Abonneer Log in

De Januskop van het financiële systeem

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 6 (juni), pagina 17 tot 24

Een van de gevaarlijkste bankiers van de wereld, zo omschreef de voormalige hoofdeconoom van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) de CEO van een van de grootste Europese banken toen die een rendement van 25% als doelstelling bekend maakte. Een dusdanig hoog rendement is enkel mogelijk indien een bank belegt op een zeer risicovolle manier. Of die houding representatief is voor de banken is moeilijk te achterhalen. Wat wel duidelijk is dat de sector zich verzet tegen striktere regelgeving en dat die regelgeving op een minimalistische manier geïnterpreteerd wordt. In dit artikel gaan we na welke veranderingen in de regelgeving voor banken doorgevoerd zijn en in welke mate banken ze toepassen.

Tot 2007 realiseerden banken effectief rendementen van 20% en meer. Ze leenden massaal goedkoop geld op de korte termijn op de interbankenmarkt om te beleggen in zeer complexe en risicovolle producten. De onderliggende waarden van die producten waren vooral de rommelhypotheken die in de VS massaal waren verkocht met nauwelijks enige garantie dat ze ook werkelijk zouden worden terugbetaald. Toen de vastgoedzeepbel in de VS ontplofte moesten banken zeer grote waardeverminderingen boeken. Omdat het eigen kapitaal te beperkt was, hadden ze niet de eigen middelen om die financiële aderlating op te vangen. De interbankenmarkt bood ook geen oplossing meer: omdat er weinig duidelijkheid was over de financiële gezondheid van de tegenpartij weigerden banken elkaar nog geld te lenen. Zonder massale kapitaalinjecties van nationale en internationale overheden zou het financiële systeem geïmplodeerd zijn.

Eigenlijk is een striktere regelgeving, zowel vanuit het standpunt van de banken als dat van de maatschappij en de belastingbetaler, de logica zelve. In Canada en Australië is er nauwelijks sprake geweest van een financiële crisis. De wetgeving in beide landen verplicht de banken tot een conservatiever beleid. De kapitaalratio’s waren hoog, de blootstelling aan rommelhypotheken en andere toxische producten was zeer klein (1% in Australië en 3% in Canada tegenover 15% in de VS en Europa), de afhankelijkheid van kortetermijnfinanciering en de activiteit in investeringsbankieren waren beperkt. De grote Canadese en Australische banken worden tot de veiligste ter wereld gerekend en ze slaagden erin winstgevend te blijven tijdens de financiële crisis.

HET DE LAROSIÈRE RAPPORT: HET FALEN PIJNLIJK BLOOTGELEGD

In februari 2009, op het hoogtepunt van de financiële crisis, publiceerde de ‘High-Level Group on Financial Supervision’ van de EU op vraag van de Europese Commissie haar aanbevelingen voor een beter beheer van het financiële systeem in het De Larosière rapport.1 De conclusies werden later bevestigd in rapporten van de Europese Commissie, het Internationaal Monetair fonds en de OESO. Het rapport maakte duidelijk dat het risicobeheer van vele banken niet deugde. Nog belangrijker was dat de crisis pijnlijk aantoonde dat de financiële basis van banken zwak was en niet in verhouding stond tot de genomen risico’s. Er was onvoldoende eigen kapitaal, banken waren veel te afhankelijk van externe kortetermijnfinanciering en er was geen transparantie over de kwaliteit van de activa.

Goed risicobeheer is in de eerste plaats afhankelijk van een efficiënte interne organisatie. Er zijn een aantal algemene indicaties, maar ‘harde’ criteria voor het beoordelen van de degelijkheid van risicobeheer zijn er niet. Dat ligt anders voor de kapitaalstructuur. Hier kunnen wel degelijk minimumnormen geformuleerd worden. Het draait vooral om duidelijke definities (bijvoorbeeld wat is kapitaal?) en de nodige transparantie van banken (bijvoorbeeld om de kwaliteit van de activa te beoordelen).

Sinds de publicatie van het rapport hebben Europese en internationale overheden en toezichthouders maatregelen genomen om de kapitaalbasis en het risicobeheer van banken te verbeteren. Maar dat ging niet zonder moeite.

BASEL III: EEN GEMISTE KANS

De verantwoordelijkheid voor de regulering, toezicht en risicobeheer van de banken ligt bij het Bazelcomité.2 Toen er op het einde van 2009 sprake was dat het Comité strengere kapitaal- en liquiditeitsvereisten zou opleggen, reageerde de financiële sector furieus, daarin gesteund door een aantal Europese regeringen. Het International Institute of Finance (IIF), zeg maar de lobbymachine van de banksector, publiceerde in 2010 een studie om aan te tonen dat striktere regelgeving zou leiden tot een vertraging van de economische groei, een lagere toename van de werkgelegenheid en minder kredietverlening aan de bedrijven. Cynischer kan moeilijk: tussen het tweede kwartaal van 2008 en het eerste kwartaal van 2010 daalde de werkgelegenheid in de Europese Unie van 224,9 tot 218,7 miljoen, het BBP van de EU daalde in 2009 met 4%, de kost van de reddingsscenario’s is opgelopen tot 12,5% van het Europese BBP en de kredietverlening aan bedrijven droogde zo goed als op.

Het gevolg van de lobbying was dat de nieuwe regelgeving over een langere periode werd uitgesmeerd. De nieuwe regels worden vanaf 2013 gradueel ingevoerd over een overgangsperiode van zes jaar en pas vanaf 2019 zullen alle normen van toepassing zijn.3 Voor heel wat waarnemers was het onduidelijk hoe zo’n lange overgangsperiode tot het herstel van het vertrouwen in het financiële systeem kon bijdragen. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) was in zijn stabiliteitsrapport van april 20114 evenmin te spreken over dat uitstel. De risico’s in de banksector zijn nog steeds onaanvaardbaar hoog. Vele banken zijn nog steeds ondergekapitaliseerd, zijn sterk afhankelijk van kortetermijnfinanciering en er is grote onzekerheid overde kwaliteit van hun activa.

Enkel Zwitserland heeft aangekondigd strengere kapitaalvereisten in te voeren, tot 19%. Zweden denkt aan een kapitaalratio van 15% tot 16% en in Groot-Brittannië wordt waarschijnlijk een hogere ratio van 10% voor retailbanken ingevoerd. Dat Zwitserland het voortouw neemt hoeft niet te verwonderen: het land is een financieel centrum en heeft er alle belang bij om de gezondheid van zijn bankensector aan te tonen.

STRESS TESTS: EEN MOEILIJKE OEFENING

Garanties over de gezondheid van banken kunnen enkel gegeven worden als die ook gecontroleerd wordt. In juni 2010 publiceerde het Comité van Europese Banktoezichthouders (CEBS) de resultaten van haar eerste stress tests. Zeven van de 91 onderzochte Europese banken doorstonden de test niet. Er kwam al snel kritiek dat de test niet streng genoeg was. Minder dan een halfjaar na de stress test kwamen de Ierse banken, die geslaagd waren voor de test, in de problemen. In april 2011 kondigde de European Banking Authority (EBA5), de opvolger van de CEBS, een nieuwe reeks tests aan. Als maatstaf wordt een kapitaalratio van 5% genomen. Of die 5% streng is? Het is uiteraard een compromis en voor de geloofwaardigheid van de test zou een hogere drempel beter geweest zijn. Veel zal afhangen van wat door de EBA als kapitaal aanvaard wordt.

Cruciaal voor het succes van deze tests is de betrokkenheid van Europese toezichthouders. Nationale stress tests worden door sommige waarnemers als onzin omschreven, omdat het gevaar reëel is dat het belang van de eigen banken op de eerste plaats komt en niet het herstel van het vertrouwen in het financiële systeem.

BETER RISICOBEHEER

De financiële crisis heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat het risicobeheer van banken grotendeels gefaald had. Er was een gemis aan expertise in of aandacht voor risico’s binnen de raad van bestuur en het directiecomité, de macht van het directiecomité was te groot, de functionering van de raad werd onvoldoende geëvalueerd, er was te veel zelfgenoegzaamheid en een gebrek aan diversiteit binnen de raad en het risicobeheer was organisatorisch onvoldoende ondersteund.

Los van het voor de hand liggende pleidooi voor meer deskundigheid en onafhankelijkheid van de raad van bestuur, stellen de Europese Commissie6 en andere internationale organisaties twee concrete maatregelen voor: er moet een risicocomité geïnstalleerd worden binnen de raad van bestuur en een risico-directeur (de Chief Risk Officer, CRO) moet worden aangesteld, die voldoende onafhankelijk is, lid is van het directiecomité en directe toegang heeft tot het risicocomité.

VERANTWOORD BELONINGSBELEID

Beloningssystemen moeten gericht zijn op het beheersen van risico’s en niet op het belonen van excessief risicogedrag. In praktijk was het dominante beloningssysteem binnen banken gebaseerd op een hoge variabele beloning die vooral rekening hield met kortetermijnprestaties. Managers en vooral investeringsbankiers werden aangemoedigd tot het nemen van grote risico’s zonder rekening te houden met het langetermijnbelang van hun organisaties.

Op het einde van 2010 publiceerde het Comité van Europese Banktoezichthouders (CEBS)7 duidelijke richtlijnen voor de beloning van directieleden en werknemers met een substantiële invloed op de risicopositie van een bank. Een belangrijk deel van de variabele beloning moet worden gespreid in de tijd, minstens over drie maar best over vijf jaar, en 50% van de beloning moet bestaan uit aandelen(opties). Tevens moeten er correctiemechanismen ingebouwd worden, de zogenaamde ‘clawback’ clausules. Als achteraf blijkt dat risico’s verkeerd werden ingeschat of onderschat werden, dan moet er een mogelijkheid zijn om een deel van de variabele beloning niet uit te betalen. Ten slotte pleit de CEBS er ook voor om rekening te houden met kwalitatieve indicatoren bij het bepalen van de variabele beloning.

DE NIEUWE REGELGEVING IN DE PRAKTIJK

Tussen februari en mei 2011 werden 57 Europese banken onderzocht8 op, onder meer, de kwaliteit van hun deugdelijk bestuur (corporate governance). De steekproef was zeer heterogeen: van kleine regionale retailbanken, die zich vooral richten op particulieren en KMO’s, tot grote internationale universele banken. Dit onderscheid is belangrijk omdat voor corporate governance het proportionaliteitsbeginsel geldt: hoe complexer de organisatie hoe strikter de normen en aanbevelingen zullen zijn.

Op basis van het onderzoek kan een stand van zaken worden geschetst: in welke mate hebben banken reeds gevolg gegeven aan de nieuwe regelgeving en aanbevelingen.

KAPITAALVEREISTEN

Omdat de nieuwe kapitaalsvereisten van Bazel III pas vanaf 2013 van kracht worden, is het niet mogelijk om te beoordelen of banken hun financiële structuur verbeterd hebben. Iedere bank en internationale organisatie gebruikt nu een eigen definitie van kapitaal.

Uit het stabiliteitsrapport van het IMF blijkt dat de kapitaalratio van banken in de Eurozone toegenomen is van iets meer dan 3% in december 2008 tot 4% in juni 2010 en dat de afhankelijkheid van kortetermijnfinanciering slechts marginaal gedaald is. Uit een onderzoek van het Centre for European Policy Studies van juli 20109 bleek dat in 2009 slechts drie van de 14 grootste Europese banken een kapitaalratio hadden van meer dan 5%.

Voor een beter inzicht in de financiële structuur van banken is het wachten op de stress tests die zullen worden uitgevoerd op 91 Europese banken door de European Banking Authority. Als maatstaf wordt een kapitaalratio van 5% genomen. De stress tests, net zoals de nieuwe normen van Basel III, kunnen indirect wel een sterke impact hebben. Als banken kunnen aantonen dat ze inderdaad een gezonde financiële basis hebben, zal het voor hen makkelijker zijn om werkingsmiddelen aan te trekken. Voor banken waaraan getwijfeld wordt, zal geld ontlenen moeilijk en duur worden. Ze hebben er alle belang bij om zo snel mogelijk hun financiële toestand te verbeteren. De resultaten zouden in juni moeten gepubliceerd worden, maar er is reeds sprake van uitstel.

RAAD VAN BESTUUR

De raad van bestuur wordt geacht onafhankelijk te zijn van zowel aandeelhouders als van het management. De onafhankelijkheid is een garantie dat de raad van bestuur zijn toezichts- en controlefunctie kan vervullen. Van de 57 banken in het onderzoek hebben 25 een raad van bestuur die 50% of meer onafhankelijk is. In slechts 9 banken is de voorzitter van de raad van bestuur een onafhankelijk bestuurder. In vijf banken, waaronder twee van de Europese grootbanken, worden de functie van voorzitter van de raad en algemeen directeur door een en dezelfde persoon waargenomen.

Voor de deskundigheid van bestuurders bestaan er geen objectieve criteria. Het is haast ondenkbaar dat banken onbekwame bestuurders zouden aanvaarden. Maar even ondenkbaar is het dat niemand binnen een raad van bestuur of directiecomité besefte dat er iets grondig fout liep met het risicobeheer. In verschillende rapporten wordt gewezen op de negatieve rol van groepsdenken binnen banken en hun raden van bestuur. Er was geen cultuur van tegenspraak en banken hadden de neiging om gelijkgezinden in hun raden van bestuur op te nemen. Kritische vraagstelling werd niet geapprecieerd. De Europese Commissie is een sterke voorstander van een grotere diversiteit binnen raden van bestuur.10 Volgens haar is het voldoende aangetoond dat er een positieve correlatie bestaat tussen het aantal vrouwen in raden van bestuur en de prestatie van het bedrijf. Voor banken is er nog veel werk aan de winkel. Het gemiddelde percentage vrouwen in de raad van bestuur is 11%. 12 banken hebben geen enkele vrouw in hun raad van bestuur en 19 banken minder dan 10%. Enkel in Scandinavische banken is vaak meer dan 20% van de bestuurders een vrouw.

Er wordt door internationale organisaties op aangedrongen dat de functionering van de raad van bestuur jaarlijks wordt geëvalueerd. Om de drie à vier jaar zou die evaluatie door een externe en onafhankelijke organisatie moeten gebeuren. Dit gebeurt slechts in 10 banken.

RISICOBEHEER

Men kan moeilijk aan banken vragen of hun risicobeheerssysteem behoorlijk functioneert of gefunctioneerd heeft. In een onderzoek in 2009 gaven amper vier van de 56 banken toe dat dit niet het geval was. Het meest gehoorde antwoord was, ‘in de gegeven omstandigheden, redelijk goed’.

In 38 (66,7%) banken is er een risicocomité aanwezig binnen de raad van bestuur, tegenover 63,6% in 2009 and 40% in 2007. In de meerderheid van de banken (45 of 79%) is er een ‘directeur risicobeheer’. In 2009 gold dit voor 56% van de banken en in 2007 voor slechts 34% van de banken. Slechts in 33 (58%) banken is hij/zij ook lid van het directiecomité. De structurele versterking van de risicofunctie heeft dus vooral plaatsgevonden tussen 2007 en 2009. Sindsdien is er nog weinig vooruitgang geboekt.

Om het risicobeheer te versterken is er natuurlijk meer nodig dan enkele formalistische organisatorische aanpassingen. Niet enkel op het niveau van de raad van bestuur of het directiecomité, maar doorheen de hele organisatie moet de risicocultuur versterkt worden. Het is niet mogelijk om een cultuur rechtstreeks te meten. Wat wel kan worden nagegaan, is in welke mate een organisatie ondersteunend werkt om het bewustzijn van risico’s te versterken.

  • Een van de belangrijkste indicatoren is de aanwezigheid van procedures om nieuwe financiële producten goed te keuren. Wanneer een nieuw product gelanceerd wordt of een bestaand grondig gewijzigd wordt, moet een bank zich bewust zijn van de mogelijke risico’s voor zichzelf en voor de klanten. In slechts 17 banken wordt er melding gemaakt van zulk goedkeuringsproces.
  • Een tweede indicator is de aanwezigheid van risicoprofielen van of richtlijnen voor klanten. 25 banken vermelden dat ze op een of andere manier nagaan of een bepaald product geschikt is voor een klant.
  • Een bank kan ook maatregelen treffen om het risicogedrag van het verkoopspersoneel onder controle te houden, door niet enkel streefcijfers voor de verkoop te hanteren als basis voor de individuele beloning, maar ook rekening te houden met bijvoorbeeld klantentevredenheid. Banken benadrukken zelf dat een tevreden klant belangrijker is voor hun succes dan voortdurend trachten met nieuwe producten nieuwe klanten binnen te halen. Die visie vindt men in de praktijk slechts bij een minderheid: 18 (31,6%) banken stellen dat ze bij het bepalen van variabele of individuele beloning rekening houden met klantentevredenheid.
  • Ten slotte is het belangrijk om alle werknemers bewust te maken van de nood van een goed risicobeheer. Dit wordt daarom best geïntegreerd in vormings- en opleidingsprogramma’s. In 21 (36,8%) banken gebeurt dit effectief.

BELONING

Dat banken stellen dat ze bij het bepalen en toekennen van vooral de variabele beloning de Europese richtlijnen naleven, kan in de financiële wereld misschien als een hele prestatie beschouwd worden, overtuigen doet het niet. Dat banken die nog steeds afhankelijk zijn van steun van de overheid en de belastingsbetaler bonussen uitkeren, is moeilijk te verantwoorden. Bovendien doen banken ook niet echt moeite om transparant te zijn over bonussen en aandelenopties.

  • Voor heel wat banken is het gewoon niet mogelijk om een goed beeld te krijgen van het beloningsbeleid. 14 banken publiceren er geen informatie over en 11 banken publiceren enkel informatie voor het directiecomité in zijn geheel en niet voor individuele leden ervan.
  • Voor 19 (33%) banken is het niet duidelijk op basis van welke criteria ze bonussen hebben toegekend en 17 (30%) banken onthullen wel de criteria waarop bonussen zijn gebaseerd, maar niet de concrete doelstelling(en). Slechts acht (14%) banken hebben voor 2010 geen jaarlijkse bonus uitgekeerd, wat eigenlijk kan worden beschouwd als een goede praktijk.
  • Banken hadden de discussie over hun bonussen makkelijk kunnen vermijden door het variabele gedeelte van de vergoeding enkel als langetermijnincentive toe te kennen. 31 banken hebben ofwel geen vorm van langetermijnbeloning of verstrekken er geen informatie over. Slechts 8 banken maken de criteria voor de lange termijn duidelijk. Bij bonussen is het voorwaardelijke aspect heel beperkt. Ze worden meestal toegekend ‘tenzij’. Bij langetermijnincentives is dit voorwaardelijke karakter veel sterker. Ze worden slechts toegekend als vooraf bepaalde doelstellingen effectief gerealiseerd worden.
  • In welke mate de mogelijkheid bestaat om de variabele beloning te beperken indien een risico zich effectief voordoet, is slechts voor een paar banken duidelijk. De CEBS raadt aan de bonussen over een periode van minstens drie tot vijf jaar uit te smeren. Tien banken rapporteren duidelijk over de periode waarover de bonussen gespreid zijn. Slechts twee banken gaan voor een periode van vijf jaar. Informatie over correctiemechanismen, de ‘clawback’ procedures, is zo mogelijk nog beperkter. Voor slechts acht banken is het duidelijk dat ze aanwezig zijn, maar over concrete criteria blijven de meeste banken heel vaag. Bovendien wordt er door financiële experts getwijfeld aan die clawback procedures: meestal blijken ze dode letter te zijn. In het verleden zijn ze nauwelijks of niet toegepast.
  • Rekening houden met niet-financiële criteria bij het bepalen van variabele beloning was een andere aanbeveling van de CEBS. Die is duidelijk nog geen courante praktijk in de banksector. Slechts acht (14%) banken stellen dat duurzaamheidscriteria, zoals tevredenheid van klanten, de kwaliteit van het personeelsbeleid en het naleven van regelgeving mee de omvang van de variabele beloning bepalen.
  • Op aandeelhouders hoeft men niet te rekenen om excessieve bonussen in te perken. Slechts de helft van de banken legt de beloning van het directiecomité voor ter stemming op de algemene vergadering van aandeelhouders. Slechts in twee gevallen werd de resolutie over de beloning met minder dan 90% van de stemmen goedgekeurd. In de meeste banken werden alle resoluties nagenoeg unaniem goedgekeurd.

BESLUIT

Het verhaal van de bankensector sinds de financiële crisis is er vooral een van gemiste kansen. Bankieren is per definitie risicovol: banken ontlenen geld op korte termijn en lenen of herbeleggen het op lange termijn. Dit risico nogmaals afwentelen op de maatschappij is niet alleen ethisch niet verantwoord, het is gewoon niet langer mogelijk.
Banken hadden veel aan geloofwaardigheid kunnen winnen door niet terug te keren naar de oude bonuscultuur, maar door duidelijk te opteren voor langetermijnbeloning waarbij ook rekening gehouden wordt met de kwaliteit van de dienstverlening. Dat banken noch hun aandeelhouders rekening houden met publieke verontwaardiging over bonussen zegt veel over het zelfregulerende karakter van de sector.

Maar vooral het verzet van de sector tegen strengere kapitaaleisen is onbegrijpelijk. Met de bijkomende dreiging van een schuldherschikking in een aantal Europese landen en de mogelijke impact ervan op banken is een snellere gezondmaking van de banksector dringend nodig. Efficiënt risicobeheer is weinig zinvol zonder een gezonde financiële basis.Banken verzetten zich tegen een trend die niet meer te stoppen is. Het belangrijkste concurrentievoordeel voor banken zal de geloofwaardigheid zijn van hun financiële toestand. De stress tests, maar ook de strengere normen die door een aantal landen worden ingevoerd, zullen die tendens enkel versterken.

Jan Vandenhove
Senior analist bij Vigeo11

Noten
1/ Report van ‘The High Level Group on Financial Supervision in the EU’, voorgezeten door Jacques de Larosière, Brussel 25 februari 2009.
2/ Het Basel comité is een samenwerking tussen 27 landen, die richtlijnen en standaarden oprichten voor de financiële wereld, en er op toezien dat deze worden uitgevoerd indien ze in de nationale wet van deze landen worden opgenomen.
3/ Bank for International Settlements, A global regulatory framework for more resilient banks and banking systems, december 2010.
4/ Internationaal Monetair Fonds (IMF), Global Financial Stability Report, april 2011.
5/ De European Banking Authority (EBA) werd geïnstalleerd op 1 januari 2011 en is de opvolger van de Committee of European Banking Supervisors (CEBS). Ze bestaat uit de nationale toezichthouders van de EU-lidstaten. Voor België is dat de Nationale Bank van België.
6/ European Commission, Green paper, Corporate governance in financial institutions and remuneration policies, 2 juni 2010.
7/ Committee of European Banking Supervisors (CEBS), Guidelines on Remuneration Policies and practices, 10 december 2010.
8/ Het onderzoek gebeurde door Vigeo, een organisatie gespecialiseerd in het onderzoek naar maatschappelijk verantwoord ondernemen. Meer informatie over de organisatie kan men vinden op www.vigeo.com.
9/ Lannoo Karel, Centre for European Policy Studies, Europe 2020 and the Financial System: Smaller is beautiful, juli 2010.
10/ European Commission, Green Paper, The EU corporate governance framework, 4 april 2011.
11/ De auteur schrijft de bijdrage in eigen naam.

banken - financiële crisis - ethisch beleggen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 6 (juni), pagina 17 tot 24