Abonneer Log in

De waterpas doet het nog steeds

'The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone'

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 6 (juni), pagina 57 tot 65

Over de impasse van links in Europa vloeit nogal wat inkt, met ‘een gebrek aan verhaal’, althans een wervend, als dikke rode draad. Nochtans, in 2009 brachten Richard Wilkinson en Kate Pickett (hierna W&P) een opmerkelijk - volgens sommigen zelfs controversieel - boek uit, waarin voor links verhaal te over zit: The Spirit Level - Why Equality is Better for Everyone. Toegegeven, sp.a was er snel bij om Wilkinson naar België te halen en liet hem het Visiecongres 2009 afsluiten. Nadien bleef het - tenzij in eerder gespecialiseerde media - echter opmerkelijk stil rond dit boek, vooral en met name bij sp.a. Dat mag verwonderen, want het boek bevat zonder twijfel een boodschap die het sociaaldemocratisch verhaal weer mee op de rails kan krijgen.

The Spirit Level (vert. de waterpas) toont aan dat vanaf een voldoende hoog gemiddeld inkomensniveau een minder ongelijke samenleving (wat herverdelend overheidsingrijpen vereist) er beter in slaagt om extra welvaart om te zetten in sociale vooruitgang, en dat het merendeel van de mensen - ook in de hogere sociale lagen - beter af is in een minder ongelijke samenleving. Het boek bevat dus niet alleen een kwantitatieve onderbouwing van de baten van herverdeling, het belicht bovendien een door links onbenutte invalshoek: dat ook de sociale toplagen een meetbaar belang hebben bij een meer gelijke (en dus herverdelende) samenleving.1
Het lijdt hierbij uiteraard weinig twijfel dat de toplagen er altijd een materieel belang bij zullen hebben om zich individueel te onttrekken aan hun bijdrage aan een minder ongelijke samenleving - meeliftersgedrag is rationeel verklaar- en zelfs begrijpbaar. Punt is echter dat om een dergelijke samenleving te kunnen uitbouwen, het aan socialisten is om ook bij de hogere midden- en toplagen een voldoende ruim democratisch draagvlak voor herverdeling te bouwen. En daarin heeft The Spirit Level volgens ons een toegevoegde waarde: door aan te tonen dat ook hogere inkomens objectieve baten hebben bij een meer gelijke samenleving, reikt het socialisten een waardevol instrument en, zo, een pertinent argument aan om met vertrouwen terug te grijpen naar een onversneden herverdelingsverhaal. Niet vanuit een afgunstig of miserabilistisch, maar vanuit een welzijnsmaximerend perspectief.

THE SPIRIT LEVEL IN HET KORT

Eens een samenleving een zeker niveau van welvaart heeft bereikt, zal het loutere verhogen van die welvaart niet meer tot wezenlijke maatschappelijke vooruitgang leiden. Vanaf een zeker niveau van welvaart heeft de manier waarop de economische rijkdom verdeeld wordt namelijk een grotere invloed op mogelijke sociale vooruitgang, dan de omvang of de toename van die rijkdom zelf. En deze wetmatigheid kan je vaststellen op zowat alle maatschappelijke terreinen, van criminaliteit over onderwijs tot volksgezondheid.

Dat is in een notendop de boodschap van The Spirit Level. Het mag duidelijk zijn dat deze boodschap ver af staat van het heersende publieke en politieke discours, met economische groei als panacee. Ze recycleert bovendien zowaar onmodieuze - en bij wijlen zelfs verdacht geworden - concepten als gelijkheid (niet louter van kansen, maar ook gelijkheid van resultaat) en (her)verdeling. Het loont dan ook de moeite die boodschap wat grondiger te bekijken. We doen dit in het korte bestek van dit artikel aan de hand van de gemiddelde levensverwachting, dat hier dus symbool staat voor die factoren die geassocieerd worden met sociale vooruitgang, zoals bijvoorbeeld sociale mobiliteit, maatschappelijk vertrouwen, alfabetiseringsgraad, etc.

In Figuur 1 zien we dat de levensverwachting binnen een bevolking toeneemt met het gemiddeld inkomen per inwoner, maar we zien ook dat dat effect vooral speelt wanneer dat inkomen nog zeer laag is (pakweg bij wat doorgaans ‘ontwikkelingslanden’ wordt genoemd). Eens een bepaald niveau van welvaart wordt bereikt (daar waar de curve naar rechts afbuigt), heeft de toename van de welvaart een steeds kleiner effect op de toename van de levensverwachting (sociale mobiliteit, maatschappelijk vertrouwen, etc.), tot het effect zelfs helemaal verdwijnt.

Figuur 1 - Gemiddeld inkomen en levensverwachting.

Landen die in de opgaande kolom in elkaars buurt zitten, zijn ook op de horizontale as dicht bij elkaar te vinden. Dat wijst op een sterk verband tussen (meer) inkomen en (hogere) levensverwachting.2 Bovendien is de toename in levensverwachting per toegenomen gemiddeld inkomen aanzienlijk. Dat strookt met wat we doorgaans denken: eens die landen het economisch wat beter doen, zullen ze er ook qua volksgezondheid en levensomstandigheden op vooruitgaan.
Landen voorbij de knik naar rechts zijn echter heel breed uitgesmeerd. Daar vind je landen die zich op eenzelfde denkbeeldige horizontale lijn bevinden, en die dus eenzelfde gemiddelde levensverwachting hebben, hoewel ze zowel een heel hoog als een relatief laag gemiddeld inkomen kunnen hebben. Neem bijvoorbeeld de lijn met een levensverwachting van om en bij 78 jaar, waarrond zowel Cuba (met een gemiddeld inkomen per persoon van minder dan 10.000 dollar), Portugal (circa 20.000 dollar), België (circa 30.000 dollar) als de VS (circa 45.000 dollar) zich situeren. Dat betekent dat een bijna vijfvoudig gemiddeld inkomen geen enkel effect heeft op de gemiddelde levensverwachting. Of nog, dat de gemiddelde Amerikaan 50% rijker is dan de gemiddelde Belg, maar dat die extra gemiddelde materiële rijkdom hem geen dag extra levensverwachting oplevert. Merk bovendien op dat dit markante feit niet te wijten is aan een plafonnering van de levensverwachting: ten eerste zijn er ook binnen de groep van landen met een hoog gemiddeld inkomen nog aanzienlijke verschillen (een Zweed leeft gemiddeld drie jaar langer dan een Belg), bovendien neemt de gemiddelde levensverwachting in al deze landen nog elk jaar toe. Het betekent gewoon dat het surplus dat de VS aan onder andere medische apparatuur, artsen en geneesmiddelen kunnen besteden (en de facto ook besteden), niet leidt tot een hogere levensverwachting dan in landen die het met (een pak) minder geld moeten doen. Als een betere volksgezondheid al het doel is van medische investeringen, dan is er in de VS dus iets ernstigs mis met de manier waarop die investeringen gebeuren.

De eerste vaststelling is dan ook dat hoewel economische welvaart aanzienlijk kan bijdragen tot sociale vooruitgang, het dat vanaf een bepaald welvaartsniveau in steeds mindere mate doet. Rijker worden lost duidelijk niet automatisch alles op. Bovendien moeten er, alleszins vanaf een zeker welvaartsniveau, dus andere factoren zijn die de verschillen in sociale welstand kunnen verklaren.

In Figuur 2 wordt ingezoomd op de verschillen binnen de groep van rijke(re) landen. Daaruit blijkt dat de verschillen sterk verband houden met de ongelijkheid binnen die landen. Met name, bij landen met een vergelijkbaar gemiddeld inkomen zal grotere ongelijkheid doorgaans gepaard gaan met een lagere gemiddelde levensverwachting.3

Figuur 2 - Inkomensverdeling en levensverwachting.

De tweede vaststelling is daarom dat binnen rijke samenlevingen de verdeling van de rijkdom een veel belangrijkere rol speelt dan de omvang van de rijkdom zelf als verklaring voor, of voorspeller van, de gemiddelde levensverwachting. Verder wordt nog ingegaan op de vraag of het om correlatie, dan wel een oorzakelijk verband gaat.
Het belang van een gelijke inkomensverdeling voor een hogere levensverwachting, veel meer dan van rijkdom op zich, gaat op zich al behoorlijk in tegen gemeen goed geworden intuïties met betrekking tot het verband tussen welvaart en welzijn. Maar helemaal verbijsterend wordt het dus wanneer de auteurs de focus verleggen van levensverwachting naar bijvoorbeeld de graad van wederzijds vertrouwen binnen een bevolking, of naar het niveau van kindersterfte, het percentage obese mensen, de alfabetiseringsgraad, de omvang van de ontwikkelingshulp die een land biedt, het niveau van drugsgebruik, etc. Welk maatschappelijk probleem men ook onderzoekt, bijna steeds komt men tot dezelfde resultaten: landen die hun rijkdom minder gelijk verdelen, doen het bijna altijd slechter, op elk van deze vlakken, dan landen die de rijkdom gelijker verdelen. W&P vatten het geheel van hun bevindingen samen in een index die als het ware de globale sociale en fysieke gezondheid van een samenleving meet, en zetten deze af tegen de inkomensverdeling in die samenlevingen (zie Figuur 3). Om het voorbeeld van daarnet te hernemen: hun surplus aan gemiddeld inkomen heeft Amerikanen dus geen lagere kindersterfte of hogere alfabetiseringsgraad opgeleverd.

Figuur 3 - Globale index van sociale en gezondheidsproblemen.

Klap op de vuurpijl, tot slot, is dat dit effect zich voordoet in alle lagen van de bevolking: ook de beter bemiddelden in ongelijke samenlevingen zijn er slechter aan toe dan hun lotgenoten in meer gelijke samenlevingen. Dit betekent dat de bevindingen van W&P niet louter verklaard kunnen worden door het feit dat er in meer ongelijke samenlevingen meer, of relatief armere, armen zouden zijn die bijvoorbeeld met hun slechtere gezondheid en levenswandel de gemiddelden naar beneden zouden halen.
De derde vaststelling is dus dat ongelijkheid niet enkel samenlevingen in hun geheel benadeelt, maar ook de grote meerderheid van de individuen in die samenleving. Dat betekent dan ook dat de meerderheid van de individuen er belang bij heeft dat de rijkdom beter verdeeld wordt.

KLOPT DIT ALLEMAAL WEL?

Omwille van de controverse die na het verschijnen van dit boek ontstond, en omdat de centrale these mogelijks belangrijke beleidsimplicaties heeft, staan we even stil bij de belangrijkste kritieken.

Een eerste reeks kritieken heeft betrekking op het feitenmateriaal. De data zouden geselecteerd geweest zijn om het argument te doen kloppen, afwijkende cijfers zouden buiten beschouwing gelaten zijn. Ten aanzien van academici is dit een serieuze aantijging, het is dan ook niet verwonderlijk dat W&P er in hun meest recente editie een volledig hoofdstuk aan wijden. Het zou ons te ver leiden om de hele discussie hier weer te geven, we nodigen de geïnteresseerde lezer dus uit het boek en de daar specifiek aan gewijde webstek (http://www.equalitytrust.org.uk/resources/other/response-to-questions) te raadplegen. Hun inhoudelijk verweer voedt echter het vertrouwen in de intellectuele eerlijkheid van hun onderzoek.

Een tweede kritiek heeft betrekking op de oorzakelijkheid van verbanden in de studie. De kern van deze kritiek is dat je uit het feit dat twee fenomenen quasi systematisch simultaan variëren, niet noodzakelijk kan afleiden dat er tussen beide fenomenen een oorzakelijk verband bestaat: er kan immers een derde fenomeen zijn dat de beide anderen drijft. Concreet, uit het feit dat bij landen met een vergelijkbaar welvaartspeil bijvoorbeeld de levensverwachting quasi systematisch hoger is in landen met minder ongelijkheid, mag je niet automatisch afleiden dat die levensverwachting hoger is omdát er minder ongelijkheid is. Dit is in essentie een gezonde reflectie, maar ook hier lijkt de kritiek weinig afbreuk te doen aan de centrale these.
Ten eerste spreekt de veelheid aan vastgestelde relaties in het nadeel van de criticasters. Men zal een ‘derde factor’ moeten vinden die zowel het aantal tienerzwangerschappen als de omvang van drugsgebruik, het wantrouwen tussen burgers, het percentage obese mensen, de omvang van de gevangenispopulatie, etc. verklaart. Er is namelijk een sterke correlatie tussen elk van die factoren, en ongelijkheid.
Bovendien, en meer ten gronde, beweren W&P nergens dat ongelijkheid als dusdanig die fenomenen rechtstreeks verklaart of veroorzaakt. Het mechanisme dat zij beschrijven, is indirect, en heeft een medisch sociologische grondslag.
Doordat mensen zichzelf wezenlijk definiëren door zich te situeren ten aanzien van anderen, vertaalt een feitelijke situatie van ongelijkheid zich in een ervaring en beleving van een lage(re) sociale status, een la(a)g(er) zelfbeeld, prestatie- en evaluatiestress, onzekerheid, etc. Dergelijke constante psychische druk gaat gepaard met biologische en hormonale processen die, wanneer ze lang genoeg aanhouden, een ernstige impact hebben op gedrag, lichamelijke en verstandelijke ontwikkeling, etc.4 Die elementen samen hebben dan weer een impact op de manier waarop men reageert en kan reageren in interactie met anderen (familieleden, leerkrachten, peergroep, werkgevers, gezagsfiguren, ...), op attitudes, etc. Het zijn deze directe gevolgen van ongelijkheid die zorgen voor, of alleszins aanzienlijk bijdragen tot, nadelige effecten op gezondheid, scholingsgraad, criminaliteit, etc. Hoe groter de ongelijkheid, hoe ernstiger en persistenter deze directe gevolgen zijn, en hoe ernstiger bijgevolg de diverse nadelige effecten zijn. En doordat het dus niet het arm zijn als dusdanig is dat deze keten aandrijft, maar de relatieve armoede, het relatieve verschil in inkomen en status, doet dit effect zich voor in alle lagen van de bevolking, weliswaar het sterkst in de (qua inkomen) onderste lagen. En omgekeerd betekent dit natuurlijk ook dat men met eenzelfde nominale inkomen doorgaans gelukkiger (en gezonder, en veiliger, en ...) zal zijn in een meer gelijke samenleving.

Een derde kritiek stelt dat het misschien cultuurverschillen zijn die inkomensongelijkheid kunnen verklaren, of de resultaten vertekenen. Dit valt echter moeilijk te rijmen met het feit dat cultureel verschillende, maar qua inkomensongelijkheid gelijkaardige landen als Zweden en Japan heel vergelijkbaar, en cultureel vergelijkbare maar qua inkomensongelijkheid verschillende landen als Portugal en Spanje, sterk verschillend presteren. Bovendien is de omgekeerde causaliteit - dat de graad van gelijkheid een sterke invloed heeft op de cultuur - heel wat plausibeler: de samenhang in een samenleving erodeert namelijk significant bij toenemende ongelijkheid.
Ten slotte wordt ook de individuele invulling van deze kritiek, als zouden de culturele waarden van de ‘onderste klassen’ (lagere werkwilligheid e.d.) de resultaten drijven, kordaat ontkracht: de ongelijkheidseffecten houden immers ook stand wanneer men de 20% armsten buiten beschouwing laat in de analyse.

Het lijdt uiteraard geen twijfel dat het gevoerde kwantitatieve onderzoek vatbaar is voor discussie. Daar ontkomt geen enkel onderzoek aan, laat staan onderzoek binnen de sociale wetenschappen. Echter, geen van de tegenargumenten, die overigens niet allen vrij zijn van politieke strategie, is van dien aard dat ze de ernst van het onderzoek - en dus de pertinente conclusies - in vraag stellen: gemeenschappen die het nationaal inkomen beter verdelen, hebben effectief minder te kampen met een hele reeks negatieve maatschappelijke factoren.

VIER BOUWSTENEN

The Spirit Level bevat vier lessen waar links mee aan de slag kan.

De liberale groeimantra voorbij

In landen met een goed ontwikkelde economie en een hoog bruto nationaal product, zoals bijvoorbeeld België, volstaat louter rijker worden niet (meer) om nog wezenlijke vooruitgang te kunnen boeken op diverse domeinen zoals levensverwachting, criminaliteit, volksgezondheid, tienerzwangerschappen, scholingsniveau, alfabetiseringsgraad, psychologische gezondheid, sociale mobiliteit, etc. Een beleid dat louter gericht is op economische groei, en dat niet (minstens) even intensief werkt aan een billijke verdeling van die groei, zal geen noemenswaardige verbetering tot stand brengen in deze domeinen.

Dat betekent uiteraard niet dat economische groei op zich niet belangrijk meer zou zijn. Ongelijkheid wegwerken doe je door beter te verdelen of te herverdelen, en zoiets gaat natuurlijk makkelijker in een groeiende economie. Zeker wanneer je gelijktijdig ook bijvoorbeeld demografische evoluties zoals de vergrijzing moet ondervangen. Het is met andere woorden economische groei die het mogelijk maakt om te herverdelen zonder bepaalde groepen te moeten verarmen. Maar wat W&P aantonen is dat iedereen er baat bij heeft dat die groei hoofdzakelijk ten goede komt van de onderste inkomenslagen: economische groei draagt sterker bij tot een betere samenleving indien de groei zich vertaalt in een afname van ongelijkheid. Hetgeen dus impliceert dat de economische groei proportioneel meer aan de laagste inkomens moet toekomen.5

Goed verdelen is een noodzaak

Een sociaal beleid dat hoofdzakelijk gericht is op het voor bepaalde doelgroepen milderen of opvangen van de voor hen kwalijke effecten van de ongebreidelde markteconomie, kuriert am Symptom. Het zal globaal gezien weinig vooruitgang genereren, wanneer het niet raakt aan de fundamentele verdeling van rijkdom binnen de samenleving.

Uiteraard betekent dit niet dat gelijkheid op zich volstaat; het volstaat bijvoorbeeld niet aan de ongelijkheid te werken om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Maar alles wijst er wel op dat - dure en arbeidsintensieve - inspanningen voor een performant onderwijsaanbod bij voorbaat gedoemd zijn als niet eerst, of minstens gelijktijdig, een stevige basis van voldoende gelijkheid wordt gelegd. Zoniet is het dweilen met de kraan open: een voldoende gelijkheid is noodzakelijk opdat andere inspanningen succesvol kunnen zijn en om verdere vooruitgang te kunnen boeken.

(On)gelijkheid verbindt het lot van iedereen

Het individueel belang bij voldoende solidariteit, bij het welzijn van de andere, is - op haast elk maatschappelijk vlak - kwantitatief aantoonbaar. Deze vaststelling is van grote waarde voor het betrekken van brede lagen van de bevolking bij een sociaaldemocratisch verhaal. Het is vooral, vergeleken met andere pogingen om die band terug tot stand te brengen - zoals het pleidooi voor een versterking van het verzekeringsprincipe (‘ik krijg weer wat meer terug van hetgeen ik er in stak’) - een hele rijke benadering. Waar dat verzekeringsprincipe in bijvoorbeeld het pensioendiscours de invulling krijgt van een hogere individuele - geldelijke - return on investment, en dus van een individueel-financieel beter worden, gaat het gelijkheidsdiscours over een direct individueel belang bij het beter worden van de andere, van de samenleving in haar geheel. Waarbij, voor een goed begrip, dat belang niet ethisch of immaterieel, maar concreet en meetbaar is. Herverdelend beleid met een sterke sociale bescherming is dan ook alles behalve miserabilistisch, het is fundamenteel voordelig voor elk van ons, en dat, op alle vlakken van ons maatschappelijk leven.

Ongelijkheid is ondemocratisch

Wederzijds vertrouwen neemt af bij toenemende ongelijkheid. Immers, hoe groter de ongelijkheid, hoe minder mensen zich zullen identificeren met anderen binnen dezelfde samenleving: men herkent zich niet in elkaars situatie, elkaars problemen, elkaars prioriteiten, elkaars voorkeuren en oplossingen. Ongelijkheid knaagt op die manier aan de basisvoorwaarden voor een gemeenschappelijk handelen, voor democratische processen. Ze tast de bereidheid aan om problemen maatschappelijk aan te pakken, om gemeenschappelijke doelstellingen te formuleren en om daarvoor gemeenschappelijke, goed functionerende instellingen uit te werken. Wie het zich kan veroorloven zal dan nog meer geneigd zijn de eigen belangen te realiseren via andere dan democratische kanalen. Finaal staat ongelijkheid dus niet alleen in rechtstreeks verband met het ontstaan en de omvang van bepaalde problemen, ze beïnvloedt ook de gekozen oplossingen, en dit ten nadele van sociale en democratische oplossingen.

DEGELIJK BOUWEN DOE JE NOG ALTIJD MET EEN WATERPAS

De stilte na 2009 in sp.a-kringen is dan ook des te verbazingwekkender: het boek onderbouwt namelijk in goed 300 bladzijden wetenschappelijk dat een sociaaldemocratisch discours fundamenteel de juiste analyses maakt, en, bovendien, dat de klassieke, liberale oplossingen op langere termijn ook de hogere inkomenscategorieën schaden.

Daarmee reiken W&P een academisch robuust kader aan voor het oplossen van een probleem waar links al een tijdje mee worstelt: hoe de hogere en middenklasse scharen achter sociale, gemeenschappelijke oplossingen voor maatschappelijke problemen? Hoe een verhaal te brengen dat brede lagen van de bevolking kan aanspreken, electoraal, maar vooral ook inhoudelijk? Dat het lot van de rijkeren in een samenleving op langere termijn onlosmakelijk verbonden blijft met dat van de armsten, kan niemand onverschillig laten.
Voor een partij die op zoek is naar een ‘nieuw’ wervend verhaal in een samenleving die niet meer de maatschappelijke verhoudingen kent van pakweg midden de 20ste eeuw, is dit een boodschap waarvan je zou verwachten dat ze die met beide handen grijpt, om lange tijd niet meer te lossen.

lees ook - Francine Mestrum
'The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone - Het Griekse alfabet van de ongelijkheid'

Noten

  1. Dit sluit overigens nauw aan bij eerdere inzichten uit de publieke economie, met name dat een welvaartsstaat geen zero sum game is, dat publieke coördinatie en het poolen van middelen om bepaalde goederen en diensten te financieren substantiële welvaartsbaten genereert.
  2. Er is op dit punt een kleine uitzondering voor een viertal landen: die lijken te stagneren rond 50 jaar levensverwachting hoewel ze een inkomen hebben dat andere landen met een gelijkaardig gemiddeld inkomen, rond 70 jaar plaatst.
  3. Gelijkheid wordt hier gemeten door het inkomen van de laagste 20% te vergelijken met dat van de hoogste 20%. Andere manieren om ongelijkheid te meten zijn natuurlijk mogelijk maar zouden geen effect hebben op de globale resultaten.
  4. Het gaat onder andere om de verhoogde vrijgave van het hormoon cortisol, dat het lichaam in stresssituaties moet klaarmaken voor actie (o.a. verhoging bloeddruk), maar dat bij langdurige aanmaak en blootstelling een zeer nadelige impact kan hebben op hart- en bloedvaten, het immuniteitssysteem, eetgedrag, enz.
  5. De OESO maakte begin mei bekend dat in 17 van de 22 gemeten landen sinds de jaren 1980 de kloof tussen de hoogste en de laagste inkomens groter werd. Volgens het OESO is de vergroting van de loonkloof vooral te wijten aan de stijging van de hoogste inkomens (‘België een van weinige OESO-landen waar kloof tussen arm en rijk kleiner wordt‘, De Standaard Online, 3 mei 2011).

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 6 (juni), pagina 57 tot 65