Abonneer Log in

Een Meuriske doen? Stemverlet!

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 7 (september), pagina 4 tot 15

Er was in aanloop naar de parlementsverkiezingen van 13 juni 2010 heel wat te doen rond de opkomst bij deze verkiezingen. Hoewel deze in principe verplicht is, verklaarden vele burgers en enkele Bekende Vlamingen (BV’s), waaronder Stijn Meuris, dat ze hun stem niet zouden uitbrengen. Hiermee wilden ze hun ontgoocheling uiten na het debacle van de communautaire onderhandelingen. In dit artikel gaan we eerst en vooral na in welke mate de kiezers hun voorbeeld gevolgd hebben en niet zijn komen opdagen op de verkiezingsdag of een blanco stem hebben uitgebracht. In een tweede fase wordt aan de hand van een analyse bij de gemeenteraadsverkiezingen nagegaan welke factoren bepalen waar het absenteïsme hoog ligt. Een bijdrage over de afwezige kiezer bij verkiezingen in Vlaanderen.

ABSENTEÏSME EN BLANCO/ONGELDIG STEMMEN BIJ DE VERKIEZINGEN VAN 2010

De algemene onvrede die leefde over het uitblijven van resultaten van de communautaire onderhandelingen en over de val van de regering is niet zonder gevolgen gebleven. Vooral het aantal kiezers dat niet is komen opdagen, is aanzienlijk gestegen. Met 10,78% ligt dit een stuk hoger dan de percentages van de vorige Kamerverkiezingen die consequent iets boven de 8% lagen. Sterker nog, dit cijfer is het absolute record sedert 1977 (het jaar waarover voor het eerst betrouwbare gegevens bestaan over het aandeel afwezige kiezers). Het percentage blanco/ongeldige stemmen is licht gestegen ten opzichte van de verkiezingen van 2007 en bedraagt nu 5,81%. In historisch perspectief is die toename evenwel niet zo indrukwekkend. In 1999 was het percentage blanco en ongeldige stemmen zelfs hoger dan bij de afgelopen verkiezingen. Het lijkt er dus op dat een deel van het kiezerskorps zijn ongenoegen vooral heeft willen duidelijk maken door niet te gaan stemmen eerder dan door blanco of ongeldig te stemmen.

Als we de opsplitsing maken per kieskring, dan valt het heel sterk op dat de grootste toenames in percentages thuisblijvers genoteerd kunnen worden langs Franstalige kant. Luik spant de kroon met een toename van 2,64%, gevolgd door Namen, Henegouwen en Luxemburg. De eerste Vlaamse kieskring, West-Vlaanderen, komt pas op de 5de plaats met een toename van 1,82%. Brussel-Halle-Vilvoorde, een kieskring met sowieso al een hoog percentage aan thuisblijvers, kende de kleinste vooruitgang met slechts 1,48 %.
De sterke toename in Franstalig België lijkt op het eerste zicht verwonderlijk omdat de verklaringen van Stijn Meuris en anderen toch vooral in Vlaanderen heel wat weerklank kregen. Een logische verklaring kan zijn dat het aantal geloofwaardige populistische en/of anti-establishment partijen in Franstalig België merkelijk kleiner is dan in Vlaanderen. Daar waar een Vlaamse kiezer met weinig vertrouwen in de politiek zijn ongenoegen kan uitdrukken door te stemmen voor Vlaams Belang, Lijst Dedecker of N-VA, heeft zijn Franstalige evenknie veel minder alternatieven. Thuisblijven is dan een optie die nog overblijft.

De grootste toename van het percentage blanco en ongeldige stemmen (steeds t.o.v. 2007) wordt genoteerd in Limburg (+ 1,32%). Verder wisselen Waalse en Vlaamse kieskringen elkaar af: Namen komt op een tweede plaats, gevolgd door Oost-Vlaanderen, Luik, West-Vlaanderen en Waals-Brabant. Ook hier sluit Brussel-Halle-Vilvoorde de rij: er valt in deze kieskring zelfs een achteruitgang van 0,05% te noteren wat betreft blanco en ongeldig stemmen.

FACTOREN DIE SAMENHANGEN MET HET AANDEEL KIEZERS DAT BLANCO/ONGELDIG STEMT OF THUISBLIJFT: EEN BESCHOUWING BIJ DE GEMEENTERAADSVERKIEZINGEN VAN 2006

In het tweede deel van de analyse wordt onderzocht in welke gemeenten er meer thuisblijvers en blanco stemmers zijn. Omdat de resultaten van de Kamerverkiezingen enkel op kantonniveau beschikbaar zijn, doen we een beroep op de uitslagen van de meest recente gemeenteraadsverkiezingen, die van 2006. Zo wordt het mogelijk om cijfers over opkomst en blanco/ongeldig stemmen te relateren aan een hele reeks variabelen die op het niveau van de gemeente beschikbaar zijn.

Anno 2006 telden we over de gemeenten heen 4,0% kiezers die blanco/ongeldig stemmen. Daarnaast kwam 4,7% van de kiezers niet opdagen. Is het verantwoord om beide groepen samen te analyseren? Op grond van de onderlinge correlatie tussen beiden is het antwoord alvast negatief. We vinden namelijk een verwaarloosbaar kleine correlatie (0,041) met een bijhorende p-waarde van 0,472. Dit maakt dat we in de rest van onze analyse er goed aan doen om een onderscheid te maken tussen het blanco/ongeldig stemmen enerzijds en het thuisblijven anderzijds.

Hierbij merken we op dat de 308 Vlaamse gemeenten de onderzoekseenheden in onze analyse zijn. Bij onze analyse krijgen alle gemeenten kortom een gelijk gewicht wanneer we bijvoorbeeld het percentage thuisblijvers berekenen. De mate waarin er variatie is in het percentage blanco/ongeldige kiezers en thuisblijvers geven we weer in Figuur 1. We zien dat deze percentages normaal verdeeld zijn.

Figuur 1: Percentage blanco/ongeldige kiezers en thuisblijvers in de Vlaamse gemeenten
*(N = 308). *

We analyseren de omvang van het electoraal absenteïsme in functie van territoriale kenmerken (provincie, omvang van de gemeente en sociaalgeografische typologie). Daarna focussen we politieke en institutionele eigenschappen (lijstaanbod en het elektronisch stemmen). In de derde plaats staan we stil bij de betekenis van sociale achtergrondkarakteristieken van de gemeenten.

Verschillen naargelang van de provincie, de grootte en het type gemeente

In wat volgt gaan we na naargelang van welke gemeentelijke karakteristieken er variatie is in het percentage van het electoraat dat niet gaat stemmen dan wel een blanco/ongeldige stem uitbrengt. Wat de thuisblijvers betreft, merken we dat deze groep significant kleiner is in de provincie Limburg (3,4%), terwijl in Vlaams-Brabant en Antwerpen deze percentages het hoogst liggen (resp. 5,5% en 5,6%). Anderzijds telden we in de gemeenten in Oost-Vlaanderen gemiddeld minder blanco/ongeldige stemmen (3,6%), terwijl in West-Vlaanderen het meest blanco dan wel ongeldig gestemd werd (4,3%).
Mogelijkerwijze zijn deze verschillen tussen de provincies toe te schrijven aan het verschil in de grootte van de gemeenten. In het percentage thuisblijvers zien we wel duidelijke verschillen: hoe groter de gemeente, hoe hoger het aandeel thuisblijvers (van 3,9% bij de kleinste gemeenten (Dit geldt evenwel niet voor het aandeel blanco/ongeldige stemmen. Integendeel, de cijfers suggereren daar een afname met het inwonertal, zij het dat dit verband voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 niet significant was.
Voorts is nagegaan in welke mate er verschillen zijn naargelang van de sociaalgeografische typologie van gemeenten. Hiertoe worden de steden en gemeenten ingedeeld in de volgende categorieën: centrumstad, industrieel achtergesteld, kleine gemeente in Vlaams-Brabant, kleine landelijke gemeente, kleine stad, kustgemeente, landelijk residentieel, residentieel hoge stand, semiresidentieel en sociaaleconomisch zwak.1 Deze oefening reveleert telkens sterk significante verbanden. In de kleine landelijke gemeenten (3,2%) zijn er relatief weinig thuisblijvers daar waar de meeste afwezigen werden geteld in de centrumsteden, kustgemeenten en gemeenten onder de noemer residentieel hoge stand (resp. 6,9%; 6,9% en 7,3%). Maar ook rekening houdend met de typologie van gemeenten, kunnen we de verschillen tussen de provincies niet duiden. Het aandeel blanco/ongeldige kiezers is laag in gemeenten met een semiresidentieel, residentieel of landelijk karakter (resp. 3,5%, 3,7% en 3,8%), terwijl dit percentage het hoogst is bij sociaaleconomisch zwakkere gemeenten (4,7%).

Politieke karakteristieken van gemeenten

Vooreerst werd er nagegaan in welke mate er verschillen zijn naargelang men in de desbetreffende gemeente al dan niet elektronisch ging stemmen. Kiezers blijven beduidend meer thuis daar waar elektronisch wordt gestemd. Dit geldt eveneens, zij het minder sterk uitgesproken, voor het uitbrengen van een blanco/ongeldige stem.

Het is niet onmogelijk dat het elektronisch stemmen kiezers die minder vertrouwd zijn met moderne ICT afschrikt. Daarnaast moet worden aangestipt dat in het geval van elektronisch stemmen, de kiezer op het scherm expliciet de mogelijkheid wordt geboden om een blanco stem uit te brengen, waardoor dit voor de kiezer als een even valabel alternatief wordt geboden (naast de kandidatenlijsten). Daar waar manueel wordt gestemd, is dit alternatief niet expliciet maar veeleer impliciet aanwezig. Onderzoek in binnen- en buitenland gaf al aan dat de wijze waarop kandidatenlijsten worden aangeboden op stembiljetten een invloed kan uitoefenen op het stemgedrag van de kiezers zelf.

Als we kijken naar de verschillen naargelang van de grootste politieke formatie in de gemeenteraad (op grond van het aantal stemmen), stellen we ook significante verschillen vast. In gemeenten waar de CD&V het sterkst staat, zijn er verhoudingsgewijs het minst kiezers die niet komen opdagen (4,2%), terwijl in de zeven gemeenten waar het Vlaams Belang de grootste politieke formatie vormt het aandeel thuisblijvers het hoogst is (6,4%). Anderzijds tellen we relatief weinig blanco/ongeldige stemmen in gemeenten waar de Vld of het Vlaams Belang de plak zwaait (resp. 3,4% en 3,5%). In de gemeenten waar de CD&V de grootste politieke formatie is, zijn er dan weer doorgaans het meest blanco/ongeldige stemmen (4,4%). Bij de bespreking van de correlaties tussen deze politieke kenmerken van gemeenten en het onthoudingsgedrag van kiezers komen we op deze fenomenen terug.

Tabel 6 correleert specifieke eigenschappen van het lokale politieke strijdtoneel met het electoraal absenteïsme en het aandeel blanco/ongeldige stemmen.

Ook uit de link met het percentage kiezers dat niet komt opdagen bij de gemeenteraadsverkiezingen zien we diverse significante correlaties. Deze tabel wijst op een duidelijke samenhang tussen het aandeel afwezige kiezers en politieke kenmerken van de gemeenten. In de eerste plaats valt het op dat naarmate meer partijen deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezingen, minder kiezers komen opdagen. Dit geldt zowel voor het aantal nationale als niet-nationale partijen. Het belang van deze indicator voor de electorale participatie komt ook naar voor als we kijken naar het aantal partijen vertegenwoordigd in de gemeenteraad. Hoe meer partijen in de gemeenteraad na de verkiezingen, hoe hoger het aandeel kiezers dat niet kwam opdagen. Dit verband is vrij hardnekkig over de jaren heen. Analyses uitgevoerd op het absenteïsme bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 kwamen al tot een analoge vaststelling. De auteurs schreven toen dat een groter aanbod van partijen het de burger eerder moeilijk maakt om een keuze te maken. Dat het aantal afwezigheden toeneemt met het aantal raadsleden verwondert niet, gezien deze laatste samenhangt met het inwonertal van een gemeente.
De opkomst stijgt ogenschijnlijk naarmate de CD&V en de lokale partijen sterker staan in de gemeenten. In gemeenten waar Groen! en het Vlaams Belang meer kiezers werven, zijn er dan wel meer kiezers die niet komen opdagen. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat de resultaten van deze partijen sterk variëren met de verstedelijkingsgraad; Groen! en Vlaams Belang doen het aanzienlijk beter in verstedelijkte gebieden, voor de CD&V en de lokale lijsten geldt net het omgekeerde. Tot slot stellen we vast dat er naarmate er meer kiezers een of meerdere voorkeurstemmen geven er minder afwezig kiezers zijn. Klaarblijkelijk gaat een zekere gebondenheid met het lokale politieke gebeuren gepaard met een minder afwezig electoraat.

In tegenstelling tot het electoraal absenteïsme, zien we dat het aandeel blanco/ongeldige stemmen daalt met het aanbod van kandidatenlijsten. Ook dit is een constante bij opeenvolgende gemeenteraadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 is geopperd dat hier blijkbaar twee mechanismen werkzaam zijn. Op het eerste gezicht vergroot een toename van lijsten en kandidaten bij de kiezer de politieke verwarring en onduidelijkheid waardoor mensen blijkbaar minder geneigd zijn om te komen opdagen. Aan de andere kant blijkt dan wel dat wie effectief naar de stembus trekt door een grotere keuzemogelijkheid minder geneigd is om blanco of ongeldig te stemmen.
Het negatief verband tussen het aandeel blanco/ongeldige stemmers en het lijstenaanbod geldt vooral voor het aanbod van partijen met een nationaal nummer. Hier moet wel opgemerkt dat dit specifieke aanbod groter is in de steden, juist daar waar kiezers minder een blanco/ongeldige stem uitbrengen.
Verder zien we dat er meer blanco/ongeldig wordt gestemd naarmate de CD&V sterker scoort, terwijl het omgekeerde het geval is wat betreft het aandeel kiezers voor het Vlaams Belang en de Vld. Tot slot stellen we vast dat naargelang er meer voorkeurstemmen worden gegeven, er ook meer blanco/ongeldige stemmen worden geteld.
Tot slot stellen we vast dat naargelang er meer voorkeurstemmen worden gegeven, er ook meer blanco/ongeldige stemmen worden geteld.

Socio-demografische en socio-economische karakteristieken

In de derde plaats nemen we de rol van socio-demografische en economische karakteristieken van de gemeenten onder de loep. Tabel 7 geeft de gevonden bivariate correlaties weer.2

Tabel 7 wijst op een toename van het aantal thuisblijvers naarmate er meer inwoners zijn, verhoudingsgewijs meer 65-plussers wonen, de bevolkingsdichtheid toeneemt alsook het aandeel vrouwen en vreemdelingen toeneemt in de gemeenten. Verder is er ook een toename van het aandeel thuisblijvers naarmate er meer criminaliteit werd geregistreerd in deze gemeenten. Verder zien een negatief verband naargelang het aandeel WIGW’s en het aantal verenigingen in de gemeenten. Kortom, we stellen vast dat een hechter verenigingsleven op gemeentelijk niveau zich ook vertaalt in een hogere opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen.
De bevolkingsdichtheid is een indicatie van verstedelijkingsgraad. In kleinere gemeenten is de sociale afstand tussen de inwoners vrij klein en zijn de sociale relaties tussen hen veel persoonlijker dan in grotere steden. De sterkere sociale integratie van mensen in kleinere gemeenten brengt enerzijds een kleinere sociale afstand tussen bestuur en bestuurden mee en anderzijds een grotere sociale controle waardoor uiteindelijk meer wordt gestemd.
Politicologische theorieën verklaren op individueel niveau het verband tussen het electoraal absenteïsme en de leeftijd aan de hand van drie intermediërende variabelen; de integratie in de gemeenschap, beschikbare tijd en de gezondheidssituatie van de burgers. De integratie in de samenleving groeit gradueel met het huwelijk (of samenwonen), de beroepsactiviteit en gezinsvorming. Bij het bereiken van een hoge(re) leeftijd worden burgers bij de stembusgang geconfronteerd met fysieke hindernissen maar ook met een verminderde maatschappelijke integratie. Dit verklaart dan ook meteen waarom in gemeenten met een groot aandeel kiezers op hoge leeftijd de electorale participatie verzwakt.
De relatie tussen gender en politieke participatie is eveneens een frequent terugkerende vaststelling in het onderzoek naar politieke participatie. Dit verband hangt
deels samen met traditionele rolopvattingen (die de politieke rol in een gezin toewezen aan de man) als aan de ongelijke positie van de vrouw (vergeleken met de man) in diverse segmenten van de samenleving (onderwijs, arbeidsmarkt, enz.) waardoor vrouwen minder electoraal participeren dan mannen.
Voorts wijst de literatuur al lang op verschillen inzake politieke participatie naargelang van de economische activiteitsgraad en de sociale status van inwoners. Wie beroepsactief is participeert in het algemeen meer in het maatschappelijk leven dan wie dit niet is. Hogere sociale statusgroepen participeren meer dan hun lagere equivalenten. Dit hangt samen met het breder arsenaal aan kennis, middelen en vaardigheden waarover hogere statusgroepen beschikken. In die zin verwonderen de vaststellingen over het verband met werkloosheid en WIGW’s niet echt.
De jongste decennia wordt internationaal heel wat aandacht geschonken aan de betekenis van sociaal kapitaal voor politieke participatie. Naarmate dit sociaal kapitaal groter is, groeit niet alleen het intermenselijk vertrouwen en betrokkenheid maar ook het vertrouwen dat mensen in (politieke) instellingen stellen waardoor de politieke participatie stijgt. Overigens, naarmate mensen meer in (diverse segmenten van) de samenleving participeren, participeren ze ook politiek meer. De gegevens over het verband tussen de omvang van het plaatselijk verenigingsleven en de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen illustreren deze stelling. Dat de opkomst bij verkiezingen daalt in die gemeenten met een vrij hoge criminaliteitsgraad en een hoge mate van etnisch-culturele diversiteit hangt daar opnieuw mee samen, zij het om uiteenlopende redenen. Criminaliteit schaadt in de eerste plaats het veiligheidsgevoel van inwoners. Onderzoek wees uit dat mensen die zich eerder onveilig voelen in een gemeente, ook minder vertrouwen stellen in de plaatselijke democratie, wat electorale participatie afremt. Daarnaast wees Putnam erop dat groeiende diversiteit (op relatief korte termijn) het sociaal kapitaal negatief aantast. De relatie tussen de opkomst bij de verkiezingen en het percentage vreemdelingen is daar een afspiegeling van.
In grote lijnen gelden deze waarnemingen eveneens voor het uitbrengen van een blanco/ongeldige stem, met evenwel de invloed van de bevolkingsdichtheid als grote uitzondering. Naarmate deze toeneemt, daalt het gebruik van deze stemmogelijkheid. Wie in grotere steden wel de inspanning levert om naar de stembus te trekken, maakt daar wel degelijk gebruik van het aanbod geboden door (een groter aantal) politieke partijen.

Tot dusver wezen we op verschillende factoren die het volume stemonthoudingen kunnen verklaren. Het zal de lezer duidelijk zijn dat heel wat van deze kenmerken ook onderling met elkaar verbonden zijn. Daarom stelden we zowel voor het electoraal absenteïsme als voor het blanco/ongeldig stemmen een regressiemodel op met die variabelen waarvoor bleek dat ze bivariaat samenhangen met de twee centrale afhankelijke variabele in ons model.3 Bij de weergave van de resultaten beperken we ons ook tot die variabelen die een unieke significante verklarende waarde hebben in het finale model.

Wat het duiden van het al dan niet komen opdagen bij de gemeenteraadsverkiezingen betreft, stellen we vast dat er negen variabelen overeind blijven in ons statistisch model. Naast de provincie en de gemeentelijke typologie, betreft het de volgende kenmerken van de electorale strijd: het al dan niet elektronisch stemmen, het aantal raadsleden en het gebruik van de voorkeurstemmen (zowel het aandeel kiezers dat er gebruik van maakt, alsook het gemiddelde aantal voorkeurstemmen). Verder worden ook de aanwezigheid van 65-plussers, het aandeel vrouwelijke kiezers alsook de incidentie van misdrijven weerhouden in een model teneinde het aandeel opgekomen kiezers te verklaren.

Met betrekking tot het blanco/ongeldig stemmen houden beduidend minder variabelen die hoger de revue passeerden stand. Uiteindelijk drijven er vijf boven. Meer specifiek betreft het de provincie waarin de gemeente gelegen is, het gegeven of men al dan niet elektronisch kon gaan stemmen in de gemeente, het aandeel kiezers voor het Vlaams Belang, het aandeel kiezers dat gebruik maakte van de mogelijkheid om een of meerdere voorkeurstemmen uit te delen en het aandeel jonge werklozen.

CONCLUSIE

Bij het recente ongenoegen omtrent de moeizame verhoudingen tussen de gemeenschappen en gewesten gingen er stemmen op om de democratie te raken in haar hart: ‘foert’ zeggen tegen de verkiezingen. Het was een niet te miskennen signaal, deze keer vanuit BV-land. Of het nu aan deze oproep gelegen is of aan het ietwat onverwachte moment, vaststelling is dat 10,8% van de kiezers niet kwam opdagen bij de verkiezingen voor de Kamer, eigenlijk een record na 1977. Het aandeel blanco/ongeldige stemmen lag niet spectaculair hoger dan voorgaande jaren.

Als meest nabije bestuurslaag, kennen de gemeenteraadsverkiezingen een hogere opkomst, terwijl het aandeel blanco/ongeldige kiezers gelijkaardige proporties aanneemt. Uit onze analyse van wat nu samenhangt met deze ‘verloren’ stem op lokaal vlak, komt naar voor dat de correlaten met het aandeel blanco/ongeldige stemmers en diegenen die niet komen opdagen niet gelijklopend zijn. Zo vinden we meer thuisblijvers in grotere gemeenten, gemeenten met veel deelnemende partijen, gemeenten waar men relatief weinig voorkeurstemmen uitbrengt en gemeenten waar de CD&V relatief zwak en het Vlaams Belang relatief sterk staat. Al deze kenmerken komen vaak voor in steden. In dat type gemeenten vinden we daarentegen net relatief weinig kiezers die blanco/ongeldig stemmen. Er zijn natuurlijk ook parallellen. Zo stellen we vast dat in gemeenten waar er elektronisch wordt gestemd zowel veel blanco/ongeldige stemmen weerklinken alsook afwezigheden te noteren vallen. Verder is ook de socio-demografische en socio-economische morfologie van de gemeente belangrijk. Zo treffen we in gemeenten met relatief veel jonge werklozen ook meer blanco/ongeldige stemmen aan. Afwezige kiezers vinden we dan weer meer in gemeenten met relatief veel 65-plussers, vrouwelijke kiezers en misdrijven, terwijl een bruisend verenigingsleven een dam blijkt op te werpen tegen wegblijven uit het stemhokje.

Het al dan niet komen opdagen bij verkiezingen lijkt op het eerste zicht niet zozeer bepaald te worden door de verklaring van deze of gene populaire medemens. Dat blijkt ook uit het feit dat het percentage thuisblijvers het sterkst gestegen is in Franstalig België, waar Stijn Meuris en zijn voornemen om niet te stemmen weinig bekend zijn. Al dan niet gaan stemmen hangt o.i. in belangrijke mate samen met het sociale weefsel waarin het electoraat zich bevindt (althans op gemeenteniveau). Daarnaast zien we ook dat er een verschillende dynamiek schuilgaat achter het blanco/ongeldig stemmen dan wel het niet komen opdagen.

Dries Verlet, Johan Ackaert en Bram Wauters
Verbonden aan de Hogeschool Gent en Universiteit Hasselt4

Noten
1/ Voor meer uitleg over deze gemeentelijke typologie kunnen we verwijzen naar: A. Dessoy , (1998). ‘Sociaaleconomische’ typologie van de gemeenten. In: Het tijdschrift van het Gemeentekrediet, 52, 205, pp. 17-43.
2/ Het grootste deel van deze gegevens zijn data inzake de ‘Lokale Statistieken’ die door de Studiedienst van de Vlaamse Regering worden bijgehouden en ter beschikking gesteld (www.vlaanderen.be/svr). De indicator met betrekking tot het aantal verenigingen hebben we te danken aan het werk van Lauwereysen & Colpaert (2004).
3/ Bij de opmaak van het model werd ook rekening gehouden met eventuele autocorrelatie.
4/ Dries Verlet is politicoloog en gastdocent aan de Hogeschool Gent (Associatie Universiteit Gent).
Johan Ackaert is politicoloog en docent aan het Centrum Overheid en Recht van de Universiteit Hasselt.
Bram Wauters is verbonden aan de vakgroep Bestuur en Beleid van de Hogeschool Gent (Associatie Universiteit Gent).

Bibliografie
- J. Ackaert, H. Reynaert, K. De Ceuninck, K. Steyvers & T. Valcke (2007), De gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006. Evolutie sinds 1976. Res Publica, 49, (2-3), pp. 413-442.
- J. Ackaert (2006), Politiek in mijn gemeente. Leuven: Davidsfonds/Politeia, pp. 34-35.
- D. Denver, A. Clark, & L. Bennie (2009), Voter reactions to a preferential ballot: the 2007 Scottish local elections, Journal of Elections, Public Opinion & Parties, 19/3, pp. 265-282.
- L. De Winter, J. Ackaert, A.-M. Aish & A.-P. Frognier (1991), L’ab­stenti­on­nisme électoral et le vote blanc ou nul en Belgique. Louvain-la-Neuve: Point d’appui inter­universitaire sur l’opi­nion publique et la politique.
- A.-P. Frognier & J. Ackaert (1994) La participation aux élections communales en Belgi­que. In: Les élections communales et leur impact sur la politique Belge. Acte du 16e Colloque International du Crédit Communal à Spa (2-4 septembre 1992). Bruxel­les: Crédit Communal, pp. 559-586.
- M. Hooghe (2003), Sociaal kapitaal in Vlaanderen: verenigingen en democratische politieke cultuur. Amsterdam University Press.
- M. Hooghe, M. Sofie, T. Pauwels (2009), Where do Distrusting Voters Go to if there is no Exit or Voice Option? The Impact of Political Trust on Party Choice in the Belgian Regional Elections of June 2009. ECPR General Conference, 10-14 September 2009, Potsdam, 25 p.
- K. Lauwereysen & J. Colpaert (2004), De lokale afdelingen van de socio-culturele organisaties in kaart gebracht. In: Socius Gegevens, 3, pp. 53-71.
- L. Milbrath & M. Goel (1977), Political Participation. How People Get Involved in Politics. Chicago, Rand McNally & Co.
- R. Putnam (2002), Making democracy work: civic traditions in modern Italy. Princeton University Press.
- www.vlaanderen.be/svr.
- M. Van Craen & J. Ackaert (2006), De Veiligheidsscan: instrumenten voor een lokaal veiligheids- en leefbaarheidsbeleid. Antwerpen-Apeldoorn: Maklu.
- B. Wauters, D. Verlet, & J. Ackaert. (2010). Meer gewicht voor voorkeurstemmen op lokaal vlak: broodnodige of overbodige hervorming? In: Burger, bestuur & beleid: tijdschrift voor bestuurskunde en bestuursrecht, 6 (2), pp. 103-114.

absenteïsme - verkiezingen - blancostemmen

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 7 (september), pagina 4 tot 15