Log in

'De utopie van de vrije markt'

Uitgelezen

De utopie van de vrije markt

Hans Achterhuis
Lemniscaat, Rotterdam, 2010

Bestaat er niet ook een kapitalistische utopie? Hans Achterhuis heeft het in vorig werk over technische en socialistische utopieën. Dit keer graaft hij naar de utopische inspiratie van het kapitalisme. Hij vindt argumenten bij de Amerikaanse Ayn Rand, die in haar roman Atlas Shrugged uit 1957 wel degelijk een kapitalistische utopie beschrijft, maar evenzeer bij Alan Greenspan en Milton Friedman. Rand beschrijft een utopische kolonie van industriëlen en bankiers die gevlucht zijn voor het socialisme en een maatschappij van de hebzucht realiseren. Op het moment dat de rest van de wereld instort, komen zij terug om voor de redding te zorgen. De financiële politiek van de voorzitter van de Federal Reserve Bank en de belangrijkste leerling van Rand was wel degelijk utopisch en bij Freedman en de zogenaamde Chicago boys vindt Achterhuis vele kenmerken of ‘familiegelijkenissen’ van een utopie. Het gaat dan vooral om het principe van destructie, crisis en totale breuk. De bestaande samenleving moet in hun ogen gewoon totaal heropgebouwd worden. Hun project had uiteindelijk heel weinig met wetenschap te maken. In Europa zijn we wat blind voor de utopische kanten van het neoliberalisme, maar in de VS is Rand, die in Rusland geboren was als Alissa Rosenbaum, ook vandaag nog een ontzettend populaire schrijfster. Er is hoe dan ook een neoliberaal paradigma, dat in Nederland zelfs bijna sluipend werd ingevoerd. Ook de socialistische partijen raakten er op de duur van doordrongen dat de marktwerking zo veel mogelijk vrijgelaten moet worden. Ze merkten zelfs niet hoe de ene ideologie door de andere verdrongen werd.

Toch is er niet altijd een vrije markt geweest en het is nodig de geschiedenis ervan te kennen, wil men beseffen dat een andere logica wel degelijk mogelijk is. De meeste analyses van de huidige kredietcrisis blijven juist in die logica gevangen. Achterhuis gaat in op het belang van de ‘gemeenheid’. Dit zijn gemeenschappelijke gebruiksrechten op bijvoorbeeld een stuk grond. Men kon ermee in zijn levensonderhoud voorzien, niet winst maken. De omheining van die stukken grond heeft trouwens een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van het kapitalisme, dat bezitsloze en afhankelijke arbeiders nodig had. Een tweede ordeningsmechanisme van niet-kapitalistische economieën is wederkerigheid, zoals in de potlach blijkt. Wederkerigheid is essentieel om de sociale verhoudingen in stand te houden. Het derde mechanisme is dat van de herverdeling, die in het kapitalisme juist heel sterk onder druk komt te staan en die in de roman van Rand volledig uitgeschakeld is. Het is in elk geval een lange weg naar de vrije markt, een weg die vooral veel ingrijpen en zelfs geweld van de kant van de overheid nodig had om de traditionele economie te vervangen. Een grote interne markt is niet echt een domein van vrijheid, maar op de eerste plaats een juridische ruimte, die heel strikt gereguleerd en gecontroleerd wordt. In zoverre de marktprijs de ‘normale prijs’ wordt, wordt deze zelfs maatstaf voor de waarheid.

Ik ga niet echt in op het deel waarin Achterhuis de grote denkers over de vrije markt overloopt. Hij begint bij Aristoteles en eindigt bij Keynes. Het is een interessant deel, maar ingaan op alle denkers zou te ver leiden. Ik vraag alleen aandacht voor het hoofdstuk over Smith, waarin Achterhuis een pleidooi houdt om deze auteur binnen zijn historische context te plaatsen. Hij is dan veel minder de pleitbezorger van de vrije markt zoals we die vandaag kennen, dan iemand die de traditionele doodzonden als hebzucht en afgunst aanvaardbaar wilde maken binnen de vrije markt. Hij pleitte uitdrukkelijk niet voor hebzucht of afgunst buiten die markt en had er zeker geen absoluut geloof in. Eigenlijk hielp hij gewoon mee om de traditionele ondeugden, die plots een hinderpaal werden voor de economie, aanvaardbaar te maken.

Het laatste deel van het boek heet ‘De gerealiseerde utopie van de vrije markt’. Achterhuis toont er aan dat Friedrich von Hayek en Milton Friedman wel degelijk ideologen waren van die vrije markt. Bij Von Hayek gaat dat verwonderlijk samen met een conservatief en anti-utopisch wereldbeeld, dat hij wellicht in zijn intellectuele strijd met Keynes uit het oog verloor. Maar beide samen doorbraken de linkse hegemonie. In de plaats kwam een neoliberale hegemonie, die niet op basis van wetenschappelijke argumenten ontwikkeld werd, maar een pure zaak van geloof was. Links slaagde er niet langer in alternatieven te bedenken en raakte volledig in het defensief. Achterhuis laat zich in dit deel vooral inspireren door Naomi Klein. In Chili kon generaal Pinochet dit in al zijn consequenties uittesten. Hij wilde, met steun van de VS, de utopie realiseren. Het moest een breuk worden, een revolutie. Maar in de jaren 1980 bleek het toch niet te lukken en werden de Chicago boys de laan uitgestuurd en bedrijven opnieuw genationaliseerd. In Sri Lanka werd na de tsunami van 2004 op pijnlijke wijze duidelijk hoe contraproductief humanitaire hulp kan zijn. Aan de Oostkust verloren kleine vissers alle mogelijkheden van bestaan, omdat de regering een privatiseringsprogramma doordrukte dat het toerisme moet bevorderen. Door water als handelsartikel op te dringen hebben mensen in de derde wereld plots niet meer het recht op water. Marktwerking in de zorgsector blijkt zeker niet zaligmakend en de hoge bonussen waar tegenwoordig zoveel om te doen is zijn wel degelijk een neoliberale uitwas.

De neoliberale utopie leidt niet naar het geluk dat ze belooft. Dat doet een utopie nu eenmaal nooit. Het goede leven speelt zich vooral buiten de markt af: ‘in wederkerigheidsrelaties, in de oikos met de mensen die ons het naaste staan, in de gemeenschappelijkheid met anderen om greep op ons leven te krijgen.’ (299) Ook een staat kan dit niet garanderen, terwijl een markt het wel degelijk kan ondersteunen. De markt is immers niet het probleem als zodanig, maar de utopische verwachtingen. Het gaat om een evenwicht tussen markt en burgermaatschappij. Daar is wijsheid voor nodig, maar ook moed om zich te verzetten tegen de excessen van de neoliberale logica. En ook zelfbeheersing en maatgevoel om ons niet te laten meeslepen door de utopische beloften van de markt. En ten slotte rechtvaardigheid, oog voor het algemeen belang.

Met De utopie van de vrije markt levert Achterhuis opnieuw een belangrijk boek af. Dat het neoliberalisme een ideologie is weten we al langer. Maar dat het een gevaarlijke utopie is, van dezelfde aard als een communistische utopie, gaat nog een stap verder. En toch waren Von Hayek en Friedman gevaarlijke mensen, zoals hun invloed in Chili aantoont. Ik denk dat ik niet de enige zal zijn die niet zag dat de romanschrijfster Ayan Rand een inspiratiebron was. Dat een van haar boeken in de VS nog altijd op de tweede plaats staat van de meest gelezen boeken is bepaald niet opbeurend. Achterhuis toont mijns inziens vooral aan dat het niet voldoende is om de vrije markt wat bij te sturen. Het is geen neutraal instrument, wellicht zelfs nog minder neutraal dan Achterhuis zelf lijkt aan te nemen. Socialisten zijn ook in ons land nog altijd doordrongen van de neoliberale ideologie. We hebben ook bij ons mensen nodig als de Nederlander Marcel Van Dam om te overtuigen dat het nodig blijft aan alternatieven te werken. Gemeenheid, wederkerigheid en herverdeling komen wat mij betreft zeker in aanmerking als sleutelwoorden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 6 (juni), pagina 73 tot 75