Abonneer Log in

Pleidooi voor correcte en relevante sociale wetenschappen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 2 (februari), pagina 70 tot 75

Het viel te verwachten: telkens onze onderzoekseenheid een studie publiceert waarin het woord ‘allochtonen’ voorkomt, regent het reacties. Ook in het januarinummer van Samenleving en politiek verscheen kritiek, met het stuk Mediacommunicatie over sociaal onderzoek op de korrel van Jaak Billiet, zowel op het onderzoek zelf, als op de manier waarop informatie over dit onderzoek in de pers verscheen. Ik wil hier graag een aantal feitelijke onjuistheden rechtzetten, om vervolgens concrete voorstellen te doen over de manier waarop sociale wetenschappers kunnen omgaan met de pers.

Laten we bij het begin beginnen: onze onderzoekseenheid publiceert een artikel waaruit blijkt dat in regio’s met hoge werkloosheidscijfers de geregistreerde criminaliteit ook systematisch hoger ligt. Het artikel vertrekt vanuit de social disorder theorie van de Amerikaanse criminoloog Robert Sampson, en past die toe op de criminaliteitscijfers zoals die geregistreerd worden door de Belgische federale politie. In de kritiek die afgelopen maand in dit blad verscheen, komen een aantal ongegronde beweringen voor, zowel in verband met het artikel zelf, als in verband met de media-aandacht voor dit artikel, die vragen om een rechtzetting.

Eerst het artikel zelf. De kritiek is daar dat je gegevens op gemeenteniveau niet zou mogen gebruiken voor een dergelijke wetenschappelijke analyse. Dat verwijt is vreemd omdat we er binnen de sociale wetenschappen juist van uitgaan dat de context waarin iemand leeft, een invloed heeft op houdingen en gedragingen. De context (of dat nu gaat om wijken, gemeenten, regio’s of landen) is dus belangrijk. Je ziet in de internationale literatuur ook voortdurend dat soort studies verschijnen, waarbij bijvoorbeeld een verband wordt gezocht tussen het aantal immigranten in een stad of land, en het percentage stemmen voor extreemrechts. Dat zijn perfect legitieme onderzoeksdesigns, die in de internationale literatuur ook aanvaard worden. Veertig jaar geleden was dat misschien nog niet het geval omdat we toen nog niet de juiste statische software hiervoor hadden, maar sindsdien is deze werkwijze duidelijk doorgedrongen en algemeen aanvaard. Voor wat de criminologie betreft is de basisgedachte dat bepaalde buurtkenmerken criminaliteit in de hand werken. Een belangrijk artikel in dit verband is Neighborhoods and Violent Crime, dat in 1997 werd gepubliceerd door Harvard criminoloog Robert Sampson en zijn medewerkers. Dat artikel werd tot op heden 1.844 keer geciteerd in de wetenschappelijke literatuur, wat gigantisch veel is voor de criminologie. Als we de kritiek volgen, dan vergissen die 1.844 wetenschappelijke studies zich echter.

De zogenaamde ‘ecologische fout’, die in de kritiek ter sprake komt, gaat enkel op als je op basis van verbanden op het gemeenteniveau ook conclusies gaat trekken voor individueel gedrag. Het is niet omdat u een Turkse buurman krijgt, dat u automatisch voor het Vlaams Belang gaat stemmen. Het is evenmin zo dat iemand die werkloos wordt automatisch inbraken gaat plegen. De kritiek is echter naast de kwestie en ongegrond omdat we in het artikel juist herhaaldelijk waarschuwen voor het optreden van een ecologische fout, en geen enkele uitspraak doen over individuele daders. Het vaststellen van het verband is echter op zich relevant. Een mogelijke conclusie zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat je meer middelen moet investeren in het veiligheidsbeleid voor regio’s die geteisterd worden door een hoge werkloosheid, zoals bijvoorbeeld de Borinage of sommige wijken in Brussel. Als een dergelijke stap de veiligheid in ons land kan helpen verhogen, dan is ons onderzoek alvast nuttig geweest.

IN DE KRANT

Een tweede punt van kritiek is de media-aandacht voor het onderzoek. Ook dat verwijt is onterecht, omdat we ons hier juist aan strenge deontologische regels hebben gehouden. De gebruikelijke deontologie binnen de wetenschappen is dat je de resultaten van je onderzoek eerst aan een wetenschappelijke peer review onderwerpt, en er dan pas mee naar buiten treedt. Dat is overigens een regel die systematisch wordt geschonden door de meeste sociaal-wetenschappelijke onderzoekers in ons land, maar dit terzijde. De ironie wil nu echter dat we juist voor dit artikel deze regel heel scrupuleus gevolgd hebben. De allereerste versie van deze analyse dateert al van het jaar 2007 en op dat ogenblik hebben we de resultaten ervan inderdaad intern gehouden omdat we eerst de internationale review wilden afwachten. Die review was behoorlijk intens, en heeft geleid tot heel wat aanpassingen inzake theorie en methodologie. Voor diegenen die minder vertrouwd zijn met de procedure: een dergelijke peer review betekent dat het anonieme manuscript naar drie internationale experts wordt gestuurd, die al even anoniem hun oordeel binnen sturen. Na een of meerdere herwerkingen spreken die deskundigen nog eens een oordeel uit over de vraag of het artikel kan worden gepubliceerd of niet. Dat is de normale gang van zaken in de wetenschap, en in dit geval was de review behoorlijk streng, omdat het British Journal of Criminology zich dat ook kan veroorloven. Het gaat immers om een van de belangrijkste algemeen-criminologische tijdschriften ter wereld, met een impact factor van 1,068, wat behoorlijk hoog is voor criminologie. Laten we zeggen dat een dergelijk tijdschrift niet om het even wat publiceert. Alle deontologische codes die ik ken, gaan er van uit dat als je een dergelijke strenge review overleeft, dat je dan naar buiten mag treden. Als je die elementaire en algemeen aanvaarde wetenschappelijke regel verwerpt, dan veroordeel je bijvoorbeeld ook de medicus die een artikel gepubliceerd krijgt in Nature, tot een absoluut stilzwijgen, uit de panische angst dat zijn of haar woorden toch maar eens verkeerd zouden kunnen worden geïnterpreteerd.

In de kritiek die in dit tijdschrift is verschenen, wordt een nieuwe norm voorgesteld, die veel strenger is dan diegene die geldt in alle bestaande deontologische codes: je moet je onderzoek niet alleen gepubliceerd krijgen, je moet ook alle mogelijke moeite van de wereld doen om aan te tonen dat je resultaten verkeerd zijn. Het is een beetje vreemd dat die norm blijkbaar alleen geldt als het over allochtonen gaat, maar dit opnieuw terzijde. De norm is absurd omdat wetenschappelijke tijdschriften per definitie openbaar zijn, waardoor je onmogelijk nog een zwijgplicht kunt opleggen aan de auteurs van gepubliceerde artikelen. Het is ook een veel te strenge norm, maar terug wil de ironie dat we hem in dit geval wel gevolgd hebben, vanuit een zeker conservatief perfectionisme. We hebben inderdaad alle mogelijke scenario’s uitgeprobeerd om onze eigen resultaten onderuit te halen. We hebben variaties ingebouwd met betrekking tot het soort criminaliteit (gewelddadig of niet, met of zonder vandalisme erbij, met of zonder moord en doodslag erbij, enzovoort). We hebben ook variaties uitgevoerd met betrekking tot de duur van de observatie (zes jaar samen, of elk jaar afzonderlijk). En we hebben uiteraard ook allerlei variaties geprobeerd in verband met de aanwezigheid van allochtonen (de aanwezigheid van niet-Belgen, niet-Europeanen, asielzoekers, en ja, we hebben zelfs expliciet de aanwezigheid van Turken en Marokkanen onderzocht). In totaal gaat het om zo’n 200 verschillende modellen en operationaliseringen (en uiteraard staan die niet allemaal in het artikel), en stuk voor stuk komt het werkloosheidsniveau als meest significante factor naar voren. Die meer gedetailleerde analyse is intussen trouwens ook al geaccepteerd door een ander peer reviewed internationaal tijdschrift, dus zo slecht zullen die modellen toch niet zijn. Uit al deze modellen kan ik toch moeilijk anders besluiten dan dat er een significante relatie bestaat tussen criminaliteitsniveau en werkloosheidsniveau. Op basis van al die berekeningen, en gelet op het feit dat hetzelfde soort verband wordt aangetoond in honderden andere internationale studies, denk ik dat er een zeer grote zekerheid bestaat over het feit dat er een relatie is tussen werkloosheidsniveau en criminaliteitsniveau.

ZULLEN WE DAN ZWIJGEN?

Een derde onterecht verwijt is de manier waarop het onderzoek in de media is gebracht. Persoonlijk kan ik best wel leven met kritiek, maar ik vind dit bijzonder pijnlijk voor de jongere leden van de onderzoeksgroep die nog hun academische loopbaan moeten maken, en die uiteraard niet verantwoordelijk zijn voor de manier waarop de pers dit thema heeft gebracht. Het is ook spijtig dat er geen rekening wordt gehouden met de rechtzetting die we reeds publiceerden in De Standaard van 9 december 2010. Het zou natuurlijk gemakkelijk zijn hier de schuld af te schuiven op de journalisten, die het allemaal verkeerd hebben opgeschreven. In dit geval gaat dat echter niet: de stukken die worden aangevallen zijn geschreven door Christian Laporte, Pieter Lesaffer en Inge Ghijs, stuk voor stuk ervaren en bekwame journalisten die op een zeer correcte en integere manier de essentie van het wetenschappelijk artikel hebben weergegeven. Ik heb al een paar keer de vraag gesteld waar nu precies de methodologische fout zit in deze artikelen, maar ik heb hier nog nooit een antwoord op gekregen, het blijft meestal hangen bij vage verdachtmakingen. Ook in de kritiek die in deze kolommen is verschenen heeft men het enkel over een ‘indruk’, en wordt geen enkel, maar dan ook geen enkel concreet feit genoemd waaruit een methodologische fout zou blijken. Voor alle zekerheid heb ik er de kwestieuze artikelen nog eens op nagelezen, en daarin is geen sprake van een fout. Het omgekeerde is waar: zelfs in de krant waarschuw ik nog eens expliciet voor de fameuze ecologische fout. In La Libre Belgique van 6 december vraagt Christian Laporte me of de studie dan aantoont dat werklozen verantwoordelijk zijn voor criminaliteit. Het antwoord is zo klaar als een klontje: ‘Non, bien sûr que non. Il n’en est rien. Le chômage doit être replacé dans un malaise sociétal global.’ In De Standaard van 7 december citeert Inge Ghijs me als volgt: ‘Het enige echt sterke verband was dat met economische achterstelling. Dit wil echter niet zeggen dat de werklozen verantwoordelijk zijn voor die criminaliteit.’ Hoe duidelijk kun je zijn? De aanklacht dat we zelf verantwoordelijk zouden zijn voor een foutieve interpretatie in de media, wordt door beide citaten toch wel volledig onderuit gehaald.

De weergave in de kranten was dus duidelijk methodologisch correct. Het is natuurlijk altijd mogelijk dat sommige mensen het bericht verkeerd begrepen hebben, of verkeerd hebben willen begrijpen. Als auteur kan ik hier echter moeilijk verantwoordelijk worden gesteld: uit wetenschappelijk onderzoek weten we heel goed dat mensen met een bepaalde ideologische visie geneigd zijn enkel die informatie te onthouden die in hun kraam past. Bovendien vallen die zogezegde misverstanden al bij al nog mee. In het reeds geciteerde artikel van Inge Ghijs vraagt ze ook een reactie van de Gentse criminoloog Brice De Ruyver (die voor alle duidelijkheid niet bij het onderzoek betrokken was, en die ik ook nog nooit ontmoet heb). Die blijkt perfect in staat de beleidsrelevantie van het onderzoek te duiden: als je onze samenleving veiliger wil maken, moet je niet alleen kijken naar culturele factoren, maar moet je ook rekening houden met socio-economische achterstelling. Als een intelligent waarnemer als professor De Ruyver op basis van een korte krantenbericht een correcte inschatting maakt van het maatschappelijke belang van deze studie, dan kan de communicatie daarover toch niet zo slecht zijn geweest als hier werd beweerd.

ALLOCHTONEN

Mijn ervaring van de afgelopen jaren leert me echter dat van zodra het woord ‘allochtonen’ valt, heel wat mensen blijkbaar niet meer in staat zijn om een tekst nog op een objectieve en kritische wijze te lezen. Onze onderzoekseenheid heeft de afgelopen jaren heel wat onderzoek verricht omtrent de maatschappelijke gevolgen van socioculturele diversiteit, en tot mijn genoegen is dat onderzoek ook gepubliceerd in de meest prestigieuze internationale wetenschappelijke tijdschriften. Als dat onderzoek in de media komt, dan wordt mijn mailbox echter bestookt met de meest gore racistische mails die je je maar kunt voorstellen. Naar aanleiding van deze artikelen word ik ook nu nog bestookt met fraaie bloemlezingen van criminele feiten die door allochtonen worden gepleegd, met de nodige commentaren. Voor een wetenschapper is het niet altijd evident om met dat soort kritiek om te gaan, omdat we toch gewend zijn aan een ander soort omgangsvormen. Misschien leven we inderdaad een beetje in een ivoren toren, maar laten we zeggen dat je er toch moet aan wennen om op die manier alle modder en scheldpartijen over je heen te krijgen. Ik heb het nog eens nagevraagd bij een collega die plantkunde doceert, en in andere disciplines is het inderdaad ongebruikelijk dat je ongevraagd mails en brieven krijgt met vulgaire beledigingen.

Ik hoop met deze rechtzetting voldoende aangetoond te hebben dat de kritiek die in dit tijdschrift is verschenen, zowel op het onderzoek zelf, als op de media-aandacht voor het onderzoek niet berust op een feitelijke basis, maar blijkbaar op een ‘indruk’. Ik heb het vooral willen opnemen voor de jongere leden van ons onderzoeksteam die zeer goed werk hebben geleverd dat door internationale experts ook duidelijk gewaardeerd wordt. Zij verdienen het niet dat hun academische reputatie op een dergelijke manier door het slijk wordt gehaald.

VIVONS HEUREUX, VIVONS CACHÉS?

Maar los van dit individuele geval, denk ik dat deze casus ook relevant is voor de maatschappelijke status van de sociale wetenschappen in het algemeen. Als wetenschappers hebben we een dubbele opdracht. Ten eerste moet ons onderzoek natuurlijk correct zijn, en de beste garantie daarvoor is het onderwerpen van onze resultaten aan een internationale peer review. Ik weet dat er heel wat kritiek is op de A1-cultus aan onze Vlaamse universiteiten, maar mijn ervaring leert me dat je publicaties in internationale toptijdschriften nooit cadeau krijgt. Als je een internationaal expertenpanel kunt overtuigen van de waarde van je werk, dan moet je toch al over stevige argumenten beschikken.

Ten tweede moet ons onderzoek maatschappelijk relevant zijn. Als we het hebben over onveiligheid, maatschappelijk vertrouwen, discriminatie en ongelijkheid, dan geloof ik dat de resultaten van dat onderzoek ook een belang hebben voor de samenleving waarin we leven. Uit de verschenen kritiek op ons werk onthoud ik dat de beste oplossing is helemaal niet te communiceren over onderzoeksresultaten. Ik geef grif toe dat dit de gemakkelijkste oplossing zou zijn: je bespaart jezelf heel veel scheldpartijen en verdachtmakingen. Maar dat zou vaandelvlucht zijn: dan ontlopen we onze maatschappelijke verantwoordelijkheid. Misschien was het veertig jaar geleden inderdaad een goed advies aan jonge wetenschappers om zo weinig mogelijk te publiceren. Maar in de huidige onderzoekscultuur worden jonge vorsers - terecht - beoordeeld op hun output en ze hebben er daardoor alle belang bij reeds in een vroeg stadium van hun loopbaan te streven naar internationale publicaties. Dat is een goede zaak: de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in ons land ligt nu stukken hoger dan enkele decennia geleden.

In het verleden was het misschien mogelijk om onze maatschappelijke rol in te vullen door ook in het Nederlands wetenschappelijke teksten te publiceren. Dat behoort echter tot het verleden: goede wetenschap wordt nu per definitie in het Engels bedreven. Het Nederlandse taalgebied is te klein om een anonieme peer review mogelijk te maken. Als je een anoniem manuscript opstuurt naar een internationaal tijdschrift, krijg je goede en gefundeerde kritiek terug van experten die je van haar noch pluimen kennen. Als je datzelfde manuscript opstuurt naar een Nederlandstalig tijdschrift, dan krijg je ofwel de opmerking terug dat het fantastisch is (van je vrienden), of dat je er echt totaal niets van begrijpt (van je vijanden, of van jaloerse collega’s). Dat is niet langer ernstig te nemen.

En toch geloof ik dat we als sociale wetenschappers moeten blijven praten met de samenleving die we bestuderen. In de praktijk kan dat dus enkel nog via de massamedia, of via tijdschriften als Samenleving en politiek, die we dan ook moeten blijven koesteren. Het opleggen van een norm waarbij je in de praktijk niets meer mag zeggen uit angst om allerlei scheldtirades over je heen te krijgen, lijkt me contraproductief. De sociale wetenschappen verliezen dan hun maatschappelijke relevantie, en dan kunnen ze net zo goed afgeschaft worden. Mijn pleidooi komt er dan ook op neer dat we de bestaande deontologische codes, zoals die internationaal gelden, volgen. Eerst zorg je er voor dat je onderzoek de toets van de kritiek doorstaat, door het gepubliceerd te krijgen in een internationaal peer reviewed wetenschappelijk tijdschrift. Vervolgens mag je uiteraard ook met de media praten, of een samenvatting publiceren in Samenleving en politiek of andere vergelijkbare tijdschriften. Je zult dan uiteraard van sommige collega’s het verwijt krijgen dat je mediageil bent, maar als wetenschappers is er voor ons geen enkele reden om ons licht onder de korenmaat te laten schijnen. In dit concrete geval: ik denk dat onze analyse een aantal gegevens heeft aangeleverd die ervoor kunnen zorgen dat België een veiliger samenleving kan worden. De aandacht daarop richten lijkt me veel nuttiger dan al het gekissebis onder professoren.

Marc Hooghe
Hoogleraar aan de KU Leuven en de Université Lille-II

sociaal onderzoek - media - wetenschappen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 2 (februari), pagina 70 tot 75