Abonneer Log in

'Een hart voor de wereld, zeven vrouwenportretten'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 4 (april), pagina 78 tot 80

Een hart voor de wereld, zeven vrouwenportretten

Dirk De Schutter
Klement-Pelckmans, Zoetermeer, 2011

Dirk De Schutter heeft een mooi boekje geschreven. Boekje, inderdaad. Iets meer dan honderd bladzijden vrij grote druk, maar het is de moeite waard. Hij volgde het voorbeeld van Hannah Arendt, die in Men in dark times essays bundelde over personen die de moed gehad hebben om weerstand te bieden. Ze waren bereid ‘om in naam van de menselijke waardigheid te spreken en te handelen en zo de herinnering aan de beschaving in stand te houden.’ (10)

Over Arendt gaat niet alleen het eerste hoofdstuk, maar het denken van die bijzonder belangrijke filosofe is de rode draad in de andere hoofdstukken. Zij schreef over het falen van de politiek, dat culmineert in totalitaire regimes. Deze ontstelen de mensen hun menselijkheid, hun vermogen in het publieke debat te treden. Mensen zijn er van elkaar afgezonderd en verlaten. Ze doen het kwade uit onnadenkendheid. En de slachtoffers, die zwijgen, zijn mee verantwoordelijk voor dat kwade.

Sophie Scholl zat als twintigjarige samen met haar broer in het verzet tegen nazi-Duitsland. Ze werden, zoals zoveel anderen, gearresteerd en onthoofd. Als tieners hadden ze het nazisme nochtans eerst toegejuicht. Wandelingen in de natuur, wapperende vlaggen en marcherende kolommen lokten hen mee. Tot ze doorhadden dat het totalitarisme het absolute kwaad incarneert. Er valt gewoon niet samen te leven met een systeem dat vrijheid, vertrouwen en solidariteit negeert. Vanuit een christelijke inspiratie kwamen zij in verzet. Het waren geen bovenmenselijke helden, maar ze verdedigden het alledaagse, kleine en voor de hand liggende.

Susan Sontag zoekt een nieuwe benadering van kunst, waarbij ze zich wil onthouden van theorie en interpretatie. Ze schrijft onder meer over fotografie. Ze gaat radicaal in de clinch met Leni Riefenstahl, die zij verwijt wel degelijk propagandiste van de nazi’s geweest te zijn. En ze uit haar verontwaardiging over de houding van de VS na 11 september 2001. De aanslag heeft volgens haar de hersens van de Verenigde Staten uitgeschakeld. Van literatuur verwacht zij een vorm van ethisch nadenken. Verhalen tonen de complexiteit van de wereld en verruimen ons denken. Arendt had het ook al over ‘verruimd denken’.

Azar Nafisi, geboren in Teheran, ligt mee aan de basis van de verdrijving van de sjah. Ze moet ervaren dat de revolutie overgenomen werd door de moslimfundamentalisten, die natuurlijk zeer vrouwvijandig waren. Ze hadden het echter ook niet voor literatuur en vaardigden eigenlijk een verbod uit om te lezen. De fundamentalisten hebben alle voeling met de religieuze taal verloren. Het is immers geen terugkeer naar de meest archaïsche tradities, maar een heel modern verschijnsel dat juist voeling met het verleden mist. Het moderne totalitarisme legt beslag op het meest intieme privéleven. Het dwingt de burgers zelfs tot medeplichtigheid, tot instemming met de repressie. Mensen worden veroordeeld tot overbodigheid. In die context is het lezen van romans een daad van verzet. Romans houden de meerduidigheid van het leven in stand. ‘Lezen is een oefening in oordelen’. (71)

Pumla Gobodo-Madikizela maakte in Zuid-Afrika deel uit van de waarheidscommissie. Zij wijst op de medeplichtigheid van de samenleving. Iedereen wist dat tegenstanders van de apartheid vermoord werden. Aan de andere kant is het te gemakkelijk de daders monsters te noemen die alle menselijkheid verloren hebben. Het kwaad heeft wel degelijk een menselijk gezicht. Hun misdaden moeten niet vergeten, wel vergeven worden. Dat is de enige manier om het effect van die daden op het heden ongedaan te maken. Vergeven is bevrijden! Pumla Gobodo-Madikizela gaat in dat opzicht verder dan Arendt, van wie zij het werk wel degelijk kent. Het onvergeeflijke moet soms vergeven kunnen worden, wil een samenleving op een bepaald moment een nieuw begin kunnen maken.

Anna Politkovskaja wilde als journaliste gewoon neerschrijven wat ze zag. Ze klaagde aan dat de pers de Russische werkelijkheid verdoezelt. Moorddadigheid, armoede, inperking van de persvrijheid, militarisering… worden weggemoffeld. Alleen verbergt men dan dat Poetin eigenlijk een totalitair regime geïnstalleerd heeft. Het ontneemt de mensen hun menselijkheid. ‘Geen enkel initiatief is toegestaan, weet ook Anna Politkovskaja. Zelfs niet de vrijheid om te treuren of te schreien, want die suggereert dat er een onophefbaar tekort is waaraan de staat niet tegemoet kan komen.’ (95).Het Westen laat begaan en de Russische bevolking laat zich in slaap sussen.

Arundhati Roy begon haar schrijverscarrière met The God of small things. Daarna schreef ze alleen nog non-fictie. Ze concentreert zich op een analyse van de terreur verbonden aan globalisering. Ze laat zich inspireren door het begrip ‘Empire’ van Negri en Hardt, maar houdt zich vooral voor de zuurstof van de wereldhegemonie af te snijden. Dat is een taalstrijd. Empire heeft ons woorden als vrijheid, vooruitgang en moderniteit afgepakt. We moeten ze terugnemen en er de onuitputtelijke rijkdom van het vertellen voor in de plaats stellen.

Zeven vrouwenportretten. Zeven vrouwen die zich afzetten tegen het totalitarisme, tegen de ontmenselijking. Twee hebben het met hun leven bekocht. De Schutter maakt in elk geval duidelijk dat ze alle zeven verwant aan elkaar zijn, precies in hun analyse dat totalitarisme te maken heeft met verlies aan taal. Maar ook in hun opvatting dat wie geen verzet pleegt medeplichtig is. Verzet plegen is niet noodzakelijk een zaak van grote heldendaden, het is een eenvoudige zaak van spreken, vertellen. Maar soms ook van vergeven, als voorwaarde om opnieuw te kunnen beginnen. Ik heb natuurlijk maar een paar flarden van hun denken kunnen weergeven, maar hoop toch dat duidelijk is dat Hannah Arendt in dit verhaal een spilfiguur is.

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 4 (april), pagina 78 tot 80