diverse instellingen opgericht, zoals het VITO, die zowel een economische als een ecologische roeping hebben. Ik dacht dat een socialistische beweging zich niet alleen moet bezig houden met de koek zelf en die proberen te herverdelen, maar ook moet kijken naar de kwaliteit, de samenstelling van die koek. Dat heb ik geprobeerd bij economie, maar ook bij leefmilieu. En bij leefmilieu ontdekte ik dat er niet alleen economie en ecologie was, maar dat je daar ook gezondheid kon aan koppelen. Deze drie-eenheid zou ik neerschrijven in Het Sienjaal (cfr. 1996) en in het Toekomstcongres (cfr. 1998). Dat was voor mij een zeer belangrijke zaak. We hadden toen een poleposition die Agalev ons zeer benijdde. We trokken daardoor veel jonge mensen aan, ook aan universiteiten. Ik weet nog dat ik aan Van Miert en Tobback zei dat zij het traditionele sociale verhaal - de core business - niet mochten verliezen maar dat er evengoed een nieuwe core business aan toegevoegd moest worden, die morgen even belangrijk zal zijn als de sociale, namelijk die van de grondstoffenbezuiniging, de energiebezuiniging, de kwaliteit van het leven. Kwesties die zich later in problemen zullen enten zoals eenzaamheid, werkdruk, geluk en dat soort dingen meer. En op dit aspect hebben we niet verder gespeeld. We hebben dat af en toe in verkiezingsperiodes nog eens opgenomen. Maar als je daar niet permanent mee bezig bent, verlies je een stuk aan geloofwaardigheid. Ik blijf het jammer vinden dat we dat een beetje verloren hebben na het Toekomstcongres. Positief is dat we het energiedossier terug sterk vanuit dat perspectief hebben opgenomen.“

Je ziet overal Matthëus-effecten optreden in ons sociaal systeem. Allerhande premies en subsidies worden gegeven aan mensen die het in se wel kunnen gebruiken, maar bereiken de zwakste groepen niet. Is dat niet de uitdaging voor socialisten, om ervoor te zorgen dat die zwakkere groepen ook bediend worden onder meer op vlak van ecologische maatregelen?

“Daarom vond ik het verhaal van Stevaert over gratis openbaar vervoer een goed verhaal. Het was gericht naar een groep van zwakkeren, en werd betaald door de belastingbetaler. Steve wist natuurlijk perfect dat ‘gratis’ niet betekende ‘niet betalen’. Men heeft de zaak gesolidariseerd, en dat vind ik een ongelooflijk belangrijk iets. Dat zouden socialisten telkens opnieuw, met nieuwe themata, moeten proberen. Of men nu de Lorenz-curve of de Gini-coëfficient uittekent, het is duidelijk dat er een verslechtering is van de herverdeling. Daar moeten wij als socialisten een antwoord op geven. Niet alleen via belastingen, maar ook via premiesystemen en de soorten overheidsuitgaven. Overal waar de overheid een belangrijke rol speelt - onderwijs, kinderopvang of gezondheidszorg - moet je voor uw zwakkeren een selectieve houding aannemen. Hetzelfde geldt voor ecologisch beleid. Als je de kleinere auto bevoordeelt, en de grotere wagen bestraft, dan kan de ene de andere financieren. Dat betekent dat je iets doet aan netto-herverdeling, en tegelijkertijd iets doet aan uw ecologische waarden en aan de ecologische situatie.
Bij wonen hebben we bijvoorbeeld geprobeerd om voor huurders iets meer te doen. We hebben in ons land 70% eigenaars. Het probleem zit vooral in de huursector. Als socialist zijn er twee benaderingen. Aan de ene kant moet je die groep die vandaag nét niet de kans heeft om eigenaar te worden, helpen om eigenaar te worden. Maar diegenen die helemaal onderaan zitten eigenaar laten worden, is asociaal. Zie wat Clinton geprobeerd heeft in de Verenigde Staten; daaruit is de suprime problematiek gekomen. Men liet mensen lenen, wat ze in feite niet aankonden. Je moet dus voor uw zwakkeren de huursector gaan optimaliseren. En daar moet je gaan kijken: wat is kwaliteit voor die mensen? Bij het bezoeken van sociale woningen heb ik eigenaardige dingen vastgesteld. Mensen die een pracht van een badkamer hadden, maar dat niet gebruikten. Zij verkozen trouwens een douche. Je kunt uw sociale woningen perfect goedkoper maken zonder dat ze aan kwaliteit en comfort verliezen.”

Zit je daar niet met een spanning? Bepaalde groepen moeten worden ondersteund door de overheid, maar je hebt daarvoor wel een draagvlak nodig bij de mensen die dit minder nodig hebben.

“Weet u, toen ik jong was zei ik dat sommige pensioenen veel te hoog waren. Tot Louis Major ons bij de Jong Socialisten kwam uitleggen dat die mensen voorzien in een belangrijk procent van inkomsten van sociale zekerheid. En dat als je hen - door een lager pensioen - er niet meer toe aanbrengt die sociale lasten te betalen, ze op zoek zullen gaan naar andere manieren. Major had daar profetisch gelijk. Zo is geleidelijk aan de tweede en derde pijler tot stand gekomen. En je merkt dat de zwakkere blijft zitten met zijn eerste pijler. Terwijl anderen op een bepaald ogenblik zeggen dat die eerste pijler niet meer ontwikkeld moet worden, omdat ze niet meer bereid zijn daar voor te betalen. En aangezien zij in feite de opiniemakers zijn, zijn de zwakkeren de dupe. Je moet solidariteit op een evenwichtige manier organiseren zodanig dat diegene die het goed heeft, blijft bijdragen. De lagere-hoge klasse en de brede middenklasse heb je dus nodig om het stelsel mee te financieren.”

We zien inderdaad dat de middenklasse wel een bepaalde maar geen volledige solidariteit wil tonen voor bepaalde kansarme groepen. Is dat niet de moeilijkheid voor de socialistische partij om beide groepen te verenigen?

“Daarom moet je een partij zijn die zich niet alleen in dat sociale element interesseert. Die zich ook in problemen van mobiliteit, gezondheid, kwaliteit van de samenleving, justitie, veiligheid, enzovoort interesseert. Die tevens waarden als democratie, openheid, gelijkwaardigheid, rechtvaardigheid, solidariteit en respect centraal stelt. Als uw sociaal beleid uw enige thema is, dan wordt je een partij van alleen de zwakkeren. En daar willen de anderen zich in déze samenleving, of ik dat nu graag heb of niet, veel minder mee associëren. Je moet dus een combinatie zoeken waarin de mensen die het beter hebben ook geïnteresseerd zijn in uw verhaal. Het moet als socialist bijvoorbeeld belangrijker zijn dat je ijvert voor jobs dan voor uitkeringen. En daar hebben we op een bepaald ogenblik toch de verkeerde indruk gewekt. Dat beeld, dat uiteraard niet volledig juist is, mag je als partij niet hebben. En in het Toekomstcongres was het een stuk de bedoeling om daar afstand van te nemen. We gaan ook de uitkeringen verhogen, maar tegelijkertijd moet er een sterk activeringsbeleid zijn. Ik denk dat dit een belangrijk element is in een hedendaags socialisme.”

Het streven naar verbreding van de progressieve beweging komt meermaals terug in uw biografie. Maar hoe pak je dat organisatorisch aan, en welke kansen zijn daarbij gemist?

“Wij hebben, naast het sociale facet, vele maatschappelijke vernieuwingen, of het nu de vrouwenproblematiek of de consumentenproblematiek was, aan onze neus zien voorbijgaan. Dat is mijn zorg. Als je onder mekaar blijft - wat heel prettig is - verkleint uw groep alleen maar. Sociologisch en demografisch. Daar is niets aan te doen, en daar hebben we dus geen boodschap aan. Hoe dit oplossen? Door uw core business interessant te houden. Uw sociale zekerheid anno 1945 kan er niet hetzelfde uitzien als die in 2010. Wie alleen maar zegt dat we die sociale zekerheid moeten behouden, is niet mee met de evolutie van de samenleving en vertelt een verhaal dat niet conform is aan wat uw burger voelt. Het tweede punt is dat er in tussentijd verschillende maatschappelijke verhalen naast elkaar bestaan die zich allemaal beroepen op het etiket ‘progressief’. Of het nu een socialistisch, christendemocratisch, soms liberaal, een ecologisch, of voor sommigen een democratisch-nationalistisch verhaal is, al die invalshoeken staan naast mekaar. In elk van deze invalshoeken zitten positieve elementen en motieven voor moderne socialisten. Vandaag zijn mensen niet minder, maar wel anders geëngageerd dan vroeger. Ze zijn nog geëngageerd voor dat ene one issue element. ‘Ik engageer mij voor mijn ngo, maar vraag mij niet om morgen voor gepensioneerden op te komen’. En daar moet je dus een oplossing voor vinden. Ik heb altijd gezegd dat een partij bijna een grootwarenhuis moet worden, waar ik binnenwandel maar niet verplicht ben om alles te kopen. Ik koop alleen het ecologisch verhaal, en ik ga daarmee buiten. Ik probeer u natuurlijk wel mijn sociale verhaal, mijn onderwijs- of mobiliteitsverhaal mee te verkopen, maar je komt wel binnen voor het ene verhaal dat u interesseert. Dat vraagt een ander soort partijwerking. En vorming is daarin erg belangrijk. Die hebben we overal zien afnemen. Het zou een mooie studie vormen om te kijken hoe we vorming overal hebben gepromoot, hoe we dan de socialistische beweging hebben zien stijgen, en hoe overal de vorming is gedaald en men gegaan is naar opleiding en perceptie-elementen, hoe dan onze beweging terug naar beneden is gegaan. Aan die openheid heeft de socialistische partij te weinig gedaan. We zeiden het wel, maar regelmatig kwamen er gevallen die bewezen dat we niet open waren. Via de top een aantal mensen binnenbrengen, volstaat niet. Het is in uw afdeling, in uw gemeente, in uw manier van beleid voeren, van argumenteren dat je uw openheid moet bewijzen. Ik heb nooit verzwegen dat ik vrijzinnig ben, maar ik wil op dat vlak geen politieke indeling. Voor mij kan iemand gelovig zijn, en toch met mij meevechten voor een aantal sociale, economische en ecologische standpunten. Maar dan moet ik dat ook zeer duidelijk maken. Daarnaast moeten we opletten met te zeggen dat wij het zijn die alléén gelijk hebben. Neen, durf in de openbaarheid zeggen dat we ons op bepaalde punten vergist hebben, of dat een andere zelfs een beter idee heeft. Dat bewijst een stuk openheid.”

Was dat niet het grote probleem, dat men de sp.a niet vertrouwde en het als een grote accaparatiepoging zagen?

“We hadden het nadeel dat we al operaties, zoals de progressieve frontvorming van Leo Collard, zoals de Doorbraak-oefening van Van Miert, hadden gehad die in feite de dag nadien gepercipieerd zijn als ‘kom bij ons, en dan zijn we allemaal progressieven’. Met Het Sienjaal probeerden we dat niet te zeggen. Maar wat stelden we vast? Dat Agalev toen in een stijgende lijn zat, en dus zei ‘samenwerking is niet nodig’. Men sloot zichzelf af. Idem voor het ACW. Mijn goede vriend Theo Rombauts zei me: ‘Norbert, kan je mij garanderen dat jij meer percent hebt dan de CVP in het parlement, en dat wij dus meer invloed hebben?’. Iedereen bleef dus in zijn eigen cocon zitten. Misschien ben ik op mijn eigen wat kleiner, ik ben er toch de baas. En dat is niet alleen bij de sp.a, maar ook bij Groen!, ACW, de progressieve liberalen en bij de progressieve nationalisten zo. Het heeft mij verbaasd dat de leiders dat niet vertaalden naar hun achterban om hen te overtuigen. Sommigen stellen: ‘had je niet onderaan moeten beginnen?’ Neen, het was immers alleen mogelijk om via de top te gaan, want spontaan leeft dit bij hun basis slechts bij uitzonderingen. Maar vervolgens moest je uw basis daar wel bij betrekken. En tot daar is het nooit gekomen, omdat verschillende leidingen van allerlei instanties dat afblokten, omdat men koos om in de eigen box te blijven.”

De hele karteldiscussie heeft jaren aangehouden, maar zit nu weer in een dip. Hoe ervaar je die noodzaak nu? Denk je dat er nog mogelijkheden zijn om ooit tot zo een nieuwe partij te komen aan de linkerzijde?

“Ik heb daarbij twee fundamentele leuzen. Een: alles is steeds herbeginnen. Twee: in de naam van het onmogelijke heeft men dikwijls het mogelijke niet gedaan. En als ik die naar hiertoe vertaal, dan zeg ik dat je opnieuw zult moeten proberen andere samenwerkingsvormen op te zetten. Alleen denk ik dat je mensen moet zoeken die niet op korte termijn denken en niet direct met verkiezingen en lijsten bezig zijn. Dat is een les die we uit het verleden moeten trekken. Het is een oefening die we moeten blijven doen, maar altijd onder andere vormen. Een andere zaak is dat je nu een bijkomende oefening hebt, namelijk dat je mensen opnieuw politiek moet interesseren. Want de interesse voor en de geloofwaardigheid van de politiek is een groot stuk getaand. Dat betekent dat je opnieuw oog moet hebben voor ‘wat is een democratie’. Als socialisten zijn wij mee de behoeder van de democratie. En daar gaan we vandaag te gemakkelijk over. We beschouwen dat als een vanzelfsprekendheid, maar voor de burger is dat geen vanzelfsprekendheid. En morgen nog minder dan vandaag. Daarenboven moet je zo dicht mogelijk bij de bevolking proberen te staan. Daarvoor moet je het programma niet in functie van de burger aanpassen, bijvoorbeeld als die vraagt om lagere belastingen. Maar het betekent wel dat je moet uitleggen waarom er belastingen zijn. Dat betekent ook dat je een efficiënte overheid moet hebben. Dat je als socialist voorstander en behoeder bent van een meer efficiënte overheid; veel meer dan diegenen die tegen de overheid zijn. En dat is een verhaal dat ik mis. Men verdedigt de overheid, wat er moge gebeuren. Dat kan niet. Het is dus een combinatie van zaken, maar ik geloof dat de kwestie van samenwerking ter linkerzijde zich altijd zal stellen. Wij hebben vandaag een groot geluk, namelijk dat niet alleen de progressieve zijde, maar dat ook de rechterzijde politiek verdeeld is. Moest morgen een situatie komen waar de rechterzijde zich beter vindt dan vandaag, dan zal men wellicht genoodzaakt zijn om zich aan de linkerzijde te groeperen. Vandaag kan men zich echter rechthouden omdat er een versnipperd beleid is. Het politieke landschap is te versnipperd. In feite kan niemand nog op een goede manier dit land leiden. Zowel rechts als links. En zowel op het federale als op het Vlaamse niveau.”

Het is een noodzaak om tot een hergroepering te komen?

“Ik denk inderdaad dat het een noodzaak is. Daarvoor moet er een geestesgesteldheid zijn zoals we in Nederland gekend hebben, met zijn ups en downs. Nederland was op een bepaald moment erg versnipperd, heeft zich vervolgens gereorganiseerd en is naar minder partijen gekomen. Nu zien we er weer een omgekeerde beweging. Ik neem aan dat we ook in België die cycli zullen kennen. De manier waarop men hergroepeert of samenwerkt zal in de 21ste eeuw uiteraard anders horen te zijn. De samenleving staat immers niet stil.”

In het boek wordt ook mooi beschreven hoe je geëvolueerd bent van een Belgisch politicus, met een Belgisch referentiekader, naar een meer Vlaams politicus, met het referentiekader van Vlaanderen en Europa. Is die interpretatie correct?

“Dat is wat kort door de bocht. Aan de universiteit in Brussel ondervond ik dat ik als Vlaming achteruit werd gesteld. Daar heb ik voor een stuk een Vlaamse reflex gekregen, mede door mijn vriend William Janssens. Ik ben daarover beginnen lezen, en dat beginnen linken aan het sociale. Ik heb op het politieke vlak nooit een Belgicistische uitspraak gedaan. Wat je op een zinvolle manier regionaal kunt beslissen, moet je doen. Dat vind ik geen nationalistisch beginsel, maar eerder een socialistisch, democratisch beginsel. We hebben ons altijd afgeschermd, en gezegd dat we onze grote socialistische broeders langs Waalse kant en bij het FGTB niet mochten verliezen. Neen, die mogen we niet verliezen maar door er onze kar aan te hangen hebben we al veel kansen verloren. De Vlaamse situatie is nu eenmaal anders dan de Waalse. Wij moeten onze oplossingen aan Wallonië niet opdringen en moeten de oplossingen van Wallonië niet overnemen bij ons. Het Waalse socialistische verhaal is niet direct zomaar toepasbaar in Vlaanderen. Een aantal zaken wel, maar een aantal andere zaken niet. Ik blijf echter overtuigd van het nut van een Belgisch referentiekader (bijvoorbeeld sociale zekerheid), ook al wordt het regionale en het Europese beleidsniveau steeds belangrijker.”

Een aantal maanden terug verscheen in Samenleving en politiek een interview met PES-fractieleider Martin Schulz. Een van de grote kritieken die hij had op de Vlaamse socialisten was dat hij het onbegrijpelijk vond dat wij met Vlaams-nationalisten in een Vlaamse regering zitten. Hij vindt dat verhaal incompatibel met de sociaaldemocratie.

“Aan de ene kant denk ik dat progressief nationalisme bestaat. Hendrik De Man omschreef drie soorten nationalisme. Eén daarvan was een progressief nationalisme, een bevrijdingsnationalisme. Ik denk dat dit wel aansluit bij het socialistisch denken. We moeten van de eigen regionale situatie uitgaan. Anderzijds vind ik identiteit geen goede basis om uw politiek op te bouwen. Omdat ik verschillende identiteiten heb. Mijn identiteit is dat ik een socialist ben, maar ook een Dendermondenaar. Ik heb de identiteit van Vlaming, maar ook van Belg, en als ik in de wereld ben, heb ik de identiteit van Europeaan. Dat is een mengelmoes. Sommige Vlaams-nationalisten verengen hun identiteit enkel tot Vlaanderen. Daarnaast mag niets bestaan. Dat vind ik niet strokend met de werkelijkheid en daar ben ik het niet mee eens. Uw vraag of men daarmee dan coalities kan maken. Welnu, dan moet je met sommige liberalen of sommige eerder conservatieve christendemocraten ook geen coalitie maken. Ook al omdat de doelstellingen van elk van deze partijen noch integraal rechts, noch integraal links zijn en deze begrippen op zich trouwens ook evolueren. En sta je wellicht alleen. Als je zelf 15% van de stemmen vertegenwoordigt en iets wilt realiseren, zul je altijd een stuk oneigenlijke coalitie moeten aangaan. Alleen moet je zien dat het regeerakkoord verteerbaar is voor u en uw achterban. Je kunt uw verhaal van solidariteit niet zodanig laten verminken dat het totaal verwaterd is. Dat moet men telkens opnieuw beoordelen. De uitdaging bestaat er uiteraard in om belangrijker te zijn dan die 15%.”

De periode van Het Sienjaal en het Toekomstcongres was een heel boeiende periode en zoog veel mensen naar de socialistische partij. U was daar het boegbeeld van. Maar op het moment dat het voorzitterschap voor het grijpen lag, stopte uw verhaal in de Vlaamse politiek. Daardoor was de visibiliteit van diegene die de vernieuwing symboliseerde weg. Heeft u daar geen spijt van dat u die kans toen niet genomen heeft?

“U bent niet de eerste en de enige die mij deze vraag stelt. Het is voor mij ook niet eenvoudig om erop te antwoorden. Een. Ik heb maar later beseft dat zovele mensen vertrouwen hadden in mij om dat te doen. Twee. Ik dacht niet dat de beweging zo erg op mijn figuur voor dat thema geënt was. Drie. Op het moment dat Louis Tobback mij zei dat ik voorzitter kon worden, toen het ideologisch congres nog bezig was, heb ik daar negatief op geantwoord. Ik vond dat er een andere periode zou komen waar we moesten oppassen dat men niet zou zeggen dat heel die vernieuwing gedaan moest worden door iemand die zijn handen toch wel al vuilgemaakt had. Maar belangrijker, ik had nooit verwacht dat ik burgemeester in Dendermonde zou moeten worden. Ik had mij verbonden voor de verkiezingen, niet denkende dat ik een volstrekte meerderheid zou halen. Ik zag wel in dat ik naar Dendermonde moest, want dat was geen eenvoudige constructie die we daar gemaakt hadden. Toen het ideologisch congres kwam, kon ik Dendermonde onmogelijk opnieuw verlaten. Ik heb vervolgens kort nadien gezien dat de leiding ja zei aan dat project, maar dat het mij zeer sterk deed denken aan 1974, het ideologische congres van de BSP. Ik stelde toen ook vast dat er een nieuwe generatie komende was, en wilde daar niet de schoonmoeder van zijn. Op een bepaald ogenblik heb ik dan dingen intern gezegd aan diegenen die men aan de leiding had gebracht, wat sommigen mij intern zeer kwalijk hebben genomen. Vanaf dan heb ik deels afgehaakt voor wat de nationale partijstrategie betreft en heb ik enkel nog advies gegeven aan diegenen die hiervoor op mij een beroep deden.”

U had dus op dat moment niet door dat u zo’n draagvlak en aantrekkingskracht had?

“Neen. Ik dacht dat het de hele groep was die dat had. Ik heb pas later ondervonden dat veel jongere mensen stelden dat zij voor mijn verhaal naar de partij zijn gekomen.”

In uw biografie lezen we dat u de kans had om een academische carrière uit te bouwen, maar toch voor de politiek koos. Geen spijt?

“Je mag nooit iets betreuren, want dat ligt in het verleden. Ik heb veel zeer mooie momenten meegemaakt in de politiek. Af en toe een ontgoocheling, en het zijn natuurlijk die ontgoochelingen die men probeert eruit te halen. Als je ideaaltypisch alles zelf zou mogen uitstippelen en kunnen herdoen, zou ik wellicht een aantal dingen anders gedaan hebben. Misschien had ik inderdaad best eerst mijn doctoraat gedaan, maar zou dat me iets bijgebracht hebben in de politiek? Dat weet ik niet.”

Ik zou de vraag misschien anders moeten stellen. Mist u de politiek op dit moment niet?

“Er zijn momenten waar ik zeg ‘daar had ik graag tussen gezeten en mijn inbreng kunnen doen’. Langs de andere kant zijn er ogenblikken waar ik zeg ‘ik ben blij dat ik er niet bij zit’. Af en toe mis je dat wel. De politiek is een keiharde maar ook een innige omgeving. Maar alles heeft zijn tijd. Ik was de jongste van een generatie. Als die generatie dan uit de nationale politiek verdwijnt, kun je niet achterblijven. Had heel die lichting gezegd ‘wij blijven nog vijf jaar’, dan had ik ook nog vijf jaar gebleven. Je moet je goed voelen in uw omgeving, en dat was het enige waar ik op een bepaald moment problemen mee had. Niet met de lichting of de leiding. Het nadeel van jong in de politiek te komen, is wellicht dat je jong weggaat of jezelf overleeft. Op mijn 58ste moest ik niet weg uit de politiek - de papieren lagen er getekend om nog 6 jaar burgemeester van Dendermonde te blijven en ik zie niet in dat ik op de Vlaamse lijst niet eveneens nog altijd had kunnen functioneren - maar ik ging liever te vroeg dan te laat weg. Ik heb gekozen voor de Nationale Bank, die ik al sinds mijn tijd op de studiedienst bij de vakbond volgde. Ik vond het een instelling die kwalitatief zeer goed, economisch werk levert, waar ik vond dat ik als economist massaal veel cijfermatige informatie over de samenleving kon verwerken en benutten.”

foto's: Theo Beck

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 2 (februari), pagina 36 tot 45