Abonneer Log in

G20-actie omtrent belastingparadijzen dreigt lege doos te blijven

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 16 tot 23

Al meer dan tien jaar zeggen de rijke industrielanden de belastingparadijzen te zullen aanpakken. Maar al even lang is het dossier aan het slabakken. De laatste twee jaar is er evenwel sprake van een nieuw momentum. Daarin speelt de G20 een voortrekkersrol. ‘Het tijdperk van het bankgeheim is over’ riepen de wereldleiders in koor op hun top in Londen in april 2009. In dit artikel worden de ronkende verklaringen tot hun ware proporties herleid.

ZWARE ADERLATING VOOR RIJKE EN ONTWIKKELINGSLANDEN

Onder ‘belastingparadijzen’ verstaan we doorgaans staten (of deelentiteiten, zoals de Britse Kanaaleilanden) die beleggingen van rijke burgers of geldstromen van multinationale ondernemingen aantrekken door middel van zeer lage belastingen en een bankgeheim. Hoewel zij hiermee zogezegd gebruik maken van hun soevereiniteit, ondermijnen ze binnen een gemondialiseerde wereldeconomie zoals de onze doelbewust de feitelijke soevereiniteit van andere landen. De fiscale autonomie van deze laatste wordt dermate uitgehold dat ze voor vele miljarden euro aan legitieme belastingopbrengsten bij kapitaalkrachtige individuen en bedrijven moeten laten schieten. Enkel vanuit ultraliberale denkschema’s die zich van groeiende ongelijkheid en instortende openbare voorzieningen niets aantrekken - ‘belastingparadijzen zetten regeringen aan tot budgettaire disciplinering’ -, kan zoiets een meerwaarde voor de wereld worden genoemd.

Volgens schattingen, vermeld in een recent rapport van de Congressional Research Service in Washington, verliest de Amerikaanse schatkist jaarlijks tussen 10 en 60 miljard dollar aan belastingontduiking en -ontwijking door Amerikaanse multinationals via belastingparadijzen. Ontduiking via belastingparadijzen door Amerikaanse burgers wordt geraamd op 40 à 70 miljard dollar per jaar.1 Voor het Verenigd Koninkrijk schat Richard Murphy van Tax Research LLP de jaarlijkse kost van belastingparadijzen op 18,5 miljard Britse pond.2 Een studie van Tax Justice Network uit 2005 rekende voor dat elk jaar wereldwijd 250 miljard dollar aan overheidsinkomsten verloren gaat als gevolg van particuliere fortuinen die in belastingparadijzen verborgen zitten.

De impact op arme landen is catastrofaal. Volgens Oxfam verliezen schatkisten van ontwikkelingslanden elk jaar tussen 62 en 124 miljard dollar door verborgen beleggingen van rijke burgers in fiscale paradijzen.3 Legale en illegale technieken van multinationals om winsten naar landen met een lagere of geen belastingdruk te kanaliseren kosten regeringen in het Zuiden volgens Christian Aid 160 miljard dollar per jaar; het bankgeheim in belastingparadijzen speelt hierin een belangrijke faciliterende rol.4 Ter vergelijking: de officiële ontwikkelingshulp van de rijke landen bedroeg in 2009 ongeveer 120 miljard dollar. Positief is alvast dat organen zoals de VN, Wereldbank, Europese Commissie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en G20 het probleem beginnen in te zien. Hoewel zeer recent (2008-2010), zijn ze er echt wel mee bezig, te beginnen met studiewerk en consultatie met de ontwikkelingslanden en ngo’s. Ter zake wordt er warempel een vrij degelijk discours ontwikkeld, dat onder andere ingaat op de agressieve belastingplanning door multinationals en fiscale paradijzen. Hulp aan fiscale administraties van ontwikkelingslanden in het kader van ‘binnenlandse mobilisatie van middelen’ stond nooit zo hoog op de agenda. Dit aspect gaat weliswaar voor een stuk samen met het groeiende scepticisme omtrent ontwikkelingshulp, maar dat mag ons niet beletten het als een even legitieme prioriteit te zien. Het blijft evenwel wachten op doortastende actie. Uiteraard zijn er ook veel Afrikaanse en andere zuiderse regeringen geïnteresseerd in een modernisering van het belastingbeleid.

BELASTINGPARADIJZEN ONDER VUUR

In de tweede helft van de jaren 1990 begonnen de regeringen van de rijke landen zich zorgen te maken over de belastingparadijzen. Ze werden gezien als een schaduwzijde van de toenemende financieel-economische mondialisering. In dezelfde periode werd ook de Europese Unie kritisch over ‘schadelijke fiscale concurrentie’ tussen staten. Zo kwam onder meer het Belgische gunstregime voor coördinatiecentra van multinationals in het vizier. Onder meer in het kader van de begrotingssanering met het oog op de invoering van de euro vonden vele regeringen - met Duitsland en Frankrijk op kop - dat aan dit soort toestanden paal en perk gesteld moest worden. Wat de belastingparadijzen betrof, werd de OESO - een belangrijk overlegforum en studiecentrum van de industrielanden - ingeschakeld om een beleid tegen deze landen en gebieden te ontwikkelen.

Hoewel aanvankelijk sancties tegen de paradijzen in het vooruitzicht werden gesteld, verloor het initiatief stelselmatig aan spankracht. Onder meer de vervanging van de Clinton- door de Bush-administratie in 2001 en het gelobby van vele Engelstalige belastingparadijzen in Londen en andere hoofdsteden van de Commonwealth deden het initiatief geen goed. Een fiscaal nultarief heette niet langer een probleem te zijn; de OESO zou zich nog enkel mogen interesseren voor ‘informatie-uitwisseling op verzoek.’ Hetzelfde gold voor de dubbele standaarden die de OESO hanteerde: eigen leden die er zelf bedenkelijke praktijken op nahielden, zoals Zwitserland, Luxemburg en vele anderen, bleven buiten schot. De OESO schakelde uiteindelijk over op een vriendelijke dialoog met de belastingparadijzen. Vervolgens werd in het nieuw opgerichte ‘Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes’ tussen OESO-leden en ‘offshore financiële centra’ jarenlang gebakkeleid over een ‘effen speelveld’ op basis van weinig effectieve normen, die het feitelijke bankgeheim overeind hielden.

Een samenloop van omstandigheden bracht de belastingparadijzen opnieuw in het vizier. Begin 2008 barstte in alle hevigheid een schandaal los over rijke Duitsers die in Liechtenstein enorme kapitalen voor de fiscus verborgen hielden. Ook andere landen bleken tot de gedupeerden te behoren. In dezelfde periode kreeg de Zwitserse bank UBS het met de Verenigde Staten aan de stok over gelijkaardige feiten. De maatschappelijke en politieke consternatie over deze gevallen kan verwonderen, gezien dit soort toestanden al lang een publiek geheim waren.

De mondiale financiële crisis die intussen was uitgebarsten, speelde ook haar rol om belastingparadijzen in het defensief te duwen. Dankzij hun zwakke financiële regulering vormden zij volgens een aantal analyses een ideale uitvalsbasis voor het soort risicovolle bancaire activiteiten dat mee het mondiale financiële systeem onderuit had gehaald. Bovendien kon het volgens bepaalde politici niet zijn dat de staat massaal privébanken ging redden, terwijl diezelfde banken, onder meer via filialen in belastingparadijzen, fiscale fraudeurs bewust of onbewust bleven assisteren. In oktober 2008 riepen Frankrijk en Duitsland in Parijs een vergadering op ministerieel niveau bijeen van een kleine 20 geïnteresseerde landen om de druk op te voeren. Daar klonk voor het eerst sinds lang weer een pleidooi voor sancties tegen landen die weigeren aan informatie-uitwisseling te doen.5 De verkiezing van Barack Obama als Amerikaanse president gaf dit momentum extra wind in de zeilen. Een deel van de Democratische partij maakte zich al langer druk over deze problematiek, en als senator had Obama een belangrijk wetsvoorstel tegen misbruik van belastingparadijzen mee ingediend. De financiële crisis had intussen de top van G20-staatshoofden en -regeringsleiders als nieuw overlegmechanisme in het leven geroepen, met een eerste bijeenkomst in Washington in november 2008. Onder andere Frankrijk had er veel zin in dit dossier prominent op de G20-agenda te zetten. Zo geschiedde het ook.

HET G20-BELEID TEGEN BELASTINGPARADIJZEN IN EEN NOTENDOP

De conclusies van de G20-top van Washington raakten de problematiek in bedekte termen al even aan. In de maanden daarna werd het evenwel duidelijk dat belastingparadijzen een hot issue zouden worden op de G20-top in Londen van april 2009. Uiteindelijk voerde ook de Britse regering een opvallende koerswijziging door; ze begon zich heel kritisch uit te laten over de ‘eigen’ paradijzen, zoals Jersey, Guernsey en het eiland Man. In de maanden voor de top lieten belastingparadijzen zoals Zwitserland, Liechtenstein, Luxemburg en Monaco weten de OESO-standaard te zullen aanvaarden. Hierdoor zetten zij een volgende stap in de erosie van hun eigen strikte bankgeheim. Zij waren duidelijk beducht om op een mogelijke zwarte lijst te belanden en sancties van de G20 te moeten ondergaan. De OESO-standaard houdt in dat land A op verzoek van land B informatie doorgeeft over belastingplichtigen van land B. Deze informatieverstrekking gaat voor op het bankgeheim. De standaard schrijft ook voor dat de aangesproken autoriteiten het nodige doen om zichzelf in staat te stellen de gevraagde informatie te vergaren, en dat de rechten en privacy van belastingplichtigen gerespecteerd moeten worden.

Tijdens de top van Londen op 2 april 2009 werd zonder verpinken ‘het einde van het bankgeheim’ aangekondigd. De OESO-standaard stond daarin inderdaad centraal. Landen die hem niet aanvaardden, zouden met maatregelen geconfronteerd worden. De G20 deed daartoe reeds enkele suggesties, zoals een meldingsplicht voor transacties met belastingparadijzen, de onmogelijkheid om kosten betaald aan belastingparadijzen fiscaal af te trekken, minder aantrekkelijke bilaterale belastingverdragen, en zelfs een herziening van het beleid van de multilaterale ontwikkelingsbanken en de hulp. Daarnaast pakte de G20 uit met drie beruchte lijsten, die in samenspraak met het OESO-secretariaat waren opgesteld: a) een ‘witte’ lijst met landen die de standaard reeds ‘substantieel’ toepasten, b) een ‘grijze’ lijst met landen die hem principieel onderschreven maar nog niet substantieel toepasten, en c) een ‘zwarte’ lijst met landen die de standaard niet onderschreven.

De zwarte lijst bestond slechts uit vier entiteiten en was enkele dagen na de top al leeg; de vier hadden aangekondigd de standaard te aanvaarden. Op de grijze lijst prijkten onder andere België, Luxemburg en Oostenrijk. De reden was dat deze landen in de praktijk de standaard niet toepasten in de meeste van hun bilaterale verdragen met andere landen. Toch waren ze razend, omdat ze kort voordien ‘substantiële implementatie’ in het vooruitzicht hadden gesteld, en omdat, tegen bepaalde afspraken in, de vertegenwoordigers van de Europese Unie in Londen met deze lijst hadden ingestemd. Op de witte lijst stonden toen reeds een aantal notoire belastingparadijzen zoals Cyprus, Man, Mauritius en Jersey. Om tot de witte lijst toegelaten te worden hanteerden de G20 en OESO een simpel principe: een land of entiteit moest ten minste 12 verdragen hebben met andere landen waarin de OESO-standaard was opgenomen. In de maanden na Londen was het voor heel wat landen, waaronder België, dan ook niet moeilijk om uiteindelijk van de grijze naar de witte lijst te promoveren.

Opvallend was dat de VS en China meteen op de witte lijst stonden, hoewel deelgebieden zoals de staat Delaware, Hong Kong en Macau ook kenmerken van belastingparadijs vertonen. In een voetnoot werd wel gezegd dat China’s ‘Speciale Administratieve Regio’s’ de standaard onderschreven (lees: niet substantieel implementeerden), maar ze werden niet in de grijze lijst opgenomen. Dit wijst erop dat ook klassieke machtspolitiek haar stempel op het proces had gedrukt. Op dit ogenblik staan nog maar negen entiteiten op de grijze lijst. De belangrijkste belastingparadijzen staan nu dus op de witte lijst.6

KRITISCHE EVALUATIE

Desondanks proclameerden sommige G20-leiders dat de belastingparadijzen ‘gesloten’ zouden worden, en zo werd het door vele massamedia gebracht. Met de gekozen aanpak zijn er wel degelijk een aantal problemen. De drempel van 12 bilaterale verdragen om naar de witte lijst te kunnen overgaan, is belachelijk laag en arbitrair. Om over de drempel te geraken, sloten sommige belastingparadijzen zelfs onder elkaar of met dunbevolkte gebieden als Groenland en de Faeroër-eilanden verdragen af. Wel is het zo dat het aantal bilaterale verdragen die aan de OESO-standaard voldoen, snel aan het toenemen is. De landen die op de oorspronkelijke zwarte en grijze lijsten stonden (april 2009), hebben ondertussen al meer dan 600 akkoorden getekend die voldoen aan de OESO-standaard.7 Er is evenwel nog een enorme weg te gaan.

Een nog fundamenteler probleem ligt in de OESO-standaard zelf. In principe moet de verzoekende staat reeds een vermoeden van fraude hebben alvorens hij een vraag aan een andere staat stelt. De meeste belastingparadijzen laten geen lukrake steekproeven toe. Op die manier blijft ongetwijfeld een heel groot deel van de belastingontduiking buiten beeld. Bovendien blijken in de praktijk administratieve en wettelijke obstakels in belastingparadijzen een correcte uitvoering van de OESO-standaard volgens de geest ervan in de weg staan. Soms maken belastingparadijzen hun medewerking afhankelijk van allerlei strenge voorwaarden (bijvoorbeeld bijzonder sterke aanwijzingen van fraude), of hebben ze de gevraagde informatie gewoon niet ter beschikking. Eén van de problemen blijven juridische vehikels, zoals ‘trusts’, die de ware identiteit van de begunstigde van bepaalde financiële opbrengsten verhullen, waarbij de autoriteiten niet happig zijn om die identiteit op te sporen en te delen.

Het lijkt erop dat de G20-leiders hun echte of gespeelde verontwaardiging over internationale belastingontwijking hebben gekanaliseerd door het bestaande initiatief van de OESO nieuw leven in te blazen. In feite betreft het hier een soort ‘padafhankelijkheid’, waarbij de leiders en ministers van financiën vasthouden aan een bestaand beleidsproces in plaats van het over een andere boeg te gooien. De OESO-verantwoordelijken zeggen weliswaar dat de voorbije twee jaar veel meer vooruitgang is geboekt dan de voorbije tien jaar. Dit klopt ook. Het dossier wordt op het allerhoogste niveau behandeld, de belastingparadijzen hebben de druk gevoeld en het bankgeheim is op losse schroeven gezet. De crisisomstandigheden, maar wellicht ook het bestaan van de G20-top als institutie, hebben hiervoor gezorgd. De invoering van dit soort toppen kwam op het juiste moment, kwestie van dit dossier volop in de schijnwerpers te kunnen plaatsen en de nodige politieke druk op regeringen te zetten. Het probleem is echter dat het bestaande OESO-initiatief inhoudelijk niet toereikend is, en we er nu weer voor een hele tijd aan vast lijken te zitten.

Blijkbaar is er binnen het G20- en OESO-kringen toch een aanvoelen dat het huidige beleid een lege doos dreigt te worden. Mede onder impuls van de G8 werd beslist dat het Global Forum van de OESO tussen 2010 en 2014 een ‘peer review process’ zou opzetten om de feitelijke implementatie van de OESO-standaard te evalueren. Het Global Forum telt ondertussen alle OESO- en G20-landen en alle belastingparadijzen, naast een groeiend aantal overige leden, waaronder ontwikkelingslanden. In een eerste fase, die nu bezig is, worden de wettelijke en administratieve kaders per land geëvalueerd. In een tweede fase zal de praktische uitvoering bekeken worden. In een recent eerste rapport over acht entiteiten werden inderdaad al verscheidene mankementen vastgesteld.8

In feite ligt in dit initiatief een mogelijke redding van het hele G20/OESO-beleid, ook al wordt het weer over enkele jaren uitgespreid. OESO-topmensen zeggen dat tijdens deze evaluaties alles naar boven kan en mag komen, inclusief wantoestanden op het grondgebied van de VS en China.9 Daarom is het erg belangrijk dat dit proces op de voet gevolgd wordt door geïnteresseerden binnen regeringen, parlementen en civiele samenleving. Het is ook nodig dat de experten die de peer reviews doorvoeren voldoende assertief zijn. Het is echter twijfelachtig dat dit proces op het einde van de rit de OESO-standaard als zodanig zal doen in vraag stellen. Maar mocht blijken dat er van informatie-uitwisseling in de praktijk weinig in huis komt, dan zal de druk groot zijn om iets anders te doen. Volgende mogelijkheden zijn denkbaar: dat nieuwe zwarte en grijze lijsten gemaakt zullen moeten worden, waarbij sommige entiteiten hun ‘witte’ status weer verliezen; dat er vervolgens toch harde sancties getroffen zullen worden; en dat de OESO overgaat tot een verscherping en verdere detaillering van de standaard. Het is alleszins goed dat in tussentijd de G20-top, die voortaan jaarlijks zal plaatsvinden, het proces blijft volgen, wat in november in Seoul ook al bleek. Te verwachten valt dat G20-voorzitter Frankrijk in 2011 de druk op de ketel zal houden.

DE SUPERIORITEIT VAN AUTOMATISCHE INFORMATIE-UITWISSELING

Velen zijn het erover eens dat een systeem van automatische informatie-uitwisseling effectiever zou zijn dan het OESO-principe van informatie-uitwisseling op verzoek. Dit zou pas echt een ontradend effect hebben op de fiscaal geïnspireerde kapitaalvlucht. Dit is geen sciencefiction. Via de zogenaamde ‘Spaarrichtlijn’ bestaat het al binnen de Europese Unie, en ook andere landen doen het op bilaterale basis. Sinds 2005 delen de EU-lidstaten automatisch informatie over belastingplichtigen uit andere lidstaten die bij hen inkomsten hebben op activa met een vaste rente. Luxemburg, Oostenrijk en België hadden echter een uitzondering bedongen. In plaats van informatie-uitwisseling opteerden zij voor een bronheffing die aan de woonstaat wordt overgemaakt, waardoor de anonimiteit van de belegger gegarandeerd blijft. Een dergelijk systeem van bronheffing heeft de EU ook van een reeks derde landen zoals Zwitserland en Monaco kunnen afdwingen. Sinds dit jaar doet België eindelijk ook mee aan de automatisch informatie-uitwisseling. De internationale druk heeft wel degelijk een effect gehad op Didier Reynders.
De spaarrichtlijn is echter verre van perfect. Ze betreft geen meerwaarden of dividenden. Bovendien stelt ze bepaalde levensverzekeringsproducten en andere financiële vehikels, zoals trusts, vrij, die eigenlijk ook onder de richtlijn zouden moeten thuishoren. Op Europees niveau is intussen een herzieningsproces bezig om het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden, maar risicovolle beleggingen zullen er nog steeds buiten vallen. Het is hoogst onduidelijk wanneer de herziening rond zal zijn. De totstandkoming van de oorspronkelijke richtlijn zelf heeft een kleine 20 jaar gekost. Landen als het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg hebben zich tot het laatst verzet. Krijgen we een heruitgave hiervan? Bovendien wordt de EU geplaagd door fiscale vlucht naar landen die helemaal niet met het regime meedoen, zoals Singapore.

Een degelijk systeem van automatische informatie-uitwisseling op mondiaal vlak zou dus inhoudelijk een voldoende brede actieradius moeten hebben. Voorts is het nodig dat in detail wordt afgesproken welke informatie staten ter beschikking moeten stellen en hoe. Daarbij zal het wel een uitdaging zijn de binnenstromende gegevens te verwerken, met name in ontwikkelingslanden. Assistentie aan deze landen is aangewezen. Dankzij moderne software is veel mogelijk, waarbij we nog steeds voor ogen moeten houden dat het loutere bestaan van het instrument al een belangrijk afschrikkend effect heeft. Belangrijk zijn evenwel stevige afspraken in verband met bescherming van de privacy. Idealiter wordt dit alles best in een multilateraal akkoord gegoten (naar analogie van de Europese spaarrichtlijn), in plaats van met een kluwen van duizenden bilaterale verdragen opgescheept te zitten. Tegenover landen die niet willen meewerken, kunnen dan financieel-economische sancties getroffen worden.

De G20, of een deel ervan, heeft zeker de macht om een dergelijk systeem door te drukken. Aan de politieke haalbaarheid zal wel nog hard gewerkt moeten worden. Aan onze multipolaire en zogezegd meer ‘democratische’ wereld zit bijvoorbeeld een keerzijde. Wanneer rond een progressieve agenda na jaren strijd in het Westen eindelijk iets bereikt is wat lijkt op een ‘consensus’, botsen we op opkomende machten als China die amper geïnteresseerd zijn of regelrecht andere belangen hebben. Daartegenover staan dan weer signalen vanuit India, dat wel bereid schijnt te zijn op G20-niveau een debat over strengere normen te voeren. Maar ook het gebrek aan daadkracht in het Westen omtrent dit thema stemt tot nadenken. Zijn onze elites en bevolking zo gebrainwasht door het neoliberalisme en het fatalisme omtrent de zogenaamd machteloze politiek in een mondialiserende wereld, dat zelfs deze fenomenale crisis met haar sociale gevolgen niet genoeg is om de belastingparadijzen prioritair en krachtdadig aan te pakken?

CONCLUSIES

Ondanks de mankementen aan het bestaande internationale regime is de tijdsgeest duidelijk veranderd. De belastingparadijzen hebben historische toegevingen op hun bankgeheim moeten doen. De fiscale schandalen en de crisis hebben hen in het defensief gedrongen. Naast het G20/OESO-proces zijn er overigens nog andere ontwikkelingen aan de gang. De VS hebben bijvoorbeeld in weerwil van het Zwitserse bankgeheim de bank UBS gedwongen informatie over Amerikaanse belastingplichtigen te delen. Duitsland en andere landen zwaaien met miljoenen euro’s voor bankbedienden in belastingparadijzen die eventueel bereid zijn hen in pure Wikileaks-stijl dozen en cd-roms vol vertrouwelijke bankgegevens te bezorgen. In Europa staat een uitbreiding van de spaarrichtlijn op de agenda en heeft België zich eindelijk naar de Europese norm gevoegd. In dit nieuwe klimaat is het een stuk minder veilig geworden om grote kapitalen voor de fiscus in andere landen te verbergen. Er is nu zelfs sprake van een golf van repatriëringen van fortuinen uit het buitenland. Deze nieuwe beleidsomgeving kan overigens ook voorstellen voor een iets zwaardere vermogensfiscaliteit in België en andere landen - welke zeker verantwoord is, gezien de niet te verantwoorden positieve fiscale discriminatie van belangrijke vermogensinkomsten - faciliteren, omdat een extra dam wordt opgeworpen tegen kapitaalvlucht, naast een arsenaal van bestaande mogelijke instrumenten.

Het blijft evenwel belangrijk om internationaal te blijven vechten voor een zo effectief mogelijke multilaterale norm. Daarom is het goed dat G20 en OESO gekozen hebben voor een grondig opvolgingsproces, dat voor progressieve krachten wereldwijd als een breekijzer kan dienen om bestaande gebreken in het internationale beleidskader aan te kaarten en alternatieven door te drukken. Zeker in deze tijden van draconische besparingen ten koste van de zwaksten zou dit dossier voor iedereen, en zeker alle progressieven, een topprioriteit moeten zijn.

Dries Lesage
Docent Mondialisering en Global Governance aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen, UGent
10

Noten
1/ Gravelle Jane G., Tax Havens: International Tax Avoidance and Evasion. Washington D.C., Congressional Research Service, 4 June 2010.
2/ Murphy Richard, The direct tax cost of tax havens to the UK, 2009.
3/ Oxfam, Press Release: Tax haven crackdown could deliver $120bn a year to fight poverty, 13 March 2009.
4/ Christian Aid, Death and Taxes: the True Toll of Tax Dodging. London, Christian Aid, May 2008.
5/ Kubosova Lucia, EU states crack down on tax evasion. In: EUobserver.com (online), 22 October 2008.
6/ http://www.oecd.org/dataoecd/50/0/43606256.pdf.
7/ OECD/The Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes, A Background Information Brief. 23 November 2010.
8/ Idem.
9/ Lesage Dries, OECD: Governments very concerned about massive deductible bank losses. MO\*Mondiaal Nieuws, 28 June 2010 (online).
10/ Dries Lesage is ook redactielid van Samenleving en politiek en auteur van het boek Mondialisering en fiscale rechtvaardigheid (ACCO, 2006) en van verscheidene artikels over internationale belastingpolitiek, de G8 en G20.

fiscaliteit - belastingparadijzen - G20

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 10 (december), pagina 16 tot 23