Log in

'Kapitalisme zonder remmen. Opkomst en ondergang van het marktfundamentalisme'

Uitgelezen

Kapitalisme zonder remmen. Opkomst en ondergang van het marktfundamentalisme

Maarten Van Rossem
Uitg.Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2011

Maarten Van Rossem, van de Utrechtse universiteit, probeert te begrijpen wat er in 2008 gebeurd is toen Leh-man Brothers over de kop ging. Het was geen ‘accident de parcours’, maar we zaten toen met een systeembedreigende crisis die het resultaat was van een proces dat in gang gezet was in de vroege jaren 1980. Het was een proces van deregulering, gebaseerd op een ideologie van het marktfundamentalisme. Van Rossem concentreert zich op de Verenigde Staten, omdat dit fundamentalisme daar de meest dramatische gevolgen heeft gehad.

In de jaren 1930 maken we de geboorte mee van de verzorgingsstaat, het resultaat van een actief economisch management door de overheid. Ook de financiële sector werd gereguleerd. De jaren 1970 waren een sleutelmoment, waarbij het grote compromis vervangen werd door een nieuwe beleidsconsensus. De groei halveerde, de werkloosheid werd twee tot drie maal groter en het spook van de inflatie manifesteerde zich. Het Bretton Woods akkoord werd opgezegd. Het keerpunt is niet genomen door Ronald Reagan, maar werd ingezet door de democraat Jimmy Carter. Dit was niet het gevolg van een kiesresultaat, maar van een offensief van de Amerikaanse zakenwereld. De democraten hadden gewoon ‘geen antwoord meer op de nieuwe ideologie en organisatorische dynamiek van de Republikeinen en hun zakelijke bondgenoten.’ (36). Het neoliberalisme werd een nieuwe godsdienst. Carter zorgde dan ook zelf voor deregulering en was de voorbode voor een mondiale ommekeer, waar Thatcher zo’n belangrijke rol zou in spelen. Reagan zelf was geen oorzaak, maar een gevolg.

De profeten van het neoliberalisme waren Hayek en Friedman. Zij predikten het geloof in de efficiëntie van de markt, dat ook in mathematische modellen werd gegoten. Maar dit geloof beantwoordt niet aan de realiteit. Beurzen gedragen zich allerminst efficiënt en de economie als zodanig functioneert helemaal niet efficiënt. Vaak moet de overheid ervoor zorgen dat de markt niet door prijsafspraken dicht gaat. Er is ondertussen een hele economie van het menselijk gedrag, die duidelijk toont dat economische keuzes heel weinig met rationaliteit te maken hebben. Maar het werd een ideologie, die alles ging overheersen. De democraten moesten volgen, ze werden ideologische gevangenen, in het beste geval neoliberalen met een menselijk gezicht.

Ronald Reagan liet de deregulering voortrazen. Er kwamen nieuwe beleggingsinstrumenten, waarvan Warren Buffet ooit zei dat het massavernietigingswapens van de financiële markt waren. Van Rossem legt bevattelijk uit in het hoofdstuk ‘derivaten’ wat opties, CDO’s, tranchering en CDF zijn. En de democraten volgden. Zowat alle regels en toezicht werden opgegeven. Tussen 1986 en 1995 verdwenen 1600 spaarbanken, een verlies van 160 miljard dollar. In oktober 1987 stuikte de beurs plots ineen. Maar toen in 1989 de Muur viel werd het marktfundamentalisme echt de allesomvattende wereldbeschouwing. Alle problemen zouden door de markt opgelost worden, werd beleden door de zogenaamde Washington consensus. Blair en Clinton hebben er nooit aan gedacht om de beleidsveranderingen uit de jaren 1980 ongedaan te maken. Clinton probeerde het begrotingstekort, dat Reagan ondertussen veroorzaakt had, in te perken en hij greep in op de bijstandswetgeving en zette het dereguleringsbeleid actief voort. Het onderscheid tussen zakenbanken, commerciële banken en verzekeringsmaatschappijen verdween volledig.

Dat is allemaal voorbereiding geweest op de kredietcrisis van 2008. De meest wonderlijke speculatieve praktijken werden mogelijk. In de VS kwam er een leenexplosie. De hypotheekmarkt werd een stuk Wild West, waarin ieder denkbare verkooptechniek geoorloofd werd. Tot op de grens van fraude! En allemaal met AAA-rating! Het werd een roekeloos en gewetenloos circus. Het vervolg is bekend: de huizenprijzen zakten in elkaar, de banken kwamen in de problemen, het mondiale financiële systeem dreigde in te storten. Tussen 2009 en 2011 verloren 9 miljoen Amerikanen hun huis. En de overheid moest het oplossen. Wat nu, vraagt Van Rossem zich af. Er moet opnieuw geregulariseerd worden. Maar kan dit lukken? Tot op vandaag is de cultuur van de financiële wereld niet veranderd. Winsten worden geprivatiseerd, verliezen gesocialiseerd. Het enige waar men zich aan kan vasthouden, is dat het ideologisch gedreven wanbeheer van de VS niet op kan tegen het Rijnlandmodel.

Maarten Van Rossem zet in een glasheldere stijl de geschiedenis neer van het proces van deregulering dat uiteindelijk geleid heeft tot de financiële crisis in 2008. Hij is niet zo optimistisch over de mogelijkheid om dat terug te draaien. Hoewel hij misschien niet zo veel nieuwe dingen op een rij zet, blijft het onthutsend te zien hoe dit verlopen is. Maar belangrijker lijkt me dat hij het marktfundamentalisme duidt in termen van ideologie. Het is een overtuiging, een geloof. Vandaag lijken de beurzen een jojo. Ik hoorde op een bepaald moment op de televisie een specialist van een grote bank uitleggen dat de beleggers een politiek antwoord verwachten. En met een eigenaardige glimlach voegde hij eraan toe: en wat de politiek vandaag doet geeft niet voldoende antwoord. Die man vertolkt met andere woorden een politieke boodschap: als jullie niet doen wat de beleggers willen, komen jullie niet uit de problemen. De politiek lijkt wel gegijzeld door de beurs. En waarom zou men niet politiek op die beurzen kunnen ingrijpen? Oei, heb ik dan gevloekt? En Peter Vanden Houte dan? Hij is hoofdeconoom ING België. In een bijdrage in De Morgen van 5 augustus 2011 schrijft hij dat politici moeten stoppen met zeuren over de macht van de ratingagentschappen: ‘Niets belet hen om dit te veranderen door die bureaus niet langer een veel te prominente rol te geven in de regelgeving.’ Als men Maarten Van Rossem leest, vraagt men zich af waar die bureaus nog enig moreel gezag kunnen uit putten. En als hij gelijk heeft en de economie ideologisch aangestuurd wordt, waarom zou men daar politiek niets kunnen aan doen? Als ik lees dat beleggers manisch-depressief zijn (De Morgen, 20 augustus 2011), waarom zouden we onze welvaart door die gestoorde mensen laten bepalen? Maar goed, beginnen we maar met het boekje van Maarten Van Rossem te lezen. Het loont de moeite.

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 7 (september), pagina 87 tot 89