Log in

COSA: vrijwilligers en ex-gedetineerden

Project in de kijker

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 7 (september), pagina 43 tot 45

De Europese Commissie geeft via het Daphne III programma subsidies aan Europese samenwerkingsprojecten. Het Justitiehuis van Antwerpen heeft de kans genomen om in een samenwerkingsverband met Reclassering Nederland, Avans Hogeschool Nederland en Cirkles UK, mee te werken aan de opstart en uitbouw van COSA in België. Dit letterwoord staat voor: Cirkels van ondersteuning, samenwerking en aanspreekbaarheid. Vanaf september 2010 start het Justitiehuis van Antwerpen met het COSA-project, met als doel het voorkomen van recidive en daarmee het voorkomen van nieuwe slachtoffers door de inzet van vrijwilligers die plegers van misdrijven ondersteunen in het opbouwen van een ander leven zonder delicten. Daarnaast beoogt het project een groter maatschappelijk begrip te ontwikkelen voor de manier waarop de samenleving zelf een rol kan spelen bij het re-integreren van plegers van een misdrijf.

HET BELANG VAN VRIJWILLIGERSWERK

Het COSA-project biedt de mogelijkheid stil te staan bij de mogelijkheid tot het inzetten van vrijwilligers, of, anders geformuleerd, het betrekken van burgers bij de (re)integratie van mensen in de samenleving die een misdrijf hebben gepleegd. In het vooruitzicht van het jaar 2011, dat door de Europese Unie is uitgeroepen tot het Jaar van de Vrijwilliger, lijkt het gepast te reflecteren over de vraag: hoe kunnen burgers, als leden van een samenleving, betrokken worden bij hun medeburgers, die een misdrijf hebben gepleegd, daarvoor een straf hebben gekregen, en de kans willen benutten een ander leven op te bouwen waar het plegen van misdrijven geen deel meer van uitmaakt?
Het belang van vrijwilligerswerk voor de opbouw van een samenleving kan niet overschat worden. In de literatuur treden telkens weer dezelfde positieve effecten van vrijwilligerswerk op de voorgrond: de opbouw van sociaal kapitaal, het verhogen van het sociaal vertrouwen, het bevorderen van de sociale cohesie, het beïnvloeden van de publieke opinie, het verhogen van het bruto nationaal welzijn, het verhogen van het vertrouwen in de medemens en de maatschappelijke of politieke instellingen, het geeft aanleiding tot minder racisme en meer verdraagzaamheid, het verhoogt de buurtbetrokkenheid.

In de voorbije verkiezingsprogramma’s voor de verkiezingen van 7 juni 2009 van enkele democratische Vlaamse politieke partijen vinden we dit besef van het belang van vrijwilligerswerk voor de opbouw van een samenleving terug.
In Vlaanderen bestaan er op verschillende niveaus initiatieven om organisaties, netwerken, verenigingen te ondersteunen die vrijwilligers willen betrekken op een bepaalde doelgroep of die vrijwilligers willen inzetten om een bepaald maatschappelijk doel te realiseren. Toch is de beleidsaandacht voor het vrijwilligerswerk eerder beperkt. Op het federale niveau werd in de regeerperiode 1999-2003 een regeringscommissaris voor het vrijwilligerswerk aangesteld, maar na het internationaal Jaar van de Vrijwilliger in 2001 verdween deze functie. Op het Vlaamse niveau is er ook geen uitgetekend beleid rond het werken met vrijwilligers. Sommige administraties, zoals de administratie welzijn, hebben wel een apart subsidiebeleid voor vrijwilligerswerk.
De Vlaamse overheid subsidieert ook de provinciale steunpunten vrijwilligerswerk. Hier kan men terecht als men informatie wil over het werven van vrijwilligers, over het juridisch statuut van vrijwilligers en men probeert vraag naar en aanbod van vrijwilligers via een vacaturedatabank op elkaar af te stemmen. Desalniettemin blijkt uit een studie, uitgevoerd door de Vereniging van Vlaamse steden en gemeenten vzw, dat veel gemeenten en OCMW’s minder bekend zijn met de ondersteuningsmechanismen die er bestaan op het Vlaamse en het provinciale niveau om het vrijwilligerswerk in hun gemeente/OCMW te activeren en verder uit te bouwen. Een steekproef van enkele lokale sociale beleidsplannen van Vlaamse gemeenten leert dat vrijwilligerswerk als thema hierin niet is opgenomen.

VRIJWILLIGERS EN GEDETINEERDEN

Toch zetten vrijwilligers zich op het lokale vlak voor vele maatschappelijke doeleinden in. Het is echter raar of zelden dat burgers worden aangesproken om mensen die een misdrijf hebben gepleegd, te ondersteunen in het voorkomen van recidive en het uitbouwen van een ander leven.
Er bestaat in Vlaanderen wel al een lange traditie om vrijwilligers te engageren in de gevangenissen. Dit gebeurt voornamelijk op twee manieren: ofwel door vrijwilligers bezoeken te laten brengen aan gedetineerden die van bijna niemand anders bezoeken ontvangen tijdens hun detentieperiode, ofwel door vrijwilligers socio-culturele activiteiten te laten opnemen in de gevangenis. Ook zijn er in Vlaanderen enkele voorbeelden van initiatieven die ertoe leiden dat burgers een bezoek kunnen brengen aan de gevangenis en tijdens dat bezoek in communicatie kunnen treden met gedetineerden.
De contacten tussen vrijwilligers en gedetineerden worden in de literatuur als positief voorgesteld: ‘De vrijwilliger symboliseert immers nadrukkelijk de verantwoordelijkheid en de zorg van de samenleving voor haar probleemgroepen. Voor gedetineerden is de vrijwilliger de exponent van de samenleving die zich integratiebevorderend opstelt. Voor mensen die uit de vrije samenleving verwijderd werden, maar er op een bepaald ogenblik weer hun plaats moeten innemen, is dit van wezenlijk belang.’ En nog: ‘Vrijwilligers dragen bij tot de ontwikkeling van motivatie van gedetineerden. Door hun belangeloze inzet, hun nabijheid, hun trouw en betrokkenheid kan motivatie bij de gedetineerden opgeroepen worden.’
Het betrekken van burgers op mensen die een misdrijf hebben gepleegd en soms voor een lange periode uit de samenleving zijn verbannen, heeft een ideologische basis: vrijwilligers hebben eigen sociale contacten waardoor het beeld dat zij vormen over het leven in detentie, over de totstandkoming van het plegen van een misdrijf, over de manier waarop de pleger met het misdrijf omgaat, … uitgedragen wordt naar hun familie, vrienden en kennissen.
In Vlaanderen is er geen traditie om vrijwilligers te betrekken bij mensen die in plaats van een gevangenisstraf een alternatieve maatregel of een beschermingsmaatregel opgelegd hebben gekregen.
Op indirecte wijze is het wel mogelijk dat mensen die een misdrijf hebben gepleegd in contact komen met burgers die hen willen ondersteunen. Ik verwijs hierbij naar het Buddy project van het PC Stuivenberg waarbij burgers zich vrijwillig engageren om een psychiatrische patiënt te ondersteunen, waarvan een enkele vrij op proef is in het kader van een interneringsmaatregel. Een ander bestaand project waar mensen die een misdrijf hebben gepleegd deel kunnen uitmaken van de doelgroep: het Buddy project van Free Clinic.

COSA: VRIJWILLIGERS EN EX-GEDETINEERDEN

Een aanzet tot het betrekken van vrijwilligers bij plegers van misdrijven én hun slachtoffers vinden we terug in de herstelbeweging, waar men ervoor pleit om de bemiddeling tussen dader en slachtoffer niet enkel te laten opnemen door een professionele bemiddelaar, maar ook door een vrijwilliger. De nadruk ligt hier wel op de inzet van vrijwilligers in het communicatieproces tussen dader en slachtoffer. Belangrijk te noteren is dat er binnen de herstelbeweging een ‘groeiend besef is dat het omgaan met criminaliteit een actieve participatie van de samenleving vereist’.
De voorbeelden die in deze tekst worden aangehaald, tonen aan dat dergelijke initiatieven zijn ontwikkeld op basis van particuliere initiatieven. In tegenstelling daarmee, heeft men in Nederland (om maar één buurland als voorbeeld te nemen), vanuit de overheid beslist om een beleid te ontwikkelen, voorwaarden te scheppen, een kader te voorzien, waarbij burgers kunnen worden geëngageerd om mensen die een misdrijf hebben gepleegd te ondersteunen in het voorkomen van recidive, het doorbreken van hun sociaal isolement, en het opbouwen van een ander leven.
In Vlaanderen wordt er door de overheid een beleid ontwikkeld rond inburgering en integratie, maar hier wordt geen specifieke aandacht besteed aan de (re)integratie van mensen die een misdrijf hebben gepleegd. Ook in het decreet houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid van 10 juli 2008, is de sociaal-culturele (re)integratie van mensen die een misdrijf hebben gepleegd, geen prioritaire activiteit in de te voeren acties.
Met dit artikel beoog ik dan ook dat de ontwikkeling van het COSA project in het Justitiehuis van Antwerpen een aanzet kan zijn om een debat op gang te brengen rond de wenselijkheid en mogelijkheid om burgers te betrekken bij mensen die een misdrijf hebben gepleegd en ondersteuning vragen in het opbouwen van een ander delictvrij leven.

Veerle Pasmans
Directrice Justitiehuis Antwerpen

(Deze publicatie is tot stand gekomen met de financiële steun van het programma Daphne III van de Europese Commissie. De inhoud van deze publicatie is de verantwoordelijkheid van de auteur en kan niet beschouwd worden als de weergave van de visie van de Europese Commissie)

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 7 (september), pagina 43 tot 45