Abonneer Log in

Europa 2020; gewikt, gewogen en te licht bevonden

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 4 (april), pagina 41 tot 49

Enigszins overschaduwd door de Griekse schuldencrisis, en het moeizaam bereikte compromis over een financieel reddingsplan, raakten de leiders van de EU-landen het op de lentetop van 25-26 maart ook eens over de zogeheten EU 2020-strategie. Europa 2020 is het langverwachte vervolg op de in 2000 aangenomen Lissabondoelstellingen om van Europa de meest competitieve en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken, waarin groei, volledige werkgelegenheid en sociale samenhang hand in hand zouden gaan. Die ambitie, zo weten we inmiddels, werd allesbehalve ingelost. Met een beperkt aantal, meer haalbare doelstellingen en meer verantwoordelijkheid bij de lidstaten willen de staats- en regeringsleiders Europa nu opnieuw op de sporen zetten naar sociaaleconomische modernisering. Met als inzet nog steeds: de toekomstige welvaart van alle Europeanen.

WAT VOORAFGING

Een ambitieuze start

Het begon allemaal op de top van Lissabon in 2000. Sociaaldemocraten, die op dat moment de meeste Europese regeringen domineerden (het kan verkeren), worstelden met de vraag of er binnen het Europa van de eengemaakte markt nog een sociale en economische dimensie denkbaar was. Het antwoord op deze vraag was in zekere zin historisch: voor het eerst sinds het ontstaan van de Europese Unie werd een strategie gelanceerd, met als doel het sociale, het economische en het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten te stroomlijnen. Dit ondanks het gebrek aan verdragsrechterlijke bevoegdheden, en met behulp van de zogeheten open coördinatiemethode. Voortaan zouden gezamenlijk gedefinieerde meetinstrumenten (richtsnoeren, statistieken, indicatoren) en benchmarking van de prestaties tussen de lidstaten moeten bijdragen tot de realisatie van eveneens gezamenlijk vastgelegde doelstellingen. Die doelstellingen werden, onder impuls van een zeitgeist die dit mogelijk maakte, onmiddellijk vrij ambitieus ingekleurd. De staats- en regeringsleiders engageerden zich in 2000 onder meer om tegen 2010 de werkzaamheidsgraad op te trekken tot 70%, om de investeringen in onderzoek en ontwikkeling te doen toenemen tot 3% van het BBP en om 85% van de schoolverlaters te laten afstuderen met een diploma hoger secundair onderwijs.

Een harde landing

Tien jaar na de lancering oogt het bilan voor de Lissabonstrategie niet erg rooskleurig. Als er al sprake was van bescheiden vooruitgang, werd deze door de crisis genadeloos ongedaan gemaakt.
Als gevolg van de economische crisis daalde het bruto binnenlands product (BBP) in Europa met maar liefst 7 procentpunten, de grootste terugval sinds de Grote Depressie van de jaren 1930. De doelstelling om een gemiddelde economische groei van 3% op jaarbasis te realiseren is daarmee verder buiten bereik geraakt dan ooit tevoren.
De economische terugval zorgde er ook voor dat het scorebord van de arbeidsmarktprestaties nagenoeg volledig werd uitgewist. Sinds het uitbreken van de economische crisis gingen naar schatting al 8,5 miljoen Europese jobs verloren, tegenover 9,7 miljoen jobs (netto) gecreëerd in de periode voordien (2005-2008). Het gevolg is dat ook de vooropgestelde doelstelling van 70% arbeidsdeelname (15-64 jaar) met zekerheid niet behaald wordt: in het tweede kwartaal van 2009 blijft de gemiddelde arbeidsdeelname in de EU-27 steken op 64,8%.
Ondertussen telt Europa 80 miljoen armen, waaronder 14 miljoen werkenden en 19 miljoen kinderen en loopt bijna één op de zes Europeanen een armoederisico. Ook de werkloosheid op het continent blijft toenemen, aan het huidige tempo met 10.000 werklozen per dag. Vandaag staat de teller op 23 miljoen, maar verwacht wordt dat 30 miljoen (of één op de elf) Europeanen op arbeidsleeftijd geen job zal vinden in de loop van 2010.

Een sputterende motor

Waarom de strategie gefaald heeft in haar ambitieuze opzet, maakt het voorwerp uit van een debat dat nu al enkele jaren (voornamelijk onder eurocraten) gevoerd wordt, voorlopig zonder pointe. Het debat concentreert zich nogal misleidend op de vraag of er nu een beperkt aantal kwantificeerbare doelstellingen dan wel een uitgebreide set noodzakelijk is om tot resultaat te komen, waarbij de eerste strekking terrein wint. Maar het gaat geheel voorbij aan de structurele manco’s die de hervormingsmotor doen sputteren. En die werk, sociale samenhang en inclusie in de weg blijven staan. Zonder uitzondering kunnen deze defecten herleid worden tot een onevenwichtig concurrentiestreven.
Werknemers werden in de Lissabonperiode vriendelijk maar kordaat verzocht gematigd(er) te zijn in hun looneisen, flexibel(er) in hun houding naar de arbeidsmarkt en minder afhankelijk van uitkeringsstelsels voor de opbouw van hun bestaanszekerheid. Dat was zeker ook het uitgangspunt achter de nu fel bejubelde Duitse hervormingen, een uitgangspunt dat bij negatieve spill-over (‘elk concurrentie-voordeel heb zijn concurrentie-nadeel’) het leitmotiv voor economische hervorming werd in het gros van de lidstaten. Ondertussen werd de schaduw van de financiële economie steeds donkerder met een omvang die de waarde van de reële economie 10 tot 30 keer overtrof. De honger naar weinig realistische kapitaalopbrengsten die ermee gepaard ging, bracht ook bedrijven ertoe exorbitante winstmarges na te streven, niet zelden met (opnieuw) delokalisering, flexibilisering en ontslag tot gevolg.

Het gevolg van dit alles was een groeiende ongelijkheid, en dit gemeten volgens zowat alle mogelijke inkomensindicatoren. Vandaag verdient het rijkste 20% van de Europese inkomens gemiddeld bijna vijf keer zo veel als het armste 20%, in 2000 was dat nog 4,5 keer zoveel. Dat de inkomensongelijkheid vrijwel overal in Europa toenam, zelfs na herverdeling door de overheid en ondanks de welvaartsstaat, is meer dan een sociale statistiek. Het is een ingrijpend feit dat ervoor zorgde dat de economie haar meest solide basis verloor: de (binnenlandse) vraag naar goederen en diensten. Tot op vandaag ondervinden we de gevolgen van risicovolle uitwegen (onrealistische kredietvoorwaarden, verhoogde exportafhankelijkheid, ..) om die terugval in de economische vraag te compenseren. De crisis is dus het rechtstreekse gevolg van een dieperliggend onevenwicht in het economische en financiële systeem zelf. Met name: ongelijkheid.

EUROPA 2020: STRATEGIE VAN DE GEMISTE KANSEN

Anno 2010 worstelt ook Europa met de paradoxale gevolgen van dit onevenwicht. Aan de ene kant moet Europa opnieuw (en liefst snel) economische groei realiseren, om de gevolgen van de economische crisis te ondervangen, om jobs te creëren en om concurrentieel te zijn en te blijven in de wereld van vandaag. Aan de andere kant moet de huidige economische groei in sociaal en ecologisch opzicht worden bijgestuurd, met het voortbestaan van de welvaartsstaat en van de planeet zelf als inzet.
Europa moet deze dubbele uitdaging waarmaken in bijzonder moeilijke financiële en monetaire omstandigheden. De economische crisis (en het antwoord erop) heeft immers een zwaar beslag gelegd op de overheidsfinanciën van de 27 lidstaten. Zonder uitzondering dook hun begrotingstekort onder de Maastricht-criteria (maximaal 3% van het BBP), met uitschieters tot 10% en meer. Met name de Griekse overheidsfinanciën wegen vandaag, hiertoe aangemoedigd door speculanten die er grof geld aan verdienen, op de waarde van de euro.
In die extreme omstandigheden, waarin de financiële markten zich tegen de overheidsfinanciën en zelfs tegen de Europese munt keren, verwacht je dat het Europese niveau bakens verlegt; dat het de krijtlijnen uitzet van wat een nieuw sociaaleconomisch groeimodel moet worden en dat het ingrijpt op de fundamenten van de economische ontwikkeling. De schuldencrisis noopt tot méér coördinatie, de financieel-economische crisis tot een meer evenwichtige coördinatie van het economische beleid in Europa.

Tot spijt van al wie zijn hoop op Europa gesteld had, in beide opzichten schiet de nieuwe strategie tekort.
Europa 2020 is business as usual, verpakt in de flauwe ambitie van 3 prioriteiten (slimme, duurzame en inclusieve groei), 5 doelstellingen (op het vlak van werkgelegenheid, onderzoek en innovatie, klimaatverandering en energie, onderwijs en armoedebestrijding) en 7 vlaggenschepen (Innovation Union, Youth on the move, A digital agenda for Europe, Resource efficiënt Europe, an industrial policy for the globalisation era, an agenda for new skills and jobs en European platform against poverty).
Toegegeven, de 3 vooropgestelde groeiprioriteiten zijn allicht de juiste prioriteiten voor het Europa van 2020. Europa 2020 wàs (in het initiële Commissievoorstel) ook enigszins overtuigend in haar voornemen om het onderwijsniveau verder te doen toenemen en de armoede te bestrijden. Maar de schrapping door de Europese Raad van uitgerekend die twee sociale benchmarks (40% deelname aan hoger onderwijs, 20 miljoen minder armen) heeft de strategie opnieuw herleid tot haar ware proporties: een strategie van minstens 4 gemiste kansen.

1. Europa 2020 is (opnieuw) onvoldoende evenwichtig.

Wie de strategie van nabij bekijkt, zal merken dat noch nieuwe doelstellingen worden vooropgesteld noch andere klemtonen worden gelegd. Alsof de crisis nooit heeft plaatsgevonden, continueert Europa 2020 de krachtlijnen van de Lissabonstrategie, waaraan het een groene toets toevoegt.
Die ‘groene toets’ overstijgt echter nergens de ambities van de reeds eerder aangenomen 20/20/20-doelstellingen, waardoor de kans wordt gemist om de mislukking van het Kopenhagen-akkoord te beantwoorden met een Europees offensief voor het leefmilieu. Een dergelijk offensief zou naar schatting tot 21 miljoen Europese jobs opleveren (Ecorys: 2009).
Tegelijkertijd wordt de sociale pijler herleid tot de strijd tegen de armoede, in het beste geval, en tot een louter instrumentele pijler, in het slechtste geval. Maar zelfs in dat laatste geval blijft het ambitieniveau, ook in het Commissievoorstel (zie hoger), eerder gering. Andermaal geeft Europa hiermee het signaal dat groei in sociaal opzicht ondergeschikt is aan economische groei.
Ook Europa 2020 maakt dus geen betekenisvolle opstap naar een evenwaardige sociale pijler, in het hart van het Europese project.

2. De open coördinatiemethode wordt uitgehold.

Europa 2020 is niet alleen onevenwichtig in haar doelstellingen maar ook weinig doortastend in de instrumenten die ze inschakelt. Anders dan in de opvolging van de Maastricht-criteria, en enigszins in tegenstrijd met de ambitie(s) die Van Rompuy met de strategie voor ogen had, zijn de doelstellingen van Europa 2020 dwingend noch afdwingbaar geworden. Integendeel, de beleidsindicatoren van weleer (soft law) worden ingeruild voor zachte streefcijfers die in overleg met de lidstaten verder worden uitgevoerd (super soft law). Als de uitvoering door diezelfde lidstaten tekortschiet, kan Europa voortaan een ‘policy warning’ uitsturen, maar de impact daarvan zal allicht niet erg groot zijn.
Een schrijnend voorbeeld van de neerwaartse bijstelling van het instrumentarium vinden we in de beruchte armoededoelstelling. Niet alleen ontneemt de schrapping van die bench-mark elk perspectief aan wie vandaag arm is (of dat dreigt te worden). De strijd voor sociale insluiting is bovendien niet gebaat met de middelen die ervoor worden ingezet. Het herverdelend appél dat uitgaat van ‘vlaggenschepen’, ‘platforms’ en de ‘uitwisseling van beproefde methodes’ schiet ronduit tekort. Uitgerekend in het Europees jaar voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, mist Europa de kans om via EU 2020 herverdelingsdoelstellingen in werking te stellen die bijdragen tot de uitbouw van adequate minimuminkomens, rechtvaardige belastingen, goed uitgebouwde kinderopvangdiensten en kwaliteitsvol onderwijs door de lidstaten.
Het is ook nog maar de vraag of zelfs een versterkte open coördinatiemethode veel zoden aan de sociaaleconomische dijk zou brengen. Stilaan rijpt het besef dat een muntunie niet langer werkbaar is zonder sluitende economische en financiële afspraken, die worden opgevolgd en bijgestuurd door een Europese economische regering.

3. De strategie mobiliseert onvoldoende (Europese) middelen.

Europa 2020 is, mede onder impuls van de Griekse schuldencrisis, in de eerste plaats een (budgettaire) exitstrategie geworden. De strategie voorziet een snelle en gecoördineerde afbouw van de crisissteun, met het oog op begrotingsconsolidatie vanaf 2011 en terugkeer naar de Maastricht-criteria ten laatste in 2013.
Dat gezonde overheidsfinanciën een onmiskenbare voorwaarde zijn om de sociale bescherming in de toekomst op peil te houden, wordt vandaag algemeen aanvaard. Maar dat de uitdaging wordt herleid tot een ondoordachte exit van publieke uitgaven is een gemiste kans voor Europa. Een dergelijke exit is immers niet alleen economisch voorbarig en sociaal onverstandig (zie verder), ze zou ook het omgekeerde kunnen bewerkstelligen van wat men finaal beoogt. Een recente studie van de Europese Commissie (EC: 2010) toont aan dat kleine schommelingen in de verhouding tussen de rentevoet van de Europese Centrale Bank en de nominale groei groot kunnen zijn in hun gevolgen voor de overheidsschuld, ook in positieve zin. Begrotingsprestaties zijn immers geen statisch gegeven, maar het resultaat van een dynamisch en bij voorkeur anticyclisch samenspel van macro-economische beleidsinstrumenten (inclusief het monetaire beleid).
Wat er ook van zij, in haar huidige vorm werpt de exitstrategie een donkere schaduw op de slagkracht van Europa 2020 om opnieuw economisch en sociaal resultaat neer te zetten (entry). Niet in het minst omdat een strategie zonder middelen dode letter dreigt te worden. Het gaat niet op om lidstaten enerzijds aan te sporen tot sociaaleconomische hervormingen en anderzijds op de rem te gaan staan als zij hiervoor publieke uitgaven vrijmaken. Europa 2020 wordt vandaag onvoldoende geschraagd door publieke middelen, noch op lidstaatniveau, noch op EU-niveau (de structuurfondsen staan onder druk) en evenmin via het aanboren van nieuwe financieringsbronnen (euro-obligaties, euro-fiscaliteit, …).

4. De strategie biedt geen antwoorden op de sociale uitdagingen van vandaag.

Wie vandaag in zijn bestaanszekerheid wordt bedreigd, zal in de strategie geen antwoord vinden. Veeleer dreigen de doelstellingen voor de lange termijn en de eenzijdige focus op groei de aandacht af te leiden van de problemen en de oplossingen van vandaag. Europa heeft in elk geval kansen gemist om de strategie ook op korte termijn invulling te geven.
Een treffend voorbeeld hiervan vinden we in het Europese antwoord op de realiteit van economische herstructureringen, of beter: het gebrek eraan. Precies op het ogenblik dat Europa overspoeld wordt door de grootste herstructureringsgolf in jaren, kijkt de Europese Commissie de andere kant uit. Europa had in het kader van de EU 2020-strategie - zoals in de banksector - bijvoorbeeld kunnen zorgen voor een versterkte controle en coördinatie van Europese bedrijfsactiviteiten en van de overheidssteun. Minstens had moeten worden voorkomen dat de steun die lidstaat x ter beschikking stelt aan werkgevers met ontslagintenties wordt aangewend om in lidstaat y over te gaan tot herstructurering. Het ontbreekt de huidige Europese Commissie aan het lef en de ambitie om de daad bij het woord te voegen en het economische beleid te coördineren als het er werkelijk toe doet.

### EEN ROODGROENE
NEW DEAL VOOR EUROPA 2020

Europa 2020 schiet dus ronduit tekort. De Europese strategie is onevenwichtig in haar doelen, inefficiënt in haar instrumenten en weinig ambitieus in de middelen die ze vrijmaakt. De Europese linkerzijde mag zich niet zomaar neerleggen bij dit soort ‘window dressing’ dat bovendien voorbereidt op een terugkeer naar de neoliberale recepten.
Integendeel, de ‘window of opportunity’ die door de Griekse schuldencrisis werd geopend, moet worden aangegrepen om een roodgroene new deal vorm te geven, voor ongeziene economische hervormingen en met een tijdshorizon in 2020.
Tegen dan moet Europa een sociale en groene modeleconomie in de wereld zijn geworden, waarin de solidariteit, het leefmilieu, het onderzoek en de productie opnieuw worden ontkoppeld van een ontspoord streven naar winstmaximalisatie.
Dat is de echte inzet van Europa 2020. Sociaaldemocraten, die destijds aan de basis lagen van de Lissabonagenda, moeten vandaag alles op alles zetten om de strategie alsnog bij te sturen, in de richting van meer sociale en ecologische slagkracht. Zonder exhaustief te willen zijn, betekent dit minstens drie roodgroene accenten aanbrengen.

1. Ingrijpen op de financiële architectuur.

Europa 2020 brengt nauwelijks instrumenten in stelling om de excessen op de financiële markten vandaag en in de toekomst te vermijden. De vraagstelling is nochtans eenvoudig. Kunnen we in het Europa van vandaag, en zeker in het Europa van 2020, nog aanvaarden dat speculatie de financiële stabiliteit van onze lidstaten onderuit haalt? Willen we met lede ogen blijven aanzien dat de Europese munt het slachtoffer wordt van wilde speculatie? Mogen we ons zomaar neerleggen bij de hypertrofie van een financiële sector die maar wat graag de winsten privatiseert maar zonder verpinken de verliezen afwentelt op de samenleving?
Het antwoord is drie keer neen en vereist structurele ingrepen in de financiële architectuur. Gaande van een belasting op meerwaarden en beurstransacties over het indijken van bonussen en de aanpak van de fiscale fraude tot en met het versterken van het financiële toezicht op de Europese banksector, allen zijn ze niet alleen wenselijk vanuit ethisch oogpunt, ze zijn ook economisch noodzakelijk. De slagkracht van een langetermijnstrategie zoals Europa 2020 staat of valt immers met de capaciteit en de onafhankelijkheid van de reële economie om op lange(re) termijn welvaart voort te brengen. Vooralsnog blijft het kortetermijnwinstbejag, hiertoe aangemoedigd door de financiële markten, de norm.
Een betere regulering van de financiële economie zorgt overigens niet alleen voor financiële en economische stabiliteit, ze kan ook de middelen genereren die noodzakelijk zijn voor een overtuigend economisch relancebeleid. Zo zou een heffing van slechts 0,025% op Europese financiële transacties maar liefst 135 miljard euro (of 1% van het BBP) kunnen vrijmaken, precies het bedrag dat volgens het Europees Vakverbond (EVV) noodzakelijk is voor een Europees economisch investeringsplan.

2. Voorrang geven aan economische relance.

Een dergelijk plan - als verlengstuk van het huidige Europees economisch relancebeleid (met looptijd tot 2010) - ontbreekt volledig in de nieuwe strategie. Meer zelfs, de Commissie voorziet een gecoördineerde afbouw van de crisissteun via het exit-gedeelte van Europa 2020. In de moeilijke sociale en economische omstandigheden van vandaag is een dergelijke exitstrategie ronduit voorbarig en zelfs gevaarlijk. Economen als Paul Krugman (2009) waarschuwen er al een tijdje voor dat de grootste bedreiging voor economische heropleving er vandaag in bestaat dat de overheid zich te snel zou terugtrekken uit de economie. Die stelling gaat zeker op voor Europa: het economische herstel is vandaag te pril en de arbeidsmarktsituatie te broos voor de begeleide terugtocht van steunmaatregelen die de commissie beoogt.
Veeleer dan het afbouwen van het al relatief beperkte en bovendien erg versnipperde relancebeleid van de Europese Unie, moet de nieuwe strategie daarom impulsen geven aan een verdere uitbreiding en uitdieping ervan. Veel meer nog dan vandaag moet Europa investeren in de treinlijnen en de breedbandverbindingen van de toekomst, die miljoenen Europeanen met elkaar verbinden en het continent opnieuw wat kleiner maken; in zonnepanelen en isolatie voor alle Europese daken; in het onderzoek naar de auto’s van de toekomst en in grootschalige opleidingsprogramma’s voor werknemers die hun baan verliezen.
Deze investeringen hebben het voordeel dat ze niet alleen zuurstof geven aan de economie op korte termijn. Ze leggen ook een bodem onder de economische groei en de welvaart van de toekomst. Samen met een gepoolde inzet van de beschikbare middelen voor innovatie, onderzoek en ontwikkeling en een versterking van het (Europees) industrieel beleid, kunnen ze de force motrice zijn in de creatie van duizenden jobs. Voorwaarde is wel dat ze dan beter dan vandaag worden ingezet voor de omslag naar een groene (en meer solidaire) economie.

3. Groei verbinden met kansen op werk.

Dat economische groei niet automatisch wordt omgezet in jobs, vormt de achilleshiel van de Europese EU 2020-agenda. Anders dan de Lissabonstrategie ‘activeert’ (het woord is niet toevallig gekozen) Europa 2020 onvoldoende grendels om het spookbeeld van jobless growth in de toekomst te vermijden. Die ambitie vraagt een sturend beleid op meerdere terreinen.
Primo, zou de strategie meer impulsen mogen geven aan het behoud en de creatie van jobs. Hoger gaf ik reeds aan dat Europa 2020 tekortschiet in de ambitie om investeringen aan te zwengelen en jobs te creëren. Maar ook het behoud (en de transformatie) van jobs is vandaag essentieel: om de binnenlandse vraag en de productieve capaciteit van de economie op peil te houden, om talent aan boord te houden en om mensen in contact te houden met de arbeidsmarkt. Precies om die redenen werd de afgelopen jaren werk gemaakt van uiteenlopende vormen van labour hoarding (arbeidsduurvermindering, tijdelijke werkloosheid, …). Europa 2020 mag er niet toe leiden dat deze stelsels versneld worden afgebouwd, in het kader van een ondoordachte exit. Veeleer zou de nieuwe strategie lessen moeten trekken uit deze ervaringen, om de stap te zetten naar een structurele herverdeling en een innovatieve invulling van de beschikbare arbeidstijd (opleiding, combinatie met gezinsleven, …).
Secundo, moet met grote urgentie werk worden gemaakt van de kwaliteit, de werkbaarheid en de innovatie van het werk. De jobs en de loon- en arbeidsvoorwaarden van Europese werknemers staan vandaag onder grote druk. Ironisch genoeg doen de grootste bedreigingen (delokalisering, neerwaartse loonconcurrentie en sociale dumping) zich - bij gebrek aan regelgeving - vooral voor op het Europese continent zelf. Dit alles zou Europa moeten aansporen om werk te maken van een Europees minimumloon, van kwaliteitsvolle jobs (in al hun facetten) en van meer zekerheid op de arbeidsmarkt.
Tertio, en dat is meer dan een voetnoot, vereist de omslag naar een andere economie grootschalige investeringen in de opleiding van werkzoekenden en werknemers. Traditioneel heeft Europa daarvoor heel wat aandacht, dit keer verpakt in de ambitie die uitgaat van het vlaggenschip new skills and jobs. Maar tussen droom en daad staan vooral slechte prestaties, geringe budgetten en grote capaciteitsproblemen. Europa 2020 zou daarom in de eerste plaats de triggers moeten uitbouwen die mobiliserend werken voor lidstaten, werkgevers, sectoren en publieke werkgelegenheidsdiensten om effectief de daad bij het woord te voegen en reële kansen te bieden tot opwaartse mobiliteit via levenslang leren.

CONCLUSIE

Met deze bijdrage heb ik de nieuwe strategie Europa 2020 gewikt, gewogen en te licht bevonden. Europa 2020 is niet meer dan een flauw afkooksel van de Lissabonagenda die de strategie voorafging, en waarvan de resultaten tot op heden ontgoochelend zijn. Vooral de sociale uitkomst stelt teleur: Europa telt vandaag bijna 80 miljoen armen en meer dan 20 miljoen werklozen en de inkomensongelijkheid bereikt stilaan historische niveaus.
Die cijfers - zo heb ik willen aantonen - zijn meer dan een sociale statistiek. Ze wijzen op structurele onevenwichten in de economische productiewijze, ze ondermijnen de fundamenten voor een duurzame economische groei en ze geven aanleiding tot risicovolle uitwegen. Anno 2010 confronteren ze Europa met een ongezien existentieel vraagstuk: hoe economische groei genereren en toch de risico’s die ermee gepaard gaan inperken? De schuldencrisis noopt tot méér coördinatie, de financieel-economische crisis tot een meer evenwichtige coördinatie van het economische beleid in Europa.
In beide opzichten schiet de Europese strategie tekort. Europa 2020 is (opnieuw) onevenwichtig in haar doelen, inefficiënt in haar instrumenten en weinig ambitieus in de middelen die ze vrijmaakt. Niet werkgelegenheid, maar financiële stabiliteit staat voorop in een strategie die tegelijkertijd nauwelijks ingrijpt op de financiële architectuur. Hierdoor wordt het kortetermijnstreven van de Europese economie in stand gehouden, hoeveel streefcijfers en indicatoren men daar ook tegenover plaatst.
Misschien kunnen de recente tekenen van electoraal herstel voor de Europese sociaaldemocratie er - samen met het Belgisch EU-voorzitterschap - alsnog voor zorgen dat het tij wordt gekeerd? En dat Europa 2020 wordt omgebogen tot een roodgroene new deal voor de jobs en de zekerheden van morgen.

Willem De Klerck 1
Beleidsmedewerker voor de Vlaamse Overheid, departement Werk en Sociale Economie

Noot
1/ De auteur schrijft dit artikel ten persoonlijken titel.

Bibliografie
- Ecorys (2008), Evironment and labour force skills. Overview of the links between the skills profile of the labour force and environmental factors. Final report.
- Europese Commissie (2010), Europe 2020: A European strategy for smart, sustainable and inclusive growth. Communication from the Commission, 3/2010.
- Europese Commissie (2009), Sustainability report 2009. European economy, 9/2009.
- ETUI (2010), Benchmarking Working Europe report 2010. 2/2010.
- Krugman (2009), Europa en VS doen niet genoeg om economie te redden. De Morgen, 17/3/2009.

Europa 2020 - Lissabonstrategie - Europese Unie

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 4 (april), pagina 41 tot 49