Abonneer Log in

Een federale staatshervorming

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 9 (november), pagina 1 tot 3

‘In het verleden is te vaak gekozen voor ingewikkelde constructies die de problemen nadien alleen maar vergroot hebben. Van die onheilzame weg moeten we afstappen.’ Aldus Bart De Wever, voorzitter van de N-VA en toen hij die woorden schreef ook ‘Koninklijk Verduidelijker’, in zijn ‘verslag aan Koning Albert II’ (dat echter al veel eerder de pers bereikte dan het paleis), bekend geworden als de nota De Wever.

Ook toen hij zijn nota tevoren in de media aankondigde had De Wever al uitspraken in die zin gedaan. Het is één van de veel voorkomende retorische strategieën van de N-VA-voorzitter: herhaal een boodschap vaak genoeg en ze zal wel blijven hangen, zeker in een complex dossier als de staatshervorming, waar perceptie des te belangrijker is omdat de ins and outs enkel door een schare experten gekend zijn.
Al hoef je geen expert te zijn om bij het lezen van de nota De Wever te zien dat het ‘onheilzame pad’ van de ingewikkelde constructies helemaal niet verlaten wordt, maar dat het eerder een voorstel tot staatshervorming betreft in de meest klassieke zin, zoals we ze in dit land al jaren kennen. Een duidelijke totaalvisie ontbreekt, als de versnippering van bevoegdheden op het ene terrein al wat minder wordt, vergroot ze onverbiddelijk op een ander vlak.

Dat was ook het geval bij de (mondelinge) nota Di Rupo, die de basis vormde voor de tekst van De Wever. Het is duidelijk dat als er een communautair compromis komt, het zich ergens tussen de nota’s Di Rupo en De Wever zal bevinden (al kan het nog veel politiek vakmanschap kosten om dat evenwicht ook daadwerkelijk te bereiken).
Uiteraard blijft een staatshervorming steeds een politiek compromis, wat veronderstelt dat visie en coherentie al eens moeten wijken om tegenstrijdige standpunten te verzoenen. Het zou helaas naïef zijn om te denken dat het volledig anders kan.

Maar toch is de kloof tussen de vaak aangehaalde doelstelling dat het land beter moet werken en de werkelijke inhoud van dit compromis, wel bijzonder groot. Als je kijkt naar wat op tafel ligt, kun je moeilijk geloven dat een beter werkend land het uitgangspunt van de onderhandelingen was.
Want ook al vertelt de partij publiek een ander verhaal, voor N-VA moet een akkoord vooral een zo groot mogelijke stap zijn naar verdere Vlaamse autonomie. Bovendien mag daar geen ‘te hoge prijs’ voor worden betaald en is alles wat verdere stappen naar onafhankelijkheid bemoeilijkt uit den boze. Ziedaar de beruchte Baert-doctrine, in Vlaams-nationalistische middens nog steeds een leidraad.

Meer Vlaamse autonomie hoeft uiteraard niet te vloeken met een beter werkend land. Zo kunnen doordachte regionaliseringen bijdragen tot een meer coherente bevoegdheidsverdeling, zoals in het arbeidsmarktbeleid. Maar sommige andere splitsingen die men nu wil doorvoeren, zoals in justitie en gezondheidszorg, leiden vooral tot nieuwe nodeloze versnipperingen. Bovendien moet soms ook de omgekeerde beweging bespreekbaar zijn, bijvoorbeeld voor buitenlandse handel. Spreek met bedrijfsleiders en diplomaten en vaak zul je horen dat we dankzij de vorige staatshervorming al veel extra geld uitgeven om ons in het buitenland hopeloos verdeeld en verward te profileren. Toch gaat men nu duchtig op die weg voort. Sommigen vinden het separatisme van N-VA in de onderhandelingen vandaag niet relevant, omdat het maar een doel op lange termijn is. Nochtans bepaalt dat einddoel ook vandaag wat voor N-VA aanvaardbaar is en dus bepaalt het ook in grote mate de inhoud van een communautair compromis en het pad waarop we ons begeven.

In dit kader is een belangrijke rol weggelegd voor andere partijen, die wel een echte toekomst willen geven aan het federale België en tegen een separatistisch project zijn. Die zouden het debat daarover ten gronde moeten aangaan met N-VA. Tijdens de campagne bleven de aanvallen van de Vlaamse partijen tegen de N-VA steken in de beschuldiging: u bent separatistisch. Dit kon door de N-VA makkelijk als diabolisering worden afgedaan, gekoppeld aan een campagne die dat separatisme zo sterk mogelijk naar de achtergrond duwde omdat ze ook daar weten dat de Vlaamse kiezer daar allerminst op zit te wachten. Bedoeling was dat de kiezers zouden denken: ach, of dat nu klopt of niet, van dat separatisme, daar gaat het bij deze verkiezingen toch niet over, dus kan het sowieso geen kwaad om voor N-VA te stemmen.

Het debat had moeten gaan over welke staatshervorming we nu willen en wat dat voor de toekomst van het land betekent. Op dat vlak hebben alle partijen zich tijdens de verkiezingen in meerdere of mindere mate als een N-VA-light geprofileerd: we zijn tegen separatisme, maar we gaan wel een eind mee met N-VA. Het deed wat denken aan de campagne van het kartel van CD&V/N-VA in 2007: we kunnen samen een stukje van de weg afleggen. Het punt is echter dat deze metafoor bedriegend is, omdat de langetermijnvisie op het federalisme in dit land niet los te zien is van de stappen die je nu zet. Zelfs Groen!, dat ten gronde wellicht de meest aan de N-VA tegengestelde visie op federalisme heeft, durfde die tijdens de campagne blijkbaar niet naar buiten te brengen en bleef steken in het verhaal dat hun verschilpunt de goede contacten met zusterpartij Ecolo waren. Geen onbelangrijk argument, maar ook geen duidelijk uitgewerkte visie op staatshervorming.

Uiteraard zijn er een aantal punten waarop N-VA en andere Vlaamse partijen een gelijkaardig standpunt kunnen hebben, vooral dan wat betreft sommige bevoegdheden die kunnen worden geregionaliseerd. Maar daarnaast zou een belangrijk verschilpunt moeten zijn dat, na vijf staatshervormingen die enkel aandacht hadden voor het versterken van de regionale autonomie, we nu nood hebben aan een hervorming die ook de coherentie en de slagkracht van het federale niveau versterkt, ook politiek.
Volgens Ronald Watts, een bekende theoreticus van het federalisme, zijn er twee dingen die je niet mag doen als je conflicten in federale landen wil oplossen. Dat is enkel het federale verband versterken en de regionale autonomie verzwakken. Maar dat is evenzeer enkel de regionale autonomie versterken, zonder enig oog voor de federale cohesie. Dat leidt enkel tot meer problemen. En eventueel een totale splitsing.
We zijn nu in België op een keerpunt aangekomen, waar dit ook de inzet van het debat moet zijn. Willen we dit land een toekomst geven - zelfs al is het maar omdat separatisme onmogelijk en onwenselijk is - moeten we ook dáár aan werken. Anders moeten we niet schrikken als separatistische discours alsmaar meer terrein winnen en we blijven afstevenen op nieuwe crisissen en blokkeringen. Ideeën als een federale kieskring, maar het kunnen ook andere varianten zijn, moeten dan ook een kans krijgen.
Zeker wie gelooft in het belang van interpersoonlijke solidariteit op een zo hoog mogelijk niveau - en wie dus tegen een splitsing is van de Belgische sociale zekerheid - moet daar ook een draagvlak voor creëren. Net zoals we, als we naar een socialer Europa willen evolueren, ook de legitimiteit en het geloof in de Europese constructie zullen moeten proberen versterken, moeten we dat in België ook doen met het federale niveau. Kortom: wie een sociale staatshervorming wil, zal ook een federale staatshervorming moeten maken.

Dave Sinardet
Redactielid Samenleving en politiek

edito - staatshervorming - federalisering - regionalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 9 (november), pagina 1 tot 3