Log in

Het Griekse alfabet van de ongelijkheid

'The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone'

Het boek van Wilkinson en Pickett (hierna W&P) over ongelijkheid kent een groot succes. Dat is geweldig positief, want jarenlang was er internationaal enkel aandacht voor armoede. In 2006 had de Wereldbank al vijftien jaar de lof gezongen van de armoedebestrijding, en in haar verslag over de ontwikkeling in de wereld en ‘equity’ (billijkheid, rechtvaardigheid), kon ze het woord ‘ongelijkheid’ niet over de lippen krijgen.1 Waar in het ontwerpverslag nog een onderscheid werd gemaakt tussen ‘ongelijkheid’ en ‘inequity’, viel dit in het eindverslag volledig weg. In 1990, toen de armoedecampagnes gelanceerd werden, werd zedig gezwegen over ongelijkheid, ‘armoede is geen ongelijkheid’2, en daarmee was de kous af.
De aandacht voor ongelijkheid is begonnen met het tweede grote armoedeverslag, in 2000.3 Branco Milanovic, een van de meest vooraanstaande onderzoekers naar ongelijkheid, ging werken in Washington. Er werden diverse studies gepubliceerd over het waarom van de problematiek en over de eventuele band met de mondialisering. De OESO en het ILO publiceerden eveneens studies over de toenemende ongelijkheid in de rijke landen en in de wereld. Het staat vast dat de gegevens die beschikbaar kwamen en wezen op de alsmaar groter wordende concentratie van rijkdom ook aan de grootste verdedigers van de neoliberale mondialisering niet ongemerkt konden voorbijgaan.
De grote vraag die sommigen probeerden te beantwoorden was of ongelijkheid op zich een probleem vormde? Als iedereen er op vooruit gaat, de armen zowel als de rijken, en misschien de rijken zelfs iets meer dan de armen, is er dan een probleem? In het geheel niet, zo was, kort samengevat, de stelling die ook in een spraakmakend artikel in The Economist in 2001 werd verdedigd.4

DE BÈTA VAN DE ONGELIJKHEID

Het is tenslotte ook die vraag die W&P trachten te beantwoorden. Ongelijkheid is wel degelijk een probleem, zo stellen de epidemiologen, want bij een te grote ongelijkheid gaat de hele samenleving er op achteruit. De beste resultaten op het vlak van volksgezondheid, onderwijs, geweld en justitie worden geboekt waar de ongelijkheid het kleinst is.

In deze Samenleving en politiek wordt deze stelling van W&P door Steven Janssen en Arne Schollaert in detail besproken. Ik wil er in dit artikel twee kanttekeningen en een aanvulling bij maken.
Ten eerste werd er door critici meteen op gewezen dat de vaststelling van een correlatie nog geen causaliteit inhoudt. Of met andere woorden, als de volksgezondheid beter is in gelijke samenlevingen, dan betekent dat nog niet dat het dankzij die grotere gelijkheid is. Het kan net zo goed te maken hebben met de culturele waarden van mensen.
Een tweede opmerking is dat men zich moet afvragen of de hogere en rijkere klassen wel echt belangstelling hebben voor die ‘betere samenleving’. De samenleving als geheel mag er op vooruitgaan, de rijken alvast niet. Het Pareto-optimum is niet bereikt als de rijken meer sociale zekerheid moeten betalen om de gezondheidszorg als geheel te laten verbeteren. De auteurs zelf geven dat impliciet ook toe. De hogere klassen denken dat ze best voor zichzelf kunnen zorgen en dat ze er toch helemaal niet zo slecht aan toe zijn. Waarom zouden zij, om het gros van de samenleving iets meer te geven, ook zelf inboeten aan rijkdom en macht? Om het met een voorbeeld duidelijk te maken: nu de handel en wandel van de heer en mevrouw Strauss-Kahn in geuren en kleuren uit de doeken wordt gedaan, vraag ik me af of iemand zich kan voorstellen dat deze mensen denken er zelf nog beter van te worden als de hele samenleving wat minder ongelijk is? Ik alvast niet.
Of met andere woorden, de argumenten van W&P lijken me misschien wel overtuigend te zijn, maar daarom nog niet ontegensprekelijk juist en doeltreffend. Neoliberalen zullen ze makkelijk van tafel vegen, wat overigens volop bezig is.5 De verdediging van W&P is dat rijken voor hun eigenbelang zullen kiezen en de ongelijkheid gaan aanpakken. Ik denk dat dit met hun argumenten niet zal lukken. De rijken zien de resultaten van W&P helemaal niet als hun eigenbelang, misschien wel integendeel.

DE VERGETEN ARGUMENTEN VAN DE WERELDBANK

Uit het Ontwikkelingsrapport van de Wereldbank van 2006 blijkt zeer duidelijk dat inkomensongelijkheid niet echt als een probleem wordt ervaren. Waar het de onderzoekers vooral om te doen is, is gelijkheid van kansen. En ook al wordt er melding gemaakt van de mogelijkheden die sociale bescherming, minimumlonen, arbeidsrecht en mensenrechten bieden, toch wordt er telkens gewezen op de noodzakelijke ‘trade-offs’. Men blijft er van uitgaan dat meer gelijkheid de groei zal belemmeren. En telkens opnieuw wordt verwezen naar de vroegere socialistische landen, waar het ‘egalitarisme’ de economie zou hebben genekt.

Ravallion, onderzoeker bij de Wereldbank, had in een antwoord op een artikel van andere Wereldbankonderzoekers6 er nochtans op gewezen dat er meer in detail moet worden toegekeken op de rol van economische groei. Groei, zo wordt al te makkelijk gesteld, is goed voor arme mensen, maar, aldus Ravallion, dat klopt niet noodzakelijkerwijs. Als je voorbij de gemiddelden kijkt, dan stel je vast dat groei soms alleen maar de rijken ten goede komt en ander mensen in de armoede kan duwen. Bovendien, zo stelt hij nog, een te grote ongelijkheid kan beletten dat groei tot bij de armen komt. Ongelijkheid kan de groei én de armoedebestrijding juist belemmeren. De beste voorbeelden hiervan worden gevonden in Latijns-Amerika, waar de gemiddelde groeicijfers een vrij behoorlijk resultaat laten zien, maar waar de inkomensongelijkheid torenhoog is en niet of nauwelijks verandert.

De Wereldbank heeft met deze belangrijke empirische resultaten slechts in zeer beperkte mate rekening gehouden. Het lijkt er op dat ze vooral op zoek is naar een soort ‘optimale ongelijkheid’: klein genoeg om de armoedebestrijding niet in de weg te staan, groot genoeg om de groei niet in de weg te staan. Maar echt veel belangstelling is er nooit geweest voor inkomensongelijkheid. Ravallion heeft dan ook zeer duidelijk de ideologische moeilijkheden weergegeven om de ongelijkheid te meten en er iets aan te doen.7 Met dit argument komen we weer dicht bij de moeilijkheden van het werk van W&P. Alles hangt ervan af hoe je de ongelijkheid meet, en hoe je correlaties dan wel causaliteiten vaststelt.

DE ALFA EN DE GAMMA VAN DE ONGELIJKHEID

Het succes van het werk van W&P heeft wellicht vooral te maken met wat ze zelf aangeven: resultaten van natuurwetenschappen worden makkelijker aanvaard dan die van de sociale wetenschappen. Sociale theorieën moeten opboksen tegen een massa van individuele interpretaties en machtige gevestigde belangen. Dat is zeker waar, hoewel het een illusie is te denken dat natuurwetenschappen ‘neutraal’ zouden zijn. En ook in de sociale wetenschappen kan empirisch onderzoek worden gedaan om stellingen te testen.
In wat volgt wil ik een paar oude politieke en sociale argumenten naar voren halen die zowel in Samenleving en politiek8 als in een boek9 van 2008 al geformuleerd werden. Ze hebben helaas niet de aandacht gekregen die wel naar W&P zijn gegaan, wellicht omdat ze niet empirisch zijn onderbouwd. Hier is werk aan de winkel voor politicologen en sociologen. Mijns inziens zijn deze argumenten echter minstens even belangrijk dan de resultaten van W&P, en zelfs beter geschikt om de hogere klassen te doen nadenken over ongelijkheid.

De eerste reden is de morele verontwaardiging en een gevoelen van grote onrechtvaardigheid. Milanovic geeft het voorbeeld van een zaal vol mensen waarin één persoon 20.000 Dollar krijgt en alle anderen tussen 25 en 75 cent.10 Iedereen gaat erop vooruit maar niemand zal tevreden zijn met deze onrechtvaardige verdeling. Het inkomen is immers niet enkel een middel om goederen en diensten te betalen, het is ook een maatschappelijke erkenning. In elke samenleving is gelijkheid of gelijkwaardigheid een fundamentele waarde en daarom wordt de inkomensongelijkheid ook zo belangrijk in de mondialisering. De ongelijkheid tussen Afrika en Europa is niet zo relevant zolang er geen interactie is tussen beide continenten, maar van zodra de televisieschermen de West-Europese levenswijze laat zien, wordt die ongelijkheid wel belangrijk.
Dit argument is ook in West-Europa zelf van toepassing als kranten dagelijks berichten brengen over de topinkomens van CEO’s, bonussen in de financiële sector, massale ontslagen bij grote multinationals en bezuinigingen bij de overheid. Volgens het jongste rapport van Merrill Lynch zijn er wereldwijd zo’n 10 miljoen mensen met meer dan één miljoen financiële activa, en dat zijn er 17% meer dan een crisisjaar eerder.11 Daarvan heeft een kleine 1% meer dan 30 miljoen financiële activa. Het gecumuleerd vermogen van die bijna 10 miljoen mensen bedroeg in 1996 zo’n 16.600 miljard Dollar en in 2009 zo’n 39.000 miljard Dollar, een stijging met 8% per jaar of veel meer dan de jaarlijkse groei. Volgens de ILO12 zijn er 1,39 miljard mensen of bijna 50% van de totale arbeidskrachten en 58,7% in de ontwikkelingslanden die minder dan 2$ per dag verdienen en dus arm zijn. Een kwart van de arbeidskrachten in ontwikkelingslanden verdient minder dan 1$ per dag en is dus extreem arm.13 Minder dan 10% van de bevolking in arme landen heeft sociale bescherming. In december 2006 kregen 4000 werknemers van banken en andere financiële instellingen in de City of Londen elk een bonus van gemiddeld 1,5 miljoen Euro.
Die morele verontwaardiging en het gevoelen van onrecht is niet onbelangrijk. In tegenstelling tot wat de Wereldbank sinds 2001 (9/11) beweert, is het niet de armoede die aan de basis ligt van het terrorisme, maar juist wel - onder meer - de ongelijkheid. Mensen die onrecht ervaren zullen veel makkelijker in opstand komen dan mensen die arm zijn tussen de armen. De socioloog J. Scott heeft dat ook afdoende aangetoond met zijn ‘verborgen vertogen’14: hoe mensen het onrecht zien en ervaren, het onder elkaar verwoorden, en plots, bij de minste spreekwoordelijke druppel, ook effectief in opstand komen. Dat is ook precies wat dit jaar gebeurt in Noord-Afrika. In Tunesië is de armoede vrij gering, maar de rijkdom van de oude elite, het gevoelen van onrechtvaardigheid, de indruk dat de ‘waardigheid’ van de mensen niet wordt gerespecteerd was voldoende om bij de zelfverbranding van een vernederde jongeman tot een algehele revolutie te leiden. Om de politieke stabiliteit te vrijwaren moet dus in eerste instantie de ongelijkheid worden bestreden, en niet de armoede.

Een tweede reden heeft direct te maken met de mondialisering en de paradoxale behoefte aan grenzen, precies wegens de ongelijkheid. Wie gelooft in de wenselijkheid van één wereldgemeenschap waarin niet enkel goederen, diensten en kapitaal vrij kunnen uitgewisseld worden maar er ook vrij personenverkeer is, ziet meteen dat de ongelijkheid een groot probleem vormt. Waar de economische mondialisering precies door die ongelijkheid wordt mogelijk gemaakt, is de inkomensongelijkheid iets wat beter beschermde grenzen vereist. Het zijn niet de extreem arme mensen die hun hebbe en goed achterlaten, maar grotendeels middenklassen met een opleiding waar in rijke landen vraag naar is. Migratie is overigens de meest rationele aanpak wanneer mensen in arme landen hun inkomenspositie willen verbeteren.15 Echter, in die rijke landen is geen sociale basis voor massale immigratie. De verzorgingsstaten staan onder druk, illegale migranten worden uitgebuit of sterven op de stranden van de Middellandse zee of aan de elektronische grens van de Verenigde Staten. Populistische en vaak racistische en xenofobe partijen maken misbruik van de angst van gewone mensen en kunnen zo zelfs de democratie in gevaar brengen. Grote ongelijkheden vergen dus grenzen en zijn niet verenigbaar met de mondialisering en met democratie. Een beetje xenofobie kunnen de hogere klassen wel hebben, maar de liberale democratie moet voor hen op lange termijn gevrijwaard blijven. Ook hier is de politieke stabiliteit dus een belangrijk argument om de inkomensongelijkheid beperkt te houden.

Er zijn nog meer sociaal-politieke redenen die m.i. minstens even belangrijk zijn als de statistieken van W&P.

Economische ongelijkheid gaat immers samen met asymmetrische machtsverhoudingen en het onderdrukken van de een door de ander. Als arme landen vandaag hun ontwikkelingshulp niet willen verliezen, kunnen ze best het stemadvies van hun broodheren volgen in de VN. De Wereldbank en het IMF kunnen hun voorwaarden blijven opleggen omdat ze ook de sleutel tot financiering zijn. Dat geldt ook voor mensen die hun stemgedrag makkelijk laten bepalen door de voordelen die ze van hun cliëntelistische regeerders verwachten. Stemmen van de armen kunnen gewoon worden gekocht.
Een laatste reden ten slotte is de historische schuld die rijke landen hebben tegenover arme landen, hun vroegere kolonies. De ‘structurele aanpassingsprogramma’s’ van IMF en Wereldbank hebben de arme landen nog armer gemaakt, en de netto transfers van Zuid naar Noord nemen elk jaar toe in de vorm van schuldenaflossing, kapitaalvlucht en de repatriëring van winst. Daarnaast is er een ontzettend zware ecologische schuldenlast waardoor de ontwikkelingskansen van arme landen zo goed als uitgeput zijn door het gebruik dat rijke landen gemaakt hebben van alle natuurlijke hulpbronnen.
Deze twee laatste argumenten zullen de rijken niet overtuigen om iets tegen de ongelijkheid te doen, maar het zijn wel belangrijke morele argumenten in handen van al diegenen die meer willen doen dan armoedebestrijding en filantropie.
Wat rijke mensen en het bedrijfsleven nodig hebben is niet zozeer een gelukkige samenleving, dat zal hen worst wezen, maar wel politieke stabiliteit. Daarop is het neoliberale beleid grotendeels gebaseerd: geen wisselvalligheden van de politiek, geen etnische conflicten en geen oorlogen. Zelf zullen de grootmachten natuurlijk wel aan oorlogen beginnen wanneer hun belangen worden geschaad of in gevaar komen. Maar het doel is altijd controle over grondstoffen in een stabiel politiek klimaat, nooit het geluk van mensen.
Vandaar dat deze argumenten me belangrijker lijken dan die van W&P. Hogere klassen zijn er allerminst in geïnteresseerd de kwaliteit van het bestaan voor de hele samenleving te verbeteren.

WAAROM NIEMAND OVER ONGELIJKHEID WIL SPREKEN

W&P hebben op één punt volkomen gelijk: economische groei is in de rijke landen ondoeltreffend geworden om meer welzijn te bevorderen. Maar of dat betekent dat we meer naar immateriële factoren moeten gaan kijken, is een andere vraag. Het mag een moreel hoogstaande verzuchting zijn om het welzijn van de hele samenleving te verbeteren, dit leidt al gauw naar het huidige streven naar ‘geluk’, en dat is m.i. iets wat niet door een overheid kan worden bepaald, laat staan dat een overheid zich moet moeien met ons persoonlijk ‘geluk’.
De grote vraag blijft daarom overeind: waarom zou ongelijkheid moeten worden bestreden? De natuurwetenschappelijke argumenten van W&P zijn zeer belangrijk maar schieten m.i. tekort, zoals ook de ethische benadering van Rawls, Sen of Van Parijs tekort schieten. Verder dan de bestrijding van de extreme armoede komen ze doorgaans niet, en wie een basisinkomen als oplossing poneert geeft meteen toe dat daarboven de ongelijkheid ongeremd kan groeien.16
M.i. zijn het de politieke argumenten die een grootste kans op slagen hebben, omdat ze rechtstreeks naar de kern gaan van wat de huidige elites willen bewaren: de politieke stabiliteit.

Ongelijkheid blijft een erg moeilijk te bespreken probleem. Zoals Milanovic ons herinnert kon het in de vroegere socialistische landen - waar hij vandaan komt - niet besproken worden, omdat het socialisme nu eenmaal geacht werd volmaakt te zijn en geen ongelijkheid kon produceren. In de kapitalistische landen, waar hij nadien kwam werken, was ongelijkheid evenmin bespreekbaar, omdat het de maatschappelijke orde in vraag kon stellen. Rijken willen niet over ongelijkheid spreken, omdat dit meteen de legitimiteit van hun rijkdom bevraagt. Tegelijk leven we met de filosofie van de Verlichting en de Franse Revolutie en geloven we in de beloftes van gelijkheid voor iedereen. Studies die aantonen dat dit verhaal niet klopt, zijn dan ook niet welkom. Studies naar ongelijkheid worden als subversief ervaren. Kortom, de hogere klassen willen ook helemaal niet meer gelijkheid. Zij willen zich juist voortdurend distantiëren van het gewone volk. Vandaar dat rijke mensen best iets willen doen tegen armoede, voor al diegenen die onder een bepaald minimum komen, als dit hen tegelijk helpt om de ongelijkheid onbesproken te laten. Een wereld zonder armoede, zoals de Wereldbank stelt, is een wereld waarin wel veel ongelijkheid en onrechtvaardigheid kan bestaan. Zonder politieke argumenten en zonder sociale strijd zal daar niet zo gauw iets aan veranderen.

lees ook: Arne Schollaert, Steven Janssen
'The Spirit Level. Why Equality is Better for Everyone - De waterpas doet het nog steeds’

Noten

  1. World Bank, World Development Report 2006. Equity and Development, Washington, 2005.
  2. World Bank, World Development Report 1990, Poverty, Washington, 1990, p. 30.
  3. World Bank, World Development Report 2000/2001. Attacking Poverty, Washington, 2001.
  4. ‘Does Inequality Matter?’, The Economist, 16 June 2001, pp. 11-22.
  5. Bv. ‘On Equality’, The Economist, August 21st, 2010, p. 27.
  6. Ravallion M., Growth, Equality and Poverty: Looking beyond Averages, Development Research Group, World Bank, in antwoord op Dollar D. and Kraay A., Growth is Good for the Poor, Development Research Group, 2000.
  7. Ravallion M., Competing Concepts of Inequality in the Globalisation Debate, World Bank Policy Research Paper 3243, March 2004.
  8. Mestrum F., ‘Voor een nieuwe ontwikkelingsagenda’, Samenleving en politiek, nr. 7, 2008.
  9. Kohonen M. and Mestrum F., Tax Justice. Putting Global Inequality on the Agenda, London, Pluto Press, 2008.
  10. Milanovic B., Why we all do care about inequality (but are loath to admit it), Development Research Group, World Bank, October 2003.
  11. CapGemini/Merril Lynch, World Wealth Report 2010, s.l. 2007.
  12. ILO, Income Inequalities in the Age of Financial Globalization, Geneva, 2008.
  13. ILO, World Employment Report 2004-2005, Geneva, 2005.
  14. Scott J., Domination and the Art of Resistance. Hidden Transcripts, London, Yale University Press, 1990.
  15. Milanovic B., The Haves and the Have-Nots, New York, Basic Books, p. 120.
  16. Mestrum F., World Public Finances and Global Income Inequality, http://www.choike.org/documentos/Inequality.pdf.

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 6 (juni), pagina 66 tot 71