Abonneer Log in

Drie beten in welke appel?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 7 (september), pagina 62 tot 69

HET SCHULDENPLAFOND IN DE VS

Tussen mei en augustus van dit jaar werd de wereld opgeschrikt door het escalerende debat over de verhoging van het federale schuldenplafond in de Verenigde Staten. Dat plafond wordt immers bij wet vastgelegd en door opeenvolgende begrotingstekorten had de VS dit plafond in de loop van de maand mei bereikt. Daar waar een dergelijke verhoging in het verleden altijd automatisch werd goedgekeurd, was het deze keer niet zo. De verhoging werd immers gekoppeld aan de Amerikaanse begrotingsproblemen en aan de wijze waarop deze moesten worden aangepakt. Zouden bezuinigingen gecombineerd worden met belastingverhogingen? Of moest het uitsluitend om (draconische) bezuinigingen gaan? En was het wel verstandig dergelijke bezuinigingen door te voeren op een moment dat de Amerikaanse economie opnieuw in het slop leek te komen? Het Republikeinse antwoord op deze vraag was duidelijk. Terwijl er van belastingverhogingen geen sprake kon zijn, zou een verhoging van het schuldenplafond slechts aanvaard worden indien het aan drastische bezuinigingen gekoppeld zou worden. De plafondverhogingswet zou dus dergelijke bezuinigingen moeten bevatten of er kon van een nieuwe wet geen sprake zijn, zo was de stelling. In dat geval zou de VS vanaf 2 augustus echter in een situatie van wanbetaling terecht komen. Ook al kon niemand precies voorspellen wat de gevolgen daarvan zouden zijn, de vrees ervoor zorgde alvast voor paniek op de financiële markten toen 2 augustus naderbij kwam en er maar geen akkoord over een nieuwe plafondwet bereikt was. Want een akkoord daarover was wel noodzakelijk. De Republikeinen mochten dan een duidelijke mening over deze hele zaak hebben, om een wet aanvaard te krijgen zouden ze de medewerking van de Democraten nodig hebben.
Die hebben immers de meerderheid in de Amerikaanse Senaat en beschikken via Barack Obama ook over het presidentiële vetorecht over wetsontwerpen. De Republikeinen moesten het dus van hun meerderheid in het Huis van Afgevaardigden hebben om in de onderhandelingen over een dergelijk akkoord de druk op de Democraten, Obama incluis, tot het uiterste op te drijven. Het werd uiteindelijk een gevaarlijk politiek pokerspel waarin de VS dicht bij een wanbetaling terechtkwam en waarin de Republikeinen erin slaagden het laken grotendeels - maar niet volledig - naar zich toe te trekken. Ofschoon Obama ook een deel van zijn eisen wist door te drukken, lijkt hij de hoogste politieke prijs voor dit akkoord te betalen. Een belangrijk deel van zijn achterban voelt zich immers door hem in de steek gelaten. Maar er is meer. Het hele proces legde de zwakheden van het Amerikaanse politieke systeem bloot wanneer het met een gepolariseerd probleem te kampen krijgt. En voor de gevolgen hiervan lijkt Obama opnieuw de politieke prijs te betalen. De paniek over de economische situatie in de VS is er immers door toegenomen, net als de vrees dat een verlamde overheid daar niets aan kan verhelpen. Het risico op een nieuwe economische depressie neemt daardoor toe en dat vormt het grootste risico voor Obama’s herverkiezingskansen bij de presidentsverkiezingen van volgend jaar.

In dit artikel gaan we dieper in op oorzaken van dit geëscaleerde conflict. We zien daarin drie elementen. In eerste instantie is er de Republikeinse verkiezingsoverwinning bij de Congresverkiezingen van vorig jaar en de politieke focus op het federale begrotingstekort en de snel groeiende Amerikaanse overheidsschuld. In tweede instantie is er Obama en de wijze waarop hij zijn presidentschap benadert. In deze kwestie is dit bijzonder disfunctioneel gebleken, enerzijds vooral voor de linkervleugel van zijn achterban, maar anderzijds ook voor hemzelf. In derde instantie is er de Tea Party en het polariserende effect ervan op de Republikeinse Partij. Compromisvorming is daardoor voor de Republikeinse partijleiders een moeilijke zaak geworden, daar waar het Amerikaanse systeem met zijn ‘checks and balances’ van compromisvorming afhankelijk is, zeker in een situatie waarin presidentschap, Huis en Senaat niet door dezelfde partij worden gecontroleerd.

In de zoektocht naar deze drie elementen staat het uitgangspunt van de Republikeinen centraal dat de vraag over het schuldenplafond de derde en finale beet in de (zure) appel van de Amerikaanse begrotingsproblemen was. Bij het aantreden van de nieuwe Republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden in januari 2011 was het uitgangspunt immers dat deze problemen via ‘drie beten in de appel’ moesten worden aangepakt: in de vaststelling van de begroting 2011, in de vaststelling van de begroting 2012 en in de verhoging van het schuldenplafond. De vraag die we ons stellen is evenwel wie deze beten nu heeft gekregen. En het antwoord is dat het Obama zelf is die de lelijkste knauw gekregen heeft. Maar ten dele heeft hij dit aan zichzelf te danken.

DRIE BETEN IN EEN ZURE APPEL

Op 2 november 2010 behaalden de Republikeinen een belangrijke overwinning bij de Amerikaanse Congresverkiezingen. In het Huis van Afgevaardigden wisten ze een meerderheid op de Democraten te veroveren en in de Senaat wisten ze een aantal bijkomende zetels te winnen, ook al leverde hen dat geen meerderheid op. Drie elementen verklaren dit Republikeinse succes: de slechte economische situatie, de lagere opkomst dan in 2008 en de door de Tea Party gestuurde succesvolle mobilisatie tegen Obama en de Democraten als ‘big spenders’. Het laatste element is het belangrijkste in het licht van het schuldenplafond omdat de Republikeinse partij (GOP) eruit afleidde dat het van de kiezer een mandaat had gekregen om de strijd met het overheidstekort onverdroten aan te gaan en dit zonder belastingverhogingen. Of liever gezegd, de partij hield de indruk hoog dat het over een dergelijk mandaat beschikte ook al was dit verre van evident gezien het feit dat vooral de slechte economische situatie het resultaat kon verklaren, dit in combinatie met de lagere opkomst dan in 2008. Een lagere opkomst bij ‘mid-term elections’ (verkiezingen halverwege een presidentiële ambtstermijn) is overigens normaal. Het zijn de meer gematigde kiezers die in dergelijke verkiezingen het snelste afhaken, gevolgd door militante kiezers die hun eerste teleurstellingen in de nieuwe president hebben opgedaan. Zo was het ook in 2010. En dat leverde de Democraten de grootste averij op omdat zij in 2008 van deze groep het voordeel van de twijfel hadden gekregen in de context van een losbrandende financiële crisis. Dat voordeel was in 2010 grotendeels omgeslagen in een nadeel omdat de economische crisis maar bleef aanslepen. Ook een deel van Obama’s meer militante achterban haakte af omwille van die crisis en daarbovenop kwam nog het feit dat militante conservatieve kiezers die uit boosheid met Bush en de Republikeinen in 2008 thuisbleven, in 2010 wél weer naar de stembus trokken, dit ten dele door toedoen van de Tea Party beweging.

Wat ook de echte redenen achter de Republikeinse verkiezingsoverwinning van 2010 waren, er zijn twee elementen die hier belangrijk zijn. In eerste instantie de eerder vermelde indruk die de GOP wilde hooghouden dat ze hiermee een duidelijk mandaat ten gunste van onverdroten bezuinigingen had gekregen. In tweede instantie het feit dat de partij hier ook voor kon gaan gezien ze in het Huis van Afgevaardigden een comfortabele meerderheid van 241 (op 435) zetels in de wacht had kunnen slepen. De idee van de drie beten in de appel werd dan ook vanuit dit nieuw samengestelde Huis van Afgevaardigden naar voren geduwd. De Republikeinse leiding wist immers dat nog drie grote begrotingskwesties snel aan de orde zouden zijn in het voorjaar van 2011: de begroting van 2011, deze van 2012 en het schuldenplafond. Meteen maakte ze duidelijk dat elk van deze drie zou worden aangewend om het bezuinigingsprogramma van de partij door te drukken als drie beten in een appel. Voor de begrotingen van 2011 en 2012 werden zware bezuinigingen voorgesteld en ook bekomen. De onderhandelingen over deze van 2011 waren dermate moeilijk dat ze de VS op de rand van een ‘government shutdown’ brachten. In het uiteindelijke akkoord konden de Republikeinen het laken grotendeels naar zich toetrekken.

Het schuldenplafond was dus de ‘derde beet in de appel’ die als het ware het sluitstuk van de hele bezuinigingsoperatie moest vormen. Een groot voordeel dat de Republikeinen hier hadden was het feit dat Obama zijn belangrijkste troef in dit debat, met name de afloop van Bush’s belastingverminderingen, uit handen had gegeven.

OBAMA ZONDER DE GROOTSTE TROEF DE ONDERHANDELINGEN IN

Inderdaad, de grote belastingverminderingen die in 2001 en 2003 in de VS werden doorgevoerd, werden slechts voor een periode van 10 jaar voorzien. Volgens Hacker en Pierson paste dit in een strategie van Bush om de totale berekende kost van zijn belastingverminderingen te drukken, wetende dat de reële kost veel hoger zou liggen gezien de niet-hernieuwing van deze belastingverminderingen politiek weinig waarschijnlijk was.1 Een belastingvermindering doen aflopen, staat immers gelijk aan het verhogen van belastingen. Bovendien zou het niet uitsluitend om belastingen op de hoogste inkomens gaan. Ongeveer 55% ervan is ten voordele van de Amerikaanse middenklasse. Als de verminderingswetten van 2001 en 2003 gewoon zouden aflopen, zouden de belastingen ook voor deze middenklasse de hoogte in gaan en electoraal gezien is dit een riskante zaak. De middenklasse is immers de beslissende inkomensgroep in de strijd tussen Republikeinen en Democraten.

President Obama kreeg de hernieuwing van deze belastingverminderingen op zijn bord. Zijn standpunt daarover was reeds tijdens de presidentscampagne van 2008 duidelijk: de verminderingen konden worden verlengd voor alle inkomensgroepen behalve deze vanaf 200.000 dollar jaarinkomen voor individuen en 250.000 dollar voor koppels. Voor de Republikeinen was dit laatste uit den boze. Om het aflopen van de Bush-verminderingen voor alle inkomensgroepen te voorkomen, werden in december 2010 onderhandelingen gevoerd. Hieruit resulteerde een akkoord waarin de betrokken verminderingen voor alle inkomensgroepen met twee jaar zouden worden verlengd. In ruil voor deze toegeving kreeg Obama een verlenging van de regeling waarin werklozen tot 99 weken een uitkering konden krijgen. Die verlenging gold evenwel voor één jaar, niet voor de twee jaren waarin de verlengde belastingvermindering zou gelden. Het meest opvallende is dat Obama deze onderhandelingen niet koppelde aan de verhoging van het schuldenplafond. Men wist immers in het najaar van 2010 dat dit plafond binnen enkele maanden bereikt zou worden en van de Republikeinen waren er ondertussen voldoende signalen dat velen van hen van plan waren de verhoging te koppelen aan drastische bezuinigingen. Toch werd de koppeling niet gemaakt. Integendeel, in het spelletje blufpoker dat omtrent deze kwestie werd gespeeld, bleek Obama de eerste te zijn die inbond. De vrees om belastingverhogingen te riskeren voor de middenklasse bleek bij hem zwaarder te wegen dan bij de Republikeinse onderhandelaars. Een koppeling aan het schuldenplafond had dit anders kunnen doen verlopen. In dat geval had Obama verlenging van de belastingverminderingen aan de verhoging van het plafond kunnen koppelen en aan daarmee gepaard gaande bezuinigingen.

Door beide dossiers niet aan elkaar te linken gaf Obama de Republikeinse leiders hun belastingverminderingen zonder dat hij zich veilig stelde op het vlak van de uitgaven. Enkele maanden later bleek hoezeer hem dit benadeelde. Dat de belastingen zouden stijgen indien de Republikeinen niet met een aanvaardbare plafondverhoging zouden instemmen, kon nu niet meer worden uitgespeeld. Er kan natuurlijk lang gedebatteerd worden over de vraag of een dergelijke aanpak een beter resultaat voor de Democraten zou hebben opgeleverd maar de overtuiging bij een belangrijk deel van Obama’s militante achterban is alleszins dat hij er een grote kans mee heeft gemist. Bovendien bestaat de overtuiging dat hij tot tweemaal heeft getoond dat hij het spelletje blufpoker met de Republikeinen niet tot het einde toe kon volhouden. Nochtans had hij dit op het dossier van de belastingvermindering gemakkelijker kunnen doen. Hij had de verminderingen kunnen doen aflopen en dan vanuit de Democratische meerderheid in de Senaat een nieuwe belastingvermindering kunnen laten voorstellen waarin alle groepen een vermindering zouden krijgen behalve de hoogste. Republikeins verzet tegen een dergelijke wet zou dan als Republikeins verzet tegen een belastingverlaging kunnen worden voorgesteld. Met het schuldenplafond lagen de kaarten anders. Daar waren de consequenties van een gemiste verhoging gewoon veel te zwaar en dat kon Obama als president moeilijker negeren dan individuele leden van het Amerikaanse Congres. De Republikeinen hebben dat ten volle tegen hem uitgespeeld en met succes. De wortels van hun succes lagen dus niet uitsluitend in het politieke opbod in de laatste rechte lijn naar 2 augustus, maar wel in het compromis dat Obama reeds in december 2010 sloot over de Bush-verminderingen.

Een belangrijk element wordt hierbij gevormd door peilingen die steevast aangaven dat ruim 60% van de Amerikanen van oordeel was dat het schuldenprobleem niet alleen met bezuinigingen kon worden opgelost en dat een belastingverhoging voor de hogere inkomens-categorieën daarbij aanvaardbaar was. In de kwestie van de Bush-verminderingen had Obama dus tot het uiterste kunnen gaan, o.m. door het schuldenplafond eraan te koppelen. De kritiek die Obama ter linkerzijde te slikken kreeg was dan ook niet mals. Verschillende critici zien de afloop van deze kwestie als een symptoom van een dieperliggend fenomeen dat het Obama presidentschap kenmerkt en dat ook een grote kloof slaat tussen de verwachtingen over dit presidentschap en wat het kan realiseren. Zo wordt gesteld dat zijn drijfveer om ‘Washington te veranderen’ en de partijen te overstijgen neerkomt op het weg onderhandelen van al zijn eisen nog voor echte onderhandelingen gestart zijn. Zo wordt hem voor de voeten geworpen dat hij met zijn cerebrale wat afstandelijke aanpak niet tot het uiterste durft te gaan in ideologisch polariserende kwesties. Zo wordt hem verweten in het hele begrotingsdebat de belangrijkste presidentiële troef, het inhoudelijk kleuren van het publieke debat, uit handen te hebben gegeven. Daardoor konden de Republikeinen de inhoud van dit debat grotendeels bepalen en Obama en de Democraten in de verdediging drukken.

Toch is niet iedereen het hiermee eens. Zo wordt aangegeven dat Obama zowel in december 2010 als eind juli 2011 de meest verstandige weg koos. Met het vervallen van de belastingverminderingen voor alle inkomensgroepen zou een nieuwe economische depressie in de hand zijn gewerkt en dat zou vooral de Democraten zuur zijn opgebroken. En voor een wanbetaling als gevolg van het uitblijven van een akkoord over het schuldenplafond zou vooral de president verantwoordelijk worden gesteld om nog niet te spreken over de mogelijke economische gevolgen ervan. Gegeven de omstandigheden, waaronder nakende deadlines en een geradicaliseerde Republikeinse Partij, heeft de president er het beste van gemaakt, niet alleen voor hemzelf maar ook voor de Democraten.

Wie ook gelijk in deze discussie over Obama’s aanpak moge hebben, de radicalisering van de Republikeinse Partij heeft alleszins een belangrijke rol in de hele begrotingsdiscussie gespeeld en de partij een strategisch voordeel opgeleverd dat het ten volle heeft uitgespeeld.

DE TEA PARTY EN DE IDEE DAT DE GROOTSTE GEK WINT

Het is ontegensprekelijk zo dat de radicalisering van de Republikeinse Partij door toedoen van de Tea Party beweging een zeer belangrijke, zelfs beslissende rol in de besluitvorming omtrent het schuldenplafond heeft gespeeld. Zo raakte na afloop van de hele schuldplafondkwestie bekend dat Obama reeds in mei van dit jaar in een gesprek met Democratische senatoren had aangegeven dat hij als president geen wanbetaling kon riskeren. Dit betekende meteen ook dat het strategische voordeel in deze hele kwestie bij de Republikeinse Partij terecht kwam, of ten minste toch bij het Tea Party gedeelte van die partij. Twee elementen speelden daarin mee. In eerste instantie de duidelijke indicaties van Tea Party aanhangers in het Congres dat ze een wanbetaling zouden riskeren om hun gelijk te halen. Een deel van hen was sowieso niet bereid een verhoging van het schuldenplafond goed te keuren. Ten tweede was er de vraag in hoeverre de Republikeinse leiding bereid was tegen de eigen Tea Party aanhang in te handelen. Via een wisselmeerderheid (overigens helemaal geen vreemd fenomeen in de VS) kon men immers tegen Tea Party verzet in een plafondverhoging laten goedkeuren in het Huis van Afgevaardigden. Maar daar zouden wel Democratische stemmen voor nodig zijn en die zouden uiteraard niet kosteloos geleverd worden.

Nu is het niet eenvoudig de juiste impact van de Tea Party beweging op de Republikeinse Partij te duiden. Er bestaan verschillende indicatoren om die impact te meten maar de resultaten ervan lopen wat uiteen, zeker wat het aantal Tea Party aanhangers in het Huis van Afgevaardigden betreft. Van de 240 Huisleden die de Republikeinse Partij momenteel telt zijn er 40 die zich bij de verkiezingen van 2010 als Tea Party aanhanger geprofileerd hebben. In het Huis heeft zich ondertussen een formele groep gevormd die Tea Party aanhangers bijeenbrengt, de Tea Party Caucus. Volgens de cijfers van de voorzitter van deze groep, Michele Bachmann, telt deze Caucus 60 Huisleden.2 Toch onderschat dit cijfer het echte aantal omdat een deel van de Tea Party Huisleden argwanend is ten aanzien van deze Caucus. Zij zien hierin immers een vehikel van de Republikeinse Partij om de Tea Party onder controle te krijgen. De schatting is dan ook dat ruim een kwart tot een derde van de Republikeinse Huisfractie tot de beweging kan worden gerekend. Maar de impact ervan is groter omdat heel wat Republikeinse Huisleden (en overigens ook Senatoren) bevreesd zijn voor het vermogen van de Tea Party om tegenkandidaten te genereren in de voorverkiezingen die de Republikeinen voor hun Huiszetels organiseren. In dergelijke verkiezingen worden de kandidaten van de partij voor de eigenlijke Congresverkiezingen verkozen. Om Tea Party tegenkandidaturen te voorkomen, proberen meer gematigde Republikeinse Huisleden de beweging vooral niet voor het hoofd te stoten. Daar zijn ook redenen toe. Aan voorverkiezingen nemen bijna uitsluitend zeer militante kiezers deel en binnen de Republikeinse Partij speelt dat in de kaarten van de Tea Party. Omdat de kiesdistricten veelal zodanig zijn uitgetekend dat één bepaalde partij bijna zeker de zetel kan behouden, betekent dit voor de Republikeinse Partij dat in heel wat districten waar momenteel een Republikein verkozen is, een Tea Party kandidaat die de Republikeinse nominatie in de wacht kan slepen een grote kans heeft om uiteindelijk ook in het Huis van Afgevaardigden terecht te komen. Een radicalisering van een groot deel van de Republikeinse Huisfractie is er het gevolg van.

Die radicalisering vormt een tweesnijdend zwaard voor de Republikeinse partijleiding, zo is uit de hele schuldenplafondzaak gebleken. Aan de ene kant levert ze een strategisch voordeel op. In de context van een deadline over een schuldenplafond en dus het risico op een wanbetaling ligt dit voordeel inderdaad bij degene die het meest geloofwaardig is in de bewering een rampenscenario te willen riskeren. In een dodelijk opbodspel wint degene die zich als grootste gek kan voordoen en dat is wat de Tea Party aanhang in het Huis ook heeft gedaan.

Aan de andere kant speelde toch ook voor de Republikeinse leiding de vraag mee wie de hoogste politieke prijs voor een wanbetaling zou betalen. Zou het Obama of juist de Republikeinen zijn? Zouden ze daardoor het label van extremisten opgekleefd krijgen en het bij de presidentsverkiezingen van 2012 bij de meer gematigde, maar veelal beslissende kiezers in het politieke centrum van Obama verliezen? Het kon. In 1996 was het al eens gebeurd. Bill Clinton had er zijn herverkiezing aan te danken. Het is dan ook opvallend dat in het heetst van de strijd ook uitgesproken conservatieve commentatoren zoals Charles Krauthammer, de Tea Party aanhang opriepen om (een beetje) water bij de wijn te doen door de Republikeinse partijleiding het voordeel van de twijfel te geven. Het effect daarvan was gering, wat de geloofwaardigheid van de Tea Party om een wanbetaling te willen riskeren vergrootte en de positie van de Republikeinse partijleiding ten opzichte van Obama en de Democraten versterkte. De nervositeit bij die partijleiding werd er echter niet kleiner door. Hoe ver kon de partij gaan zonder een scenario zoals in 1996 te riskeren? De Republikeinse leiders zaten ermee maar de Tea Party Huisleden duidelijk niet. En paradoxaal genoeg versterkte dit de positie van die Republikeinse leiders in de onderhandelingen met Obama.

CONCLUSIES

Welke conclusies kunnen er uit deze hele plafondzaak getrokken worden? Ten eerste zijn er drie elementen die hebben gespeeld in de afloop van deze zaak: de Republikeinse verkiezingsoverwinning van 2010 en de centrale aandacht voor de federale schuld, de zwakke positie van waaruit Obama moest onderhandelen en zichzelf deed onderhandelen en ten slotte het effect van de Tea Party op de verzwakking van die presidentiële positie.

Een tweede conclusie is meer structureel en fundamenteel van aard. De hele plafondzaak heeft aangetoond hoe problematisch het effect van politieke polarisering op de werking van het Amerikaanse federale politieke systeem geworden is. De VS stond immers op de drempel van een wanbetaling en de gevolgen ervan zouden niet te overzien zijn geweest. Nu zijn politieke meningsverschillen geen slechte zaak voor een democratie. Het voedt het politieke debat en legt de pro’s en contra’s van verschillende beleidsalternatieven bloot. Maar in een politiek systeem zoals het Amerikaanse, is compromisvorming uiteindelijk van cruciaal belang. Het gaat immers om een systeem waarin macht over verschillende takken van de overheid verspreid wordt. Die verschillende takken, zoals het Huis, de Senaat en de president, zijn daardoor genoodzaakt om met elkaar samen te werken. Dit is mogelijk wanneer harde retoriek op een bepaald moment plaats maakt voor onderhandelingen waarin naar een oplossing wordt gezocht die voor elke speler aanvaardbaar is. Gemakkelijk is dit niet en dat blijkt ook. In het Amerikaanse systeem hebben zij die niets aan de bestaande situatie willen veranderen een groot structureel voordeel. Het aantal blokkeringsmogelijkheden is er immers legio. Ambitieuze presidenten moeten dit tot hun schade en schande ondervinden. De kwestie van het schuldenplafond legt echter een fundamenteel probleem in dit hele systeem bloot, zoals het eigenlijk de laatste decennia geëvolueerd is. Door de hertekening van de kiesdistricten in het Huis van Afgevaardigden zorgen de twee grote politieke partijen ervoor dat de kansen op zetelverlies zo klein mogelijk worden gehouden. Omdat het tekenen van kiesdistricten een staatsaangelegenheid is (niet een zaak van de federale overheid) doen de Democraten dit in de staten waar zij de instellingen in handen hebben en de Republikeinen waar dit voor hen het geval is. Omdat de kans op zetelverlies voor de partij kleiner wordt, wordt de betekenis van de voorverkiezingen groter en daar blijken de meest militante kiezers beslissend te zijn. Het gevolg is dan ook dat de partijen met meer radicale kandidaten naar de Congresverkiezingen stappen en dat hun Huisfracties ook meer geradicaliseerd en gepolariseerd geraken. Samenwerking wordt daardoor veel moeilijker en de kans op patstellingen veel groter. De Tea Party beweging en zeker de sponsors achter die beweging hebben daar handig op ingespeeld. Met een maximale benutting van de bestaande institutionele mogelijkheden (waaronder de voorverkiezingen) en mede gebruik makend van een president die wellicht te snel het compromis zoekt, zijn zij erin geslaagd een invloed te verwerven die veel groter is dan hun aanhang bij de Amerikaanse bevolking als geheel zou doen vermoeden. Ook al zijn de Amerikaanse begrotingsproblemen zeer ernstig te noemen, in de oplossing die zij ervoor hebben weten door te drukken is het evenwicht ver zoek. Voor de Amerikanen die niet tot de hoogste inkomenscategorieën behoren blijft daardoor wellicht de vraag hangen in wiens appel men nu eigenlijk drie keer gebeten heeft. Het is een vraag die Obama wellicht ook zal bezighouden nu hij onder vuur ligt bij een deel van zijn eigen achterban.

Bart Kerremans
Hoogleraar Internationale Relaties en Amerikaanse Politiek, KULeuven

Noten
1/ Hacker J.S., Pierson P. (2005), Off Center. The Republican Revolution and the Erosion of American Democracy, New Haven, CT, Yale University Press.
2/ http://bachmann.house.gov/News/DocumentSingle.aspx?DocumentID=226594 (geconsulteerd op 22 augustus 2011). De cijfers geven de situatie op 12 juli 2011 weer.

Verenigde Staten - Barack Obama - begroting

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 7 (september), pagina 62 tot 69