Log in

'Doe-het-zelf-democratie'

Uitgelezen

Doe-het-zelf-democratie

Ghislain Verstraete en Rik Pinxten (red.)
epo, Berchem, 2009

Mensen nemen graag het heft in eigen handen. Ze worden daar echter al te dikwijls door afgeschrikt, omdat ze denken dat specialisten het wel beter zullen weten. Politici doen tegenwoordig graag beroep op wetenschappers, maar doen geen enkele poging om de burger bij de keuzeprocedures te betrekken. Het doe-het-zelf-boek wil daar verandering in brengen. Het wil bewuste, actieve burgers op weg helpen in hun leven en handelen.
De basishypothese is dat intelligentie gelijk is. Iedereen heeft het recht om vragen te stellen en ook ernstig genomen te worden. Iedereen heeft recht om bij te dragen in fundamentele keuzes. Dat is de betekenis van de gelijkwaardigheid van de mensen. In het besluit wordt dit een verdere stap genoemd in de emancipatiestrijd: van de zesde tot de achttiende eeuw was er een godsdienstige periode, van de achttiende tot eind twintigste eeuw de positivistische periode, daarna een kortstondig postmodern tijdperk en nu het recht op vragen stellen. De mens is niet afhankelijk van de vragen van anderen. Dat is democratie.

In het boek staan zeven bijdragen die dit uitdiepen. Na iedere bijdrage is een werkblad opgenomen, waarin de lezer kan invullen hoe hij en zijn organisatie zelf kunnen bijdragen aan de verdieping van de democratie. Door op die manier medeauteur te worden bewijst de lezer dat zijn intelligentie wel degelijk gelijk is.
De mens is een bouwer. Een stedenbouwkundige werkt een voorbeeld uit van een Gentse site, de Waalse Krook. Hij betoogt dat de burger perfect betrokken kan worden in de herinrichting van een gat in de stad. Men mag er echter geen geïsoleerd gebouw in oprichten, hoe kunstig dat ook zou kunnen zijn. Men moet werken aan een globaal en geïntegreerd project. Dan kan men rekening houden met de verwachtingen van alle mogelijke potentiële bewoners en gebruikers.
De burger is een verhalenverteller. De lezer krijgt het verhaal van een sociaalartistiek theaterproject. Het OCMW had het toneelhuis ‘Victoria De Luxe’ opdracht gegeven een productie te maken rond armoede. Het werd een verhaal over de halfvastenfoor in Gent. Bedoeling was niet alleen de mensen te laten vertellen, maar vooral hen op die manier meer vat te geven op hun eigen leven. Iemand die zijn eigen verhaal kwijt kan, is minder afhankelijk van de dominante verhalen die anders zijn leven bepalen. In een tijd waarin we minder en minder beschikken over grote en richtinggevende verhalen wordt het politiek steeds belangrijker dat mensen het auteurschap op hun leven claimen.
De mens is een zingever. Middenveldorganisaties hebben het steeds moeilijker om hun maatschappelijke opdracht uit te voeren. De oude organisatievorm (een plaatselijke afdeling die een programma uitvoert dat door de overheid in een subsidiestramien gegoten is) heeft afgedaan. Er zijn nieuwe methodieken en werkvormen nodig. De Humanistisch Vrijzinnige Vereniging probeert het in elk geval door lees- en actiegroepen te steunen en door een transversale werking met artistieke en andere kringen te ontwikkelen. Belangrijk is om te proberen de mondige en nieuwe burger te mobiliseren voor levensbeschouwelijke doeleinden.
De mens is een opvoeder. Er is een consensus dat er een tekort aan kinderopvang is. Er is al veel minder consensus als men de vraagt stelt wat het probleem precies is. Het antwoord hangt dan af van de opvatting over wat de maatschappelijke functie is van kinderopvang. Sommige onderzoeken vinden dat kinderopvang voor armen eerder afhangt van praktische overwegingen en voor rijkeren van kwaliteitsoverwegingen. Politiek wordt dan aangeraden vorming te organiseren om de armen meer oog te laten hebben voor kwaliteit. Andere onderzoeken zien kinderopvang louter als een tewerkstellingsfunctie, een marktproduct waarmee iedereen maar zijn plan moet trekken. Enzovoort. Wetenschappelijk onderzoek is politiek, een bevinding die aanzet tot bescheidenheid en twijfel. Kritisch blijven!
De mens is een overlever. Bedoeld is eigenlijk dat de mens werkt. In de kenniseconomie verandert de arbeid en vooral: niet iedereen kan nog mee. De gemeenschap van de werkers versplintert. De auteur van dit hoofdstuk doet verslag van zijn praktijkervaring in een bedrijf waar taal tot voorwendsel van revolte werd. Die taal staat symbool voor grotere problemen van interne bedrijfscommunicatie. Hij helpt ze oplossen.
De mens is een ecologisch wezen. Er is een nieuw ecologisch-economisch model nodig, dat hoge levenskwaliteiten én een lage milieu-impact combineert. Dat veronderstelt zowel efficiëntere ecologie als gedragswijzigingen. Met een traditionele sensibiliseringscampagne zal het niet volstaan. Er is een gedragswijziging nodig. De overheid moet hierin het voortouw nemen.
De mens is een performer. De auteur onderzoekt de interactie tussen culturen die verschillend zijn en blijven. Ze wil weten hoe kunstenaars op diversiteit reflecteren en zich daarbij niet beperken tot het eindproduct, maar er het proces bij betrekken.

Waarschijnlijk leidt dit boek aan het euvel van de meeste ‘readers’: de auteurs hebben zich niet laten vastzetten door een carcan dat de uitgevers voor ogen stond. De bijdragen over kinderopvang en werk vullen de vraagstelling dan ook niet helemaal in. De meeste bijdragen zijn op zich interessant. Dat zij zullen bijdragen tot een mondiger burger betwijfel ik. Daarvoor zijn ze dikwijls veel te abstract. Kijk eens naar het stuk van de architect. Buitengewoon boeiend, maar waar en hoe precies zal hij de burger inschakelen? Voorziet hij hoorzittingen? Of alleen maar enquêtes? Hij zal dan toch wel iets aan zijn taal moeten doen: ‘De betrachting bij stedelijke renovatie zou te alle tijde gericht moeten zijn op een stad als bindweefsel tussen haar ecologische ruimtelijke orohydrografische origines en collectieve stimuli voor een meer kosmopolitische visie met ruimte voor culturele pluriformiteit en tolerantie.’ (48) En nu gij. De theaterbijdrage en deze over het HVV lijken me het meest aan te sluiten bij de betrachting het woord aan de burger te geven. De idee van de werkbladen gaat wel volledig de mist in. Je kunt er gewoon niets mee doen. Het is goed om te proberen de burger bij de keuzeprocedures te betrekken, maar de eerste voorwaarde is dan wel dat je de taal van die burger spreekt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 3 (maart), pagina 62 tot 64