Abonneer Log in

Het Europese armoedebeleid uit de kinderschoenen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 2 (februari), pagina 30 tot 32 en 41 tot 42

Het Belgische EU-voorzitterschap wordt alom bejubeld om zijn voluntarisme, effectiviteit en zijn kunst om compromissen te sluiten. Alleen over het sociale blijft het in de media opvallend stil. Ook het artikel in Samenleving en politiek van Wim Van Lancker en Olivier Pintelon, Het Europese armoedebeleid en het Belgisch EU-voorzitterschap (december 2010), evalueert het sociale luik als wat bleekjes. Het op de agenda zetten van het sociale wordt erkend, maar ‘het is echter maar al te zeer de vraag of er op de mooie woorden ook concrete daden zullen volgen en wat de concrete impact op de koers van het sociaal beleid van de lidstaten zal zijn’. Het artikel baadt een beetje in de sfeer van ‘5 minuten politieke moed’. Als we maar wat meer inzet hadden gehad, zou het resultaat beter zijn geweest. Quod non. Als direct betrokkenen bij het voorzitterschap voor het armoedebeleid, via de administratie en het kabinet van de staatssecretaris Armoedebestrijding Philippe Courard (PS), vinden we dit niet erg volledig en ten gronde niet correct.

GEEN VOORZITTERSCHAP IN HET LUCHTLEDIGE

Vooreerst willen we toch even de context schetsen: we beleven één van de zwaarste economische crisissen sinds de jaren 1930 en we hebben een overgrote meerderheid van centrum maar vooral centrumrechtse regeringen in Europa. Bovendien is het Verdrag van Lissabon wel een stap vooruit (erkenning van de sociale en fundamentele grondrechten als basis voor de Unie en de transversale clausule). Het heeft echter eveneens het subsidiariteitprincipe bevestigd. Nog steeds zijn de bevoegdheden voor het sociale ondergeschikt aan de economische en concurrentiebevoegdheden. Illustratief voor deze situatie is volgende anekdote. Tijdens een conferentie over armoede doet een deelneemster uit Groot-Brittannië een oproep aan de Europese Commissie om de Britse regering af te blokken omdat deze armoede aan het creëren is in plaats van te bestrijden door afschaffen van kinderbijslagen voor de middengroepen, verminderen en zelfs sluiten van sociale voorzieningen, verminderingen van uitkeringen en ondersteuning van huisvesting. Het antwoord van de ambtenaar van de Commissie was even laconiek als duidelijk: de Europese Commissie heeft de bevoegdheid niet. En ‘wat wil je, als je conservatief stemt krijg je ook een conservatief beleid’.

Binnen deze context heeft het Belgische EU-voorzitterschap belangrijke handvaten aangereikt om, zij het op een ‘zachte’ wijze, toch een stuk sturing te geven aan het armoedebeleid, en om ook in de lidstaten en op Europees niveau nieuwe krachtsverhoudingen op te bouwen. Om dit duidelijk te maken moet je je natuurlijk eerst door het onoverzichtelijke kluwen van de Europese instrumenten worstelen. Dat klaar en duidelijk uitleggen is als aan een buitenlander uitleggen wat BHV betekent. Erg ingewikkeld, maar toch erg belangrijk.

WAT ZIJN NU DEZE RESULTATEN?

Het hoger genoemde artikel geeft uitgebreid aandacht aan de definiëring van de strategie EU 2020: een slimme, duurzame en inclusieve groei. Voor het eerst zijn er concrete doelstellingen om armoede te bestrijden: minstens 20 miljoen mensen uit de armoede halen. En ook binnen de andere beleidsdomeinen zitten duidelijk geformuleerde objectieven die erg belangrijk zijn voor armoedebestrijding: verminderen met 10% van vroege schoolverlaters, opkrikken van het scholingspeil van de jongeren tot 40% hoger onderwijs, werkgelegenheidsgraad (inclusief beleid) verhogen tot 75%.
Dat laatste komt tot uiting in de geïntegreerde richtlijnen voor het werkgelegenheidsbeleid. Richtlijnen die (volgens het verdrag) wel meer impact hebben op het beleid van de lidstaten.
De tiende richtlijn expliciteert duidelijk de opdracht om een armoedebeleid te voeren en zet de rol van de sociale economie in de verf. Dit betekent dat voor het eerst ook in de Nationale Hervormingsprogramma’s het sociale een volwaardig onderdeel vormt. Het klopt wel dat dit allemaal moeizaam is gegaan, maar het resultaat is toch indrukwekkend.

Ook de exacte definiëring van de armoededoelstelling liep niet van een leien dakje. Het klopt dat we nu, naast de relatieve armoedenorm, ook het aantal ‘jobless households’ en de materiële deprivatie (de feitelijke toestand van armoede, meer dan alleen onvoldoende geld hebben) meetellen. Je kunt dat betreuren omdat daardoor het aantal mensen in armoede stijgt en het doel dus eigenlijk makkelijker te halen is. Anderzijds geeft het ook aan dat armoede multidimensioneel is en een armoedebeleid meer vraagt dan optrekken van uitkeringen. Het is dus ook een opportuniteit en een uitdaging voor een bredere aanpak van armoede.

Een laatste sluitstuk in het armoedebeleid is het Europese Platform tegen armoede. Het trekt de Open Methode van Coördinatie wat open, definieert duidelijke thema’s en opvolgingsinstrumenten. Het is een succes om de OMC te kunnen behouden door ze te hervormen en te verbeteren (hoewel daar nog werk aan de winkel is; tot nu is de toepassing in veel lidstaten te veel een bureaucratisch proces zonder betrokkenheid van de stakeholders). Immers, heel wat regering lobbyden om deze OMC op te doeken omdat dit voor hen een te grote inmenging in hun eigen beleid betekende.

We moeten natuurlijk de pluimen van deze realisaties niet alleen op onze hoed steken. Het trio Spanje-België-Hongarije, en dan meer in het bijzonder met Spanje, functioneerde hier goed. Wat we wel op onze hoed kunnen steken, is de aandacht voor de participatie van stakeholders, meer in het bijzonder van de organisaties waar armen het woord voeren. Zowel het Belgische netwerk tegen armoede als het Europese (EAPN), als Eurochild, Unicef en FEANTSA werden nauw bij alle activiteiten van het voorzitterschap betrokken. Dat was echt een rode draad van het Belgisch voorzitterschap en een echte prioriteit van onze staatssecretaris Philippe Courard. De jaarlijkse Ronde Tafel tegen armoede en sociale uitsluiting, een hoogmis voor alle betrokkenen, wordt nu omgevormd tot een aandeelhoudersvergadering voor de stakeholders. Met de concrete opdracht om aanbevelingen te doen naar het Europese beleid. Minder vrijblijvend, veel directer. Zoals wij hadden uitgeprobeerd tijdens de negende Ronde Tafel in oktober 2010. Overigens met succes: voor het eerst mondde deze Ronde Tafel uit in een reeks concrete aanbevelingen (en voor het eerst was er een verslag, door iedereen consulteerbaar). Dat voor het algemene plaatje.

EN DE PRIORITEITEN?

Philippe Courard (PS) had voor het luik sociale bescherming drie prioriteiten: werken aan een minimuminkomen voor iedereen in alle lidstaten, bestrijden van de kinderarmoede en een beleid voor het bestrijden van de dakloosheid.

Starten we met de prioriteit der prioriteiten; een beleid afdwingen op Europees vlak om in alle landen kinderarmoede als een essentieel deel van armoedebestrijdingbeleid te nemen. Daarvoor mikten we op een Aanbeveling vanwege de Commissie voor de strijd tegen kinderarmoede en voor kinderwelzijn. Een Aanbeveling is de eerste stap in het ‘wetgevend’ arsenaal van de Europese Commissie. In Marche-en Famenne organiseerde Courard een conferentie, samen met de Koning Boudewijnstichting, Eurochild en Unicef volgens het Town Hall-principe. Directe deelname van alle aanwezigen via discussies aan tafels van 15 deelnemers en vertalen van de inbreng in een aangepast document, dat als basis kan dienen voor een Aanbeveling. Een conferentie die een appreciatiecijfer van 8 op 10 kreeg. Commissaris László Andor, het trio Spanje-Hongarije-België engageerde zich voor deze Aanbeveling.
Bekijken we nu het resultaat. Volgens hoger vermeld artikel in Samenleving en politiek blijft het de vraag welke impact de voorstellen zullen hebben op het beleid in de lidstaten. Dit is toch wat minnetjes. We zien in het werkprogramma van de Commissie dat ze in 2012 een Aanbeveling zullen uitvaardigen tegen kinderarmoede. Bovendien komt er nog een Aanbeveling rond kinderrechten en onderwijs. In het Platform tegen armoede wordt het thema kinderarmoede prominent naar voor geschoven zodat het effectieve beleid in de lidstaten opgevolgd zal worden. Wat kan je meer bereiken binnen de huidige politieke en institutionele context? De Europese organisatie voor kinderwelzijn Eurochild gaf ons voorzitterschap een 18 op 20 voor het verdedigen van de kinderrechten, het luisteren naar kinderen, het afdwingen van een Europees beleid.

De tweede prioriteit rond het waarborgen van een minimale inkomensbescherming zat, zoals in hogervermeld artikel weergegeven, ‘muurvast’. Tijdens de informele raad van ministers voor werken sociale zaken (EPSCO) in juli lieten ze Courard bijna alle hoeken en kanten van de kamer zien. België stond op zijn zachtst gezegd geïsoleerd. Europa diende zich daar niet mee te bemoeien. Het was een taaie brok. Toch kaartten we het opnieuw aan op de negende Ronde Tafel tegen armoede en sociale uitsluiting in oktober.
Deze keer vanuit een andere invalshoek: we baseerden ons op de Aanbeveling van de Commissie van oktober 2008 rond actieve insluiting. Deze Aanbeveling stelt drie pijlers voor als kern van elke integratiebeleid: zorgen voor voldoende inkomen om een menswaardig leven te leiden voor iedereen, iedereen kansen bieden om te participeren aan de arbeidsmarkt (met aandacht voor de sociale economie) en aan de samenleving (voor wie geen plaats meer is op de arbeidsmarkt) en ten slotte toegang tot essentiële diensten als gezondheid, huisvesting, kinderopvang,…
We maakten van het in de praktijk brengen van deze Aanbeveling het centraal thema voor de negende Ronde Tafel, met de vragen: welke belemmeringen zitten daarvoor op Europees niveau en op niveau van de lidstaten? Welke aanpassingen in het beleid zijn nodig? Doel was om deze Aanbeveling om te zetten in een kaderrichtlijn, een volgende meer dwingende stap in het wettelijke instrumentarium van de Europese Unie.

WAT HAALDEN WE BINNEN?

De informele ministerraad van ministers bevoegd voor armoedebestrijding, die aansluitend op de Ronde Tafel plaatsvond, zette de deur op een kier. Om een menswaardig minimuminkomen bespreekbaar te maken in Europa kwamen ze overeen aan de slag te gaan met de resultaten van een peer review die België in november organiseerde. Deze peer review (een analyse van een goede praktijk van een lidstaat door de ‘gelijken’, de andere lidstaten) behandelde het thema van de budgetstandaard (wat zijn de goederen en diensten die men nodig heet om een menswaardig leven te leiden?) aan de hand van een studie gemaakt door Bérénice Storms, Karel Van den Bossche en Marie-Thérèse Casman (CSB en Ulg), met aanbevelingen hoe daarmee aan de slag te gaan. Maar er is meer. In het werkprogramma van de Commissie is opgenomen om een communicatie te verzorgen over het in praktijk brengen van de Aanbeveling actieve insluiting in 2012. Daar staat ook letterlijk bij: een coördinatie opzetten van het beleid van de lidstaten op het gebied van minimuminkomen. Een mooie weg afgelegd sinds die EPSCO van juli.

Rond de thematiek dakloosheid (al prominent aanwezig op de negende Ronde Tafel) organiseerden we voor het eerst in de geschiedenis van Europa een consensusconferentie samen met FEANTSA (de Europese organisatie voor instellingen en organisaties van opvang van daklozen). Dit type conferenties komt uit de medische wereld, waar er regelmatig debatten worden georganiseerd over de voor- en nadelen van verschillende behandeling van een medisch probleem en waar een onafhankelijke jury uiteindelijk beslist over een consensus over de beste aanpak. Frank Vandenbroucke, als oud minister van sociale zaken vertrouwd met deze methodologie, zat de jury (bestaande uit Europese autoriteiten uit de wetenschappelijke wereld) voor. De bereikte consensus met de krachtlijnen van een beleid om dakloosheid uit te roeien werd op 8 februari door de juryvoorzitter bezorgd aan Philippe Courard en Commissaris Andor. Op 10 februari is het document besproken op het Social Protection Comité. De thematiek werd in het Platform tegen armoede geïntegreerd als een prominent thema in een armoedebestrijdingbeleid. Een belangrijke stap voorwaarts is gezet. Nu is het aan elke lidstaat, maar ook aan de Commissie, om met dit resultaat aan de slag te gaan. Courard beloofde trouwens al dit op de agenda te zetten van een interministeriële conferentie omdat op dit terrein de Gewesten en Gemeenschappen cruciale bevoegdheden hebben.

Vermelden we ten slotte dat in de Slotverklaring van het Europese Jaar tegen armoede de drie prioriteiten van het Belgische voorzitterschap prominent aanwezig zijn, evenals de visie dat armoedebestrijding een multidimensionele aanpak vereist. En niet te vergeten de basisidee van ons voorzitterschap: een echt armoedebeleid kan niet worden uitgetekend zonder mensen in armoede zelf en hun verenigingen te betrekken.

BESLUIT

Is het leed nu geleden, de strijd gestreden? Of zijn we blij met een dooie mus? Nog het een noch het ander. Het Belgisch EU-voorzitterschap heeft belangrijke hefbomen voor een sociaal armoedebeleid gecreëerd. We hebben een afdruk van onze prioriteiten nagelaten die niet zomaar kan worden weggewist. Maar de strijd gaat natuurlijk verder. Om die instrumenten ook effectief te gebruiken. Om bijvoorbeeld die OMC beter uit te bouwen. Om te zorgen dat in die Nationale Hervormingsplannen een stevig sociaal luik komt én dat de stakeholders echt betrokken worden. Om te zorgen dat in de lidstaten opnieuw, na de Nationale Hervormingsprogramma’s, echte door stakeholders gedragen Nationale Actieplannen sociale insluiting worden gemaakt. Beleid is en blijft altijd het resultaat van de krachtsverhoudingen in de verschillende lidstaten en op Europees niveau. En uiteindelijk is het de kiezer die daarover beslist.

Magda De Meyer
Adjunct-kabinetschef armoede bij staatssecretaris Philippe Courard; sinds januari 2011 bij viceminister-president Ingird Lieten
Julien Van Geertsom
Voorzitter van de POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie

armoede - armoedebestrijding - EU-voorzitterschap

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 2 (februari), pagina 30 tot 32 en 41 tot 42