Abonneer Log in

De electorale crisis in Ivoorkust

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 2 (februari), pagina 63 tot 69

INLEIDING

De toeloop voor het MO\* debat met Jean Ziegler en Rik Coolsaet in september vorig jaar scheen er niet om te liegen: nogal wat westerlingen liggen wakker van de haat die bepaalde delen van de wereldbevolking jegens hen koestert. ‘De revolutionair moet in staat zijn het gras te horen groeien’, zo citeerde Ziegler met veel affectie Karl Marx, en vroeg de aandacht te scherpen voor de steeds sluimerende en soms erupterende wereldwijde afkeer van het Westen. Net als in zijn zopas vertaalde boek De haat tegen het Westen (2010) dwong Ziegler zijn publiek na te gaan of ze die kritiek - rationele haat, noemt hij die - voldoende capteerde. Coolsaet nam de uitdaging aan en beriep zich onder andere op zijn eigen boek De geschiedenis van de wereld van morgen (2008) om tevens uit te zoeken of die kritiek wel afdoende wordt begrepen. Daarvoor vroeg hij, bijvoorbeeld, onderscheid te maken tussen populaire haatgevoelens en elitaire calculaties, en suggereerde om specifieke fases te onderkennen in het lange verhaal van antiwesters verzet. Dit alles helpt inderdaad een heleboel om aandachtiger te luisteren, ook al klinkt de anti-occidentalistische retoriek soms rauw en ondubbelzinnig. Dit is alleszins het geval voor de recente haatspraak van Laurent Gbagbo en zijn aanhangers in Ivoorkust aan het adres van het Westen. Maar als je inderdaad goed luistert, merk je hoe ‘het Westen’ alle eenduidigheid ontbeert en helemaal verstrikt is geraakt in lokale vertogen van nationale identiteit, politieke participatie en economische herverdeling. De dialectiek blootleggen tussen Ivoorkust, een natie in crisis, en haar Westen is het opzet van dit artikel.

DE ELECTORALE CRISIS IN IVOORKUST

Ivoorkust kwam in het nieuws na de tweede ronde van de verkiezingen eind november 2010, toen duidelijk werd dat de uittredende president Gbagbo het veld niet wilde ruimen en alle middelen zou aanwenden om aan de macht te blijven. De verkiezingen, waarvan de hele voorbereiding onder toezicht van de Verenigde Naties al zowat vijf jaar in beslag had genomen, leverden volgens de Onafhankelijke Kiescommissie een duidelijke overwinnaar op. Zijn naam was Alassane Ouattara en hij riep zich meteen uit tot president. Maar Gbagbo kreeg het Grondwettelijk Hof zo ver om de uitslagen van een aantal kiesdistricten in het noorden van het land, waar hij smadelijk verloren had, te annuleren, en hemzelf met een score van zowat 51% van de stemmen, tot president uit te roepen. De internationale gemeenschap reageerde verbolgen, maar Gbagbo nam de vlucht vooruit. Hij veroordeelde de westerse voorkeur voor Ouattara als een inbreuk op de grondwettelijke wil van het soevereine Ivoriaanse volk en deed het af als een poging om zich, via de figuur van Ouattara, toegang te verschaffen tot haar natuurlijke rijkdommen. Daarmee voegde Gbagbo een nieuw hoofdstuk toe aan de roman fleuve van antiwesterse kritiek waaraan vele vooraanstaande Ivorianen, waaronder Gbagbo zelf, sinds de jaren 1950 hun bijdrage hebben geleverd. In die lange halve eeuw is het Ivoriaans anti-occidentalisme er enkel complexer op geworden: meerlagig en reflexief, maar ook meerschalig want verwijzend naar zowel verre ‘westerlingen’ als hun lokale en regionale handlangers. Luisteren en proberen begrijpen wat er groeit en bloeit in antiwesters Ivoorkust is dus een hele klus maar, volgens ons, maar een vingeroefening voor de complexiteit die nog moet komen. Ziegler en, vooral, Coolsaet vormen een uitstekende vertrekbasis, maar de tocht naar het antiwesten van ‘de andere’ is lang en lastig, en je moet vooral niet schrikken als je jezelf tegenkomt.

DE BASIS

Jean Ziegler is een gepassioneerd verteller wanneer het gaat om de geschiedenis van de uitbuiting van het Zuiden maar vooral ook een deskundig aanklager van armoede en honger, en het soort ongelijkheid dat hij globaal steeds verder ziet toenemen. Het eeuwenlange zuiders lijdensverhaal en het feit dat dit nu uitloopt op een nooit geziene uitbuiting en vernedering door het westers ‘kannibalistisch’ systeem, vormen volgens hem twee van de voornaamste oorzaken voor diep ongenoegen. Dat dit ongenoegen zich bij voorkeur tegen het Westen richt, heeft dat laatste vooral aan zichzelf te danken, aldus Ziegler. Het Westen declareert luidkeels principes qua mensenrechten, gelijkheid en democratie die het voortdurend zelf met voeten treedt of ter bevordering waarvan het niets doortastend onderneemt. Voor Ziegler is het zuiders ‘proletarisch’ ongenoegen jegens het Westen dus primordiaal - de directe uitdrukking van een reeks feitelijke geo-economische onrechtvaardigheden.

Tegenover deze primordiale, ‘grassroots’ benadering van Ziegler stelde Coolsaet een minder politiek naïeve, instrumentalistische benadering voor waarbij zuidelijke elites met een hervonden gevoel van eigenwaarde en bewust van wat ze economisch in de schaal te werpen hebben, hun noordelijke afnemers het vuur aan de schenen leggen. Bovendien bracht Coolsaet een fasering aan. Drie periodes van anti-westers vertoog liggen, volgens hem, achtereenvolgens ingebed in (a) de dekoloniseringsstrijd die culmineerde in de jaren 1960, (b) de anti-afhankelijkheidsbeweging van de jaren 1970, en daaropvolgend (c) de provincialisering van het Westen die gepaard gaat met de ingrijpende herschikking van de geo-economische machtsrelaties.

De door Coolsaet voorgestelde fasering is inzichtelijk en productief. Indien Coolsaet nog op zoek zou zijn naar een tekstboekillustratie van deze drie fases dan ligt ze in Ivoorkust voor het rapen. Zoals een van ons (Arnaut 2005, 2008a) elders heeft geschreven, hebben zich rond die drie fases verschillende generaties van politieke oppositie in Ivoorkust gevormd, elk met hun eigen variant van antiwesters vertoog.

DE HERUITVINDING VAN HET WESTEN IN DRIE GENERATIES

De eerste generatie had haar wortels in de antikoloniale strijd tegen Frankrijk. Ze werd gevormd door jonge intellectuelen die hun ontvoogdingsideeën vorm gaven in structuren zoals de links-revolutionaire, pan-Afrikaanse studentenvakbond FEANF (Fédération des Étudiants d’Afrique noire en France). In het pas onafhankelijke Ivoorkust richtte hun antikoloniaal militantisme zich vooral op het culturele en het academische leven (Arnaut en Blommaert 2009). Leopold Senghor en Aimé Césaire inspireerden respectievelijk de twee nog levende vertegenwoordigers van de pioniersgeneratie: de schrijver Bernard Dadié en de literatuurwetenschapper Barthélémy Kotchy (1994).

De tweede generatie was deze van uittredend president en historicus Laurent Gbagbo en andere progressieve academici zoals de rechtskundige Francis Wodié en de linguïst Zadi Zaourou. Hun activisme kreeg vorm in de nasleep van ‘68, was een stuk politieker dan dat van de oudere académiciens, maar omwille van het éénpartijensysteem militeerden ze gecamoufleerd in lerarensyndicaten of in para-academische organisaties. Het voornaamste doelwit van de rode professoren was president Houphouët-Boigny. Deze werd aangewreven via een zachte dekolonisering de afhankelijk van het economisch succesvolle Ivoorkust ten aanzien van bourgeois Frankrijk en de kapitalistische neokoloniale wereldorde in stand te houden (N’Zembele 1984). Voor haar analyses citeerde de tweede generatie vrijelijk uit Andre Gunder Frank en Samir Amin, terwijl ze voor de organisatie van haar strijd die ze onder de bevolking wilden uitdragen, ideeën sprokkelde bij de grote roerganger Mao. Nochtans, in plaats van volksmassa’s op de been te krijgen, mobiliseerden ze voornamelijk hun eigen studenten. Na de generaties van de cultuurminnende pioniers en deze van de activistische professoren volgde die van de revolutionaire studenten die meteen de straat optrokken.

De derde generatie werd geboren en getogen in de schoot van de studentenvakbond FESCI. Toen in 1990 de professoren van de tweede generatie de sprong maakten naar de meerpartijenpolitiek, vormden de studenten een zelfverklaarde revolutionaire vakbond. Deze fungeerde tegelijk als wervingsreserve voor progressief politiek personeel en als breekijzer voor de immer vergrendelde publieke sfeer. Terwijl media en middenveld nog grotendeels op slot werden gehouden door de voormalige eenheidspartij, kozen de studenten de campus, de straat en de ‘maquis’ (openluchtbistro) als terrein van activisme. Dat ze daar contact maakten met de stedelijke straatcultuur, bijvoorbeeld, dat hun beweging van meet af aan gedragen werd door een nieuw genre van populaire muziek, namelijk de Zouglou, had verregaande repercussies voor het populistisch potentieel van het Ivoriaans studentenactivisme. Ondanks hun elitaire status drongen studenten erop aan zich als vertegenwoordigers van het volk te presenteren en met hen de tweede generatie professoren-politici - onder hen werd Laurent Gbagbo degene met de meeste street credibility.

Een tweede belangrijk aspect van de derde generatie is dat ze zich voorzag van een glorieuze linkse genealogie. Zo redigeerde FESCI-leider Soro Guillaume (later rebellenleider en nu eerste minister) in 1995 een infobrochure die de wortels van zijn syndicaat in de laatkoloniale periode situeerde, namelijk, in de radicale studentenvakbond UGECI die aanleunde bij de antikolonialistische FEANF. Deze historische positiebepaling spoorde met de afkeer van de FESCI voor de aanhoudende Franse steun voor de repressieve regimes van Houphouët-Boigny (1960-1993) en zijn opvolger Henri Konan Bédié (1993-1999). Ten bewijze, toen vanaf 1994 duizenden Ivoriaanse studenten-militanten naar Europa migreerden, zocht slechts een fractie onderkomen in Frankrijk en trotseerden de meesten aanzienlijke taalbarrières om bijvoorbeeld in Groot-Brittannië of Duitsland verder te gaan studeren. Dus, terwijl de tweede generatie nog haute finance of bourgeois Frankrijk verketterde, liet de derde generatie het hele land links liggen. Ten slotte kwam dit vernieuwde anti-neokolonialisme samen met het nieuwe populisme op de politieke agenda van de tweede generatie, met name van Laurent Gbagbo, terecht.

Deze korte presentatie van de drie generaties laat zien hoe een lineair driefasig model, zoals dat van Coolsaet, heuristisch interessant is maar door de historische actoren zelfbewust wordt bewerkt, ‘herinnerd’ en geherformuleerd. De fabricatie van ideologische stambomen en de herkadering van de anti-Françafrique was vanaf de jaren 1990, maar vooral vanaf de machtsovername door Gbagbo in 2000, de orde van de dag. Op die manier werkten de verschillende generaties en hun anti-occidentalistische vertogen op elkaar in. Eén van die bijzondere momenten was bijvoorbeeld de ode van ‘pionier’ Bernard Dadié (2003) aan de jeugdige militanten van de pro-Gbagbo ‘patriottische’ beweging die steeds de confrontatie aangingen met de Franse vredestroepen die toen (en nu nog) in Ivoorkust actief waren. Dadié omschreef zonder ommezien deze strijd als een verlengstuk van de zijne. Omgekeerd verwezen de activisten van de derde generatie graag naar de blijvende relevantie van het antikoloniaal activisme en omschreven hun strijd als ‘de tweede (nu grondige) dekolonisatie’ van Ivoorkust. Deze ‘totale bevrijding’ voltrekt zich, volgens hen, in een nieuwe context van globalisering wat voor hen de dringende noodzaak inhoudt om de geo-economische relaties van Ivoorkust te multilateraliseren (Blé Goudé 2009; zie ook: Arnaut 2008b).

De slotsom van deze kruisbestuiving tussen de drie generaties is een uit de kluiten gewassen anti-occidentalistisch verhaal waarvan de postkoloniale herinnering, panafrikanisme, mondiale ongelijke ruil, en een hervonden vertoog van economische assertiviteit en zelfrespect, de voornaamste lagen vormen. De effecten van de intergenerationele samenwerking is echter niet enkel te merken in de heruitvinding van een te bestrijden Westen, maar parallel daarmee in de heruitvinding van het Ivoriaanse volk dat deze strijd moet voeren.

DE HERUITVINDING VAN HET IVORIAANSE ‘VOLK’ IN DRIE STEMBEURTEN

Wanneer Gbagbo in 1990, bij de eerste vrije verkiezingen in onafhankelijk Ivoorkust, het moest afleggen tegen zittend president Houphouët-Boigny liet Gbagbo zich publiekelijk ontvallen dat zijn tegenstander had gewonnen met de stemmen van ‘de migranten’. Daarmee refereerde hij naar de vertegenwoordigers en afstammelingen van de miljoenen mensen die de afgelopen honderd jaar gehoor hadden gegeven aan de lokroep van de Ivoriaanse plantage-economie en daarvoor naar het zuidelijke deel van het land waren afgezakt. De vele generaties migranten kwamen vooral uit het noorden, van binnen Ivoorkust maar ook van daarbuiten, met name uit Burkina Faso en Mali. De uitspraak van Gbagbo wees op de snel groeiende bewustwording dat de ‘noordelijke’ stem electoraal doorslaggevend was. In 1994 al werd duidelijk dat Alassane Ouattara en zijn nieuwe RDR partij de strijd om dit electoraat hadden gewonnen. Sindsdien hebben zijn tegenstanders enkel nog verkiezingen gewonnen door deze ‘noordelijke’ constituency buiten spel te zetten.

Het dwarsbomen van de politieke representatie van ‘de noorderlingen’ nam in 1995 een vliegende start wanneer president Bédié zijn tegenstander Alassane Ouattara uitsloot van verkiezingsdeelname wegens dubieuze nationaliteit. Tegelijk spoorde hij zijn administratie en politiediensten aan om de identiteitsbewijzen en ultiem het stemrecht van Ouattara’s aanhangers onderwerp te maken van gesol en kuiperijen. Deze operaties werden ingebed in een vertoog van autochtonie dat Bédié Ivoirité doopte en dat het ‘noordelijk’ electoraat onderbracht in een categorie van allochtonen wiens burgerschap als twijfelachtig of halfslachtig werd afgedaan.

Sinds de lancering van Ivoirité in 1994 is het autochtonievertoog in verschillende gedaanten, en vertolkt door verschillende politieke protagonisten, blijven rondwaren in het Ivoriaanse politieke landschap. Zo werd het in 2000 de inzet van een grondwetsherziening én van een presidentsverkiezing waar Alassane Ouattara ten tweeden male werd uitgerangeerd. Vanaf dan werd duidelijk hoe in handen van Gbagbo en de zijnen, Ivoirité het gezelschap kreeg van het anti-koloniaal, panafrikanistisch afhankelijkheidsdiscours. De uitkomst was de positionering van een inheems volk dat het hart vormt van de Ivoriaanse natie tegenover een reeks ‘uitheemsen’ die getaxeerd worden op hun gebrek aan loyauteit ten aanzien van een Ivoorkust dat ze in wezen enkel zouden willen exploiteren. De meest nabije vertegenwoordigers daarvan zijn de ‘noorderlingen’, zoals gezegd een onzuivere categorie van Ivorianen en migranten uit de noordelijke buurlanden. De meest afgelegen ‘uitheemsen’ zijn de (immer neokoloniale) Fransen en bij uitbreiding, de westerlingen. Deze laatsten worden bovendien als de echte uitbuiters voorgesteld voor wie de meer nabije ‘noorderlingen’ en zeker hun elites, zoals Alassane Ouattara, slechts lokale handlangers zijn.

Deze constructie kreeg een extra politiek-militaire dimensie wanneer in september 2002 een staatsgreep werd gepleegd door uitgerangeerde ‘noordelijke’ militairen met als expliciete bedoeling om de ‘noordelijke’ politieke participatie te regelen die sinds 1995 een ernstig deficit vertoonde. Van meet af aan werden de rebellen afgedaan als ‘vreemdelingen’ die ‘Ivoorkust’ aanvielen. Dat ze dit deden op aansturen van Frankrijk had volgens de Gbagbo aanhang alles te maken met het feit ze Gbagbo van de macht wilden verdrijven omdat hij de Franse privileges in zijn land wilde herzien. Anders gezegd, de neokoloniale agressie was niet langer enkel van economische aard maar tevens militair en geopolitiek: Frankrijk dat bovendien zijn internationale invloed in Europa en de VN liet gelden om Ivoorkust en zijn patriottische verdedigers op de knieën te dwingen.

Acht jaar later is aan dat vertoog weinig veranderd, enkel is het behoorlijk uitgebreid tot een westers complot waarin naast Frankrijk ook de Verenigde Staten en de Verenigde Naties worden gezien als hoofdrolspelers. Op die manier wordt Alassane Ouattara weggezet als een pion van ‘de internationale gemeenschap’ (nu een scheldwoord onder Gbagbo aanhangers) en zijn kiezers als bedrieglijke Ivorianen die de soevereiniteit van hun (sic) land te grabbel gooien.

TOT BESLUIT

Het mag nu duidelijk zijn dat de ‘haat tegen het Westen’, die sinds een tiental jaar in bepaalde gelederen van Ivoorkust gedijt en waarvan Laurent Gbagbo zowel het klankbord is als een van de voornaamste auteurs, een bijzonder complex gegeven is. Het interne politiek gebruik ervan zit trouwens geheel verstrengeld met de objectieve, geo-economische condities en de ideologische drijfveren. Het is goed dit voor ogen te houden vooraleer eenvoudige keuzes te maken. Sinds 2002 heeft Gbagbo met succes een aantal aspecten van de Franse en Europese geopolitieke arrogantie in West-Afrika en in Ivoorkust in vraag gesteld. Als Frankrijk zich momenteel volgzaam opstelt ten aanzien van de vredespogingen van de Afrikaanse Unie en de West-Afrikaanse staten (ECOWAS), dan is dit zonder meer op het conto van Gbagbo en zijn zogenaamde patriottische beweging te schrijven die in 2002 de Franse arrogantie om Afrikaanse conflicten te regelen internationaal te kijk hebben gezet. Maar daarmee gaat Gbagbo nu niet vrijuit. Op economisch vlak heeft Gbagbo de afgelopen tien jaar de belangen van de Franse multinationals geen strobreed in de weg gelegd, integendeel zelfs (Hoffnung 2010). Dat doet bij sommigen de vraag rijzen of zijn politieke kritiek op Frankrijk niet vooral bedoeld is om een gunstige positie te verwerven voor de onderhandeling van grote contracten met Franse bedrijven. Veel belangrijker is het om vast te stellen dat, zoals is gebleken in de overgang van de eerste naar de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, Gbagbo’s ‘haat tegen het Westen’ evenredig toeneemt met de noodzaak om het ‘noordelijke’ electoraat alle legitimiteit te ontnemen door hen met het gehate Westen te associëren.

Voor zover wij kunnen nagaan is Jean Ziegler een fan en verdediger van Laurent Gbagbo. Dat was zo in het verleden en dat is zo tot op de dag van vandaag. De vraag is niet of hij goed geluisterd heeft naar Gbagbo’s antiwesters vertoog en zeker niet of het berust op objectief waarneembare economische realiteiten. Inderdaad, het verhaal van de Ivoriaanse koffie en cacao economie is een typevoorbeeld van (neo)koloniale uitbuiting, mét behulp van lokale elites. De vraag is deze die Rik Coolsaet eraan toevoegde: of we Gbagbo’s en andermans anti-occidentalisme wel voldoende begrijpen. Na enige omzwerving, na het deconstrueren van Gbagbo’s antiwesterse demarches, is de vraag die overblijft in welk soort antiwesterse haat wij in wezen geïnteresseerd zijn: in deze die we zelf zonder veel omhaal ideologisch, politiek of academisch ten gelde kunnen maken of deze waarmee mensengroepen en hun elites in het Zuiden aan de slag gaan, met het Westen maar vooral met elkaar en vaak op leven en dood, in een zoektocht naar erkenning en een fair stuk van de globale taart.

Karel Arnaut
Antropoloog, Conflict Research Group, UGent
Paco Sanogo
MA student Internationale Politiek (UGent) en Praktijklector Erasmushogeschool Brussel

Referenties
- Arnaut, K. 2005. Re-generating the nation: youth, revolution and the politics of history in Ivory Coast. In Vanguard or vandals: youth politics and conflict in Africa, edited by J. Abbink and I. van Kessel. Leiden: Brill, 110-142.
- Arnaut, K. 2008a. Les hommes de terrain: Georges Niangoran-Bouah et le monde universitaire de l’autochtonie en Côte d’Ivoire postcoloniale. Politique africaine 112:18-35.
- Arnaut K. 2008b. Mouvement patriotique et construction de ‘l’autochtone’ en Côte d’Ivoire. Africa Development/Afrique et Développement 33 (3):1-20.
- Arnaut, K., and J. Blommaert. 2009. Chthonic science: Georges Niangoran-Bouah and the anthropology of belonging in Côte d’Ivoire. American Ethnologist 36 (3):574-590.
- Blé Goudé, C. 2009. D’un stade à un autre. Abidjan: Frat Mat Editions.
- Coolsaet, R. 2008. De geschiedenis van de wereld van morgen. Leuven: Van Halewyck.
- Dadié, B. 2003. La crise ivoirienne. In Africultures. Paris.
- Hoffnung, T. 2010. Bolloré, Bouygues, Veolia ou Total ont été choyés par Laurent Gbagbo. Les groupes français partent en attendant des jours meilleurs. Libération, 21 décembre 2010.
- Kotchy, B. 1994. The cultural dimensions of FEANF. In The role of African student movements in the political and social evolution of Africa from 1900 to 1975, edited by A. Boahen. Paris: UNESCO Publishing, 96-108.
- N’Zembele, L. p. d. L. G. 1984. Côte d’Ivoire: l’envers du miracle. Peuples Noirs - Peuples Africains, Numéro spéciale ‘Côte d’Ivoire 1960-1984’:69-87.
- Ziegler, J. 2010. De haat tegen het Westen. Translated by H. Meijer. Amsterdam: Uitgeverij Balans.

Ivoorkust - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 2 (februari), pagina 63 tot 69