Log in

Enkele communautaire dogma's en slogans ontrafeld

SAMPOL-redactieleden over de staatshervorming

Het communautaire thema beheerst ondertussen al maanden, zoniet jaren, in alle hevigheid de politieke actualiteit. In essentie gaat het om een bijzonder complex en technisch debat, met veel diverse facetten. Het is dan ook maar weinigen gegeven om de finesses ervan te beheersen. Zelfs de partijvoorzitters die erover onderhandelen kennen niet allemaal de ins and outs van een dossier als de bijzondere financieringswet, ook niet degene die er achteraf in de televisiestudio’s de meest boude en zelfzekere verklaringen over afleggen.

SAMPOL-REDACTIELEDEN OVER DE STAATSHERVORMING

De N-VA anders bekeken
Jean-Marie De Baene
Wat moet links met Vlaanderen?
Carl Devos
Meer Vlaanderen, betere gezondheidszorg?
Evelyne Hens
Het communautaire avontuur van links: óók niet in mijn naam
Dries Lesage
De lading onder de vlag
Arne Schollaert
Enkele communautaire dogma's en slogans ontrafeld
Dave Sinardet

Precies omdat weinigen het ingewikkelde staatshervormingsdossier onder de knie hebben, leent het zich uitstekend tot simplificaties en slogans. Die geven mensen namelijk de indruk wél vat te krijgen op de problematiek en op de politieke crisis die eruit voortvloeit. Zo zijn er rond het communautaire debat intussen parallelle werelden ontstaan: enerzijds zijn er de technische en complexe besprekingen rond de onderhandelingstafel, anderzijds is er de vertaalslag die daarvan gemaakt wordt door politici en commentatoren in de media en het publieke debat.

Vooral in het politieke discours nam die vertaalslag de voorbije maanden almaar sloganesker vormen aan. Een aantal politieke stellingen heeft bovendien stilaan het statuut verworven van onwrikbare waarheden. Ze zijn haast uitgegroeid tot dogma’s, eindeloos herhaald maar nooit meer kritisch onder de loep genomen. Om een kat een kat te noemen: het dominante discours is vooral dat van het Vlaams-nationalisme, of beter dat van N-VA-voorzitter Bart De Wever. Onder meer dankzij ’s mans retorisch talent en het aplomb waarmee hij in televisiestudio’s het woord voert, hebben een aantal van zijn oneliners een haast onaantastbaar aura gekregen. Dat De Wever er bovendien vaak in slaagt zijn ideologische analyses te verkopen als nuchtere beschrijvingen van de situatie speelt daarin ongetwijfeld ook een rol, evenals dat hij zijn talrijke optredens in populaire media gebruikt om op subtiele, haast ongemerkte manier een aantal van zijn politieke basisideeën over te brengen.

Maar de dominantie van het Vlaams-nationalistische discours is minstens evenveel te wijten aan de andere politieke partijen die, als ze er al niet in meegaan, zelf doorgaans geen duidelijk communautair verhaal hebben, geen inhoudelijk antwoord formuleren op de stellingen van De Wever en het debat ten gronde met hem dus niet aangaan. Waarmee ze hun rol in het democratische politieke debat niet spelen. Ook heel wat journalisten versterken de dominantie van het Vlaams-nationalistische discours, onder meer door de premissen ervan over te nemen, meestal wellicht onbewust. Het valt alleszins op dat weinigen, of het nu politici of journalisten zijn, een aantal van de communautaire dogma’s die het publieke debat vandaag beheersen nog fundamenteel in vraag stellen.

Omdat die dogma’s vaak worden voorgesteld als bestuurlijke of staatkundige analyses, en ze meestal betrekking hebben op de inrichting van de staat en het functioneren van het federaal systeem, is het belangrijk dat ook academici, en met name politicologen zich mengen in het debat daarover. Dat debat gaat immers voor een groot deel over hun core business. Maar vooral behoort het ook tot de taak van academici om recht te doen aan de complexiteit en de nuance die de politieke realiteit steeds meer kenmerkt en die in het politieke discours steeds vaker wordt ontkend. Het communautaire debat moet zonder taboes kunnen worden gevoerd, maar wel op basis van rationele en genuanceerde analyses en argumenten.

In wat volgt proberen we daarom een aantal van de vandaag veelgehoorde stellingen en argumenten over het Belgische federalisme en de communautaire problematiek aan een nuchtere en rationele analyse te onderwerpen.

VERDAMPING, HOMOGENISERING, RESPONSABILISERING EN AANVERWANTEN

#1 “Een staatshervorming is levensnoodzakelijk voor het functioneren van het land en om onze welvaart te kunnen blijven in stand houden. Daarom kan er geen regering gevormd worden zonder staatshervorming.”

Een staatshervorming kan op een aantal vlakken zeker zinvol en in bepaalde gevallen zelfs nodig zijn. De huidige bevoegdheidsverdeling is niet op alle vlakken optimaal. De regionalisering van het arbeidsmarktbeleid (zonder arbeidsrecht en werkloosheidsuitkeringen) kan bijvoorbeeld een coherentere bevoegdheidsverdeling opleveren, die op haar beurt wellicht ook gunstige socio-economische consequenties kan hebben, met name meer mensen aan het werk krijgen.
Dat betekent daarom nog niet dat, indien bijvoorbeeld het arbeidsmarktbeleid niet geregionaliseerd wordt, het land onherroepelijk naar de verdoemenis gaat. Socio-economisch gezien zijn een aantal andere hervormingen veel belangrijker, zoals de hervorming van de pensioenen en het voeren van een gedegen begrotingsbeleid. Dit zijn allemaal zaken die nog op federaal niveau moeten worden geregeld, zelfs in de meer radicale staatshervormingsscenario’s.

Dat er geen regering kan worden gevormd zonder staatshervorming, is dan ook geen natuurwet, maar wel een politieke keuze. Doordat een heel aantal (vooral Vlaamsgezinde) politici jarenlang beweerd hebben dat een staatshervorming levensnoodzakelijk was (en anderen dat niet hebben tegengesproken) werd dit een selffulfilling prophecy. Zo is er een politieke realiteit gecreëerd waarin er geen beleid meer kan worden gevoerd tot die staatshervorming is gerealiseerd, ook niet op die terreinen die wél een reële invloed zullen hebben op de welvaart, zoals de pensioenen of de begroting. Daar komt nog het risico bij dat de politieke instabiliteit an sich tot een verlies aan welvaart kan leiden, zeker wanneer de financiële markten hierop negatief zouden reageren.

Dat een grote staatshervorming tijd in beslag neemt, is op zich niet zo uitzonderlijk. Ook in andere federale landen nemen grondwettelijke hervormingen vaak jaren in beslag, vaak ook zonder het gewenste resultaat, maar daar koppelt men deze niet aan regeringsvormingen. Dit is daarom geen pleidooi om een regering te vormen zonder staatshervorming, want door de politieke mythe die rond die staatshervorming is gecreëerd, zal de afwezigheid ervan wellicht tot politieke instabiliteit blijven leiden en het communautaire thema op de agenda houden, wat paradoxaal genoeg vooral in het voordeel is van partijen die van dit thema leven.

Bovendien is het niet zo dat omdat een staatshervorming op sommige terreinen zinvol kan zijn, dit op alle terreinen zo is. In de verschillende nota’s van de voorbije maanden staan ook veel voorstellen die niets te maken hebben met beter bestuur, maar alles met symboliek. Veeleer gaan ze de complexiteit en versnippering vergroten en vaak zijn ze ook ongewenst door de betrokken sectoren. Dit geldt voor justitie, delen van de plannen die circuleren rond gezondheidszorg, de brandweer, het verkeersreglement (afgekraakt door Touring), wetenschapsbeleid (afgekraakt door academici), agentschap buitenlandse handel (afgekraakt door bedrijfsleiders en diplomaten), het rampenfonds (afgekraakt door elke logisch denkende mens), enzovoort.

#2 “België is geen democratie. Het bestaat uit twee democratieën.”

Een stelling die alvast letterlijk niet klopt. België is natuurlijk wel degelijk één democratie, die beantwoordt aan de traditionele democratische vereisten. Maar hoewel de woordkeuze ‘twee democratieën’ dus wat ongelukkig is, is de achterliggende analyse deels wel relevant. Wanneer wij federale verkiezingen organiseren, organiseren we eigenlijk twee aparte verkiezingen: aan de ene kant heb je Vlaamse partijen die zich aandienen aan Vlaamse kiezers en debatten voeren in Vlaamse media. Aan de andere kant heb je Franstalige partijen die zich aandienen aan Franstalige kiezers en debatten voeren in Franstalige media. Je hebt na die verkiezingen dan twee verkiezingsresultaten waarmee een regering moet worden gevormd en dat heeft soms inderdaad iets weg van een diplomatieke conferentie, om een ander veel gebruikt beeld aan te halen. Dat is ook een deel van de verklaring voor al de blokkeringen en crisissen die we nu kennen.

Er zit bovendien ook een democratisch deficit vervat in ons systeem, wat vooral het gevolg is van de gesplitste politieke partijen. Zo is het bijvoorbeeld voor een inwoner van het Waalse Gewest sinds 1974 niet meer mogelijk om zich bij verkiezingen uit te spreken over de eerste minister van dit land, of zelfs maar over de partij van de eerste minister. Sindsdien is die eerste minister immers steeds een Vlaming die deel uitmaakt van een partij die enkel in Vlaanderen opkomt. Omgekeerd is het voor de meeste Vlamingen al sinds 1988 niet meer mogelijk om bij verkiezingen het beleid van de minister van financiën te beoordelen, toch een belangrijk departement. De laatste 11 jaar was dat Didier Reynders, waarop nochtans veel kritiek was in Vlaanderen, tevoren Philippe Maystadt. Gevolg: de ministers in kwestie voelen zich niet verantwoordelijk voor de andere taalgemeenschap, voor de inwoners van het hele land, hoewel ze een federaal beleid voeren. Om het met een modewoord te zeggen: er is dus ook een gebrek aan ‘responsabilisering’ van politici tegenover iedereen waarvoor ze beleid voeren.

In de basisanalyse van de ‘twee democratieën’ zit dus wel degelijk een grond van waarheid. Volgens De Wever is de enige oplossing voor het democratisch probleem een splitsing van het land. Om tal van redenen is dat natuurlijk niet evident. Het is niet omdat een splitsing technisch mogelijk is dat het ook politiek mogelijk is. Wat met Brussel, om maar één heikele vraag te noemen, waarop niemand tot nu toe een bevredigend antwoord heeft kunnen geven. Bovendien stelt het probleem van het democratisch deficit zich nú, terwijl De Wever zelf beweert dat zo’n splitsing zeker niet voor vandaag is en hij de weg van de geleidelijkheid predikt. Vermits we dus nog een tijd voort moeten met België, moeten we het dus beter en democratischer laten werken, om ook een herhaling van het scenario van de voorbije jaren te helpen vermijden.

Er zijn echter oplossingen voorhanden die veel minder energie vragen dan een splitsing van het land en minder moeilijkheden opleveren. Men kan bijvoorbeeld vijftig volksvertegenwoordigers verkiezen via een federale kieskring. Eens men daarvoor een meerderheid heeft, is dat een relatief makkelijke ingreep om te stemmen en door te voeren.Het klopt dus dat we met twee verschillende politieke sferen zitten, maar zij die het hardst roepen dat dit een probleem is, zijn ook degenen die het hardst tegen één van de meest logische oplossingen zijn. De N-VA heeft er bij de onderhandelingen van de voorbije maanden een zeer duidelijk veto tegen gesteld, zelfs in de vooral symbolische variant om dit enkel in te voeren voor de Europese verkiezingen.

#3 “België zal vanzelf verdampen. Het niveau Vlaanderen en het niveau Europa zullen meer bevoegdheden overnemen. België zal als overbodig tussenniveau vanzelf verdwijnen. Dat is in essentie een natuurlijke evolutie.”

Men kan zich allereerst afvragen waarom, als deze stelling zou kloppen en het dus om een automatisch proces zou gaan, sommige partijen al maanden hemel en aarde bewegen om een aantal bevoegdheden van het Belgische naar het Vlaamse niveau te brengen.
Ten gronde klopt de stelling dan ook niet. Er zijn een heel aantal bevoegdheden die nu op het Belgische niveau liggen en die de Europese Unie de komende jaren niet meteen zal overnemen. Eén van de belangrijkste is ongetwijfeld het systeem van interpersoonlijke solidariteit in de sociale zekerheid. Momenteel bestaat zo’n systeem op Belgisch niveau, tussen bijna 11 miljoen Belgen. Het is zeer utopisch te denken dat dit snel op Europees niveau zal worden gerealiseerd, al kan het natuurlijk wel een zinnig ethisch streefdoel zijn om de schaal waarop je solidariteit organiseert te vergroten. Zelfs de voorstanders van een Europese sociale zekerheid moeten echter erkennen dat zoiets in de huidige context niet implementeerbaar is, omdat er te veel verschillen zijn tussen de 27 bestaande systemen.
Een vergroting van de solidariteitskring naar Europa is dus iets om naar te streven op lange termijn. Vanuit die doelstelling is het echter wel een stap achteruit om de solidariteitskring in België ondertussen te gaan verkleinen, door solidariteit nog maar te organiseren tussen bijvoorbeeld 6 miljoen Vlamingen en 4 miljoen Walen. Het staat bovendien ook haaks op de logica van het verzekeringsprincipe dat inherent is aan elk systeem van sociale zekerheid: risico’s kunnen best zo veel mogelijk gespreid worden. Hoe kleiner de groep verzekerden, hoe moeilijker dat wordt.
Kortom: gezien Europa de interpersoonlijke solidariteit nog niet voor haar rekening neemt, en dat waarschijnlijk in de komende decennia niet zal doen, is België alleen al daarom zeker geen overbodig niveau, dat vanzelf zal verdwijnen. Er is op dit moment ook geen politieke meerderheid, ook niet aan Vlaamse kant, om het systeem van interpersoonlijke solidariteit niet meer op Belgisch niveau te organiseren, al liggen er wel voorstellen op tafel die als een eerste stap daarnaar kunnen worden gezien.

#4 “Wallonië ontvangt solidariteit, maar doet niets om uit de slechte socio-economische situatie te geraken. Geld mag geen infuus zijn, zoals drugs voor een junkie. Wallonië moet worden geresponsabiliseerd.”

Het klopt dat Wallonië in de jaren 1980 en 1990 niet het beste beleid heeft gevoerd om haar economisch herstel te bespoedigen. Het creëren van extra tewerkstelling leek niet de eerste prioriteit van Waalse regeringsleiders zoals Collignon of Van Cauwenberghe of van ministers als Happart - die trouwens ook Waalse regionalisten waren. Daar moet wel aan toegevoegd worden dat dit een gevolg was van de regionalisering, die men ook aan Vlaamse kant heeft gewild. Het is niet echt consequent om eerst te zeggen dat ieder een beleid naar eigen inzichten moet kunnen voeren en dan plots te klagen dat het beleid van de ander te verschillend is en foute inzichten bevat. Wou men daarover zeggenschap behouden, had men die bevoegdheid nationaal moeten houden.

De voorbije tien jaar is er echter duidelijk een nieuwe wind gaan waaien, met het aantreden van een nieuwe generatie, waaronder Elio Di Rupo, Jean-Claude Marcourt (Waals minister van Economie), Rudy Demotte, Paul Magnette en nog een aantal anderen. Het cliché dat men in Wallonië een marxistische politiek voert, klopt al lang niet meer. De uitgangspunten van het beleid in Wallonië zijn grotendeels dezelfde als in Vlaanderen: zoveel mogelijk de economie stimuleren. In dat opzicht is het Waalse ‘Marshallplan’ vergelijkbaar met ‘Vlaanderen In Actie’ van Kris Peeters, alleen is dat laatste een minder ‘sterk merk’.

Dat begint ook wel degelijk zijn vruchten af te werpen. Qua economische groei deed het Waals Gewest het zowel in 2008 als 2009 procentueel beter dan het Vlaams Gewest. Volgens de studiedienst van KBC zou Wallonië vanaf 2015 structureel sneller groeien dan Vlaanderen, onder meer omdat de vergrijzing in Vlaanderen veel sterker is. Het aantal KMO’s stijgt de voorbije jaren sneller in het Waals dan in het Vlaams Gewest. In 2010 bedroeg de stijging van het aantal jobs in KMO’s 4,3% in Wallonië tegenover 1% in Vlaanderen. Ook de activering van werklozen is ondertussen goed op gang gekomen. Er worden ondertussen zelfs meer langdurig werklozen gesanctioneerd, door het verlies van een deel van hun uitkering, dan in Vlaanderen. Vele bedrijfsleiders stellen dat het ondernemingsklimaat in Wallonië op dit moment beter is, onder meer vanwege het betere vergunningenbeleid. Zo is er in het Waals Gewest minder administratieve rompslomp voor wie wil investeren. Of zoals Louis Tobback het onlangs formuleerde: ‘Google is voor haar vestiging in Mons naar Di Rupo gestapt en binnen de zes maanden was alles in orde. Waren ze naar Kris Peeters gestapt om in Puurs iets te beginnen dan waren ze waarschijnlijk nog altijd aan het wachten.’

#5 “Als Wallonië het tegenwoordig dan toch zo veel beter doet, waarom heeft het dan zoveel schrik voor meer responsabilisering?”

Er is wel degelijk een begin van nieuw elan in Wallonië. Maar ze komen natuurlijk van ver, waardoor de kloof op heel wat punten groot blijft. Het primaire inkomen (dat is het inkomen voor belastingen, sociale bijdragen en uitkeringen, dus voor herverdeling) lag in 2009 in Vlaanderen gemiddeld bijna een kwart hoger dan in Wallonië en bijna 15% hoger dan in Brussel. Na die herverdeling ligt het gemiddelde inkomen van een Waal nog steeds 17% lager en dat van een Brusselaar nog steeds 11% lager dan van een Vlaming. Dat blijkt uit cijfers van het Instituut voor Nationale Rekeningen. Het is een werk van lange adem om die achterstand in te halen. Als je vandaag de solidariteit die bestaat via de sociale zekerheid of via de financieringswet zou doorknippen, dan zal Wallonië dus wel degelijk verarmen. Vandaar dat Franstalige partijen als de PS zich daartegen verzetten.
Het woord ‘responsabilisering’ is ondertussen een slogan geworden waaraan impliciet verschillende definities gegeven worden en die blijkbaar vooral dient om het beeld te versterken dat men zich in Wallonië niet verantwoordelijk gedraagt. In de feiten bestaat er voor een deel al responsabilisering in de huidige financieringswet, omdat de dotaties die de regionale overheden ontvangen voor een groot deel gebaseerd zijn op de ontvangsten van de personenbelasting in die regio. Het is wel zo dat er daarnaast een solidariteitsmechanisme bestaat dat de grootste verschillen compenseert. Dat kent nu enkele perverse effecten die men best kan wegwerken, al zijn ze in de praktijk wel vrij beperkt.
Responsabilisering in het arbeidsmarktbeleid bestaat nog niet en zou theoretisch gezien wel een goede zaak zijn, maar het is zeer moeilijk om het onderscheid te maken tussen het effect op de arbeidsmarkt van beleid enerzijds en van exogene factoren anderzijds. Het is ook niet bewezen dat dergelijke responsabilisering een werkelijk effect kan hebben op het beleid.

Responsabilisering zou vooral moeten worden gerealiseerd op terreinen waar er wel een duidelijk verband bestaat tussen een bepaald beleid op het ene niveau en bepaalde onwenselijke gevolgen op het andere niveau. Dat is vooral zo wanneer een overheidsniveau de negatieve financiële gevolgen van haar beleid kan afwentelen op een ander overheidsniveau. Het dossier over de pensioenlasten van de ambtenaren is een prachtig voorbeeld. De gewesten kunnen zelf beslissen om meer ambtenaren aan te werven of om ze opslag te geven (wat onlangs is gebeurd). Maar de pensioenen worden federaal betaald. Als de Vlaamse of Waalse regering beslist om meer ambtenaren aan te nemen, dan is het dus responsabiliserend dat zij daarvan ook een deel van de financiële gevolgen voor de pensioenen moeten dragen. Dit soort responsabilisering zou dringend moeten worden gerealiseerd. Onlangs bleek echter dat politici die dat al jaren publiek bepleiten, terugkrabbelen als het zover is. Zo verzette Vlaams minister-president Kris Peeters zich tegen het feit dat de voorgestelde responsabilisering in de nota Vande Lanotte ook geld zou kosten aan Vlaanderen.

#6 “De Franstaligen vormen een front, de Vlamingen helaas niet.”

Het homogene beeld van dé Vlamingen en dé Franstaligen klopt sowieso niet. Zeker niet voor de publieke opinie, zoals blijkt uit survey-onderzoek, maar ook niet altijd voor de politieke klasse. Binnen de context van de voorbije maanden met zeven onderhandelende partijen, klopt het wel dat de overeenstemming tussen de Franstalige partijen groter is dan tussen de Vlaamse. Aan Vlaamse kant is er op cruciale momenten een duidelijke breuklijn tussen sp.a en Groen! aan de ene kant en wat je stilaan het kartel N-VA/CD&V kan noemen aan de andere kant. Dat heeft te maken met het feit dat er naast een communautaire tegenstelling ook een links/rechts-tegenstelling bestaat. Die blijft vaak onderbelicht. Het is logisch dat linkse Vlaamse partijen zoals de sp.a en Groen! en de ACW-vleugel van de CD&V het eerder eens zijn met linkse Franstalige partijen over dossiers die raken aan de solidariteit en de sociale zekerheid. Wat ook meespeelt is dat rechtse Vlaamse partijen ook bevoegdheden willen splitsen om dan op Vlaams niveau een rechtser beleid te kunnen voeren dan wat nu op federaal niveau mogelijk is. Dat linkse partijen daar huiverachtig voor zijn is niet onbegrijpelijk.

Maar het Franstalige front is vooral hechter omdat het een defensief front is. Het is makkelijker om een consensus te vinden over waar je een lijn trekt op het vlak van toegevingen, dan om een consensus te vinden binnen een offensief front over wat je wil binnenhalen. Toch zijn er ook tussen PS, cdH en Ecolo wel wat meningsverschillen. Zo ziet de PS de regionalisering van justitie wel zitten, omdat de partij zo meer greep krijgt op het gerechtelijk apparaat, onder meer via benoemingen. Het fenomeen dat net voor de verkiezingen wel eens PS-politici in verdenking gesteld worden door hen minder gunstig gezinde rechters, zouden ze op die manier wat kunnen indijken. Ecolo en cdH zien zo’n dominantie van de PS op justitie en dus zo’n splitsing liever niet gebeuren.
Ook op het vlak van de gezondheidszorg zijn er verschillen. De PS heeft veel macht in de ziekenhuizen en is daarom eerder voorstander van het direct raadplegen van specialisten; cdH en vooral Ecolo zitten meer op de ‘Vlaamse’ lijn van eerstelijnshulp door huisdokters. Daarom willen ze de gezondheidszorg liefst federaal houden, omdat ze aan Vlaamse zijde bondgenoten hebben om hun standpunt te verdedigen tegenover de PS.
En op het vlak van de taalproblematiek in Brussel en de Rand is er een verschil tussen de MR en de andere Franstalige partijen, vooral PS en Ecolo. Tijdens de onderhandelingen met Jean-Luc Dehaene wou de PS de splitsing van BHV vooral gecompenseerd zien met meer geld voor Brussel en niet zozeer met rechten voor Franstaligen in de faciliteitengemeenten, terwijl dat net de eerste eis was van het FDF, dat deel uitmaakt van de MR.

#7 “Verder splitsen is nodig om de bevoegdheidspakketten te homogeniseren”

In deze tijden van ‘multi-level governance’, zoals dat in de politicologische literatuur heet, zijn homogene bevoegdheidspakketten een utopie. Verdeling van beleid over verschillende niveaus is de norm geworden. Zo is het milieubeleid Europees, federaal, Vlaams, lokaal, maar ook mondiaal - denk aan Cancun. De politieke realiteit wordt steeds complexer. Steeds meer niveaus zijn veroordeeld om samen te werken. De éne natiestaat die alles besliste, dat bestaat niet meer.

Bovendien is het vaak zo dat door het éne bevoegdheidspakket zogenaamd ‘homogener’ te maken, een ander bevoegdheidspakket minder homogeen wordt. Neem bijvoorbeeld het arbeidsmarktbeleid.
Tewerkstelling is vandaag voor een groot deel een regionale bevoegdheid. Er zijn mensen die daarom voorstellen om ook de werkloosheidsuitkeringen te regionaliseren, want dan krijg je een homogener pakket. Dat dit wat homogener wordt op regionaal niveau klopt wel, maar dan wordt het pakket van de sociale zekerheid, dat nu wél homogeen (federaal) is, weer versnipperd. Werkloosheidsuitkeringen hebben ook repercussies op andere aspecten van sociale zekerheid, zoals de pensioenvorming.

Uiteindelijk gaat achter het debat over het al dan niet homogeniseren van het tewerkstellingsbeleid ook een links/rechts-tegenstelling schuil. De inzet is de vraag: ‘waarvoor dienen werkloosheidsuitkeringen?’ Definieer je ze als een onderdeel van het arbeidsmarktbeleid, dan zie je ze vooral als een instrument om mensen aan het werk krijgen. Je kan de uitkeringen dan bijvoorbeeld in de tijd beperken en er zo de arbeidsmarkt mee reguleren. Maar als je de werkloosheidsuitkeringen beschouwt als een onderdeel van de federale sociale zekerheid, dan zie je ze eerder als een sociale verworvenheid, een sociaal recht, dat losstaat van arbeidsmarktpolitiek.
Het homogeen maken van bevoegdheidspakketten is dus niet alleen een technische kwestie. Er zit ook een ideologisch debat achter. Dat is ook normaal, maar dat ideologische debat wordt niet meer in die termen gevoerd, maar verduisterd door de indruk te geven dat het enkel om een technische en communautaire kwestie gaat.

#8 “De Franstaligen houden alleen van België omdat het hun eigenbelang dient.”

Het pro-Belgisch discours van sommige Franstalige politici is inderdaad soms vrij hypocriet. De PS is in de jaren 1970 en 1980 een regionalistische partij geweest, tot ze meer baat had bij het federaal houden van een aantal bevoegdheden. Al kan hetzelfde natuurlijk gezegd worden van sommige Vlaamse partijen die ook vooral die bevoegdheden willen splitsen die financieel interessant zijn voor Vlaanderen.
Aan beide kanten van de taalgrens is er voor een deel sprake van ‘instrumenteel federalisme’: iedereen bekijkt het federale niveau in functie van wat hij eruit kan halen voor de eigen gemeenschap (of de eigen partij, wat niet altijd samenvalt). Er zijn vandaag nauwelijks politici die het federaal belang verdedigen. Een federale kieskring zou daaraan kunnen verhelpen, omdat die politici zou kunnen verplichten om rekening te houden met kiezers aan beide kanten van de taalgrens.

Wat in elk geval niet klopt is het beeld dat soms aan Franstalige kant wordt opgehangen: ‘wij zijn allemaal goede Belgen die altijd geprobeerd hebben om België bij elkaar te houden, maar helaas zijn er die stoute Vlaams-nationalisten die al jaren proberen om België kapot te maken’.
Heel de Gewestvorming is er mede gekomen op vraag van de PS. En dat men in de jaren 1930 België niet volledig tweetalig heeft gemaakt, was niet enkel omdat Vlaams-nationalisten tegen waren, maar ook omdat heel wat Franstalige politici vreesden dat tweetalige Vlaamse ambtenaren de plaats zouden innemen van eentalig Franstalige ambtenaren. Ook in het onderwijs is er in Franstalig België zeer lang te weinig geïnvesteerd in tweetaligheid. Al is dat nu aan het veranderen.

Neem ook het voorstel voor een federale kieskring. Vaak wordt gezegd dat dit een Franstalig idee is, maar dat klopt niet. In de jaren 1980 werd het bijvoorbeeld al eens voorgesteld door Wilfried Martens, in het kader van de derde staatshervorming. Dat werd toen onder meer afgeblokt door de PS, officieel omdat het een terugkeer zou betekenen naar de unitaire staat - eigenlijk hetzelfde argument dat de N-VA nu ten onrechte gebruikt. De PS was vooral tegen omdat ze vreesden dat een populaire nationale figuur als Martens dan ook stemmen zou kunnen halen bij Franstaligen, wat ongetwijfeld ook grotendeels de reden was dat die het voorstelde.

De standpunten over de federale kieskring hebben weinig te maken met overtuiging over wat nu het best is voor het land, maar vooral met electorale calculs. Bij de sp.a zijn er bijvoorbeeld heel wat mensen voor, maar de partijtop is tegen, onder meer omdat sommigen vrezen dat de Franstaligen die aan de kust wonen dan niet meer voor hen zouden stemmen maar voor de PS.

#9 “Het probleem is het taalimperialisme van de Franstaligen. Ze doen in de Vlaamse Rand geen enkele moeite om Nederlands te leren.”

Over de problematiek van Brussel en de Vlaamse rand wordt vaak gesproken in termen van Franstalig imperialisme. Alsof de Franstaligen bewust in de Vlaamse Rand komen wonen om de regio te annexeren. Ook hier wordt een bestaand spanningsveld enkel door een communautaire bril bekeken. Het zou beter zijn dit te bekijken als het socio-demografisch proces dat het ook is.
Dan zien we dat een aantal inwoners van het Brussels Gewest - net zoals die in andere grote steden - het centrum ontvluchten om zich te vestigen aan de rand van de stad. De redenen zijn overal grosso modo dezelfde: onveiligheid, overlast, te multicultureel, onvoldoende groen… Hetzelfde proces zie je ook met de stadsvlucht in Antwerpen. Dat creëert in de rand van die steden fenomenen als verstedelijking van wat ooit dorpen waren, vermindering van de sociale cohesie, etcetera. Maar in Brussel heeft zich daarop het probleem geënt dat een grote meerderheid van de Brusselaars Frans spreekt en dat de Rand ééntalig Nederlands grondgebied is. Natuurlijk zou het logisch en wenselijk zijn dat wie zich vestigt in een bepaalde regio de moeite doet om de taal te leren maar zo werkt het niet altijd. De stedelingen die zich in de Rand vestigen hebben vaak geen enkele drijfveer om Nederlands te leren want hun beroeps- en vaak ook hun sociale leven speelt zich af in een Brusselse, Franstalige context.
Een bijkomende nuancering is dat het in de feiten ook steeds minder over verfransing en steeds meer over verengelsing gaat, vanwege de internationalisering van Brussel. En er is ook nog het feit dat heel wat Brusselse allochtonen in de Rand gaan wonen, waardoor ook de spanningen die multi-culturaliteit met zich meebrengen er bovenop komen. Alles tezamen is de term ‘ontnederlandsing’ wellicht dus veel correcter. Het is alleszins veel complexer dan Franstalig imperialisme.

De vraag is nu: hoe ga je daar als overheid mee om? Dat de Vlaamse regering probeert om het Nederlandstalige karakter van de Rand te vrijwaren en zelfs te versterken is zeker legitiem. Alleen heeft men dat in het verleden wellicht te veel gedaan met negatieve in plaats van met positieve stimuli.
De rondzendbrief-Peeters, naar de naam van de Vlaamse socialistische minister, is een voorbeeld van zo’n negatieve stimulus. Franstalige inwoners van de faciliteitengemeenten verplichten om telkens wanneer ze een officieel document in het Frans willen ontvangen een aanvraag te doen, gaat weinig effect sorteren voor het Nederlandstalig karakter van de Rand. Eerder integendeel. Je geeft Franstaligen het gevoel dat ze gepest worden, wat niet echt een stimulans is om Nederlands te leren.
Bovendien geef je een wapen in handen van de radicale Franstaligen van het FDF. Olivier Maingain stuurt nog elke dag bloemen naar Leo Peeters, die als minister de rondzendbrief in 1998 heeft uitgevaardigd. De hele heisa rond de niet-benoeming van drie Franstalige burgemeesters in de faciliteitengemeenten komt voort uit die rondzendbrief. Het FDF heeft die drie burgemeesters tot een soort martelaren gemaakt van de Franstalige zaak. Als je het FDF bezig hoort lijkt het alsof ze in een kerker op water en brood zitten. Zoals wel vaker zie je hier dat de radicalen aan beide kanten elkaar versterken. Nochtans was de situatie in de faciliteitengemeenten na de pacificatiewet van Dehaene in 1988 wel degelijk gepacificeerd, tot de uitvaardiging van de rondzendbrief-Peeters.

Wat Vlaanderen wél kan doen, is proberen om een aantal evoluties positief te begeleiden. Dat dé Franstaligen zouden weigeren om Nederlands te leren, is zeker voor de jongere generatie al lang niet meer waar. We zien dat meer en meer Franstaligen in de Rand hun kinderen naar Nederlandstalige scholen sturen. Voor een deel omdat ze het belangrijk vinden dat hun kinderen Nederlands leren, voor een deel omdat het Nederlandstalig onderwijs een betere reputatie heeft. Zij die klagen dat Franstaligen geen Nederlands willen leren, zouden dit een positieve evolutie moeten vinden. Maar ze klagen dan weer dat de Nederlandstalige scholen verfransen. Dat een grotere instroom van Franstaligen moeilijkheden met zich meebrengt is ongetwijfeld waar, maar waarom probeert men die evolutie dan niet positief te begeleiden door extra middelen aan die scholen toe te kennen voor speciale taalprogramma’s?
Ook onderdompelingsonderwijs, waarbij leerlingen vakken krijgen in een andere taal, kan wel in Wallonië, maar is decretaal nog steeds verboden in Vlaanderen. In het Waalse Mar-shallplan wordt een betere taalkennis ook gestimuleerd. Je ziet ook hier dus onmiskenbaar een evolutie, weg van de klassieke clichés, zij het nog embryonaal.

Dave Sinardet
Redactielid Samenleving en politiek en professor politieke wetenschappen verbonden aan de VUB, de UA en de FUSL.

Noot
Dit artikel is deels gebaseerd op een interview van de auteur , afgenomen voor het tijdschrift Kenteringen, en tevens gepubliceerd op de nieuwssite DeWereldMorgen.

staatshervorming - N-VA - communautaire problemen - communautaire verschillen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 3 (maart), pagina 40 tot 50